juristen en ceremoniemeesters georganiseerd en gevormd. De graden door
welke de jongeling tot de ridderwaardigheid komt, de ceremoniën van de
ridderslag, heraldiek en de regels voor het steekspel--dit alles werd
in de praktijk vastgesteld, maar dan in de theorie verder uitgewerkt.
En in Latijnse verhandelingen en Franse leerdichten werd een ideaal
van de ridderlikheid ontwikkeld waartoe de adel hun zonen trachtte op te
voeden. Een der geesteliken van Hendrik II, John of Salisbury leert in
zijn groot werk »Polycraticus" dat de soldatenstand even goed een missie
heeft als de geestelikheid, maar evenals slechts zij waarlik geesteliken
zijn die de H. wijding ontvangen hebben, zo zijn alle krijgslieden
die niet tot ridder geordend zijn, slechts indringers en rovers.
De ordinatie bestaat voor hen in de omgording met het zwaard en de
ridderslag; het is een sakrament even als dat van de priester. De missie
van de geordineerde krijgsman is de kerk te beschermen, de priesters te
eren, kinderen en zwakken tegen overmacht te beschutten en zijn bloed
in de strijd voor anderen te vergieten. Mannen die hun vorst zo dienen
zijn heilig en het is een schone zede dat de Ridder op de dag waarop
hij met het zwaard omgord wordt, naar de kerk gaat, daar zijn zwaard
op het altaar legt en daardoor zijn gang aan de dienst Gods wijdt.
De geestelike »Doctrinals" en »Enseignements" die als paddestoelen
opschieten, willen gewoonlik volstrekt niet ridders tot monniken maken.
Zij schelden integendeel de vorsten flink uit, wanneer die geen hof
houden en feesten geven, hun ridders niet eren en de kunst niet verstaan
om »biau despendre", zoals de Duitse keizer dat deed bij zijn glorierijk
feest te Mainz. Zij schrijven handleidingen voor het schaken en de jacht
voor, die bij de opvoeding in al wat ridderlik is te pas komen, en tot
de ware ridderlijkheid rekenen ze ook de kwestie van kleêren, strijd en
toernooien. »Men moet zo leven dat er over je gesproken wordt" zingen de
ridderlike dichters, moeite en strijd moet men niet schuwen, »het gemak
is voor de eer de dood,--de ere eist voor 't lichaam nood", men moet 't
gevaar opzoeken en avonturen, om te »valoir", d. w. z. te tonen dat men
iemand is, en wáár men toe deugt. Maar de riddereer wordt meer en meer
tot de kern van het ridderwezen, en er wordt een fijnere en ook hogere
moraal in gelegd. Het krijgsmansleven bouwt al uit zich zelf een
eremoraal op; het gevoel van sterkte en de moed scheppen eerlikheid
en een zekere grootmoedigheid, kameraadschap en discipline ontwikkelen
standvastigheid en trouw. In het nationale heldenepos dat in het noorden
van Frankrijk nog in de zalen der ridderhuizen weerklonk, was die
militaire eremoraal steeds verheerlikt geworden. Maar die wordt nu
verder ontwikkeld door de steeds omdwalende ridderschap, door de hogere
kringen en door de scholastiek--ontwikkelt men alleen in de richting
van het humane en het geraffineerd spitsvondige, maar ook van sterk
overdreven ijdele bravades. De kerk leert dat de ridder vrouwen en
zwakken moet beschermen, goud en goederen voor zijn deugd en zijn
eer op moet offeren, grootmoedig zijn vijanden moet vergeven.
Het maatschappelik leven legt fijngevoeligheid, bescheidenheid,
hoffelikheid, en vrouwendienst in het begrip der riddereer, maar ook
kleingeestige geraaktheid en ijdelheid. Door de tournooien en het leven
der rondtrekkende ridders wordt men aan menige bravade gewend, een
voortdurend geraffineerd op de spits drijven van het begrip van eer en
menig geval van lichtvaardig spelen met leven en ledematen. Het begrip
van de riddereer wordt tot een doctrine en krijgt zijn wetboek evenals
de leer van de ridderliefde.
