Tristan ligt te verlangen,--laat zijn bed naar 't strand brengen en

»houdt er alleen het leven nog maar in" om zijn geliefde terug te zien.

Zij is dadelik op reis gegaan en is dan ook al dicht bij de kust van

Bretagne. Maar er steekt een storm op, het schip dreigt te vergaan.

Als zij nu haar vriend nog maar weergezien had, klaagt Isolde, zou zij

gaarne sterven. Maar zo is de liefde, dat niemand van ons smart kan

voelen of sterven zonder dat het de ander ook zo gaat. Als wij maar in

elkaars armen konden sterven, in één kist neergelegd worden. Ofschoon,

als ik nu hier in zee verdrink, zal Tristan zeker ook op zee sterven

(steeds weer die gedachte aan hetzelfde lot voor de verwante zielen)

en wie weet of dan niet een vis ons beiden verslindt en misschien

vangt iemand dan die vis en herkent die onze lichamen en begraaft ons

te samen!... Maar wat praat ik... als God ons nu maar te samen bracht,

zodat ik hem òf genezen kon òf dat wij te samen in dezelfde doodsangst

konden sterven.

Ondertussen ligt Tristan aan wal zich in ellende en verlangen op zijn

sponde te wenden en te keren; het loopt op het uiterste. Listig komt

nu zijn vrouw hem vertellen dat het schip in 't gezicht is,--wat ook

werkelik waar is. Is het wel zeker, vraagt Tristan met ingehouden adem,

en welke kleuren hebben de zeilen? »Helemaal zwart". Nooit had Tristan

groter smart gevoeld, hij keerde zich af; Isolde had dus niet willen

komen. Drie maal fluisterde hij zuchtend haar naam en toen stierf

hij.--Zonder twijfel zijn het de zwart en witte zeilen van de Griekse

Theseus-sage die men hier terug vindt, ook zeker wel een andere antieke

mythe,--van Paris die vóór Helena, de geneeskundige nymph Oenone bemind

had en dodelik gewond bij haar om hulp komt vragen. En evenals het een

»toevallige" vergissing is welke die twee in liefde samen bracht, zo is

ook het slot van de tragedie het gevolg van een »toevallige" vergissing.

Want dat het uit jaloesie zou zijn dat Isolde Withand zwart in plaats

van wit zegt, is blijkbaar slechts een latere, ridderlik, sentimentele

motivering; in de primitiefste vorm van het gedicht is het slechts de

gril van een vrouw om iets anders dan anders te zeggen.

Juist in die versie van Eilhart, is het slot ook het eenvoudigst en het

schoonst. Wanneer Isolde nu aan land komt en de klachten over de dood

van Tristan hoort, roept zij alleen maar uit: »Wee mij! O Tristan! hij

is dood!"; zij verbleekte niet en werd niet rood. Ook weende zij niet

mee, maar haar harte deed haar zo zeer. Bij 't lijk ligt de andere

Isolde luid te jammeren, onschuldig als zij (in deze versie) aan zijn

dood is. Zonder tranen komt de ware Isolde naar binnen en zegt: »Vrouwe,

sta op! Laat mij er bij. Geloof mij, ik heb meer recht om hier te wenen

dan gij. Ik heb hem meer liefgehad." En dan valt zij neer en sterft stil

aan zijn zijde.

Maar op het graf aan Isolde werd een rozenstruik geplant, op dat van

Tristan een wijnrank. Over de graven slingerden die zich samen en hoe er

ook aan gekapt werd, die waren niet van elkaar af te houden. Een oude

zeer verbreide volksoverlevering, die oorspronkelik misschien wel op

de opvatting terug gaat van een werkelike verandering in planten van de

afgestorvenen, maar die in elk geval het schoonste simbool er van is dat

zij in het leven ook niet van elkander af konden.

XVII.

FRANSE RIDDERLIKHEID.

