Lijnrecht tegenover die sentimentele liefde staat echter bij Chrestien

als bij anderen, een ander ideaal prinsiepe, dat van de hooggespannen

en ten top gedreven cultus van de eer. Konden echte helden der

heldensage bang worden, deze onwerkelike ridders weten niet wat vrees

is; konden de eersten verstand aan den dag leggen en list vertonen, de

laatsten verachten zulke dingen. Wanneer er gezanten de grote zaal van

Artus binnenkomen, pochend en vol drukte zoals er dat in de heldensage

bij hoort, dan antwoordt de koning zachtmoedig glimlachend: »Vriend,

zeg ons uw boodschap; dat zal niemand u verhinderen." De ridders van

de Tafelronde moeten elke bede op voorhand inwilligen en keer op keer

worden Artus zo wel als zijn helden in de pijnlikste verlegenheid

gebracht wanneer de bede iets absoluut onmogeliks blijkt te beogen,

en meer dan eens worden zij door die onbezonnen beloften genoodzaakt

een onrechtvaardige zaak te bevorderen. Met poenerige trotsmoedigheid

zet de ridder zijn dame op het spel, zodra iemand hem maar uitdaagt

om haar te strijden. Komt er een vreemde strijdridder aan het hof van

Artus, die een ieder uitdaagt die maar wil om met hem om de koningin

te vechten, dan neemt Artus dit dadelik aan. Guenievre wordt dadelik

als het voorwerp van de strijd naar een weide gebracht en wie ook maar

wil van de ridders, al was het ook ridder Key, die om zijn ongelukken

bekend is, mag haar verdedigen. In de strijd zelf geeft de ridder zijn

tegenstander allerlei voordelen en is er op uit de fijnste ere-regels

voor de strijd op te stellen. Onder de ridders geldt ook de stijfste

beleefdheidsetikette en elk woord dat niet »convenable" is of elk

onbeleefd antwoord betekent zoveel als een uitdaging in een duel. Vooral

is hoofsheid tegen de dames een ridderplicht; een dame niet te groeten

is een misdaad, die gezoend moet worden; de hand aan een vrouw te

slaan--zelfs al zou zij daar zelf schuld aan zijn doordat zij zich

tussen de strijdenden geworpen had--eist een lange tijd van

boetedoening.

Een nieuwe ridderlike deugd, die de ridders van koning Artus op de meest

geraffineerde wijze beoefenen is de bescheidenheid; die hebben ze uit

de heilige legenden geleerd. Nooit zullen ze zich ook maar enigermate

op de voorgrond stellen, altijd, zo mogelik, hun heldendaden anoniem

volbrengen, in een onbekende wapenrusting, men moet ze bespioneren om

gelegenheid te krijgen ze te bedanken. Schoon is b.v. ook een scène

waarin Gawein een zijner broeders treft, zonder dat die hem kent. De

broeder vraagt de Artusridder over de Tafelronde uit, wie de beste

is, enz.... steeds in de hoop Gawein te horen prijzen. Maar Gawein

noemt allen anderen een voor één op, maar nooit zijn eigen naam, waar

de ander zich hevig over ergert. En Lancelot zowel als andere helden

hebben er een bepaald plezier in om zich zelf te plagen, en zich te doen

miskennen, zich voor te doen als of ze voor iets niet deugden en zich

door anderen in de schaduw te doen stellen; zachtmoedig houden zij zich

op de achtergrond, totdat ze van de nood een deugd moeten maken en ze

zich plotseling in al hun kracht vertonen.

En de Artusromans hebben er plezier in, evenals Chrestien, de ridder

met zijn eigen geweten in konflikt te brengen, waardoor verschillende

kwesties van eer of de eisen van de riddereer en die der liefde

tegenover elkaar komen te staan, zo dat de ridder genoodzaakt wordt een

dier eisen te overtreden en daarvoor gestraft wordt òf dat hij zich door

de ene of andere subtiliteit uit de slag moet trekken. Hij heeft b.v.