* * * * *
In de rijke Noord-Franse en Vlaamse beemden waar reeds vroeger een
letterkundig leven bloeide, ontvouwt zich nu een geweldige productie
van romans, een konkurrent van die heldenpoëzie, wel in vele opzichten
ook als literatuur een vervolg en een nabootsing er van, maar toch
in de eerste plaats in bewuste tegenstelling daarmeê. Van alle kanten
vloeide de stof bijeen. De kruistochten waarin de adel van Vlaanderen
en Lotharingen het voornaamste aandeel had, brachten een voortdurende
verbinding met Byzantium en het Oosten. De vorsten van Lotharingen
werden koningen van Jeruzalem, de handelsverbindingen der Vlaamse steden
met het Oosten via Venetië vermenigvuldigden zich en werden bezegeld,
toen graaf Boudewijn op de vierde kruistocht Keizer van het Byzantijnse
rijk werd. De epiek der kruistochten en de Grieks-Oosterse romans
die wij in »Floris en Blanchefleur" en »Escoufle" geschetst hebben,
waren ook juist toen in dat zelfde Noord-Frankrijk geschreven. Van
het Anglo-Normandiese rijk kwamen toen ook juist de Bretonse sagen en
gedichten en uit Midden-Frankrijk werden de Alexander- en Troja-romans
geïmporteerd. In die gehele romantiese stof werd nu juist hier de
professionele ridderlikheid ingewerkt en de van de Provençaalse hoven
ingevoerde liefdepoëzie, en daardoor is het dat de ridderromantiek tot
de volle ontwikkeling komen kan.
XVIII.
BRETONSE ROMANS.
»Bretonse Romans" werden de meesten van die Noord-Franse romans uit het
einde van de 12de en het begin van de 13de eeuw genoemd. Die speelden
altijd in de wereld van »de twee Bretagnes" en waren opgebouwd op
stoffen en motieven uit de Keltiese sagenwereld, maar vermengden die
met talrijke antieke en Oosterse elementen, waardoor ze hun dichterlike
fantasie de vrije loop lieten. Enkele namen dier schrijvers--Chrestien
de Troyes, Raoul de Houdenc, Renaut de Beaujeu, Guillaume le Clerc zijn
tot ons gekomen, maar verreweg het grootste getal van die romans zijn
anoniem,--die van Durmart le Galois, Meraugis de Portlesguez, Ider,
Gliglois, Perceval, Gauvain, Chevalier as deus epees, le Bel Desconu en
hoe al die andere helden van de Arturcyclus heten.
Reeds Geoffrey van Monmouth en Wace hadden tegenover Karel de Grote,
met zijn hof te Aken of te Laon en zijn twaalf paladijnen, een andere
held opgesteld, Artus, de oude sagekoning uit Cornwall met zijn hof te
Carduel (in Cumberland) en zijn ridders van de Tafelronde. En hij is
't dan ook die de roman met zijn hof tot hun centrum maakt. In vele
opzichten is er een scherpe tegenstelling tussen die twee. Karel was de
witgebaarde, oer-oude keizer »au fier vis" altijd in de wapenen en in
krijg voor de zaak van de kristenheid, geweldig in de strijd, van woede
bulderend in zijn raad, maar ook vol majesteit in zijn ouderdom en zijn
heiligheid ingesloten, als de gezalfde Gods en diens vertrouwensman,
die de openbaringen van de hemel ontving en door de hemelse mirakelen
gesteund werd. Artus is »le bon roi", schoon, en in zijn optreden
helemaal een jonge man, maar iemand die, al kon hij, als het er op aan
kwam, dapper genoeg zijn, toch niet aldoor maar ten strijde trok, in
de regel zit hij vreedzaam op zijn kasteel, vrolik en gezellig, alleen
maar aan feesten denkend; sombere gezichten om zich heen kan hij niet
dulden, verklaart hij. Hij woont de mis bij en doet aan alle uiterlike
ceremoniën mede, maar er ligt niets van de priester over hem, hij staat
in geen mystiese verhouding tot de hemel, integendeel representeert hij
de hele wereldlike ridderlikheid, »die Welt" die zich geheel van de kerk
los heeft gemaakt. Hij is een voorbeeld van vorstelike gastvrijheid en
milddadigheid, een tweede Alexander. Zijn hof en zijn tafel staan voor
allen open, hij strooit gaven om zich heen; wanneer Tristan als een
bedelaar naar het hof komt en om een mantel vraagt, doet hij dadelik
zijn eigen mantel af en geeft hem die. Tegen allen is hij hoofs en
hoffelik. Hij zou het niet in zijn hoofd krijgen om, gelijk Keizer
Karel, »Houd je mond" tegen zijn aartsbisschop te zeggen en zijn Roland
om de oren te slaan; integendeel tracht hij altijd vrede tussen de
ridders te stichten. Wanneer er dames op bezoek komen, ijlt hij ze
tegemoet en helpt ze zelf uit het zadel. Hij is grootmoedig, zijn werk
is om de beschermer van alle zwakken te zijn, degeen die alle onrecht
goed maakt. Dageliks komen er dan ook aan het hof die zijn hulp komen
inroepen en niemand trekt ongehoord weg. Vooral zijn dat vrouwen wier
echtgenoot ze verlaten heeft of die overlast geleden hebben of beledigd
zijn; want Artus is vooral de ridder der vrouwen en aan zijn hof heerst
de vrouw en bloeit de vrouwendienst.