Ridderlikheid en hoofse vormen--zegt een Noord-Frans dichter uit het

einde van de 12de eeuw--waren eerst te huis in Griekenland, toen kwamen

ze naar Rome, nu zijn ze naar Frankrijk getrokken, en mogen ze daar

steeds blijven. En het werd ook feitelik overal erkend dat Frankrijk

nu de zetel van alle »Chevalerie" en alle »Courtoisie" was. Naast het

hof van Hendrik II en Eleonora, zijn gemalin uit Poitou, waren er de

vorstelike hoven in Vlaanderen en Champagne, in Neder-Lotharingen en

Henegouwen,--dan een massa kleine hoven in Noord-Frankrijk en--een

mensengeslacht later--dat van de koning te Parijs, waar het ridderleven

en de ridderpoëzie tot de grootste bloei kwamen. Alle literaire en

kultuur-invloeden die wij in het voorafgaande onderzocht hebben, werden

hier samengevoegd tot één organies geheel.

Zoals wij reeds opmerkten, kon men invloed van de Provençaalse

troubadours en hun minnedichten vinden niet alleen in de Troja-romans

die door een klerk aan het hof van Hendrik II geschreven waren, maar ook

hier en daar in de lais van Marie de France en de Tristan van Thomas.

Koningin Eleonora, de kleindochter van Graaf Guillaume IX van Poitou,

een troubadour van talent, en die zelf haar grootvaders schitterende

en beminnelike sosiale talenten geërfd had, was meer dan alle anderen

de schakel tussen Zuid-Frans en Noord-Frans. Evenals zij haar eerste

gemaal, koning Lodewijk van Frankrijk verlaten had--»een monnik, maar

geen vorst" zeide zij van hem--werd de verhouding tussen koning Hendrik

en haar ook al heel spoedig slecht. Hij had meer dan één bijzit,--o. a.

de beroemde »schone Rozemonde" waar zoveel sagen van lopen--en zij

intrigeerde en zette zijn zoon net zo lang tegen hem op, totdat de

koning haar, alsof zij gevangen was, steeds liet bewaken. Maar vóór

die katastrofe hield zij hof te Rouaan, te Londen en Limoges waar zij

massa's tot zich trok, o. a. vele troubadours. Zo was b.v. Bernard de

Ventadour haar gast te Rouaan, waar hij minneliederen aan haar dichtte;

»de jonge, vrolike, voortreffelike koningin," zegt de oude biografie,

»ontving hem met genoegen en maakte hem tot de »seignor de tota lo soa

cort."" Haar zoon Richard die zich geheel als Zuid-Fransman voelde, ging

voortdurend met troubadours om. Bertrand de Born was eerst zijn bittere

vijand, maar werd later door de jonge vorst gewonnen en bezocht hem te

Rouaan. Een andere troubadour volgde hem op de kruistocht en bij de

dood van Richard weerklonk Frankrijk van de liederen der troubadours

te zijner ere. Zelf was hij ook troubadour, o. a. had hij het in zijn

zangen met de Dauphin van Auvergne aan de stok of met de koning van

Frankrijk en schreef een fraaie klaagzang over zijn gevangenschap in

Oostenrijk; hij schijnt even gemakkelik in het Provençaals als in het

Frans gedicht te hebben.

Er waren vele persoonlike verbindingen geweest tussen de Noord-Franse

hoven en die van Anjou en het Anglo-Normandiese rijk. Een Vlaamse

prinses was de gemalin van Hendrik I van Engeland geweest en vele

werken der Anglo-Normandiese literatuur waren aan haar opgedragen.

Het graafschap Champagne werd met het Midden-Franse graafschap Blois

verenigd onder een zoon van de zo literaire vorstin van Blois. Een

prinses van Anjou trouwde met een graaf van Vlaanderen en werd de moeder

van de literaire Mecenas, Philip van de Elzas. Maar vooral waren het de

dochters van koningin Eleonora die evenals hun moeder in het Noorden van

Frankrijk een soort missionairs werden voor de Provençaalse kultuur.

Marie huwde met de graaf van Champagne en hield in de jaren 1160-1180

een zeer gezocht hof te Troyes; haar zuster Aelis trouwde met de graaf

van Blois, een broeder van Marie's echtgenoot. En elk bracht in haar

kring de minnedichten der troubadours in de mode bij de Noord-Franse

dames en heren.