juist een tegenstander overwonnen en die ligt nu weerloos onder hem;

nu komt een dame aanzetten die om een gunst vraagt welke de ridder

haar natuurlik dadelik toestaat,--nu vraagt zij om het hoofd van de

overwonnene. Eerloos zou het zijn de weerloze te doden, maar zijn

belofte aan de dame mag een ridder ook niet breken; hij geeft dus de

ridder zijn wapenen terug en begint een nieuwe kamp met hem, waarin

hij hem overwint. Of Gawein heeft een ridder verslagen die een vrouw

geweld aan heeft gedaan. Des avonds komt hij aan een kasteel waar hij

allervriendelikst ontvangen wordt. Maar aan het eind van de maaltijd

wordt het lijk van de verslagene binnengebracht en nu blijkt het dat het

de zoon van zijn gastheer is die Gawein gedood heeft; het bloed dat uit

de wonden vloeit toont wie de moordenaar is en hij tracht dit dan ook

niet te ontkennen. Eerst wil zijn gastheer hem nu doden, maar dan

herinnert hij zich de eisen der gastvrijheid, laat hem de volgende

morgen wegtrekken, om hem dan pas te vervolgen en wraak te zoeken.

* * * * *

De proza-roman van Lancelot is van de monniksgeest doortrokken. Lange

uitwijdingen over dogma's breken het verhaal overal af en voortdurend

wordt de kristelike missie van de ridderschap op de voorgrond gebracht.

Van zonde, berouw en boetedoening is de liefdeshistorie van Lancelot

en Guenievre vol, en de gehele elegiese sentimentaliteit waarmede hun

moeilikheden geschilderd worden heeft een kristelike legendentoon over

zich. De schroomvallige nauwgezetheid en de spitsvondige dialektiek

waarmede de ridder aan de eisen van de eer tracht te voldoen, het diepe

schuldbewustzijn dat de minste tekortkoming aan die eisen in het gemoed

van die ridder achterlaat,--dat is alles ook van kristelike oorsprong.

En de roman eindigt er dan ook meê dat Guenievre zich in een klooster

terugtrekt en Lancelot zijn leven als een vrome eremiet eindigt.

Vele zijn over het algemeen de pogingen van de geestelikheid geweest

om de ridderpoëzie van de kristelike geest te doordringen. Wij hebben

»lais" die een kristelike morele kleur over de heidense Keltiese sagen

trachten te leggen; wij hebben romans waarin de kristelike mirakelen

tegen heidense toverij strijden of waar het teken des kruises de ridder

uit de handen der spoken redt. Maar de belangrijkste poging om een

beslist kristelike ridderromantiek tegenover de wereldlike te zetten,

deden de monniken in de Graalromans. Tegenover de ridders van de

Tafelronde kwam de heilige ridderschap van de Graal te staan, tegenover

de jacht op avonturen en eer, die van de Graal, »la quète du graal",

een jacht op die levenskroon welke slechts de volmaakte ridder zonder

blaam zou kunnen bereiken. En niet minder avontuurlik,--neen! nog

avontuurliker en wonderliker, nog meer vervuld van heldendaden en

ridderlikheid dan al die Artur-romans werd die Graal-romantiek in de

werken van Chrestiens' navolgers, de Duitser Wolfram von Eischenbach,

die in een groot gedicht een verloren Franse versroman nabootst, in de

berijmde Graalromans van Robert de Boron, een Anglo-Normandies dichter

en ten slotte in de grote prozaromans die ten dele aan Walter Mapes

toegeschreven worden.

In die overweldigende massa van vers en proza golft er een chaotiese

menigte van voorstellingen, van alle kanten te samen gevloeid en die

elkaar dikwels tegenspreken. Maar de hoofdtrekken zullen wel zo ongeveer

de volgende zijn:

De schaal, het bekken of de schotel waarvan Kristus bij het laatste

avondmaal zeide: »Die de hand met mij in den schotel doopt, die zal

mij verraden", heeft steeds een wonderbare kracht behouden, niet alleen

om de goeden en de reinen voedsel te geven en hen tevreden te stellen

maar ook om de zonden te ontsluieren door geen onreinen in de buurt

te kunnen dulden. Die schotel kwam in het bezit van de vrome Josef

van Arimathea die er het bloed van de Gekruisigde in bewaarde. Toen

hij gedurende de Kristen-vervolgingen in de gevangenis geworpen was,

werd hij wonderbaarlik voortdurend door den schotel gevoed, en Kristus

openbaarde zich voor hem en leerde hem de ritus van de Mis en de

mystiese betekenis er van. Toen stichtte Josef een broederschap van die

»Graal" zoals het genoemd werd en van een Tafelronde, ter herinnering

aan het laatste Avondmaal. De Graal verschaft voedsel, maar hij die

alleen uit nieuwsgierigheid er in kijken wil of die zich aan de tafel

neerzet zonder er recht op te hebben, wordt gewond of verblind door

hemelse wapenen. De Graalbroeders trekken als zendelingen de wereld

in en ten slotte trekken zij op hemels bevel naar Engeland om dat

land te kerstenen. Overal wordt hun tocht door mirakelen en mysteriën

gekenmerkt, zij vinden het toverzwaard van koning Salomon; ter loutering

van hun zonden worden enkelen hunner met toverschepen naar tovereilanden

gebracht: een der leden van de broederschap heet Brons en wordt »de

rijke visser" genoemd, omdat hij een vis gevangen heeft waar een heel

gezelschap mee gevoed is geworden.--Petrus wordt in de H. Schrift een

»visser der mensen" genoemd en de vis is ook het symbool van Kristus--,

een ander wordt door een bloeddruipende lans in zijn voet gewond, hetzij

omdat hij op een heilige plaats is gaan slapen of omdat hij in de

schotel gekeken heeft, of het is door het zwaard van Salomon dat hij

gewond wordt. Intussen is de Graal van Josef van Arimathea in andere

handen overgegaan en die wordt ten slotte in een onbekend slot, ergens

in het westen van Engeland, bewaard opdat die niet in de handen der

woeste Saksen vallen zal.

Daar zit nu een Graalkoning die te bewaken... hij is ziek, maar hij kan

niet sterven of beter worden, vóór een rein, edel man naar de Graal en

de bloedende lans komt vragen. In navolging van de broederschap van de

Graal is nu Artur's ridderschap van de Tafelronde gesticht geworden om

de Graal te zoeken. Merlijn is de stichter er van; hij was eigelik een

afgezant van de Hel, uit een maagd geboren om zo een tegenhanger van

Kristus te vormen en had als deze bovennatuurlike macht gekregen; maar

het goede in hem had de overhand gekregen over het daemoniese in hem. Zo

zijn de ridders van de Tafelronde een wereldlike ridderschap die naar

ideële volmaking streven en de beste ridders zoeken overal de wereld

af naar de Graal. Door zijn liefde voor de koningin heeft Lancelot

zich onwaardig gemaakt om die te vinden; het is òf Percival òf--volgens

anderen--Galahad, de zoon van Lancelot, die eindelik als de reine ridder

zonder smetten, het kasteel weet te bereiken, de vragen stelt en

Graalkoning wordt.

Dat schijnen de grote trekken te zijn. Het is een vreemd mengelmoes

van trekken uit alle kanten. Zeker zijn er Keltiese sage-elementen bij.

Zoals wij reeds gezien hebben waren er oude Ierse verhalen van een ketel

waarin altijd genoeg te eten was, en van andere merkwaardige talismans

als een lans en een zwaard; verder de sage van de gewonde koning Artus

die nog steeds in leven is op het tovereiland Avalon, en er zijn zonder

kwestie sagen bij de Britten in omloop geweest van de romantiese

jacht die hun helden de gehele wereld door maakten op wonderbare

talismans,--evenals Jason het gulden Vlies was gaan zoeken, Herkules de

appelen der Hesperiden, Thor de wonderbare ketel van Hymir en de appelen

van Idun, of de helden van de Kalevala de molen van Sampo. Perceval

schijnt oorspronkelik er op uit getrokken te zijn om een toverzwaard te

zoeken waarmede hij de moord op zijn vader zou wreken; andere helden

zochten de wonderbare ketel die weer welvaart zou brengen in een land

dat onder een vloek had gelegen of die een zieke koning de gezondheid

weer zou geven.