Artur en zijn gemalin Guenievre zitten aan tafel op de twee ereplaatsen,
en om die ronde tafel heen alle ridders zonder onderscheid van
rang. Zijn neef Gawein is het voorbeeld van een held, de bloem der
ridderschap, de »chevalier sans peur et sans reproche". Hij is het
schild van allen die in moeilikheden zijn, die altijd op 't laatste
ogenblik hulp brengt, de ideale vriend die de held bijstaat zo die hem
bij zijn grote daden nodig heeft. Hij is hoofs, opgewekt, heeft de
vrouwen lief maar nog meer de strijd; altijd wordt hij geroemd wegens
»mesure",--zijn takt en zelfbeheersing--en met bizondere hoogachting
behandelen de dichters hem wanneer zij hem »Monseigneur" en »Messire
Gauvain" noemen. Zijn beroemdste avontuur is dat met de groene
Ridder--een oude Keltiese bosreus, die geheel in 't groen gekleed,
op een groen paard gezeten op het Nieuwjaarsfeest bij koning Artus
verscheen en de aanwezigen uitdaagde tot een wedstrijd in moed en
kracht. Hij bood aan, zijn hals een ridder voor te houden die dan toe
mocht houwen, op voorwaarde dat hij een jaar daarna zich op die wijze
tot beschikking van »The Green Knight" zou stellen. Niemand durft de
uitdaging aannemen, behalve Gawein. Die slaat de reus het hoofd af
maar... maar dood-kalm zet die het weer op en roept Gawein tegen het
volgende Nieuwjaar een tot weerziens toe bij »de groene Kapel"; daar
moet Gawein de slag in ontvangst nemen. Ofschoon het zo goed als de dood
voor hem betekent, gaat die toch tegen het volgend jaar, zo als hij nu
eenmaal beloofd heeft, op reis om de groene kapel te zoeken; gedurende
zijn tocht wordt ook zijn loyaliteit als vriend o.a. tegenover
verleiding van vrouwen, op de proef gesteld,--zoals naderhand blijkt
door de groene ridder zelf--; dàt is zeker het oude Oosterse motief
van de »Vriendschaps-proef". En de onvervaardheid en trouw van Gawein
bestaan die proef goed; slechts een kleine vlek komt er op het schild
van zijn eer, maar daar pijnt hij zich dan ook evenzeer over als
koningin Dagmar uit het volksliedje deed omdat zij eens op een Zondag
haar zijden mouwen had vastgemaakt!
Dan komt Iwein, de ridder met de Leeuw die eens een leeuw gered had
die met een slang vocht; nu is Iwein gelijk Androkles of Hieronymus
overal door het dankbare dier vergezeld dat hem op kritiese ogenblikken
bijstaat. En dan zijn er Lancelot en Perceval op wie wij terug komen.
De grappenmaker is Key, de drossaert. Oorspronkelik was hij niet
onsympathiek getekend, hij is dapper maar al te doldriest, met wat al te
veel vertrouwen op zich zelf; hij moet altijd absoluut elk avontuurtje
aan 't hof aanpakken maar hij delft altijd het onderspit. Naderhand
wordt hij kwaadaardig, laf en vals, de onruststichter wiens vergiftigde
tong vooral de dames van 't hof belastert.
