van haar man en zijn oom voort te zetten. En van nu af begint er een
voortdurende kamp. De twee gelieven kunnen niet zonder elkaar leven, zij
proberen dit ook in 't geheel niet; maar Tristan heeft vijanden aan het
hof--vooral is er daar een kwaadaardige dwerg zoals de Keltiese sage die
kent--die de verhouding ontdekken, die aan de goede koning verklikken
en de geliefden in de val trachten te lokken, die zij lang weten te
vermijden--Brangien staat tegenover de dwerg aan hun zijde--maar waar
zij eindelik eens invliegen; dan wordt Tristan verbannen maar hij
weet de zaak toch gaande te houden en wordt spoedig weer in genade
aangenomen. Oorspronkelik zal de hele geschiedenis,--er werd al op
gezinspeeld--door de sage volstrekt niet zo sentimenteel-tragies opgevat
zijn, de grote virtuositeit van de slimme held bestaat juist daarin dat
hij zulke stukjes klaar weet te spelen en het slachtoffer nog een lange
neus op de koop toe weet te bezorgen, en wat de echtbreuk in het geval
betreft, over deze »komedie" heeft de volksfantasie altijd de nodige
anekdoten te vertellen gehad; vooral de Galliese humor heeft voor
dat tema altijd grote voorliefde aan den dag gelegd. Het enige wat de
Tristan-roman met de krasse verhalen over de bedrogen echtgenoot wist te
doen, was ze in een sentimenteel licht te stellen, wat gelijk wij zagen
ook de grote kunst van Marie de France was. De minnedrank komt dan ook
goed te pas om de onschuldige gelieven in een beter daglicht te stellen;
zij weten beiden dat zij geen verantwoording voor 't gebeurde hebben,
en dat hun alles toegestaan is--en dat voelt de lezer ook. Maar hun
liefde staat ook daardoor hoger dan de grove komiek der fabliaux doordat
de echtgenoot niet opgeofferd wordt. In de sage zal deze koning der
ezelsoren niet anders dan de goedgelovige nar geweest zijn, lichtgelovig
tegenover Isolde en die zich ook even licht door de verklikkers laat
ophitsen. Bij Berol verwijt koning Artus hem ook dat hij wispelturig
is en veel te gauw toegeeft. Maar niet alleen de dichters, ook zij die
hem bedriegen erkennen dat hij welwillend is en toegevend, en groot is
de sympathie van allen voor de »einvalt" en »wegelôse" koning, zoals
Gotfried hem noemt. »Slechts zijn grote liefde voor u," zegt Brangien
eens tegen haar meesteres, »maakte hem zo toegeeflik voor u, maar gij
beloont hem slecht."
In talrijke episoden krijgen wij het spel en het tegenspel te zien. De
koning heeft Tristan van het hof verbannen en de geliefden versmachten
van verdriet, nu zij van elkaar gescheiden zijn. Edoch, Tristan weet
raad. Er stroomt een rivier langs--of oorspronkelik door--het vertrek
van Isolde (zo eigenaardig en primitief was het Keltiese huis van bouw)
en door middel van zaagsel dat tekens vormt en de rivier afdrijft, laat
hij haar weten hoe zij elkaar zullen vinden,--een list die reeds in een
oude Ierse sage voorkomt.
De dwerg is te weten gekomen dat zij elkaar 's nachts bij maneschijn aan
de oever van een meertje in het bos zullen ontmoeten. Koning Marc is met
een pijl en boog gewapend in een boom geklommen daar dicht bij om ze te
beloeren,--in de oorspronkelike versies van de sage vindt men, naar het
schijnt, nog geen lans of paard. Tristan komt eerst en ziet de schaduw
van de koning in het water. Hij staat als op gloeiende kolen en durft
niets te laten merken, maar is vol angst hoe alles aflopen zal wanneer
Isolde ook komt. Maar, ook zij ziet de schaduw en nu beginnen ze door
een gelukkige inval van beide kanten, en tot stichting van de koning in
de boom, een aandoenlik gesprek over de laster waaraan hun onschuldige
vriendschap blootstaat en Tristan smeekt de koningin zijn voorspraak
bij de koning te willen zijn--vooral over een som gelds om zijn harnas
terug te krijgen dat hij heeft moeten verpanden--; maar zij zegt dat
zij dit niet durft,--zo alleen en vreemd als zij zich aan het hof voelt.
