dienaar, terwijl in »Erec en Enide" de toestand juist omgekeerd was,
komt in hoofdzaak hierdoor dat Enide een arm meisje was dat tot een
plaats aan de zijde van een vorst opgeheven wordt, terwijl de »Dame de
la Fontaine" de regerende vorstin is en Iwein haar »man" d. w. in dit
geval zeggen haar »vasal" was. Maar in de volgende roman van Chrestien
zien wij de Provençaalse vrouwenverering reeds geheel en al door hem
in de Britse sagenwereld ingewerkt en paradoksaal tot het uiterste
gedreven. En hier is het nu de Keltiese sage van iemand die naar het
Dodenrijk ontvoerd wordt maar die weer voor het leven gewonnen wordt,
waar de dichter een volkomen menselik ridderverhaal op geborduurd heeft.
De geschiedenis der ontvoering van Artur's gemalin door een vreemde
koning was een oude schakel in de Britse Arthur-verhalen en daarmede
smolt de Keltiese Orfeus-mythe samen; Guenievre is het, die weggevoerd
wordt en Lancelot die haar terug haalt. Nu wordt Lancelot tot de neef
van de koning gemaakt en hij vereert en aanbidt de vrouw van zijn
oom,--evenals Tristan die van zijn oom Marc. Ook hier draait alles
feitelik om een konflikt tusschen riddereer en liefde,--een zuiver
simbolies konflikt tussen die twee tot het uiterste gevoerde begrippen.
Lancelot hunkert er slechts naar te weten te komen waar zijn aangebeden
koningin heen gevoerd is en dat land zelf te betreden, maar hij is zijn
paard kwijt geraakt en staat wanhopend te kijken wanneer er juist een
dwerg voorbij komt op een kar: als de ridder nu maar op wil zitten, zal
de dwerg hem de weg naar de koningin wijzen. In zijn sterk ongeduldig
verlangen begaat nu ridder Lancelot door zijn liefde voor Guenievre de
voor een ridder zo uiterst vernederende handeling werkelik op de kar
plaats te nemen,--iets waar hij duur voor zal moeten boeten. In de oude
sage is er zeker ook iets van een wagen geweest,--misschien wel de
doodswagen, waar er voor de ridder een grote zelfoverwinning voor nodig
was om die te bestijgen, om zo in het doodsrijk te komen. En dit zal
Chrestien òf niet hebben begrepen òf niet hebben kunnen gebruiken, in
plaats waarvan hij met al het formalisme van een ceremoniemeester,
een heel simbool maakt dat Lancelot liefde boven riddereer stelt,
wat per slot van rekening toch maar een kleine inbreuk was op de
riddergewoonten: dat hij in een kar reed in plaats van te paard. Overal
waar hij nu voortaan heengaat, heeft men van zijn tocht op de kar
gehoord en wordt hij met spot en hoon overladen, ja, wanneer hij
eindelik, na allerlei avonturen en heldendaden, alles om zijn liefde
vergetend, de koningin weet te vinden en haar te bevrijden, dan keert
ook zij haar ridder en redder de rug toe: hij heeft zijn riddereer
geschonden en daardoor haar eer. (Anderen verstaan daarentegen de tekst
zo dat de koningin er integendeel boos over is omdat Lancelot even
_geaarzeld_ heeft van de kar gebruik te maken). Zwijgend en ootmoedig
buigt hij zich voor haar ongenade, die hem geen woord van verklaring
zelfs gunt en lang zwerft hij wanhopend rond totdat hij na nieuwe daden
en gebroken in zijn ootmoed eindelik toch in genade aangenomen wordt.