Ook de ridders van Arthur vormen reeds in hun uiterlik in vele
opzichten een tegenstelling met de paladijnen van Karel de Grote. Wel
zijn ze sterk en breedgeschouderd als Karels pairs, maar waar bij de
beschrijving van hun figuur spesiaal de nadruk op gelegd wordt is juist
het slanke en elegante: het smalle middel, de lange smalle vingers,
de hoge wreef zijn bizondere aristocratiese schoonheidstekenen. De
Arthur-ridders hebben blonde lokken maar géén baard; de uitdrukking van
hun gezicht is niet gelijk die der Paladijnen »fier, hardi" maar schoon
en rein: »face tendre, chière riante, vis joyos"; »hij scheen helderder
dan een edelsteen" staat er ergens; het aangezicht heeft een bloeiende
kleur, is »als de roos een morgen in Mei". Het oog is stralend,
zacht; de mond is klein, maar heeft gevulde lippen, die is »als een
meisjesmond", de kin heeft kuiltjes, de hals is lang, gevuld en »wit
als die van een meisje". De gestalte van de Arthur-ridder tekent kracht
zowel als bevalligheid en deugt voor de strijd even goed als voor het
hofleven en de liefde.
En aan het hof van Arthur leeft men in vreugde en genot. Dan zijn
het toernooien, dan jachtpartijen. Terwijl de koning 's middags na
de maaltijd zijn slaapje doet, zien wij het gezelschap in een kring
zich aangenaam bezig houden met vertellen van hun ondervindingen; het
gezelschap wordt door de koningin gepresideerd, Key begint weer op te
spelen en wordt door haar op zijn plaats gezet. Of wij treffen ze in hun
tenten in het bos onder een van die dagen lang durende jachtpartijen.
Hij die er in slaagt het witte hert te vellen, heeft het recht de
schoonste dame aan het hof te kussen,--in de oude Keltiese sagen mocht
de overwinnaar zich bij de maaltijd het mooiste stuk vlees afsnijden!
Maar het hof van koning Artus is slechts het uitgangspunt en de laatste
scène der Arthur-romans. Zijn ridders zijn niet geschapen voor een
gezellig hofleven van niets doen dan genieten. Zij moeten de wereld in,
en avonturen zoeken, om later--zoals een van hen zegt--iets te hebben
om in gezelschap van te kunnen vertellen. Meer dan eens verklaart Arthur
's morgens dat hij zijn eten niet aan wil roeren »vóór er het een of
ander gebeurd is". En dat laat dan in de regel ook niet lang op zich
wachten. Dan komt er b.v. zoals wij reeds zagen, een vrouw klagen dat de
een of andere reus haar vriend weg is komen halen of geweld tegen haar
gepleegd heeft. Of omgekeerd is een vrouw aan haar vriend ontstolen
geworden. Of er komt een reus de ridders tot 't een of ander uitdagen.
Een der dames krijgt het in haar hoofd dat zij het wonderhert met de
witte benen moet hebben, dat ergens in het diepst van het woud door vier
leeuwen bewaakt wordt. Of er komt een jonkvrouw uit Ierland aanzetten
die de helden hun werkeloosheid verwijt; zij moesten maar eens naar haar
eiland komen, naar een kasteel dat zo vol met spoken is, dat niemand
er durft overnachten. En de romans trachten elkaar langzamerhand met
het vreemdste, meest spannende begin te overtroeven. Midden in de zaal
vertoont zich b.v. opeens een schaakbord van zilver en ivoor dat even
plotseling weer verdwijnt. Arthur verklaart dadelik dat hij dat absoluut
hebben moet. Of er vliegt plotseling een wit hert dwars door de zaal,
daarachter een hond en een jonkvrouw; een ridder weet de hond te
pakken, een ander grijpt de jonkvrouw die hij mede neemt, en nu krijgen
natuurlik terstond drie ridders van de Tafelronde bevel van de koning,
de een om het hert op te sporen en twee anderen om de geroofde hond en
de maagd na te zetten. Of eindelik: er komt een boot aanzetten die landt
met niets dan een lijk er op, waarin de punt van een lans vast zit; in
de hand van de dode zit een brief waarin de verslagene verlangt door hem
gewroken te worden die het stuk van de lans uit het lijk kan trekken,
maar hij zal dit onmogelik kunnen doen, staat er verder, tenzij met de
hulp van een ander die er in slaagt de ringen van de vingers van het
lijk af te halen.
