Het was in de bewerking van Chrestien de Troyes dat deze »Bretonse"

stofmassa de meest volledige verfransing onderging en tot een

aristokratiese sosiale roman werd. Chrestien was de toonaangevende,

misschien ook de oudste schrijver van die Bretonse romans. Hij schreef

tussen de jaren 1160 en 1190 en leefde waarschijnlik als een »heraut

d'armes", aan het hof van Maria van Champagne en dat van Philip van

Vlaanderen; aan elk van hen heeft hij werken opgedragen. Van de gewone

kennis der geesteliken was heel wat de zijne; hij kende zijn Ovidius

en debuteerde met een vertaling van diens »Minnekunst" en enkele van

de »Metamorphoses", hij was bekend met de Aeneas- en Troja-romans en

schreef, zoals wij al gezien hebben, een roman »Cligès" op enkele

Grieks-Oosterse verhalen. Maar van betekenis is hij voornamelik door

vier romans met Britse en Bretonse stof ten grondslag: »Erec en Enide,

De ridder met de kar, Iwein, de ridder met de Leeuw en Perceval."

Chrestien schijnt mij van burgerlike afkomst te zijn; hij is vol

belangstelling en bewondering voor het ridderlike hofleven en maakt zijn

kunst tot één en al verheerliking daarvan en verkondigt er de idealen

van. Zijn romans zijn eerst en vooral zedeschilderingen van het elegante

leven der edelen van de 12de eeuw. Overal heeft hij het licht van de

werkelikheid op de vage, fantastiese sagen laten schijnen en maakt hij

de losse schetsjes van de _contes_ en _lais_ die zijn bronnen waren, tot

uitvoerige levensbeelden. Overal heeft zijn fantasie gevraagd: »wáár

gebeurde dat?--hoe is dat gekomen?--wàt zeide hij?--hoe zag dit of dat

er uit?" En zo worden de voorstellingen overal aanschouwelik, en meer

en meer gedétailleerd en worden ze tot hele portretten, beschrijvingen,

gesprekken en scènes. Het »Chanson de Roland" vertelt ons heel wat over

de tijdgeest, maar heel weinig over het dageliks leven en de zeden en

gewoonten van de 12de eeuw; daarvoor is de toon van 't heldendicht te

verheven, en de vorm te stijf. In de gewone, levendige, onderhoudende

romans van Chrestien treedt ons daarentegen de gehele atmosfeer van het

omgevende leven tegemoet en uit zijn romans kan men het »höfische leben"

van zijn tijd reconstrueren, wat dan ook meer dan eens geschied is! Bij

een bezoek aan de franse burcht, komt men over de ophaalbrug, onder de

valpoort door op de binnenplaats, dan in de boomgaard, de trappen op,

zuilegangen door, in de grote zaal en de andere vertrekken en ziet hoe

dit alles ingericht is. Wij zien het jonge meisje in de hof haar ouders

zitten voorlezen; in de grote werkzaal zitten talrijke dienstmaagden

en gevangen vrouwen de gehele dag te weven. Wij zitten aan bij een

feestmaaltijd en bewonderen het servies en de spijzen; wij doen aan

jachtpartijen mede waarbij ons de wapenen en alles wat er bij te pas

komt vertoond wordt, wij wonen toernooien bij, waar wij de verschillende

banieren en deviezen leren kennen en wij krijgen de techniese verklaring

te horen van allerlei houwen en stoten. Overal komt de wapenheraut en

de ceremoniemeester voor den dag, maar wat wij óók zien, is, dat de

schrijver niet in al die heerlikheid opgevoed schijnt. Het grootste

deel van de attraktie zijner romans zal wel bestaan hebben in de zeer

zaakkundige beschrijvingen van alles wat het »high-life" van zijn tijd

betrof. Terecht heeft men hem de Paul Bourget van die tijd genoemd.