Met nieuwe, heel bizondere kleuren is die ootmoedige liefde van Lancelot
geschilderd; niettegenstaande de invloed der troubadours is die, als men
het zo uitdrukken mag, meer noordelik-blond dan de door hen geschilderde
liefde; het is een heel romanties-dromende ingenomenheid, een verlangend
smachten, waar de jongeling mede rondloopt. Vele maagden trachten hem
onderweg te verleiden of te dwingen, maar »een ridder heeft maar één
hart en het zijne is niet langer bij hem", in alle situaties bewaart hij
zijn kuisheid, als b.v. ergens de jonge schone gastvrouw hem haar bed
laat delen, houdt hij voorzichtig zijn ondergoed aan. Eens op een morgen
vindt hij een ivoren kam op de weg liggen, met goudgeel vrouwenhaar er
in--»ik weet niet van wie die is", zegt de schrijver schelms--dadelik
valt hij in zwijm van aandoening, daarna haalt hij er netjes alle
haren uit, drukt die tegen zijn ogen, mond en voorhoofd en bergt ze op
zijn borst. Van haar kant heeft Guenievre er plezier in de bescheiden
page-liefde van de jongeling naar haar zin te zetten en op een verfijnde
proef te stellen. Eens wanneer Lancelot--incognito, alleen de koningin
herkent hem--met grote kranigheid op een toernooi strijdt dat enige
dagen duurt, zendt zij hem op een morgen heimelik bevel dat hij die dag
slecht moet vechten en niettegenstaande hij in zijn eergierigheid hevige
lust heeft om zich zo goed mogelik voor te doen, geeft hij toch aan de
luimen van zijn aangebedene toe en laat zich door de anderen uitlachen.
Als een want in haar hand, als een hond voor haar voet wil zij hem
hebben. Eindelik weet hij haar toch 's nachts te ontmoeten; hij drukt de
ijzeren tralies van haar raam uit elkaar en werkt zich naar binnen, niet
zonder zijn hand te kneuzen en aan het bloeden gekregen te hebben,--een
herinnering misschien wel aan de Yonec van Marie de France. Als hij het
bed van de koningin bereikt »buigt hij zich eerst aanbiddend neder, want
hij gelooft in geen heilig lichaam zoals aan het hare"--men ziet hoe
blasfemies de liefde kan zijn--en na een nacht vol, gelijk de auteur het
mysties uitdrukt, van een soort wellust »die nooit zijns gelijke heeft
gehad en die ik mijn leven lang zal verzwijgen", na zulk een liefdenacht
staat hij op, terwijl de koningin nog slaapt, maar voor hij weg sluipt,
»valt hij eerst nog weer voor het bed op zijn knie; hij voelt zich
geheel als een martelaar en hij doet als bevond hij zich voor een
altaar". Het pathologiese element waar wij in de knielende onderwerping
der troubadours aan de vrouw reeds de eerste sporen van tegen zijn
gekomen, is hier bijna onguur van perversiteit geworden.
Niettegenstaande de oude mytiese stof nu zo op mensen overgedragen
is, ligt er toch nog een zekere vaag-mystiese atmosfeer over de
gebeurtenissen en de personen in dit gedicht van Lancelot. Pas wanneer
we ver in de historie gekomen zijn, krijgen wij te horen, en dan
nog maar helemaal in het voorbijgaan, wie de »Ridder met de kam"
zoals Lancelot genoemd wordt, eigelik is (een kunstmiddeltje om de
nieuwsgierigheid op te wekken, waar Chrestien ook elders met graagte
gebruik van maakt) en de hele verhouding tussen hem en Gawein, die ook
op zoek naar avonturen is, wordt geheel en al in het donker gehouden: de
eerste schijnt de laatste te kennen maar niet omgekeerd; de verhouding
tussen Lancelot en de koningin is ook al vaag en onduidelik en de
Mysteries in het land van koning Gorre, aan de overzijde van de
»Zwaardbrug", worden al meer en meer dromerig-onbegrijpelik, hoe verder
de held op zijn tochten komt. Het is duidelik dat de dichter zelf, met
al zijn gevoel voor de nuchtere werkelikheid voor goed in de mysteries
der Keltiese sagen-wereld bevangen is geraakt; Chrestien zowel als zijn
lezers voelen dat wij ons hier eigelik in de onwerkelike wereld van het
hiernamaals bevinden. En in zijn laatste inkomplete roman »Perceval van
Wales" verdwaalt de dichter nog dieper in het land der wonderbare
fantasie.
»Perceval" verhaalt van de knaap die in het bos grootgebracht wordt,
waar zijn moeder, de weduwe van een ridder, hem ver van de wereld heeft
opgevoed, opdat hij niet gelijk zijn vader en diens broeders een vroege
dood op het slagveld zal vinden. Eens in de lente als de jongen in het
bos rijdt en alles om hem heen van vreugde straalt, zo dat zijn hart in
zijn borst breder schijnt uit te slaan, hoort hij tussen de eikenbomen
door het kletteren van metaal, er komt een schitterend licht uit de
diepte van het bos en vijf ridders springen langs hem heen. Dat moeten
de engelen zijn waarvan zijn moeder hem verteld heeft, die schoner zijn
dan al het andere behalve God. Hij knielt neêr en wil ze aanbidden.