De echtgenoot wordt zo aangedaan dat hij, zoals hij naderhand vertelt,
bijna uit de boom was gevallen. De volgende dag neemt hij Isolde in
verhoor en na een kleine komedie, waar zij prachtig toneel speelt, wordt
zijn neef weer in genade aangenomen. Maar Brangien moraliseert over het
mirakel dat God voor hen gedaan heeft--op een manier waarvan men eigelik
niet weet of het Godsbespotting of naïef laks kristendom is--hij is een
goed vader die geen hart heeft hen kwaad te doen die »buen et loyal"
zijn.
Een ander maal heeft een dwerg meel tussen de bedden gestrooid; de
koning, Isolde en Tristan slapen n.l. in hetzelfde vertrek en er wordt
vermoed dat Tristan 's morgens het bed van Isolde bezoekt wanneer de
koning vroeg opgestaan en uitgegaan is. Maar de gelieven hebben dat meel
gezien en met een enorme sprong weet Tristan direkt uit zijn bed in dat
van Isolde te komen. Maar ongelukkig was hij kort te voren door een wild
zwijn gewond (volgens de meer ridderlike versie heeft hij zich juist
adergelaten) en nu springt de wond open en komt er bloed op het laken
van Isolde en zo wordt alles toch ontdekt, ofschoon hij heel onschuldig
in zijn eigen bed ligt te snurken wanneer er anderen binnen komen. »Ach,
God, welk een smart," roept de dichter uit--»dat de koningin de lakens
niet weggedaan had."
Isolde moet nu een eed afleggen om door een godsgericht haar onschuld
te bewijzen. Ten einde op de plaats des gerechts te komen, moet zij
met haar gevolg een rivier over. Aan de oever staat een schurftige
bedelaar en wanneer de koningin nu landen zal, vraagt hij haar uit de
boot te mogen dragen. Zij omvat hem nu met haar armen en benen want
zij heeft dadelik Tristan herkend; hij had haar ook laten weten dat
zij maar goeden moed zou houden. En wanneer zij nu aankomt, kan zij
kalm de eed afleggen dat zij nooit een andere man dan de koning haar
Heer en Meester in haar armen heeft gehad en,--ja, dan ook nog die
schurftachtige bedelaar van daar straks,--en doorstaat zij met glans de
ijzerproef.--Reeds in de oude Indiese vertellingen en later in Griekse
romans hadden loze geliefden dergelijke dubbelzinnige eden afgelegd.
Daar ziet men alweer, roept naar aanleiding hiervan de antiklerikaal
Gotfried tot de geestelikheid met haar »vrome bedriegerijen",--daar ziet
men alweer dat Kristus zich tot alles leent, hij is als een mouw die men
kan draaien en wenden, presies zo als men wil, evengoed tot bedrog als
tot waarheid!