Evenals deze overdrijft Chrestien ook heel dikwels de rijkdom en de

elegance,--de prachtige kleedij en sieraden der ridders en hun dames, de

zeldzame paarden en de kostbare wapenen. Het is uit de roman van Troje

en, met dat werk als schakel, uit de Latijnse poëzie en de Griekse roman

dat Chrestien die vele overdreven beschrijvingen met zo al te veel

details geleerd heeft; vooral in de stereotype schilderingen van tuinen

met exotiese planten herkent men dikwels de vreemde bronnen,--de hof is

n.l. zo ongeveer het enigste in de natuur waar Chrestien oog voor heeft.

Maar waar de perceptie zo nauwkeurig en uitvoerig te werk gaat,

is geen plaats voor die scala van gebeurtenissen en episoden waar de

lichtvoetige fantasie der Bretonse vertellingen zich zo gemakkelik over

beweegt. Met die zelfde innerlike drang tot klaarheid die men later ook

bij Racine en het Frans klassisisme opmerkt, verstaat Chrestien de kunst

zijn stof te simplificeren. Waar het bij hem voornamelik op aankomt,

zijn volstrekt niet de uiterlike gebeurtenissen, maar het zieleleven

waar handelingen uit voortspruiten en waarop die inwerken. Er is een

overwegend dramaties element in de romans van Chrestien. Bij elke roman

die hij schrijft nemen de gesprekken een grotere plaats in evenals de

psychiese monologen en dialogen. Reeds in de Aeneas-roman zagen wij dat

de lange retoriese tiraden van Virgilius tot levendige, voortdurend

afwisselende vragen en antwoorden geworden zijn, hier bij Chrestien

zijn het dialogen geheel in de trant van een blijspel, b.v. die van het

Mysterie van Adam, uit dezelfde tijd, waarin Eva door de slang verleid

wordt. Midden in een indirekt verhaal slaat Chrestien opeens in de

levendigste dialoog over en geeft de woorden weer zoals ze vielen.

En de gesprekken zijn dikwels heel levendig en geestig, vooral wat de

vrouwen zeggen is vol Frans _esprit_. Daarbij komen dan nog de monologen

en de gesprekken waardoor de personen ons hun innerlik doen kennen. Ook

dat kunstmiddeltje had Chrestien van de romans geleerd die de antieken

nabootsten. Maar duidelik heeft de lyriek der Provençaalsche troubadours

hier ook als voorbeeld gediend; meer dan één van de monologen van

Chrestien's minnaars is niets dan een lied der troubadours in

acht-lettergrepige verzen omgezet. Ook de hele geestelike dialektiek is

Chrestiens' leraar geweest in dialogiese analyse van zielstoestanden, de

dramatiese voorstelling van met elkaar in konflikt komende opvattingen.

Er is een sterk element van scholastiese dialektiek en spirituele

pedanterie in de manier waarop hij zijn gedachten aan de man brengt;

liefde en haat, vermetelheid en vrijgevigheid treden als personen op en

schelden elkander uit of vliegen elkaar aan en er wordt over 't algemeen

kinderachtig veel met woorden geschermd in plaats van met gedachten

gevochten. Maar dikwels wordt de sofisterij van het hart zeer levendig

weergegeven, wanneer de passie zich van schijngronden bedient om

verstand en plichtgevoel er onder te brengen. En aldoor volgt de

dichter alles wat er geschiedt met zijn psychologiese fantasie en zijn

sympathie. Hij verstaat levendig de kunst om het ongeduld weer te geven

van een die lang wachten moet of de gewetensbezwaren van een twijfelaar

en hij jubelt met de verzoende geliefden wanneer ze »met elkaar

wedijveren hoe ze elkander het meest plezier kunnen doen", of wanneer

Gawein plotseling zijn lang ontbeerde vriend Lancelot naar hem toe ziet

komen rijden, van zijn paard springt en hem omhelst: Gawein »was zo

verrast alsof Lancelot uit de wolken was komen vallen en hij zou zelfs

niet graag tot koning gekozen willen zijn in plaats van Lancelot te

zien".