Maar zij houden stil en vragen hem naar de weg en heel levendig wordt
het nu beschreven hoe de knaap, in stomme verbazing, hun allerlei vragen
stelt over hun wapenrusting, hun paarden enz., terwijl de ridders al
ongeduldiger worden omdat zij niets van hem te weten kunnen komen,--»al
die lui uit Wales zijn ook zo dom," zegt een van hen. Wanneer hij bij
zijn moeder thuis komt is hij niet uitgepraat over die hemelse wezens
die zich ridders noemen en tevergeefs tracht de moeder in haar angst
hem aan zijn verstand te brengen dat dit een soort engelen zijn die de
mensen dood slaan. Het geeft allemaal niets, als de zoon nu hoort dat
zijn vader ook ridder was, wil hij absoluut ook de wereld in en ridder
worden.
Met een zwaar gemoed gaat zijn moeder nu ook voor zijn uitrusting
zorgen, het wordt een zeer huiselike, komiek boerachtige uitrusting,
en zij geeft hem allerlei raad voor het leven mede, praktiese dingen
en zedelike voorschriften, regels op de hoofsheid en goede manieren
betrekking hebbend, als in de Oosterse verhalen en Ruodlieb, alleen iets
ridderliker. En zo trekt de jongen de wereld in, zonder te vermoeden dat
zijn moeder van verdriet in zwijm valt. En waar hij nu ook komt, overal
tracht hij de levensregels van zijn moeder in praktijk te brengen, »dat
heeft mijn moeder mij nu zo voorgehouden," zegt hij eenvoudig. En die
voorschriften brengt hij dan op zulk een naïef-onwetende manier in
toepassing dat hij voortdurend tegen »de goede toon" handelt, maar door
zijn gezonde onbedorven natuur komt hij toch vooruit, en steeds tracht
hij zich volgens de raad van zijn moeder te volmaken en zich altijd
bij de »prudhommes" te houden. Hij komt aan het hof van koning Arthur,
waar »le valet sauvage", zoals de dichter hem noemt, dadelik zonder
blikken of blozen eist een uitrusting te krijgen en tot ridder geslagen
te worden. Als hij juist op dat ogenblik een ridder in een rode
wapenrusting zich ongepast tegen de koningin ziet gedragen, slaat hij
hem met zijn eigenaardige werpspiets uit Wales ter neer en trekt nu
diens wapenrusting aan. Maar hij wil zijn eigengemaakte kleeren toch
niet afleggen en zo moet men de jongen, die natuurlik aan dit alles
niet gewend is, helpen die nieuwe wapenrusting over zijn eigen kleeren
aan te trekken, en als »de roode ridder"--zijn eigen ware naam kent hij
niet--trekt hij nu verder de wereld in. Hij komt een oude burchtheer
tegen, Goneman, die hem uitnodigt mee naar zijn slot te gaan, hem tot
ridder slaat en verder voor zijn opvoeding zorgt, door hem een stel
nieuwe levensregels mede te geven,--niet alleen voorschriften uit de
ridderlik-religieuse moraal: de weerlozen te hulp te komen, in de kerken
te bidden, geen overwonnen vijand te doden, maar ook die op goede
manieren betrekking hebben, b.v. dat men niet te veel moet spreken of
vragen.
Maar hij trekt weer verder om zijn »Lehr- und Wanderjahre" voort te
zetten. En nu krijgt hij ook les in de liefde. Op een kasteel treft hij
de heerseres, een jong meisje dat lelik door vijandelike naburen in het
nauw wordt gebracht. Hij verslaat al haar vijanden en het duurt niet
lang of het jonge meisje behandelt hem zo vriendelik dat zij tedere
gevoelens bij de onwetende en onschuldige knaap weet op te wekken; die
episode is in al haar naïeveteit zéér lief en fijn geschilderd. Maar
voorlopig moet »de rode ridder" verder, nu wil hij zijn lieve moeder
bezoeken, eindelik is het verlangen naar haar in hem ontwaakt.
Maar vergeefs gaat hij de »gaste forèt" zoeken waar zijn moeder woonde.
Maar wel komt hij aan een geheimzinnig slot. Een man die stond te vissen
heeft hem daar heen gebracht en hij wordt nu een zaal binnengeleid waar
op een bed voor een vuur een oude man ligt wien blijkbaar al zijn
krachten begeven hebben. Beleefd vraagt hij de gast hem dan ook te
verontschuldigen als hij niet opstaat, en begint een gesprek met hem.
