Eliduc komt thuis en wordt door allen goed ontvangen, vooral door zijn

trouwe echtgenote; maar hij loopt stil en in overpeinzingen rond en zij

vraagt in haar verdriet of iemand haar misschien belasterd heeft. Als

hij nu zijn koning bijgestaan heeft, gaat hij, zoals hij beloofd heeft,

naar Exeter terug en schaakt daar de koningsdochter. Er steekt een storm

op zee op en de bemanning mompelt iets over--even als in de geschiedenis

van Jonas--dat er zeker een schuldige aan boord is, die geofferd zal

moeten worden;--natuurlik is zij dat, de vrouw die 't met een getrouwde

man houdt. De prinses bezwijmt van schrik, ook omdat zij hoort dat hij

gehuwd is; woedend slaat Eliduc de schipper tegen den grond en neemt

zelf 't roer over, hij weet het schip ook veilig aan land te brengen,

maar... zijn geliefde ligt daar nog altijd dood voor hem. Wanhopend

neemt hij haar in zijn armen en draagt haar naar een verlaten grafkapel

waar hij haar voor 't altaar op een baar legt; hij heeft de moed niet

het lichaam te begraven, lang blijft hij over haar gebogen zitten klagen

en zweert dat hij nooit meer wapenen zal dragen, maar monnik wil worden.

Als zij hem niet lief had gehad, zucht hij, had zij nu een koningskroon

gedragen... Nu rijdt hij naar huis, maar altijd keek hij even somber en

elke morgen na de mis reed hij naar die kapel en ging bij 't lijk van

zijn geliefde zitten die merkwaardig genoeg er altijd even fris en

schoon uitzag. Zijn bedroefde vrouw laat haar man's wegen bespieden en

in gezelschap van een dienaar gaat zij eens de kapel binnen, waar zij

het meisje ziet liggen als een pas ontloken rozenknop; zij neemt het

lijkkleed weg en bewondert haar schone lichaam. Zij verbaast zich nu

niet meer over de smart van haar man en heeft innig medelijden met hem;

droef geresigneerd voelt zij ook heel goed dat zij zijn liefde nooit

meer terug zal kunnen krijgen. Wenend zit zij bij het lijk van haar

mededingster,--een situatie vol grootse, dichterlike schoonheid. Daar

komt in de stilte een wezel aanlopen over de stenen in de vervallen

kerk. Haar dienaar slaat die met een stok dood. Maar 't duurt niet

lang of het vrouwtje van de wezel komt met een rode bloem in haar mond

aanlopen en zodra zij het mannetje daarmee aangeraakt heeft, is die weer

levend. (Een natuurmerkwaardigheid waar klassieken zowel als Oosterse

schrijvers van weten te vertellen). Nu beveelt de vrouw haar dienaar

de rode bloem op te nemen, nauweliks heeft zij die op de lippen der

afgestorvene gelegd of die ontwaakt met een diepe zucht uit haar lange

slaap. Maar wat volgt is nog schoner; de vreemdelinge klaagt haar nood,

hoe zij een man lief heeft gehad en met hem gevlucht was en hoe zij toen

hoorde dat hij getrouwd was; de vrouw van de ridder moet haar nu zelf

troosten door te vertellen hoe innig veel verdriet die man hier over

heeft en hoe weinig hij van zijn echtgenote houdt. Zij heeft al dadelik

haar besluit genomen; die twee moeten elkaar toebehoren, zij zal zelf

de sluier aannemen. Dat weet de heldhaftige vrouw ook door te zetten

en Eliduc »dulcement sa femme mercie", wat werkelik ook niet te veel

is. Maar 't duurde niet lang--eindigt de dichteres die hier enigsins

kristelik begint te worden en schijnt te vinden dat Eliduc er wat al te

gemakkelik af is gekomen--of hij volgde met zijn prinses het voorbeeld

van de vrouw en zij gaan ook in een klooster. En in het klooster

ontvangt de echtgenote haar opvolgster als een zuster!