Overal in zijn kunst wordt Chrestien door zijn persoonlikheid in twee

verschillende richtingen getrokken. Er is een realisties nuchter

verstand in hem dat het vreemde element assimileert aan wat hem

familiaar is en bekend, het hoge aan het lage. Maar er is ook een drang

naar het ideale in hem die hem steeds zijn onderwerpen doet opsmukken,

verfijnen en veredelen. Zijn fantasie leeft steeds onder de vorsten en

edelen, hij schildert slechts rijkdom en schoonheid, en tovert zich en

zijn publiek het verleden als een ideale avontuurlike wereld voor de

ogen. Laten wij van de tegenwoordige tijden maar niet spreken, zegt

hij,--die kennen geen ware ridderlikheid meer en geen ware liefde, maar

laat ons spreken van hen die _waren_; een dode edelman is meer waard

dan een levende ellendeling; laten wij spreken van de gulden tijden van

koning Artus, toen het leven was zo als het zijn moet. Toen waren er

feesten,--»niets ontbrak er toen van wat genot geeft of 's mensen harte

vreugde brengt"; toen waren er vrouwen,--»nooit zag men een schoner

paar", »God schiep in Blanchefleur zijn meesterwerk"; toen waren er

paarden,--»geen koning of keizer bezit zulk een prachtig paard",--»dat

is 100 Mark, ja, wel 100.000 Mark in goud waard." In zulk een idealisme

wordt elke karakteristiek van personen en toestanden uitgewist. Maar

als hij aan 't werk is, vergeet Meester Chrestien gelukkig dat hij

Hofdichter is en Artus moet bezingen en geïnspireerd door zijn naieve en

realistiese vertellingskunst, schildert hij zonder zich te generen, hoe

de ridder achter de valdeur gevangen zat als in een rotteval, hoe een

der strijders een hele karbonade uit zijn tegenstander kerft en hoe die

zich liever een tand uit wou laten trekken dan door te vechten. Vooral

tegenover de vrouw en de liefde komt zo zijn realistiese en ironiese

blik op de menselike natuur duidelik voor den dag. Hij vindt het gewoon

»onzin" om te beweren, zoals Thomas in zijn Tristan doet, dat de ene

geliefde op een afstand kan voelen wat de ander denkt, omdat »zijn

hart bij haar en 't hare bij hem is." En hij heeft er plezier in alle

voorbeelden op te noemen van de trouweloosheid en veranderlikheid van

de vrouw en tekent een beeld van haar dat heel wat verschilt van dat

der troubadours. Maar toch zijn Chrestien's romans er op uit om in de

Bretonse sagestof het idealisme van de liefde en de riddereer te leggen

die hij aan de adel verkondigt. Het is een sentimenteel, maar misschien

ook tot zekere hoogte een logies idealisme: het is zijn dialekties

verstand dat er een genoegen in vindt om die opvatting van de liefde

en de eer welke hij in de ridderlike poëzie al gevonden had, zo subtiel

mogelik ten spits te drijven en logies in al zijn konsekwenties door te

voeren. Zo als dit voor een ceremoniemeester en wapenheraut past, stelt

hij in zijn romans alle regels der riddereer op en interpreteert ze

als een streng jurist; maar als de hofdichter van Marie van Champagne

huldigt hij tegelijk ook de religie van de mode-liefde en waakt er

nauwkeurig over dat aan alle eisen daarvan voldaan wordt. En met zijn

dramatiese dichtergave weet hij in zijn romans het konflikt tussen

riddereer en ridderliefde ten top te drijven.

In »Erec en Enide" wordt verhaald hoe Erec, een der ridders van koning

Artus, door de dwerg van een onbekend ridder gehoond is geworden. Zijn

riddereer verbood hem de dwerg dadelik te tuchtigen, maar nu gaat

hij naar een stad waar hij die ridder in een toernooi zal ontmoeten.