Onderwijl komt een dienaar zijn meester een zwaard brengen van zijn
nicht, en de gastheer vereert dit aan de rode Ridder. Daarna komt er
een ander met een blinkende lans, waar bloed afdruipt; nieuwsgierig
is hij op 't punt te vragen wat dit alles te betekenen heeft, maar
hij herinnert zich Goneman's raad en zwijgt. Ten slotte komen er twee
dienaren met hoge kandelaars en tussen hen in loopt een maagd die een
»graal" in haar handen draagt; de glans van die graal overtreft verre
die van de kaarsen. Een vlak, zilveren bordje, een soort voetstuk, wordt
achter de graal aangedragen. Weer weet de ridder zijn nieuwsgierigheid
te bedwingen en de stoet verdwijnt door een andere deur. Geen woord
wordt over dit alles gewisseld en nu wordt er een prachtige maaltijd
binnengebracht; daarna wordt de gast naar zijn legerstede gebracht.
Maar de volgende morgen als hij wakker wordt is het gehele kasteel als
uitgestorven, de zalen zijn afgesloten, alleen ziet hij zijn paard
gezadeld staan waarop hij verder rijdt...
Dit was de Graalburg waar hij in geweest was, krijgt Perceval (die zich
nu plotseling zijn naam herinnert) naderhand te weten, en het was heel
erg jammer dat hij niets gevraagd heeft. Maar, zoals een heremiet hem
weet te vertellen, dat hij er niet toe kwam te vragen, dat was de straf
omdat hij zo hardvochtig van zijn wenende moeder weggetrokken was, die
van verdriet over zijn vertrek gestorven is; de zieke Graalkoning was
een der twee broeders van zijn moeder, hij, de heremiet zelf, is de
ander... Maar meer krijgen wij bij onze schrijver niet te weten, de pen
is hem ontvallen en zo laat Chrestien het aan talrijke andere dichters
over de Graalsage verder uit te werken.
* * * * *
De dichterlike richting waarin Chrestien die »Bretonse" stof vorm had
gegeven, werd voortdurend meer en meer karakteristiek voor die geweldige
massa van »Bretonse Romans". Aan de ene kant vinden wij daarin een zeer
realistiese, lustig-frivole schildering van de zeden van de adel en van
het ongebonden, avontuurlike leven langs 's Heren wegen. Wij krijgen
verhalen van kroningsfeesten en bruiloften en de ontvangst in een stad
van een geliefd vorstenpaar; wij zien ook de dame aan haar toilet, hoe
zij half ligt, half zit op een ligbank, terwijl de ene dienstmaagd met
een ivoren kam haar de lange blonde haren kamt, de andere haar een
spiegel voorhoudt terwijl zij een bloemenkrans in de hand heeft, en
wij wonen hele gesprekken bij tussen dames en heren bij de ontvangst
op het kasteel. Hier en daar merkt men pogingen om een zekere uiterlike
en innerlike karakteristiek in de personennamen te leggen: Guinaut de
blonde, Madian de trotse, »le beau-tenebreux", »le beau-hardi", of de
mensen allerlei capricieuse eigenaardigheden te geven; ook vindt men
nu karikaturen van een lelike dame, een monsterlike dwerg, en--in de
proza-romans--»problematiese naturen" met allerlei eigenschappen die
aantrekken of afstoten goed dooreengemengd, b.v. zulke figuren als
Morgane, de zuster van koning Claudas en Arthur.
Die romans geven gewoonlik een soort elegante kroniek van de
maatschappij, en het beeld dat zij van de adellike zeden geven is nu
niet bepaald stichtelik. De dame is maar al te verleidelik met haar
koketteren; wanneer zij met een cavalier samen uitrijdt, spreekt zij
over liefde en zingt Britse »lais" en »retrouenges" voor hem, doet onder
het gesprek haar halsdoek af, of maakt een paar knopen los van haar
kleed »omdat het zo warm is" zodat haar gezicht en blanke hals te zien
komen en kiest bij voorkeur gezellige, schaduwrijke plekjes uit om even
rust te houden. Of zij komt 's morgens een praatje bij hem maken op de
rand van zijn bed. Maar ook de ridder is niet bang om het initiatief
te nemen. Tegen bedtijd komt hij b.v. een der dames op het kasteel
bezoeken; zij zit in haar kamer gouddraad op te winden; hij gaat naast
haar zitten, laat het gouddraad tussen zijn vingers door glijden en
vraagt haar naar haar werk... en dan eindigt het er al licht mede dat
hij daar 's nachts blijft. En zo is het werkelik geen wonder dat als er
eens een man met een wondermantel aan het hof van koning Artus komt,
welke slechts _die_ dame past die zich niets te verwijten heeft, en
een andere keer een man met een drinkbeker waarvan alleen die man kan
drinken zonder te morsen, wiens echtgenote zijn eer nooit bezoedeld
heeft,--dat dan blijkt, tot schrik van enkelen, maar tot groot vermaak
van de meesten, dat de mantel zo goed als geen enkele dame past en geen
echtgenoot uit de horen kan drinken.