Provençaalse melodieën en liederen waren daar reeds vroeger gezongen

geworden; ze gingen onder de naam van »sons poitevins"; ook troubadours

kwamen er wel eens. Maar sedert de laatste dertig jaren van de 12de eeuw

kwam aan de grote en kleine Franse hoven een adelike hoflyriek op en in

bloei, volkomen in de trant van de troubadours. Evenals in het Zuiden,

had men ook in het Noorden dichters van allerlei stand: naast een vorst

als graaf Thibaut van Champagne, een leenheer als Conon van Bethune,

vond men de slotheer van Coucy, ridders als Gace Brulé en burgerlike

trouvères als Jean Bodel van Arras. De troubadours werden nagevolgd in

de kunstige versvorm, in de conventionele poëtiese stijl, en zelfs in de

ootmoedige vrouwendienst die er de inhoud van uitmaakte. Alleen was het

Noordfrans een veel minder vormrijke taal, en de Noordfranse volksaard

geheel anders dan die der Zuidelingen, en zo er al heel gauw iets

kunstigs en conventioneels in de Provençaalse troubadours kwam, de

imitatie der Noordfranse heren was eigelik al niet veel meer dan een

echt dilettantengezelschapsspelletje. En het zijn ook zo goed als

uitsluitend de erotiese en maatschappelike genres waar men zich daar op

toelegt: voor de politieke _sirventes_ is de bodem daar minder geschikt.

Enkele van die minneliederen vertonen iets persoonliks. In de liederen

van de graaf van Bethune zijn er hier en daar zeer originele beelden; op

zijn zegel ziet men hem in volle wapenrusting voor zijn dame knielen,

terwijl hij haar hand als een vasal vastgrijpt, die zijn leenheer

huldigt. Een tijd lang leefde hij aan het hof van Marie te Troyes en

bezong haar, maar werd door »de Fransen" voor de gek gehouden wegens

zijn dialekt van Artois. De burchtgraaf van Coucy schreef gedichten

ter ere van de vrouwe van Fayel die een zeer natuurlike verknochtheid

aan »ma très douce chière amie" ademen; mijn liefde, zegt hij, is zo

vermetel als het kind dat schreeuwt »por la bele estoile avoir--k'il

voit haut et cler seoir". Graaf Thibaut die op bescheiden afstand zelfs

een hulde bracht aan koningin Blanca van Kastilië, de trotse moeder van

Lodewijk de Heilige, toont in vele zijner liederen heel wat smaak voor

geleerde allegorieën en mythologie, maar toch ook een ware aanleg voor

liefde en echt Franse fijngevoeligheid. Mijn liederen--zegt hij--zijn

vol gramschap en smart, ik weet niet of ik zingen zal of wenen. Ik weet

niet hoe ik het met mijn trouweloze schone heb, maar »un peu la hais

trop amoureusement". En wanneer de dichters, zoals b.v. Richard de

Semilli, vrijere versvormen gebruiken, zingen ze dikwels heel vrolik en

fris. Richard vertelt b.v. hoe hij zijn dame in gezelschap van anderen

langs de Seine wandelend is tegengekomen--haar voetje is zo klein

en haar schoentje zo netjes en zij loopt er zo keurig op--, en dan

geeft hij een genoegelike schildering van een damestoernooi: de hele

uitrusting, brokstukken van een levendige woordenwisseling, en angstig

voor zijn dames roept hij als een soort refrein voor elke strofe een

nieuwe heilige aan met zijn »Gardés moi mes dame, mes Sire Saint..."