Gezellig pratend vertelt Chrestien hoe Erec bij een arme »Vavassor" met

een witte baard, zijn intrek neemt die droef in zijn eenzaamheid voor

zijn huis zit. Zijn gastheer heet hem dadelik welkom en roept zijn vrouw

en dochter van haar huiselik werk en beveelt het jonge meisje voor het

paard van de ridder te zorgen en dat op stal te zetten. Zij is zeer

armoedig gekleed en treedt schuchter voor de gast, maar haar zeldzame

schoonheid lijkt dubbel schoon in haar nederig kleed. Als zij het paard

verzorgd heeft, leidt zij de ridder bij de hand naar de kamer die de

moeder intussen zo fraai mogelik voor hem in orde heeft gebracht. En

daar zet Erec zich nu tussen zijn gastheer en diens dochter op het met

tapijten bedekte bed voor een helder brandend vuur, terwijl de enige

dienstmaagd van de familie het avondeten toebereidt. Erec vindt het

meisje hoe langer hoe liever en de vader vertelt met naieve trots hoe

velen haar al gevraagd hebben, maar zij is zo schoon dat hij haar niet

geven wil tenzij er een echte koningszoon komt die haar hebben wil.

Nu maakt de gast zich bekend als Erec, de zoon van koning Lac, een

der ridders van de Tafelronde en vraagt dat de dochter morgen bij het

toernooi zijn dame moge zijn. De gastheer en de hele familie zijn

natuurlik allemaal even blij als vereerd en voor de avond om is, is de

zaak uitgemaakt dat Enide met Erec trouwen gaat. Stil en bedeesd zit

het jonge meisje daar, innig gelukkig bij de gedachte dat zij koningin

zal worden. De volgende morgen helpt zij hem bij het aantrekken van

zijn wapenrusting, »dat liet zij zich niet twee maal vragen," zegt de

dichter schelms, en Erec overwint in de strijd en geeft haar de prijs:

een sperwer. De volgende dag trekt Erec met Enide naar het hof van

koning Artus. Erec vraagt dat zij haar armoedig kleed aan zal houden,

niet alleen omdat hij dit wel pikant vindt, maar ook omdat hij zeer

ridderlijk haar uitzet door koningin Guenievre wil laten bezorgen; het

enige dat zij mede neemt is de sperwer die niet uit haar hand te krijgen

is, en waarin ze de hele tocht door een kinderlik plezier heeft, terwijl

Erec zich steeds dicht tegen zijn schone aandrukt en niet moe wordt haar

aan te zien, vol ongeduld om haar aan het hof voor te stellen en zijn

lotgevallen te vertellen...