En geesteliken hebben nu die Keltiese sagen in verband gebracht met

kristelike legenden. Apocryfe evangelieën waaronder dat van Nicodemus

het voornaamste is, vertelden van Josef van Arimathea, die de

beschermheilige der ridders werd en vooral van Brittannië en van oude

kristelike Broederschappen. Vervolgens: evenals alle andere relikwieën

uit het leven van Kristus--zijn rok, de zweetdoek van Veronica, de lans

van Longinus, het kruishout en de kruisnagels--zette de avondmaalschotel

ten tijde der kruistochten de fantasie in hoge mate in beweging en ook

alweer als die andere relikwieën werd het op verschillende plaatsen

vertoond, b.v. te Constantinopel en te Genua. Verder moest het bloed van

Kristus in de opvattingen van die dagen wel een grote rol spelen. In

overeenstemming met de oude begrippen van bloedwraak was het 't storten

van Kristenbloed zelf dat voor de mensheid de eigelike verzoening

betekende. Dat zij die het lichaam van de dode Heiland gewassen hadden,

dat kostbare vocht niet zouden hebben bewaard, waarin toch altijd zulk

een merkwaardige kracht moest zijn blijven wonen, dat scheen de mensen

volkomen onbegrijpelik: op vele plaatsen beweerde men dan ook een weinig

bloed van Kristus te bezitten, zo kreeg b.v. in het jaar 1247 koning

Hendrik III van de patriarch van Jerusalem een kristallen buisje met een

weinig van het heilige bloed er in, dat in de familie van de patriarch,

van de tijd van Josef van Arimathea af, van vader op zoon overgegaan

was. Bij de communie gebruikte men dit bloed ook, en het was juist in

de dagen der Kruistochten dat het krasse materialisme der Middeleeuwen

als vaststaand aannam dat het brood en de wijn door de mis werkelik

tot het lichaam en het bloed van Kristus werden. De naam graal

was waarschijnlik bedorven Middeleeuws-latijn, en de substantie

waarschijnlik een samensmelting van de schotel en de kelk die bij het

H. Avondmaal gebruikt waren, in oude miniaturen wordt die als een kelk

afgebeeld en het schijnt ook dat een en ander der mystiese liturgie der

mis, misschien wel bizonder zoals de kruisvaarders die in de Oosterse

kristelike kerk bediend zagen, de stof gegeven heeft voor vele

Graal-mysterieën.

Over het algemeen kan men zeggen dat de kruistochten het voornaamste

element voor de Graalpoëzie geleverd hebben. Er zijn talrijke Oosterse

elementen in de fraaie détails. Verschillende van de mystiese

merkwaardigheden van de Graalburcht doen denken aan wat de »Priester

Johannes" in de (onechte) Latijnsche brief aan de Keizer van Byzantium

vertelde van zijn geheimzinnige reis naar de binnenlanden van Azië, of

aan een nieuw Babylonies rijk waar te Byzantium van gefabeld werd,--waar

de Griekse afgezanten bv. een heilige kerk gezien hadden die altijd met

water van het graf van Kristus gevuld bleef, en waar onzichtbare stemmen

en mystiese opschriften de vreemdelingen altijd op weg hielpen--evenals

in de Graalromans. Maar die hele Broederschap van de Graal schijnt te

danken aan voorstellingen over de orde der Tempeliers, met hun prachtige

residentie in de »Tempel van Salomon", hun verschillende religieuse

mysterieën en hun half priesterlike ridderschap. In een geschrift

»De laude novae militiae" verheerlikte Bernard de Clairvaux die

krijgshaftige Broederschap »die ik niet weet of ik monniken of ridders

moet noemen",--»zachtmoediger dan het lam, wilder dan de leeuw;" leefden

die te zamen in kuisheid, soberheid en eendracht, terwijl zij wonderen

van heldendaden bedreven tegenover de ongelovigen. In de verloren Franse

Perceval-roman van »Kyot uit Provence"--die Wolfram von Eschenbach als

zijn bron noemt, wordt de Graal ook, duidelik genoeg, door een

Broederschap van heilige ongetrouwde »Tempelridders" bewaakt.

Maar evenals de Tempelheren al heel spoedig als separatisten en ketters

bij de Kerk in miskrediet en in ongenade vielen, zo was goed beschouwd

de gehele Graal-poëzie tegenover de Roomse kerk ook ketters. De leden

vormden toch eigelik een priesterschap zonder door de kerk geordineerd

te zijn, met hun eigen sakramenten en hun eigen heiligdommen, terwijl

zij de kerk die ze niet nodig hadden ook niet als hun overheid erkenden.

De grote prozaroman over de H. Graal beweert zelfs brutaalweg van

Kristus zelf te stammen als een evangelie even heilig als dat van de

kerk. En een duidelik Anglikaanse tendens beheerste het gehele gedicht;

de Britse kerk heeft te bogen, èn op een bizonder hoge ouderdom en

een bizondere heiligheid, geheel onafhankelijk van de Paus te Rome.

Er is ook heel veel grond om met de middeleeuwen aan te nemen dat

deze en dergelijke trekken te danken zijn aan Walter Mapes, bekend

als diplomaat en de hoogbegaafde kapellaan van Hendrik II. Evenals

het trotse nationale Anglo-normandiese rijk van Hendrik II de figuur van

Koning Artus als een pendant van Karel de Grote voor de Fransen voelde,

zo is de Graal-legende zeker wel een poging om in de fantasie een

nationaal Engels Kristendom te scheppen.