En dan trekken de ridders er op uit om de avonturen te bestaan die zich
zo voor kunnen doen. Maar dikwels worden die gezocht door de een of
andere jongeling die juist dezelfde dag aan 't hof is gekomen en die van
Koning Arthur permissie krijgt daar zijn krachten op te beproeven. En
dan gaat het de weg op,--de wijde wereld in,--gelijk men in de Griekse
romans op zee voer, zo hier te land. Alleen zijn het niet zoals dáár,
lijdende helden en heldinnen die door het noodlot van de ene kant van
de wereld naar de andere kant gestuurd worden, gevangen worden genomen,
in slavernij verkocht, enz. en zonder tegenstand zich aan alles wat hun
overkomt maar onderwerpen; hier zijn het energieke, moedige ridders die
zelf die avonturen zoeken en de strijd met beide handen aangrijpen. Wat
die romans geven in de poëzie van de gehele tijd der kruistochten en
van de omzwervende losbandige ridderschap--dat zelfde onberekenbare
leven, zo rijk in afwisseling, van de zwerver en de vagebond dat er
in onze tijd ook nu nog een klein beetje inzit, dezelfde geest die
Simplicissimus te voorschijn heeft geroepen en Gil Blas, Peregrine
Pickle, Wilhelm Meister en Kenelm Chillingly,--een geest die in een
tijd vooral dat het onrustige bloed zich nog niet naar vaste regels in
de samenleving voegen kon, de bijwegen onveilig maakte en de herbergen
met reizigers uit alle klassen der maatschappij vulde. De werkelikheid
is in die Bretonse romans nog maar heel vaag aangegeven en veel
feitelike aanduidingen over de reis krijgen wij ook niet; evenmin als in
de Keltiese sagen worden er bepaalde plaatsen genoemd, de reis gaat in
»la blanche lande", door »la forêt aventureuse", voorbij »l'orgueillus
castel fort", en gewoonlik zijn er nog zelfs geen herbergen, waar men
overnachten kan, maar klopt men bij de een of andere arme »vavasseur"
aan, of slaapt in een vervallen »tour des merveilles." In dit leven aan
de grote weg staat alles op losse schroeven en draagt elke schrede de
kiem van gevaar in zich. Wanneer men een bos intreedt--»s'enforester"
zoals dit met een bijzondere term luidt--is het altijd met een beklemd
gevoel van angst voor rovers; komt men aan een kruisweg, kiest men maar
op goed geluk een dier wegen. Gewoonlik treft men daar wel de een of
ander die weet te vertellen dat de ene weg veilig is en goed, de andere
daarentegen vol bezwaren en gevaren, zo dat niemand daar levend over
schijnt te kunnen komen. Waarop de ridder dan als van zelfsprekend die
laatste weg kiest. Door zijn drang tot avonturen laat de man zich zonder
enig vast plan steeds weer van zijn doel afbrengen; door alles wat hij
onderweg tegenkomt laat hij zich ophouden. Iets van de weg af, in het
bos, hoort hij kreten en als hij dan een ridder aan ziet komen rijden
met een dame dwars over het paard heen geworpen, dan moet hij die
natuurlik achterna. Of hij komt aan een brug waar een ridder zich bij
geposteerd heeft, en ieder die er over wil, moet verklaren dat de dame
van die ridder schoner is dan de zijne of zij moeten duelleren. Of wel
men komt aan een slot waar een ridder woont die van alle voorbijgaanden
schatting vordert. Dit laatste is iets wat maar al te zeer uit het
werkelike leven gegrepen was.
Soms herkent men in die trekken met moeite nog de een of andere
oude sage of sprookje. Maar heel dikwels zijn het niets dan kleine
bedenkseltjes. »Les contes de Bretagne sont si vains et plaisants", heet
het. Men voelt het sterk aan die romans dat ze al heel eigenaardig en
lichtvaardig omspringen met allerlei vreemde sagen en sprookjesmotieven
die absoluut geen wortel in het volk zelf hadden, die niet begrepen
werden in die samenhang en zo ook niet op de rechte waarde geschat,
maar alleen als stof dienden voor de spelende fantasie. Er was niets
van het »Erdgeruch" der verhalen van Karel de Grote over de Bretonse
romans, het waren niets dan vluchtige, fladderende luchtspiegelingen.