En nu vertelt de schrijver, alles in de prachtigste kleuren, van de

schitterende bruiloft en van het jonge paar en hun huweliksgeluk. Maar

nu komt pas het eigelike onderwerp: het konflikt in Erec tussen de

minnaar en de ridder. Naïef en familiaar verhaalt Chrestien ons hoe Erec

meer en meer verwijfd wordt; hij is niet van Enide af te slaan en staat

soms niet voor 12 uur op. Zijn mannen beginnen daar over te mopperen en

eens op een morgen hoort hij hoe Enide tegen zich zelf ligt te klagen

dat zij schande en oneer over haar man gebracht heeft door hem van zijn

ridderlike daden af te houden. Als Erec met moeite uit haar gekregen

heeft wat er van hem verteld wordt, ontwaakt zijn trots en zijn

gramschap en zijn gekrenkte riddereer doet hem in zijn overspanning

een plotseling besluit nemen. Nu zal hij haar en de wereld eens tonen

wat het voor een man is die zij verdenken en tegelijkertijd zal hij

haar vertrouwen en gehoorzaamheid op de proef stellen. Hij laat zich

zijn volle wapenrusting aandoen en zonder enige verklaring, bars en

met een paar woorden, beveelt hij zijn vrouw haar schoonste kleed

aan te trekken; nu gaan zij te samen de wereld in. Het enige teken van

tederheid dat hij aan den dag legt, is dat hij zijn vader opdraagt voor

Enide te zorgen, voor het geval dat zij alleen terug zou komen. Nu laat

hij haar steeds een eind vóór hem uit rijden en verbiedt hij haar streng

tegen hem te spreken of hem te waarschuwen, welk gevaar zij ook moge

vrezen. Zijn bedoeling daarmee is haar als een soort lokvogel te laten

dienen en zo allerlei roofridders en strijders te krijgen die Erec in

nieuwe gevaren zullen brengen en nieuwe avonturen zullen bezorgen. Er

wordt nu geschilderd hoe ze rondtrekken; overdag mag de arme Enide geen

woord tegen haar geliefde man zeggen en des avonds in de herbergen

behandelt hij haar als zijn schildknaap en moet zij het werk van een

stalknecht doen. Keer op keer is haar man aan gevaren blootgesteld door

haar schoonheid; òf het zijn drie roofridders die hem overvallen, òf wel

een burchtheer in een ander slot waar ze overnachten, wordt verliefd

op Enide en wil Erec ombrengen... En keer op keer vergeet zij in angst

voor haar man zijn verbod of veronachtzaamt het, waarschuwt hem en redt

daardoor zijn leven; maar hij wordt elke keer weer meer vergramd over

haar ongehoorzaamheid en haar wantrouwen,--hij zal zich wel weten te

redden zonder hulp van vrouwen! Maar,--haar liefde is toch steeds

sterker dan haar vrees voor zijn gramschap. Dit is feitelik een oud

motief uit de heldenpoëzie en de sprookjesliteratuur: een hond of een

paard dat door zijn blaffen of hinniken zijn heer voor een gevaar wil

waarschuwen die de bedoeling van het trouwe dier niet begrijpt en het

daarom met slagen dreigt of werkelik slaat, maar de liefde van het

dier is steeds sterker dan de vrees en de gehoorzaamheid; pas op 't

allerlaatste ogenblik, misschien pas als het te laat is of hij zijn

trouwe vriend gedood heeft, bemerkt hij het gevaar. Hier is het nu de

vrouw die haar heer die hondentrouw bewijst of die nederige liefde

toont. Het motief is ook verwant met die talrijke verhalen op het

(latere) Griseldis-motief van een man die zijn echtgenote op de proef

wil stellen, haar verstoot, haar een andere vrouw laat dienen die hij

voorgeeft te willen huwen, die haar beveelt hem als staljongen te volgen

en die hij op stroo aan het voeteneinde van zijn bed laat slapen...

alleen om haar later tot groter eer en waardigheid op te heffen.

Tenslotte, wanneer Erec dodelik gewond bewusteloos voor dood nederligt

en Enide juist door een burchtheer gedwongen zal worden hem te trouwen,

komt Erec door haar kreten weer tot bewustzijn, vliegt op en bevrijdt

haar... Zij omhelzen elkaar; aangedaan dankt hij zijn Enide--telkens

wanneer zij ongehoorzaam was had zij in werkelikheid hem eigelik weer

een bewijs van haar liefde gegeven en van nu af leven zij in een en al

geluk zonder de minste wolkjes.

Hier was het de vrouw,--in de volgende roman van Chrestien »Ivan, de

ridder met de leeuw", is het de man die door een hardvochtige geliefde

gepijnigd wordt, waar die de proef door zijn onderdanige liefde bestaat;

en ook in deze roman is het weer het konflikt tusschen de eisen der

liefde en die der riddereer voor een leven van heldendaden, dat de

handeling in beweging brengt. Maar het begin behandelt toch een ander

onderwerp,--dat duidelik de reeds hiervoor genoemde sage van feeënliefde

is, maar op menselike wezens overgebracht, zodat het bijna onherkenbaar

is. Chrestien's bewerking van dit motief werd door zijn tijdgenoten

beschouwd als een meesterstuk in vrouwen-psychologie.