Maar, hoe dit nu ook zij, een feit is het dat de Graalromans een

legendaries-mysties en een asketies-moreel element in de ridderromantiek

brachten en tussen de Bretonse romans in, waarmede ze veel van de

ridderlikheid en het sosiale en het fantastiese element gemeen hebben,

zowel als de drang naar avonturen langs de grote weg, waren de

Graalromans bizonder in trek en werden ze met een spesiale eerbied

ontvangen. Na de ridder-romantiek van Chrestien, menselik-wereldlik en

met haar drang naar strijd en liefde, met intérieurs van het high-life

van die tijd en met avonturen waar niets »achter" stak, naïef rechtuit

en in bepaalde, duidelike, glasheldere omtrekken,--volgde er in de

Graalromans een ridderlik geestelike romantiek van een diepzinniger

en meer metafysies karakter en met een dieper en verder strekkend

fantasie-perspektief in zich. Met grote kunst wordt de fantasie der

lezers steeds in een mystiese atmosfeer zwevend gehouden. Er zijn bv.

geheimen die Jesus Josef van Arimathea in het oor gefluisterd heeft en

die niet bekend gemaakt mogen worden, of duistere voorspellingen die

niet verwezenlikt zullen worden voor »de dag komt, waarop de ridder met

twee zwaarden de droevige slag zal slaan waardoor alle wonderen van de

Graal zich voor het koninkrijk van Logres zullen openbaren en alle die

ellende op Groot-Brittanië zal vallen". Of we horen van mysterieën die

men aan profane oren niet durft toevertrouwen, maar die »opgeschreven

gevonden kunnen worden in het boek der klerken, waarin alles opgetekend

staat over de grote heimelikheid die »de Graal" heet." Of we krijgen

wonderen te aanschouwen die heel wat irreëler en bovennatuurliker zijn

dan de reuzen en dwergen van Chrestien: er wordt u een slot voorgetoverd

in plaats waarvan er plotseling een dorre heide verschijnt; een meer,

als dat waarin de »Dame du Lac" woonde en dat dan weer een bos blijkt

te zijn; stemmen, opschriften die een waarschuwing of een voorspelling

bevatten, onzichtbare handen die iemand trekken of terughouden, die

iemand een slag met een zwaard op de schouders geven, of die als de

geesten der spiritisten, iemand in de wang knijpen, zo dat er een

litteken van blijft zitten. Ook wat er op de kastelen voor toverij

gebeurt, is heel wat dromeriger en geheimzinniger in de Graalroman dan

bij Chrestien. In donkere gangen tast men zijn weg, deuren vliegen open

en slaan weer toe, men hoort het geratel van ketenen en ongure helse

geluiden... Hier is een drempel waar de ridder met geen macht ter wereld

over heen kan komen, daar ziet men een put open staan, waar giftige

gassen en duivelse stank uit komen... het doet zo wat denken aan de

ongemotiveerde en absoluut onbegrijpelike manier waarop men bij een

nachtmerrie in zijn dromen van het kastje naar de muur wordt gestuurd.

Maar steeds weer voert die atmosfeer van mystiek naar een hiernamaals

en altijd klinkt er een moraal-religieuse toon doorheen. Het zijn

geen heidense maar kristelike spookverschijningen die men hier in

alle soorten vindt. Kisten wier deksel zich opent en waar vlammen

uitslaan; te middernacht in de kerk, wordt de ridder met geselslagen

van onzichtbare geesten ontvangen of moet hij strijden met vormloze

spookverschijningen; of wel is het buiten op het kerkhof dat hij

jammerkreten uit de graven op hoort stijgen, hij wentelt grafstenen weg

en bevrijdt jonge meisjes die daar door duivels opgesloten werden om

hun lusten te dienen. Duivels die in de vorm van schone vrouwen mensen

trachten te verleiden, ridders voor hun zonden door straffende mirakelen

getuchtigd. Dikwels zijn het mirakuleuze illustratiën van het een of

ander dogma; een brood dat zich bij het gebruiken van het Avondmaal

in een levend kinderlichaam veranderd, welks bloed in de kelk vloeit

terwijl hemelse stemmen bevelen dat het in tweeën gesneden en verteerd

moet worden. Dwars door de gesloten deuren en vensters van een vertrek

komt op eens een wonderschone knaap, die ook op die zelfde wijze weer

verdwijnt; een stem verklaart dat hij die dit wonder gezien heeft zich

nu ook niet meer er over verbazen mag dat Jesus uit het lichaam ener

maagd geboren kon worden. Dikwels laat zich nog heel goed aantonen dat

er aan zulke verhalen een heidense Keltiese sage ten grondslag ligt,

maar waar de geesteliken een symbolies-kristelike uitlegging aan gegeven

hebben.