Maar,--de koning kan, niettegenstaande dit alles toch niet blind blijven
voor wat er tussen die twee gebeurt. Hij ziet het, zo als Gotfried het
sentimenteel uitdrukt, aan hun blikken, hun groeten, hun handen die zij
zo dikwijls tegen het hart drukken. Weer volgt er een breuk en wordt het
paar veroordeeld. Bij Berol geschiedt dit op zeer ruwe manier. Tristan
wordt naar de brandstapel geleid, maar als hij onderweg permissie heeft
gekregen om een kleine kapel in te gaan om te bidden, weet hij met een
koene sprong het raam uit te springen naar een steile rots en zich zo
te redden, Isolde zal ook verbrand worden, maar op weg komt de stoet
een troep melaatsen voorbij en hun geleider stelt de koning voor de
zondares aan hen over te leveren. De melaatsen die in de middeleeuwen
in voortdurende vleselike lust bleken te leven, konden haar nu allen
bezitten en dat zou nog de beste spot voor zulk een verwende prinses
zijn. Zonder zich een ogenblik te bedenken levert de koning haar uit en
trots trekken zij met de wenende verder. Maar uit een hinderlaag komt
Tristan op eens te voorschijn en verdrijft de schare; Berol, dichter van
de beginnende ridderlikheid als hij is, zegt dat Tristan zich volstrekt
niet verwaardigde zijn zwaard te trekken, zoals vroegere dichters hebben
beweerd, zijn getrouwe vriend en makker ranselde er met een knuppel op
los en dat was genoeg. Dan trekt hij met zijn geredde geliefde het bos
in.
Thomas laat dit alles weg; alleen doet de koning beiden in de ban,
Tristan voorziet zich alleen maar van wat geld; neemt zijn harp, zijn
hoorn, zijn degen en zijn hond mede en vol verrukking gaan de twee
gelieven zonder enig protest, hand in hand op weg.
Het bos is altijd het toevluchtsoord voor alle vogelvrij verklaarden
geweest;--in Engelse liederen van Robin Hood als in de IJslandse
ballingsschapsverhalen. Even als daarin wordt ook in »Tristan en Isolde"
de vrijheidsromantiek in het Robinson-achtige natuurleven in het diepe
bos gepoëtiseerd. De geliefden bouwen zich nu een verborgen loofhut,
vertelt Berol, en Tristan gaat op jacht na zijn hond zo gedresseerd
te hebben dat die het wild grijpt zonder te blaffen; hij kan ook al de
vogelgeluiden na doen zodat die zich om hem verzamelen. Liefde tot de
dieren komt hier, evenals bij Marie de France, sterk op de voorgrond als
een schakel in de keten der ontwikkeling van de sentimentaliteit en het
natuurgevoel. Bij Gotfried, misschien reeds bij Thomas--komt zelfs het
Rousseau-achtige dwepen met de natuur van de hoveling hier en daar te
voorschijn. De twee geliefden leven alleen van hun liefde, dat is de
enige spijs en drank waar ze iets om geven, hun hof is de linde, de
weide en het gezang der nachtegalen. Wat niet weg neemt dat Berol ze,
eigelik heel gek, een prachtige »liefdegrot" in het diepst van het woud
in laat richten, en hij zich geen moeite spaart om de marmeren muren, de
glans der edelstenen en het bed van kristal te schilderen--alles in de
trant van de »Chambre de beauté" der Trojaromans--maar hij legt er een
diepe allegoriese betekenis in en vertelt vol aandoening dat hij zelf
dikwels in zulk een liefdegrot geweest is, ofschoon hij nooit Cornwall
bezocht heeft,--hij was dikwels op jacht gegaan maar dan, zonder enig
wild te vangen, altijd in die grot terecht gekomen. Des morgens, vertelt
hij nu verder, wandelde het paar wat rond, of zat naar het kabbelende
beekje te luisteren en volgde de golfjes met hun ogen. Wanneer de zon
hoger aan de horizont kwam, gingen zij onder de lindenboom zitten die
bij hun grot groeide, en dan suisde de wind koel door het schaduwrijke
loof, terwijl zij elkaar droeve liefde-verhalen deden uit Ovidius. Ook
vermaakten zij zich met te spelen en op de jacht te gaan. Zo gingen
ze eens op een morgen hand in hand op weg; alle vogelen in het bos
begroetten hen met hun kunstigste trillers, lachend keken de bloemen hun
in 't gezicht, de dauw fonkelde in het morgenlicht en koelde hun voeten.