Al heel gauw kwam het er eigelik maar op aan elkaar in verrassende en de
nieuwsgierigheid prikkelende »Aventures" te overtreffen. Alle mogelike
bizarreriën hoopt men op elkaar. Een ridder komt aan een herberg waar de
waard zijn gasten de gekste en meest absurde bevelen geeft en iedereen
doodslaat die niet gehoorzaamt; de ridder volbrengt zonder kikken al
zijn bevelen en het slot is dat hij zijn dochter ten huwelik krijgt; dit
schijnt een sprookje uit Wales te zijn, dat van Kilhwch. Een andermaal
komt de zoekende een ridder tegen die met een dame rondtrekt die er als
een lichte vogelverschrikker uitziet, maar tegenover wie hij vol van
alle mogelike galanterieën is en op wie hij zeer jaloers schijnt. Ginds
komt een dame aan, die met haar kleeren te binnenste buiten gekeerd,
achteruit op een paard rijdt, dit alles om zich zelf te straffen omdat
zij tegen een zekere ridder onvriendelik geweest is.
Evenals in de Griekse romans wordt de handeling nog verder gecompliceerd
door allerlei misverstand en vergissingen. Men loopt elkaar mis: de
ridder die de dame vergezellen zal raakt haar onderweg kwijt en wanneer
hij dan bij zijn zoeken naar haar in een herberg komt is zij daar net
vandaan getrokken en niemand weet waar heen. Nog meer vergissingen
hebben er plaats en nog groter verwarring ontstaat er omdat alle ridders
in hun dichtgesloten wapenrusting er presies 't zelfde als een »ijzeren
wezen" uitzien, dat alleen maar te herkennen is aan het wapenschild of
helmteken en die dus volkomen incognito zijn wanneer ze dit verbergen;
ook de dames zijn gemakkelik te verwisselen waar het gelaat zo dikwels
bijna geheel door de hoofdtooi bedekt is. Daardoor strijdt men dikwels
met de verkeerde ridder, misschien wel met zijn beste vriend, of wel
schaakt men de verkeerde dame. En verder spelen intriganten de gelieven
vervalste brieven in de handen om kwaad bloed te zetten.
Maar daarbij komen dan nog allerlei bovennatuurlike dingen. Zo is er
b.v. een slot met een »lit perilleux" waarin de ridder natuurlik dadelik
vraagt te mogen overnachten, te middernacht schiet er een vlammende
speer het venster in en doorboort de dekens, bijna was hij zelf gedood.
In een ander slot waar hij komt, »la gaste cité", zijn duizend vensters,
in elk venster staat een jongleur met zijn snareninstrument en een
brandende kaars; het is een toverslot en een vroede man heeft Guinglain
de enige manier laten weten waarop die betovering op zal houden: hij
moet steeds met een heftige vervloeking antwoorden op de vriendelike
begroetingen waarmee hij ontvangen wordt, en dan moet hij in de grote
zaal wachten. Dat doet hij dan ook. De ene reusachtige tovenaar na de
ander komt binnen, maar wordt zo door de ridder overwonnen. Nu gaan
opeens alle kaarsen der jongleurs uit, in de duisternis hoort men ongure
geluiden, en de ridder wordt bang en maakt het teken des kruises. Een
ogenblik daarna komt er een slang binnenkronkelen, met vuurspugende
ogen maar een heerlike vrouwenmond. En die moet de ridder kussen; met
die »fier baiser" is het met de tovenarij uit, en de slang wordt een
allerliefste prinses. Of er borrelt ergens een bron op onder een fraaie
boom die nooit zijn bladen verliest; er hangt een gouden beker bij. Als
de ridder water in die beker doet en 't daarna op stenen voor die bron
leeg giet, steekt er een geweldige storm op. Maar 't wordt gauw weer
kalm, en dan wordt de lucht helder en heerst er een wondere stilte,
alleen is de boom vol van de prachtigste vogelenzang. Maar dan komt er
een wildeman met groot lawaai aanzetten die van de ridder rekenschap
vordert omdat hij die storm veroorzaakt heeft; met zijn leven moet hij
daarvoor boeten.