Maar vooral het rondtrekken en het leven langs 's Heren wegen en in de
herbergen werkt verslappend op alle zeden. Hier is een herberg waar de
dochter van de waard 's nachts de gast haar gezelschap opdringt, ginds
een slot waar de Heer zich zo door de vrouwen der reizigers voor zijn
gastvrijheid laat betalen. In het land waar Lancelot doortrekt was het
gewoonte dat een jonkvrouw, die alleen reisde, niet zonder hevige straf
verkracht kon worden--ofschoon dat toch voortdurend voorkomt--wanneer
zij daarentegen een ridder mede had als begeleider, mag hij die deze
laatste overwint op haar liefde aanspraak maken. Een ruw ridder,
Agravain, heeft juist de begeleidende ridder van zulk een rondtrekkende
dame gedood; nu gebiedt hij haar van haar paard te komen, gooit haar op
de grond en rukt haar de kleêren van het lijf, maar als hij dan ziet dat
haar lichaam vol builen zit, beveelt hij haar in plompe hoon maar weer
op te staan, haar zal hij waarachtig geen kwaad doen. Maar gelijk wij al
gezien hebben, is er maar al te dikwels geen geweld nodig. Een ridder
stelt eens zijn dame en zijn hond op de proef en ziet met weemoed dat
zijn schone dadelik met een vreemde ridder meegaat, terwijl zijn hond
hem trouw blijft. En veel van de meest beroemde ridders hebben op hun
tochten het ene avontuurtje na het andere; waar een ridder als de
vrolike Gawein zich vertoont, wedijveren alle dames om zijn gunst.
Overal hebben Gawein en andere ridders dan ook kinderen waar zij niet
van weten en die ook hun vader niet kennen, wanneer zij de wereld in
trekken; het is zeker niet zonder goede reden dat die romans zo dikwels
over dergelike heldenzonen handelen, die hun vader gaan zoeken en die
tenslotte herkennen in Gawein of een ander ridder van de tafelronde.
Maar met dit frivole realisme mengt zich, evenals bij Chrestien, overal
in de Artus-romans een sentimentele vrouwenverering en een hooggespannen
gevoel van riddereer. Drie broeders, koningszonen, rijden het bos door
en de één vraagt de ander wat hij doen zou als zij nu de schone dochter
van de waard bij wie zij 's nachts gelogeerd hadden, eens alleen in het
bos aantroffen. Nu, zegt de een, dat begrijpt hij toch ook wel, hij zal
nooit een gelegenheid voorbij laten gaan om van een vrouw zijn lust te
hebben, een ridder die dat niet doet met of zonder geweld betekent ook
niet veel. Maar de ander ontwikkelt hiertegenover zijn sentimentele
smachtende opvatting van de liefde. Deze laatste hoort tot de klasse
van sentimentele minnaars als Lancelot, Gliglois, Ider, Claris en tutti
quanti. Gliglois is een jonge page die Gawein zijn schone gezonden heeft
om haar te dienen, maar die nu zelf gloeiend op haar verliefd wordt, nu
hij dageliks in haar nabijheid is en haar aan tafel en bij haar toilet
dient. Zij merkt hoe de knaap vergeet voor te snijden, hoe zijn handen
beven wanneer hij haar kleêren vast moet maken; zij heeft er plezier
in met zijn hopeloos bedeesde liefde te koketteren, hem gruwelik te
plagen en hem zeer hardvochtig zich half dood naast haar paard te laten
lopen... en tòch per slot, wanneer zij hem genoeg gepijnigd en op de
proef gesteld heeft, plotseling zijn »perseverance" te belonen met haar
hand en haar hart.--Claris is de arme jonge ridder die op de koningin
verliefd wordt; als hij eens zwaar gewond ter neder ligt, heeft de
broeder van de koningin aan wie hij eens zijn geheim toevertrouwd heeft,
er zijn zuster toe weten te krijgen hem te bezoeken. Overweldigd door
zijn vreugde vat hij nu moed haar zijn gevoelens te doen kennen, maar
zij wijst hem streng terug, zodat de zieke voor dood in zwijm valt. Nu
krijgt haar medelijden de overhand, zij buigt zich over hem en kust hem.