Het was alsof de gehele natuur ze vaarwel wilde zeggen. Zij zijn n.l. in
een onrustige stemming; de vorige dag hebben ze hondengeblaf gehoord en
ze zijn bang dat de koning in de buurt op jacht is.
En zo is het,--de koning jaagt; hij wil proberen de zwaarmoedigheid te
verdrijven die op hem rust sedert zijn vrouw hem verlaten heeft, die hij
nog steeds lief heeft. En in de namiddag, wanneer de gelieven in hun
woning liggen te slapen, komt een der jagers daar toevallig voorbij,
kijkt door een reet en ziet ze liggen... dadelik haalt hij de koning,
die aan komt sluipen om de schuldigen te doden. Maar gelukkig liggen
ze daar, geheel gekleed, met het blote zwaard tussen hen in, als de
gepersonifieerde onschuld. Geen luchtje roert zich, geen blaadje beeft,
door het bladerdak dringt een zonnestraal en verguldt het aangezicht
van Isolde, »zo slapen de twee gelieven, die denken aan geen kwaad, zij
hebben niemand dan zich zelf hier in 't land." Het getrokken zwaard
tussen de gelieven,--dat is het overoude teken van onschuld, dat men
reeds in »Amis en Amiles" vindt, zowel als in de »Völsungensage", maar
hier is het òf een bloot toeval dat ze zo liggen, òf een list, omdat zij
wel vermoeden dat de koning op jacht is. En de brave koning loopt er dan
ook in! Reeds heeft hij zijn zwaard opgeheven, maar ontroerd laat hij
het vallen, vol liefde blijft hij zijn schone Isolde weer aan staren;
hij besluit zich weer even ongemerkt te verwijderen, maar hij wil ze een
teken achterlaten dat hij er geweest is en hun geen kwaad wenst,--even
als David wanneer hij Saul in 't hol heeft gevonden. Hij ziet hoe haar
teêre huid door de zon gekleurd wordt en trekt een van zijn handschoenen
uit die hij voor haar gelaat hangt; ook neemt hij een van haar ringen
weg,--ach! haar vingers zijn zo mager geworden dat dit gemakkelik genoeg
gaat--en doet een der zijnen daarvoor in de plaats aan haar vinger;
ook wisselt hij zwaarden. Een dergelike geschiedenis van een goedige
echtgenoot vindt men in de oude troubadour-biografieën en is ook in de
moderne literatuur te vinden.
Maar nu houdt de werking van de liefdedrank op; de drie jaar gedurende
welke die volgens Berol werken zou, zijn verlopen. Op een dag dat
Tristan op jacht is, begint het hem te vervelen dat hij niets te doen
heeft en geen heldendaden meer verricht. En Isolde krijgt nu berouw
dat zij haar koninklike waardigheid en het rijke hofleven voor al deze
ellende heeft laten varen en zij zijn het er over eens dat zij hebben
»male usé notre jovente". Nu zoeken zij een eremiet in de buurt op die
reeds te voren getracht had op hun gemoed te werken,--zij beriepen zich
toen op die minnedrank--ook nu nog verklaart Isolde dat zij geen berouw
heeft, maar dat zij toch bereid zijn elkaar te verlaten. En de eremiet
staat dadelik met een zeer ruim biechtvader-geweten paraat. God vergeeft
alles zegt hij, hoe erg 't ook is, en luister nu eens, koningin, om
de zonde te bedekken en de schande weg te nemen is een klein beetje
»bel mentir" nu niet altijd zo heel verkeerd. En door zijn raad en
medewerking wordt de zaak al heel spoedig zo geschikt dat Isolde weer
tot haar vroegere eer en waardigheid komt, als zij verzekert dat er
nooit iets anders dan gepaste vriendschapsgevoelens tussen hen beiden
geweest zijn; maar Tristan moet het hof verlaten en ten strijde trekken.