Maar anders is alles vrij bleek en banaal. De hele stijl, met zijn

smachtende hyperbolen, die de verliefde vleier in de mond van een

Zuid-Franse heel natuurlik staan, worden bij de Noordeling koude

conventie. Het is het verstand dat droog de beelden over het hart

doorwerkt, dat bij de aangebedene in gevangenschap verwijlt, en

waar zij voor zorgen moet, en stroo en brood moet verschaffen in de

gevangenis,--of over haar schoonheid die als een pijl de toeschouwer het

oog doorboort: haar ogen zijn de pijlspits, haar wenkbrauwen de boog

en haar lokken de veren der pijl. Slechts nu en dan duikt er een fris

uit het ridderleven gegrepen vergelijking op. Over het algemeen is het

slechts het spirituele en het subtiele in de liefde dat de Noordfranse

geest bizonder op prijs stelt en ontwikkelt. Parijs was niet voor

niets de zetel der scholastiek. Al de scherpzinnigheid waarmede men

in de scholen van Parijs abstrakte begrippen definieerde of geestelike

verschijnselen analyseerde, werden ook al heel vroeg door de lyrici

op het liefdeleven toegepast, en men kleedt in de lyriek evenzeer

als in de scholastiek zijn gedachten in allegoriese abstracties en

personificaties. Nu treden in de gedachten niet alleen »Prix" en

»Honneur" als handelende en sprekende personages op, maar ook »Attente",

»Espoir", »Pitié" en »Doux-Semblant" en het hart van de schone wordt

tot een gevangenis, waarvan »Bon-Espoir" de boeien zijn, het slot:

»Bel-voir" en de cipiers: »Beau-Semblant" en »Dangier". Een poëties

genre waarin men bizonder uitmuntte was die nabootsing van de

Provençaalsche versdebatten over het een of ander eroties vraagstuk

dat, merkwaardig genoeg met de naam van »jeux-partis" wordt aangeduid.

Zulke debatten werden er dikwels aan het hof van Thibaut van Champagne

gevoerd. »Welk echtgenoot is het meest te beklagen,--was één vraag--hij

die vermoedens of hij die zekerheid heeft? Welke van twee gelieven is

het ongelukkigst, hij die het gezicht of die het gehoor mist? Welke

dame bemint het vurigste: zij die uit angst voor haar vriend hem

verbiedt aan een toernooi deel te nemen, of zij die hem met 't oog

op zijn eer daartoe aanzet?" Gezelschapsspelletjes, waarin wel veel

kinderachtigs steekt maar toch ook dezelfde belangstelling voor

psychologiese en morele kasuistiek die steeds de toon is aan blijven

geven in de Franse salons van Marguérite de Navarre tot de tijd van de

Précieuses en van de dagen van Marivaux tot die van Bourget.

In dergelijke liefdedebatten heeft Marie van Champagne dikwels met haar

dames als hoogste rechter gefungeerd en »vonnissen" moeten »vellen",

evenals haar moeder, koningin Eleonore of de burggravin Ermengarde van

Narbonne dat in Zuid-Frankrijk gedaan hadden. Ook zullen Noord-Franse

ridders en dames meer dan eens voor Marie of voor gravin Margaretha

van Vlaanderen of koningin Aelis van Frankrijk gekomen zijn met een

greep uit het werkelike leven, om te vragen hoe men volgens hoofse

Provençaalse opvattingen in die gevallen moest oordelen of handelen,

zoals men ook naar de nieuwe mode kwam informeren. Er is b.v. een page

die postillon d'amour geweest is voor zijn meester, een ridder, bij

een dame. Maar nu zijn de page en de dame verliefd op elkaar geworden.

Wat moet men nu met zoo'n paar misdadigers beginnen? En gravin Marie

antwoordt: zij zijn goed genoeg om elkaar te mogen behouden, maar zij

kunnen niet meer in de goede kringen geduld worden. Een dame heeft een

jonge man tot zich genomen, een ridder, waar de schaaf nog zo goed als

in 't geheel niet over gegaan was, heeft hem toegelaten haar te dienen

en heeft hem nu zo ver gebracht dat hij een voorbeeld van goede manieren

en zeden is geworden; nu komt een andere dame die hem haar liefde biedt,

de ridder keert zich nu tot deze en veronachtzaamt zijn weldoenster. Wat

moet men van zo iets denken? En de gravin van Vlaanderen zegt: de dame

zowel als de ridder hebben zeer verkeerd gehandeld; door de ridder zo op

te voeden heeft de dame het recht verworven hem voor zich te houden.