Ivan heeft met een gouden beker water uit een betoverde bron geschept,

met de eigenaar van die bron gestreden en hem dadelik gewond. De gewonde

vliedt naar zijn burcht terug, Ivan zit hem op de hielen... maar is

juist de poort door binnengedrongen, wanneer die achter hem dicht slaat,

voor hem valt een hamei neer en... zo zit hij gevangen! De burchtgravin

en de dienstbaren zijn gelukkig zo druk bezig met hun meester die in de

ridderzaal ligt te sterven, dat zij hem niet opmerken, alleen een der

camerieres heeft hem gezien en wat nog beter uitkomt, eens toen zij met

een boodschap naar het hof van Artus was gekomen, had Ivan haar een

kleine beleefdheid kunnen bewijzen; als dank voor die ridderlikheid

belooft zij niet alleen hem niet te verraden, maar zij geeft hem ook een

ring die hem onzichtbaar maakt. Met die ring aan zijn vinger loopt hij

nu veilig overal het kasteel door. Wanneer Ivan de zaal inkomt, springen

de wonden van de dode open en begint het lijk te bloeden,--een zeker

teken dat de moordenaar in de nabijheid is--maar de mensen zoeken hem

vergeefs. Maar daar staat nu Ivan, en kijkt de wanhopend verdrietige

weduwe aan, de schone »Dame de la Fontaine" en voelt de liefde voor

haar ontwaken. Echt een pikante en sentimentele situatie: de overwinnaar

overwonnen door de echtgenote van zijn verslagen vijand, in de macht van

haar die hem meer dan allen haat. Betoverd door zijn liefde is het hem

onmogelik de plaats te verlaten die meer dan een ander vol gevaren voor

hem is. Wanneer Lunette, de cameriere hem de open deur wijst, kan hij 't

niet over zich krijgen het slot te verlaten, hoe hopeloos zijn liefde

hem ook voor moet komen. In lange monologen horen wij in detail al het

paradoxale van zijn toestand en hoe sentimenteel hij nu volkomen in de

war is gebracht. Nu maakt hij Lunette tot zijn vertrouwde en deze, een

van het echte koppelaarster-soort (verwant aan de dienstmaagd van Medea

en Dido's zuster in de antieke romans) beweert kans te zien er haar

meesteres toe te brengen de moordenaar van haar echtgenoot lief te

krijgen. In de feeënsage die hier aan ten grondslag ligt, was het heel

natuurlik dat elke ridder die opnieuw de Meester van de bron werd, ook

de watergeest daarvan, de fee, zou bezitten; het wordt pas stotend en

paradoksaal wanneer dit op menselike wezens overgebracht wordt. Toch

kan dit het publiek van de heldenpoëzie niet ongelofelik voorgekomen

zijn, zo min als de lezers van onze oude balladen; voor hen was het iets

heel gewoons dat een moordenaar als boetedoening en schadevergoeding

de weduwe of de dochter van de verslagene huwde. Maar de prototype

van Chrestien was niet zo zeer de Oosterse cyniese vertelling van

de gemakkelik te troosten weduwe van Ephesus, als Jokaste die, in de

Roman van Thebe, de moordenaar van haar man huwt, of Dido, die er door

haar zuster toe gebracht wordt haar belofte van trouw tegenover haar

gestorven gemaal te breken, of de wispelturige trouweloze Briseis

in de roman van Troje. Het is vooral zeker de episode van Briseis

die Chrestien heeft willen overtreffen door een nog schitterender

schildering der veranderlikheid van het vrouwenhart en hoe dat zich

onder alle omstandigheden voor de liefde vinden laat. Het meisje dat

blijkbaar tegen haar meesteres zeggen mag wat ze wil, begint een praatje

met haar: dat het toch niets geeft of ze daar nu al blijft zitten wenen,

zij moet er liever over denken hoe zij de bron en het kasteel nu kan