Waar Marie de France deze geschiedenis misschien vandaan heeft, is niet

van veel belang; zoals zij die hier vertelt, zonder sterke kleuren en

zonder diepe kracht, met een licht lopende damespen, is het toch wel

degelik haar eigen werk geworden; er zit in die vertelling juist dat

mengsel van voorname wereldlikheid en fijne, ironiese zielekennis, van

een gevoelvol verheven menselikheid en fijn, subtiel moreel gevoel,--die

ook later weer de echt Franse liefderoman zal karakteriseren.

De Lais van Marie de France vormen daartoe de bekoorlikste inleiding.

XVI.

TRISTAN EN ISOLDE.

Uit vele van die populaire speelmanslais ontstonden romans. Van de

liefde van Tristan en Isolde is er gezongen en gedicht in die oude lais,

waardoor die paar gelieven uit Cornwall reeds aan de oudste Provençaalse

troubadours bekend waren. En weldra stonden zij voor de middeleeuwen als

omstraald door een nog hogere poëzie dan zelfs Floris en Blanchefleur

of Aeneas en Dido in de oudheid. »Nooit," heet het in de oudste versie,

die men heeft kunnen opdiepen (Berol's bron), »hadden anderen elkaar zo

lief en kochten de liefde zo duur." Het noodlot had ze door één teug

aan liefde en ongeluk gewijd, en zo stond het paar voor alle gevoelige

harten met een dubbele aureool omgeven; hun liefde was misdadig, altans

volgens de vromen van de Ridderromantiek, maar ze waren toch enigsins

te verontschuldigen door het onwederstaanbare van hun schone passie en

ze werden toch ook door al hun ellende gelouterd. Evenals St. Preux en

Julie of Werther en Lotte voor hun tijdgenoten, waren Tristan en Isolde

voor de middeleeuwen martelaars der liefde, onschuldige offers van de

moraal der burgerlik kristelike maatschappij,--maar in de ogen van alle

jongeren was hun lot toch eigelik benijdenswaardig, en stonden ze toch

in geluk ver boven dat van de gewone burger.

Geen motief is zo dikwels in de romans gebruikt geworden als dit, maar

er heeft een merkwaardig noodlot op de overlevering er van gerust. Van

de oudste versies is er geen een over; de oudste die wij hebben zijn

fragmenten van twee Franse berijmde romans die uit 't Anglo-Normandiese

rijk stammen, die van Berol en van Thomas, uit de jaren 1160-1170; dan

zijn er een paar latere Franse berijmde bewerkingen verloren gegaan,

maar wij hebben een proza-roman uit de 13de eeuw over; in 't Duits

bestaan er berijmde bewerkingen van Eilhart v. Oberge (1190) en Gotfried

van Strassburg (ongeveer 1210) en twee vervolgen; vervolgens is er

een Middel-Engels-gedicht, Sir Tristrem, een IJslandse sage en enkele

late volksboeken. Met grote kunst heeft de Franse filologie echter aan

Frankrijk van dit alles teruggegeven wat haar toekomt, door de vreemde

versies in twee groepen in te delen, die respektievelik op Berol en

Thomas terug gaan, en heeft uit wat aan de versies van elke groep gemeen

is, de twee Anglo-Normandiese romans kunnen rekonstrueren om de paar

fragmenten heen die wij er feitelik alleen maar van bezitten. Zij

zijn--zoals wij zagen--omtrent van de tijd van Marie de France. Berol

is meer populair en die staat waarschijnlik ook wel dichter bij 't

oorspronkelike. Thomas is meer ridderlik. Terwijl 't vooral Eilhart

is die ons Berol kan helpen reconstrueren, hoort zowel de roman van

Gotfried, als die van Sir Tristrem en de IJslandse sage tot de groep

afstammelingen van Thomas. De groei van de Ridderromantiek laat zich

heel goed volgen als men de twee groepen Berol-Eilhart en

Thomas-Gotfried met elkaar vergelijkt.