De Koning wil hem geld medegeven, maar dat weigert hij en na afscheid
van Isolde genomen te hebben, trekt hij trots op weg; zolang Isolde hem
kan zien, wendt zij het oog niet van hem af en zij heeft hem beloofd
dat, zodra hij om haar zendt, muur noch toren haar terug zal houden.
Anders loopt het in de ridderlike versies, waar de werking van de
minnedrank niet aan een bepaalde tijd gebonden is. Nog eenmaal worden de
geliefden in genade aangenomen; fijn verklaart Gotfried hoe de Koning,
door zijn eigen begeerte verblind, »weet en toch niet weten wil" wat er
steeds tussen hen is; op die manier, vervolgt hij met een vrij slappe
moraal, is het 's Konings eigen schuld dat het gaat zo als het gaat;
bedriegen doen ze hem eigelik niet, zo open als alles in 't werk gaat.
Maar eindelik vindt men ze eens op een warme zomermiddag in de tuin in
een situatie, die geen de minste twijfel meer over laten kán en nu moet
Tristan definitief weg. »Nos cors partir or convient,--mais l'amor ne
partira nient," zeggen zij tot elkaar.
Tristan gaat nu naar Bretagne--het is steeds in het »Keltiese hoekje"
dat die historie zich beweegt: Wales, Cornwall, Ierland en Bretagne, met
de golven van de Atlantiese zee als brug tussen dit alles--; en hier is
het nu dat Tristan een andere Isolde huwt,--Iseut aux blanches mains.
Hij wordt n.l. bevriend met Kaherdin, de zoon van de hertog, en spreekt
dikwels diens zuster naar wier vertrek Kaherdin hem placht te brengen.
Haar naam ontroert hem sterk, hij maakt haar 't hof en dicht op haar:
»Isot ma drue, Isot ma mie--en vus ma mort, en vus ma vie"; hij denkt
aan zijn eigen Isolde, maar zij denkt aan hem; »die arme vrouw"
meent dat zij bemind wordt, wat Gotfried zeer gevoelvol schildert
en veroorlooft zichzelf al meer en meer toenaderingen, en Tristan is
eerst op haar gesteld omdat zij nieuw voedsel aan zijn weemoed geeft,
maar ten slotte vindt hij troost en vergetelheid bij haar.--Of deze
tweezijdige verbinding een overblijfsel is van een zonnemyte laat zich
niet uitmaken; in »Eliduc" zien wij de held evenzo tussen twee vrouwen
verdeeld; de een in Engeland, de ander in Bretagne en ook daar waren hun
namen ongeveer dezelfde. In elk geval is het een verfijnd sentimenteel
onderwerp en in de ridderlike versie van Thomas licht Tristan zijn
zielestrijd in lange monologen toe, in de trant van die in de roman van
Troje; maar het is een zeer origineel stuk psychologie, naïef-ruw niet
alleen, maar smachtend als 't in zijn ongemengde oprechtheid is.
Isolde--zegt Tristan zich zelf--kan nu toch zeker niet meer zo naar
mij verlangen; nu heeft zij immers haar man met wie zij de liefde leert
kennen. Tot andere gedachten is zij zeker niet gekomen, dan zou ik 't
wel gevoeld hebben, evenals zij 't gevoeld zou hebben als dit met mij
't geval was.--Hier hebben wij het geloof in een wisselwerking uit de
verte tussen verwante zielen (dat reeds in de naïeve verhalen uit de
volkssagen bekend is) hoe de thuisgeblevenen aan een achtergelaten
haarlok of kleed kunnen zien hoe het de ander gaat;--een motief dat zeer
vaak in de liefderomans opgenomen wordt als een soort mise-en-scène van
de steeds zeer voorkomende bewering van de lyriese dichter dat hij met
zijn geliefde »van hart verruild" heeft.--Maar,--gaat Tristan tegen zich
zelf door--dàt zij bezig is van mij af te gaan, is zeker, anders zou zij
wel om mij gezonden hebben. Als zij nu elke nacht door haar man omhelsd
wordt, zal zij mij niet langer missen, en moet ze er langzamerhand toe
komen hem lief te hebben. Ik wil dan ook maar trouwen en zien of ik bij
die andere mijn lust kan vinden zonder haar werkelik lief te hebben. In
een dergelijke wraak, merkt de schrijver hierbij op, zit eigelik liefde
zo wel als toorn, hij doet wat hij eigelik niet wilde!