Deze en dergelijke oordeelvellingen vindt men in een kurieus Latijns

boekje van ongeveer 1200 opgenomen, gevormd: »De arte amandi",

geschreven door een geestelike, Andreas, die aan het hof te Parijs

werkte en die alles opschreef voor een jong man uit de hoge standen

om hem te waarschuwen tegen het betreden van de wegen der liefde,

maar hem toch ook (en dit is het wat verreweg het grootste deel van 't

boek uitmaakt) eens goed op de hoogte te brengen van alles wat tot die

nieuwe »Comme-il-faut-liefde" hoort. Het boekje geeft zeer duidelik de

geest der scholastieken weer, die zo ook de kunst der hoop en liefde

doordringt, ze in sisteem zet en in optima forma tot een _leer_ maakt.

Onze klerk heeft een groot materiaal bijeen verzameld van dergelijke

rijm-debatten uit de Provençaalse en Noord-Franse dichters en van

exempelen uit allerlei ridderromans, waaruit hij nu met fijne dialektiek

maar grove pedanterie een leerstelsel voor de hogere kringen op tracht

te bouwen. Zo geeft hij b.v. een hele collectie formules, voor de

verschillende standen, in welke bewoordingen »hij" »haar" moet vragen en

hoe zij moet antwoorden. En er zijn allerlei rubrieken: een niet-edelman

die evenzo een burgerlike dame vraagt, of een adelike dame of een

van de hoge adel of zelfs een vorstin! Dan: een gewoon ridder die tot

een burgervrouw spreekt of een ridderlike dame of een vorstin enz.

enz. Volgens die verschillende mogelikheden is de toon eerbiedig of

opdringend, gewoon of met de nodige fraaie wendingen aan de kant van

de vrijer en meer eerbiedig of vereerd of uit de hoogte bij de dame.

En achter het stijve Latijn kan men dikwils de levende taal, en de

omgangstoon van de verschillende maatschappelike standen onderscheiden.

Verder geeft de geestelike ook een »Wetboek der Liefde" zo als een

ridder dat van het hof van koning Artus heet gehaald te hebben. Onder

de 31 voorschriften daaruit--die Andreas uit de troubadourlyriek en de

ridderromans getrokken heeft--zijn er als volgt: dat de liefde geheim

gehouden moet worden, dat het huwelik geen geldige reden is te weigeren

een ander lief te hebben, dat men maar één te gelijk liefhebben kan,

maar heel goed door méér dan één bemind kan worden, dat niemand zonder

goede reden er van af moet zien iemand lief te hebben en dat men twee

jaar lang over zijn afgestorven geliefde moet treuren. Men ziet er ook

uit dat de ware minnaar slecht moet slapen en weinig eetlust hebben,

dat hij verbleekt wanneer hij zijn geliefde ziet, dat hij alleen maar

plezier hebben moet in wat zijn aangebedene hem vrijwillig toestaat,

maar dat hij natuurlik jaloers is en haar bij de geringste aanleiding

van het ergste verdenkt. Psychologiese waarneming en een zeker morele

fijngevoeligheid, gelijk men ziet, naast zuiver conventionele regels,

als voor een nieuw gezelschapsspel.

Wordt nu troubadour-erotiek in het Noord-Franse riddergezelschap

van zijn lyries karakter ontdaan en gemaakt tot een spirituele

gevoels-analyse en sentimentele moraalleer, Noord-Frankrijk is toch

aan de andere kant het tehuis van de oude epiese heldengedichten, en de

mannelike zijde van de ridderkultuur kwam hier, in het leven zowel als

in de literatuur, heel wat meer tot ontwikkeling dan in Zuid-Frankrijk.