Een fatalisme vol geheimzinnigheden dat half Oosters schijnt te zijn,

maar ten dele ook op de kristelike leer der voorzienigheid gebouwd,

rust op alles wat wij zien gebeuren. Alles is voorspeld en staat met

»çhaldæiese" schrifttekenen in het »Boek van het Noodlot"; de menselike

vrije wil is maar een illusie, het zijnde hemelse machten die de mensen

blindelings, volgens ondoorgrondelike besluiten hun pad doen betreden.

Eens vindt Lancelot ergens een grafsteen met zijn naam en zijn

afstamming er op aangegeven, die hem onbekend waren, en er staat

bij dat hier zijn graf zal staan. Er komt ergens een schip zonder

zeilen aanzetten, op het dek ligt een wapenrusting met een schriftelike

mededeling dat de wijze Salomon duizende jaren geleden het schip gebouwd

heeft en het de wereld in heeft gezonden, waar het rond zou dwalen tot

het de persoon zou vinden voor wie schip en wapenrusting bestemd waren.

Het zwaard is prachtig maar het hangt aan een versleten hennepen koord

en er staat bij dat het steeds daaraan gedragen moet worden, totdat een

koningsdochter er een ander voor in de plaats maakt van wat zij bij zich

draagt en het meeste liefheeft en zij zal het zwaard dan ook pas zijn

ware naam geven.

De monniksgeest die wij reeds in de roman van Lancelot op de voorgrond

zagen komen, beheerst de Graal-poëzie al meer en meer. Reeds in de

»Perceval" van Chrestien was er op de sexuele kuisheid van de knaap

en zijn misdaad jegens zijn moeder sterk de nadruk gelegd; maar in het

gedicht van Robert de Boron en in de proza-romans dringt het ascetisme

overal door. In alle verhalen over de voorhistorie van de Graal, speelt

de vrouw bijna in 't geheel geen rol en waar ze optreedt wordt ze

meestal als het lagere wezen voorgesteld dat alleen maar tot het

kwade verleidt, evenals in de legenden en in de Oosterse bronnen.

En in de verhalen die »la quête du Graal" schilderen, het zoeken

der Tafelronde-ridders naar het kasteel waar men de Graal bewaart,

wordt sexuele reinheid en maagdelikheid absoluut geëist van hem die

Graalkoning worden zal. »Hij moet goed zijn in de ogen van God en in die

van de wereld. In de wereld moet hij goed zijn als hij, die vervuld is

van alle goede eigenschappen: eer, schoonheid en moed, en in Gods ogen

moet hij goed zijn, want hij moet vervuld zijn van barmhartigheid en

vroomheid en hij moet ook het zuiverste voorbeeld van kuisheid genoemd

kunnen worden."

Maar hier overschrijden wij dan de grenzen der ridderromantiek. De

mystiek en het idealisme van de Graal krijgt meer en meer een volkomen

kristelik-geestelike kleur,--wordt meer en meer geestesverwant met die

kruistocht der Albigensen, waardoor het vrolike Zuid-Frankrijk als de

aren voor de zeis werd neergemaaid, of met Lodewijk de Heilige, die geen

trouvères of minnestreels aan zijn hof duldde.

XIX.

DUITSE RIDDERROMANTIEK.

De Ridderromantiek is geheel en al op Franse bodem ontkiemd en in

Frankrijks lucht groot geworden en haar levensloop kan in de Franse

literatuur zelf nagegaan worden van de tijd dat zij knoppen zet en

bloeit af, totdat zij zaad schiet en verkwijnt toe. Maar--zoals wij

reeds in het begin gezien hebben--de sosiale en geestelike voorwaarden

waren zo ongeveer dezelfde in Duitsland en de ontwikkeling der kultuur

en literatuur zou daar in hoofdzaak langs dezelfde ontwikkelingslijnen

gaan als in Frankrijk, zodat de enorme Franse invloed die zich weldra

aan gene zijde van de Rijn deed gelden, eigelik slechts die geestelike

krachten in beweging bracht en vorm gaf, welke uit zich zelf al op

Duitse bodem ontstaan en gegroeid waren, en dan ook niettegenstaande

alle verfransing tot zekere hoogte een Duits karakter bewaarden.

De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen · 第 29 / 36 段