beschermen, zij kan toch gemakkelik weer een even goed heer en meester

krijgen als hij die ze nu verloren heeft. Haar meesteres, die, gelijk

alle vrouwen, »weigert wat ze in haar hart eigelik wil", zendt het

meisje weg en verbiedt haar zulke dingen te zeggen. Maar ze denkt er

toch steeds aan en voelt al wat berouw dat zij Lunette verboden heeft

er op terug te komen. Gelukkig begint die er kalm de volgende keer toch

weer over en verklaart dat het een voorname vrouw als haar meesteres

niet past zo lang te wenen en vraagt of zij misschien denkt dat er geen

moediger mannen zijn dan hij die nu gevallen is?--»Ja,--en wie zou dat

dan zijn?"--»Ik zeg 't niet want dan wordt u maar boos!"--De vrouwe

belooft van niet. En nu begint Lunette: »Iemand die een ander velt,

moet een beter en sterker ridder zijn dan de verslagene, en dus..."

»Weg, uit mijn ogen! afschuwelik wezen!"--barst de meesteres uit,--maar

desniettegenstaande ligt zij toch een hele nacht over de zaak na te

denken en reeds begint zij in haar hart zijn zaak te bepleiten. »Als de

mensen mij maar niet uit zouden lachen!" Maar wanneer Lunette haar de

volgende dag vertelt dat de man niemand anders is dan Ivan, de beroemde

Artus-ridder, dan is de dame op eens vuur en vlam. »Hoe gauw zou hij

hier kunnen komen?"--en ofschoon Lunette hem in haar bereik heeft, laat

zij toch haar vrouwe een hele dag lang in spanning op hem wachten vóór

zij haar Ivan brengt. Wanneer die voor haar verschijnt weet hij nog van

niets en is hevig bevreesd voor zijn leven, ofschoon Lunette hem schelms

verteld heeft dat haar meesteres hem in een niet zeer onaangename

gevangenis wil zetten. Hij moet nu ook niet met zijn mond vol tanden

blijven staan maar... flink voor den dag komen. Hij gaat nu recht op

haar af, werpt zich voor haar op de knieën en geeft zich aan haar genade

over,... vertelt dat het liefde voor haar is die hem op het kasteel

heeft doen blijven; en eindelik stelt zij hem kort maar bondig en

zakelik voor de verdediger van de burcht te worden en daarmede... haar

man! Dan roept zij haar baronnen bij elkaar, speelt een scène voor hen

en weet het zo in te richten dat zij haar dwingen een nieuwe echtgenoot

te kiezen,--waarop zij met Ivan voor den dag komt en hen de eed van

trouw aan hem doet afleggen.

Hoe naïef dit hele stuk psychologiese roman de moderne tijd ook kan

schijnen,--de mensen _waren_ nu eenmaal naïever en meer ongekunsteld in

die dagen, en de analyse van Chrestien komt tegenover de werkelikheid

misschien niet zo heel veel tekort. Maar nu komt als de eigelike inhoud

van de roman, het moment dat Iwein's vriend Gawein hem al heel gauw

verwijt dat hij »luiwammest" en in zijn liefde het ridderleven vergeet

en nu vraagt en krijgt Iwein een jaar permissie van zijn vrouw.

Maar de vriendschap met Gawein, het genot dat hij nu weer in het

ridderleven schept en dan ook zijn ridderplichten die hem steeds weer de

ongelukkigen ter hulp doet snellen die in nood verkeren, dit alles maakt

dat hij langer dan een jaar uitblijft--de plichten der liefde worden nu

voor die der riddereer verzuimd--en nu krijgt hij bericht van zijn dame

dat zij hem niet meer zien wil. In wanhoop en berouw vliedt Iwein

nu naar het bos en leeft daar als een wildeman, wordt waanzinnig

van verdriet en het is niet dan na veel ellende doorstaan en vele

heldendaden bedreven te hebben dat hij alweer door de slimheid van

Lunette zich in genade bij zijn vrouw weet te doen aannemen.

De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen · 第 27 / 36 段