De Anglo-Normandiese koningen waren meer en meer de vorstenidealen naar

het hart der ridders geworden: dapper en eergierig, vrijgevig en

prachtlievend. Reeds Hendrik I had een grote naam van ridderlikheid

verkregen, toen hij na een slag bij Noyon, tegen zijn leenheer, de

koning van Frankrijk, grootmoedig alle gevangenen vrij liet, die als

vazallen van hem en de koning van Frankrijk, hun plicht jegens hun

hoge leenheer vóór hadden laten gaan. Zijn schitterend hof in de

jaren 1130-40 had kleur geleend aan de schilderingen door Geoffrey van

Monmouth en Wace van het Sagehof van koning Arthur. Maar nog meer werden

de tijdgenoten verblind door de overdadige pracht, die Hendrik II

ten toon zou spreiden om zijn koningswaardigheid op te houden,--het

bonte weelderige gevolg, waarmede Thomas à Beckett, de kanselier, op

gezantschapsreizen zijn intocht in Franse steden hield, of de bijna

Byzantijnse feestdos en het ceremonieel waarmede Richard Coeur de Lion

te Westminster gekroond werd. Van zijn jeugd af was Richard voor zijn

tijd de incarnatie van ridderlikheid en vorstendeugd. Goed bezien was

hij, oproermaker als zoon en als vazal, eigelik volstrekt geen goed

voorbeeld, net zo min als echtgenoot en als koning over een rijk dat

hij geheel en al verwaarloosde. Maar hij was statig van postuur en

geweldig sterk, was zeer op het uiterlike gesteld, was altijd opgewekt

en onvervaard, »vrijgevig als Titus, welbespraakt als Nestor," een man

die tengevolge van een ogenblikkelike inval, zonder het voor en tegen te

overwegen, zich in het een of ander schitterend avontuur zou storten,

roekeloos dapper, de eer boven alles stellend, daarbij niet zonder

een zekere altans schijnbare ijver voor de zaak der kerk. Geheel

en al romanties was de glans die op hem viel toen hij, de afgod der

troubadours, de belhamel van Zuid-Frankrijk, op éénmaal, vlak nà zijn

kroning op een kruistocht trok. Gelijktijdige berichten schilderen

hem in alle poëtiese heerlikheid op die kruistocht: weg galopperende

op zijn edel Spaans paard--»een schilder kon het niet fraaier gemaakt

hebben"--in zijn rozenrode mantel met halve manen er in genaaid en zijn

geborduurde scharlakenrode hoed met prachtige wapens en gulden sporen;

streng de hand houdende aan tucht en orde in het leger--»geen van 't

andere geslacht mochten mede trekken behalve wasvrouwen, die zo moesten

zijn dat ze niemand tot de zonde konden verleiden"; stoutmoedig zich

in de avontuurlikste tochten stortende en Philip Augustus geheel

overschaduwende; de edele koning Saladin bewondering afdwingende en

trachtend hem in beleefdheden en grootmoedigheid te overtreffen; ten

slotte door de jaloerse Franse koning verlaten en in zijn land door

zijn broeder verraden, vermomd door Duitsland heen terug ijlend waar

hij lange tijd in smadelike gevangenschap gehouden werd door de Duitse

keizer.

Van die figuur van Koning Saladin straalde de tijdgenoten een even

schitterende glans van ridderlike poëzie te gemoet. De gedichten wisten

te vertellen hoe hij zich door Bertran de Born in de ridderlike liefde

liet onderwijzen en hoe hij zich door een gevangen genomen ridder de

wetten van de Ridderlikheid liet uitleggen en de ridderslag ontving met

een simboliese verklaring van al de ceremoniën daarvan.

De Noord-Franse vorsten en ridders trachtten zowel door uiterlike glans

als door hun schitterend optreden aan de wedstrijden voor de prijs

der Ridderlikheid deel te nemen. Zeer beroemd werd een feest dat Graaf

Boudewijn V van Henegouwen gaf toen zijn zoon tot ridder geslagen was,

de toernooien te Soissons van Augustus 1175 en van Trasignies in 1169,

maar de glorie van het grote feest dat de Keizer van Duitsland in

1184 te Mainz had gearrangeerd, toen zijn zoon de ridderslag ontving,

had toch alle andere overtroffen en een massa Noord-Franse vorsten en

ridders namen daar aan deel. En van Gotfried van Bouillon en Boudewijn

van Vlaanderen af tot de ridders toe die Konstantinopel in 1204

veroverden en in 1214 de zegepraal bij Bouvines behaalden, vertellen de

kronieken van een hele reeks schitterende Noord-Franse ridderfiguren.

De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen · 第 25 / 36 段