Die bovennatuurlike dingen zijn een mengsel van Keltiese, Oosterse en
alle mogelike andere sprookjesmotieven. De brommende reus en de storm
komen in de 1001-nacht voor; de boom met de heerlike vogelenzang stamt
uit de legende van de H. Brandanus, die een gekerstende bewerking is
van oude Keltiese sagen. De slang die door een kus tot een prinses
wordt, schijnt Byzantijns-Oosters; in de reizen van Mandeville wordt
die historie van de dochter van Hippocrates verteld,--misschien door
een vermakelike vergissing, hij had n.l. een zoon die Draco heette. In
een episode van »laide semblance", een monster welks aanblik niemand
uithouden kon, is de Medusa sage te herkennen. En als wij ergens anders
van een ridder lezen die naar een onderaards vertrek van een slot
gebracht wordt, waar hij een speer in zijn hand krijgt die zijn krachten
wegneemt, en een ring aan zijn vinger die vergetelheid brengt, en die
voor het weefgetouw gezet wordt en allerlei keukenwerk voor een dame
moet verrichten, dan is men geneigd te geloven dat hier een antieke bron
voor te vinden is, literair of door afbeeldingen, in de geschiedenis van
Heracles en Omphale. Maar van Keltiese sagen en gedichten stammen zonder
twijfel de boze dwergen, de schone heksen, de wilde reuzen, »de
gevaarlike heide" en »het avontuurlike bos".
Zelfs blijken dikwels hele Keltiese mythen achter de handeling dier
Bretonse romans te staan. Dat is het juist wat de achtergrond er van
zo vol stemming maakt en er een perspektief in legt dat de fantasie
zo aanzet, dat men er een andere bovennatuurlike wereld achter voelt,
die de schrijver zelf niet kent of die hij altans verkeerd begrijpt,
maar die dan juist door zijn poging om die menselik te maken, des te
fantastieser en vreemder wordt. Daar lezen wij b.v. van een burchtvrouwe
die haar slot door een ridder laat bewaken; die moet met allen vechten
die naar het kasteel komen, totdat hij door iemand overwonnen zal
worden, dan komt hij vrij, maar de overwinnaar moet nu de wacht
overnemen tot hij op zijn beurt weer afgelost wordt. Ergens anders lezen
wij dat de ridders die haar bewaken de een na de ander als beloning haar
trouwen, zodat de burchtvrouwe op die manier steeds de moordenaar van
haar man huwt. Weer in een ander werk wordt diezelfde geschiedenis nu
vrij sentimenteel zo verhaald dat het een dame is die, om haar minnaar
alleen voor zich te hebben, hem de belofte heeft afgeperst dat hij in
een tuin bij haar blijven zal totdat iemand hem overwonnen heeft; nu
kampt hij met allen die de tuin in willen dringen en stelt de hoofden
van de overwonnenen op de tuinmuur ten toon, maar zelf verlangt hij er
eigelik alleen maar naar om eindelik eens het onderspit te delven om zo
van zijn vervelend baantje verlost te worden. Men voelt licht dat al die
versies niets zijn dan pogingen om de Keltiese sagen in mensenfiguren te
belichamen van feeën die mannen naar hun rijk halen en als minnaars bij
zich houden, hoezeer die ook naar hun eigen land verlangen; totdat er
weer andere sterfeliken komen en de eerste minnaar doden, of aan wien de
fee nu haar liefde schenkt.--Dikwels horen wij ook van de gemalin van
Arthur, die door een vreemde koning geschaakt wordt, maar door ridder
Lancelot wordt gered, maar er wordt zoveel vreemds van dit land verteld
»waarvan niemand terug keert", van een brug zo smal als de scherpe
kant van een zwaard, waar men over moet om er in te komen, enz., dat
de lezer een vaag gevoel krijgt dat dit oorspronkelik niets anders
dan het Dodenrijk is geweest, waar een levende uit teruggehaald moest
worden,--een mytiese stof reeds uit de oertijd die in Griekse sagen van
Persephone en Eurydice teruggevonden wordt, zowel als in Perziese mythen
en kristelike visioenen van het hiernamaals, maar vooral in Ierse sagen
van reizen naar het land der onsterfeliken. Er is ook nog een historie
van een jonge knaap,--Tyolet heet hij in een »lai"--die geboren en
getogen is in de eenzaamheid van het bos en die nu de wereld opzoekt,
naïef en onschuldig, alleen maar geholpen door de goede raad van zijn
moeder en wien uit de dagen van zijn leven in het bos een merkwaardige
macht over alle dieren bij gebleven is.
* * * * *