Dat er oorspronkelik een sage uit Cornwall of uit West-Schotland aan

ten grondslag ligt, staat buiten alle twijfel. Ook is 't zeker dat er

zich al heel vroeg om die oorspronkelike sage-stam andere motieven en

anekdoten geslingerd hebben, tendele reeds op Keltiese grond, maar ook

later in de Franse versies, uit de oudheid en het Oosten, uit Frankrijk

zelf en uit Duitsland. Zoals het werk van Berol en Thomas eeuwen lang

alle landen rond is getrokken, kan de stof door zijn hele kleur en toon

maar tot zekere hoogte Kelties genoemd worden. Reeds de namen zijn

kosmopolities. Iseut beschouwen sommigen als Germaans evenals andere

vormen met Is-, misschien voor Ishilde, maar in elk geval is de naam al

zéér spoedig als Kelties gevoeld; haar vader Gormond heeft zeker een

Scandinaviese naam, ook Morolt lijkt Germaans. Blanchefleur, Tristan's

moeder is natuurlik Frans, Isolde's dienstmaagd Brangién (= witborst)

daarentegen Kelties. Marc, de oom is Kelties en betekent paard; dat

heeft aanleiding gegeven tot het sprookje dat hij paardenoren had,--een

trek die in vele volkssagen voorkomt, maar nu wordt ook de geschiedenis

van koning Midas zijn ezelsoren en het geheim dat hij aan 't riet

toevertrouwde op koning Marc overgedragen. Eindelik is Tristan

oorspronkelik Kelties (Drostan, maar de gelijkenis met 't Frans »triste"

heeft invloed op de naam gehad en een zeker elegies-tragies kleurtje

over de Franse Tristan gelegd die Drostan uit Cornwall zeker miste).

Die Drostan schijnt een held van 't zeer populaire »Schlau-kopf"-type

geweest te zijn--gelijk Odysseus of Jakob uit de Bijbel--een slimme

schelm, die door het noodlot vervolgd wordt, maar handig en gewikst zich

door alles heen weet te slaan. Hij was de duizend-kunstenaar die zwemmen

kon, vechten, draken doden, die kon springen zo hoog als niemand anders

(in Cornwall wees men de rots waarvan hij zijn enorme beroemde sprong

gedaan had); een man even uitstekend als jager als in de kunst het wild

te bereiden, als harpspeler als in de kunst om vogelenstemmen na te

bootsen. En de verhouding waarin hij tot de vrouw van zijn oom stond was

slechts een van de wijzen waarop het noodlot hem vervolgde, maar waarop

hij ook zijn listige streken kon vertonen.