Die kus doet hem weer herleven, en op voorspraak van haar broeder stemt
de koningin er in toe zijn »amie" te worden; alleen moet hij beloven
zich tevreden te stellen met »l'acoler et le besier".
Ook de liefde in de echtbreuk wordt langzamerhand heel smachtend-elegies
en sentimenteel-moreel behandeld,--vooral in de twee uitvoerige
prozaromans van Lancelot en Tristan. In plaats van de versvorm komt nl.
nu en dan het proza te voorschijn--een bleek, dun proza wel is waar,
dat toch een eigenaardig ceremoniële elegance vertoont, een eigenaardig
smachtende gratie die goed bij de gekunsteldheid en de sentimentaliteit
van de toon past. Lang dweept de jonge Lancelot in stilte met de
koningin, hij kan niet, gelijk de levendige Zuid-Fransen, zijn gevoelens
in een sierlike hulde uiten, hij valt bijna in zwijm wanneer zij
hem haar hand geeft, en zij is het die de eerste fijne en diskrete
toenadering moet doen,--allerliefst is b.v. de boodschap die zij hem
zendt, wanneer hij een verre tocht gaat ondernemen, dat hij zich voor
onwaardige liefde moet wachten, want »hoe hoger een ridder zijn wensen
stelt, des te meer stijgt hij zelf in waarde." Tenslotte moet een vriend
de postillon van Lancelots gevoelens zijn en in tegenwoordigheid harer
maagden, geeft de koningin hem een kus. Op die kus en een »beau doux
ami" kan de gelukkige minnaar lang leven. Op zijn tochten kan hij een
hele dag stil in zijn liefdedromen weggezonken, zich door zijn paard
laten leiden, zonder dat hij zelf weet waarheen, evenals de koningin
zelf in haar torenvenster kan staan dromen van al de vreugde die haar
het hart doet overstromen. De geliefden ontmoeten elkaar maar weinig en
kort, gewoonlik moeten zij tevreden zijn met op een afstand voor elkaar
te zuchten en naar elkaar te smachten, en zelfs wanneer zij bij elkaar
zijn, vergiet hun liefde meestal nog tranen omdat zij door het ijzeren
hek van het huwelik van elkaar gescheiden zijn. Zij lijden onder het
halve en het verborgene in hun verhouding en de koning zelf heeft
medelijden met hen. Zelfs is Artus bereid hem zijn gemalin af te staan,
alleen om Lancelot's vriendschap te behouden. Elk der twee gelieven
heeft een vertrouwde, een vriend of een vriendin, voor wie zij hun hart
uitstorten en die zich met hen verheugen en met hen wenen en de koningin
weet van die twee vertrouwden een paartje te maken, evenals wij dit met
Kaherdin en Brangien in »Tristan" zagen gebeuren. Boze mensen zaaien
door vervalste brieven het zaad der verdenking tussen Tristan en Isolde,
als tussen Lancelot en Guenievre en wat uitdrukkelik in het wetboek der
liefde van Andreas Capellanus voorgeschreven is,--de geliefden geloven
altijd dadelik het allerergste van elkaar en zijn te trots om een
verklaring te zoeken of zich zelf te rechtvaardigen. Zij willen zich
uit wanhoop doden, maar dan weten de confidenten een verklaring of een
verzoening te weeg te brengen. En Lancelot is werkelik het voorbeeld van
een »loyal amant". Wanneer men hem met de woorden »uw vriendin zal het
nooit te weten komen" tracht te verleiden, antwoordt hij: »Mijn hart zal
het te weten komen en dat is één met het hare", en als iemand hem eens
een kus heeft ontstolen, gaat hij zich wanhopend aan een beek staan
wassen, veegt zijn lippen af en spoelt zijn mond om,--gelijk een heilige
in de oude legenden dit gedaan zou hebben.