En zo huwt hij dan Isolde Withand,--maar als 't er op aan komt, kan
hij het niet over zich verkrijgen bij haar te gaan. De gedachte aan
zijn ware Isolde houdt hem terug en hij vindt er een geraffineerde
zelfplagerij in, getrouwd te zijn en zich toch te onthouden. Hij
verlangde steeds naar Cornwall en daarginds verlangde Isolde niet
minder. Zij zit daar »lais" te zingen, en op haar harp te spelen; »zoet
zingt de vrouwe, en de stem voegt zich naar het snarenspel, schoon zijn
haar handen, haar lied is lief, zoet is haar stem en de tonen zacht." Er
stijgt een wonderlik weemoedige stemming uit die fraaie verzen op: »La
dame chante dulcement,--la voiz accord a l'estrument,--les mains sunt
beles, li lais bons,--dulce la voiz et bas li tons." Eens krijgt zij een
hond van haar vriend ten geschenke, met bellen om zijn nek; die heeft
een vorst hem geschonken en wanneer die bellen weerklinken, vergeet men
zijn verdriet, daarom zendt Tristan die aan zijn vriendin, opdat zij
hem niet zal missen. Isolde is heel blij met haar hond, maar--als zij
merkt dat zij door het gerinkel der bellen haar vriend vergeet, neemt
zij haar hond de halsband af en werpt die in het water: zij wenst geen
troost terwijl hij lijdt. Zulke vergetelheidbrengende feeëngaven waren
blijkbaar een oud dichtermotief, maar de asceties sentimentele draai er
aan is zeker aan de roman te danken. In Bretagne heeft Tristan ergens
in 't woud een geheime grot die hij door grote meesters in de kunst van
vergulde beelden van Isolde en Brangien heeft laten voorzien; dat zijn
van die mekaniese kunstwerken als in de Troja-romans, die verspreiden
heerlike geuren en daar gaat Tristan dikwels heen om het beeld van zijn
geliefde te omhelzen en harer te gedenken. Dergelijke ietwat ongure
geschiedenissen van vrouwenstandbeelden die mannen als levende vrouwen
omhelzen, zijn uit de latere klassieke schrijvers in de Graalroman en de
kronieken overgegaan en wijzen misschien op een zeker ruw volksgeloof
met betrekking tot naakte antieke vrouwenbeelden.
Isolde Withand droeg haar jonkvrouwelike stand in het huwelik met
berusting. Slechts door een toeval komt zij er toe haar broeder op de
hoogte te brengen, waarbij de schrijver een motief uit een oud-Ierse
sage gebruikt. Nu heeft Kaherdin een verklaring met Tristan, die zich
voor zijn verdediging op de omstandigheid beroept dat hij een vriendin
heeft die zo schoon is dat zelfs haar cameriere nog de zuster van
Kaherdin overtreft,--bijna presies hetzelfde wat Lanval in de »lai"
van Marie de France te zijner verdediging aanvoerde toen men hem zijn
onverschilligheid voor vrouwen verweet. Maar dat gelooft Kaherdin niet
voor hij 't ziet! En zo trekt hij met Tristan op naar Cornwall, waar
deze laatste weer Isolde in 't geheim ontmoet, terwijl Kaherdin en
Brangien weldra het tweede paar vormen. Dergelike verhalen komen er meer
voor in de roman; veel van wat in deze motieven in de heldendichten
en de vroegere litteratuur in 't algemeen voorkwam, van Renaud de
Montauban, Grettir uit de IJslandse verhalen, Robin Hood en andere
bannelingen die in 't geheim hun land bezoeken, wordt nu weder op
Tristan overgedragen. Eens staat hij in haar tuin en bootst de klagende
tonen van de nachtegaal na, zo zoet »dat er geen hart is, zelfs niet
dat van een moordenaar, dat er niet door vermurwd wordt", en zij hoort
dadelik dat het haar vriend is. Een volgende keer komt hij, alsof hij
een krankzinnige was, met het sap van allerlei wortels besmeerd, een
knuppel in zijn hand en als een wildeman gekleed, in de grote zaal van
koning Marc, waar hij in bedekte woorden maar alsof het die van een
krankzinnige waren, er vermaak in schept, de koning van zijn liefde en
die van de koningin te vertellen. »Geef mij uw koningin," zegt hij, »ik
zal haar naar een kristallen paleis boven de wolken brengen, waar de zon
doorheen schijnt, waar de wind niet bij kan komen, naar dat slot zal ik
mijn geliefde brengen", en hij herinnert de koningin aan de geschiedenis
van de draak, aan de beker waar zij beiden uit gedronken hebben... de
koningin raakt helemaal in de war en begrijpt er niets van. Zij vlucht
naar haar kamer, de »krankzinnige" weet daar ook zijn weg heen te
vinden; daar wil hij haar omhelzen, zeggend dat hij haar eigen Tristan
is,--maar zij deinst terug, in die vreemde kleedij en met zijn valse
stem kan zij hem niet herkennen. Nu spreekt hij haar van nog meer, waar
alleen zij beiden van af weten, uit hun samenleven in het bos, en vraagt
dan zijn oude trouwe hond te zien. En die alleen herkent dadelik zijn
meester, trekt zijn touw stuk, likt hem en blaft... iets wat weer aan
de hond van Odysseus herinnert waar die terug komt... Nog veel meer
sentimentele episoden komen in de latere prozaroman de verlangens en
de smart der twee gescheiden gelieven schilderen. Daar wordt Tristan
bovendien nog door jaloesie geplaagd, omdat hij meent ontdekt te hebben
dat zijn Isolde nu Kaherdin, zijn zwager uit Bretagne liefheeft, nu is
het geen aanstellerij, maar wordt hij echt krankzinnig van verdriet, en
gaat in het bos bij een beek zitten wenen en zijn zwanenzang dichten.
Nu wil Isolde zich op haar beurt van 't leven beroven, evenals Dido;
opgeschikt als op haar kroningsdag sluipt zij de tuin in om »in
schoonheid te sterven" op die heerlike zomerdag. Zij staat reeds wenend
gereed om in het zwaard van Tristan te vallen dat zij tegen een boom aan
heeft gezet, wanneer de koning, die haar gangen na heeft laten gaan,
aankomt en haar plannen verijdelt...
Tenslotte wordt Tristan in Bretagne door een vergiftigd zwaard gewond:
kruiden helpen niet meer en hij roept Kaherdin bij zich en smeekt hem
Isolde aan haar belofte te willen gaan herinneren en dat het nu tijd
is te komen. Hij kan haar maar 40 dagen tijd geven, daarna zal zij
hem slechts als lijk vinden. En evenals een vergiftigde wonde eens de
aanleiding was dat hij hulp zocht bij de koningin van Ierland Isolde,
zo kan hij nu alleen maar redding vinden bij de dochter Isolde. Wanneer
zij mee terugkomt zullen zij witte zeilen heisen, anders zwarte. Maar
aan Isolde Withand mag alleen slechts gezegd worden dat het een ervaren
vrouwelik geneeskundige is die ze halen. Ongelukkig heeft de echtgenote
buiten gestaan en alles gehoord: »al te gruwelik zal zij zich wreken op
hem die zij boven alles lief heeft". Maar zij doet alsof zij niets weet
en blijft zeer vriendelik.