Er is een voorhistorie over de afstamming en de jeugd van Tristan, maar

die er later aan toegevoegd schijnt, op motieven zo wat van alle kanten

bijeengeschraapt en in een ridderlike en sentimenteel-avontuurlike geest

geschreven. Een ridder uit Wales of Bretagne houdt zich een tijd aan

't hof van koning Marc op, de beroemde legendariese koning van Cornwall

of Engeland. De zuster van de koning wordt op hem verliefd--de naïeve

monologen en koket-sentimentele gesprekken doen aan de Aeneas-roman

denken--terwijl hij na een gevecht gewond is, wordt zij in 't geheim en

onder tranen bij hem zwanger, dan vlucht zij met hem naar zijn eigen

land. Maar daar valt hij nu in de strijd tegen zijn vijanden, die nu

zijn goederen in bezit nemen en de wanhopende weduwe baart nu in smart

de in smart ontvangen zoon, die bovendien bij de geboorte zijn moeder

het leven kost. Tristan werd de erveloze knaap genoemd en zijn leven

zal die naam der smarte waar maken. In 't geheim door een trouwe dienaar

opgevoed, wordt hij door kooplieden met een schip ontvoerd, maar weet te

ontvluchten en aan land te komen,--bij koning Marc, waar hij aan 't hof

in grote gunst komt. Ten slotte wordt 't hem en de koning bekend wie hij

eigelik is en de koning stelt zijn neef tot erfgenaam over zijn rijk

aan; maar eerst trekt de jonge held er op uit om zijn vaderlik erfdeel

terug te winnen, alleen echter om dat land aan zijn trouwe pleegvader

over te dragen. In de volkssagen en de heldenpoëzie zijn er veel helden

aan wier jeugd dit alles sterk herinnert, maar ook met de roman van

Appolonius van Tyrus en die van Ruodlieb heeft onze geschiedenis menige

trek gemeen.

En nu begint de eigelike roman daarmede dat Tristan, als hij weer naar

't rijk van koning Marc teruggekomen is, het heldenstuk uitvoert om in

een tweegevecht de reus Morolt te doden, die uit Ierland gekomen was

om het jaarlikse tribuut voor zijn zwager, de koning van Ierland en

de Romeinse senaat op te eisen. Hier als ook nog elders is duidelik

de kroniek van Geoffrey van Monmouth gebruikt en wel naar de Franse

berijmde bewerking van Wace; het motief is bovendien algemeen genoeg in

de heldenpoëzie. Het wordt een duel, volgens alle regelen van de kunst

op een eiland gevochten. De reus wordt door een geweldige slag op zijn

voorhoofd geveld--een stuk van Tristan's zwaard blijft hem in de schedel

zitten--maar hij krijgt nog net de gelegenheid zijn overwinnaar een houw

met een vergiftigd zwaard te geven en er stervend bij te voegen dat

alleen zijn eigen zuster, koningin Isolde van Ierland, dit genezen kan.

Nu wordt Tristan ernstig ziek,--niemand kan zijn wonden helen, waar

bovendien een onuitstaanbare stank uit opstijgt,--iets wat Gotfried

overslaat omdat »zo iets niet goed past in de hoofse toon". Gelijk

gewonde helden dat in de Keltiese sage dikwels doen, legt hij zich

op een schip en laat dat maar ergens heendrijven; het komt in Ierland

terecht. Men ziet hoe weinig doorwerkt de stof is, hij wist n.l. zelf

dat hij dáár alleen genezing zou vinden. Als degeen die de dood van

Morolt op zijn geweten heeft, durft hij zich toch niet te kennen te

geven; hij verkleedt zich nu weer als koopman, of--zoals de ridderlike

versies 't liever voorstellen--als een harpspeler en komt zo in het

paleis van de koning waar hij zich Tantris noemt en door de koningin

verzorgd en genezen wordt. Uit dankbaarheid daarvoor geeft, volgens de

ridderlike bewerking, Tantris aan 's konings dochter Isolde les in het

harpspel, in de kunst lais te dichten, in het schrijven en in goede

manieren (moralitas), zodat haar vader zijn gasten dikwels door zijn

jonge dochter kon laten bezighouden. Steeds bevreesd dat hij herkend

zal worden, vertrekt Tristan terstond als hij zich weer beter voelt,

ofschoon de koningin de wellevende vreemdeling graag nog wat gehouden

had.

Nu leefde Tristan weer aan het hof van Koning Marc. Maar de baronnen

die jaloers op Tristan zijn dat hij de troon zou erven, brachten er de

koning toch nog toe weer een vrouw te zoeken. Alleraardigst is een hier

ingevoegd sprookjesmotief. Terwijl zij bezig zijn de Koning over te

halen, fladderen een paar zwaluwen het venster binnen en een daarvan

laat een goudgeel vrouwenhaar uit zijn bek vallen. De Koning raapt het

op en zegt dat als hij dan toch trouwen moet, dan wil hij de jonkvrouw

hebben aan wie dat haar toebehoort. En Tristan neemt op zich de schone

met het gouden haar voor hem te gaan vinden, die niemand anders blijkt

dan de prinses van Ierland. Maar de ridderlike bewerkingen verwerpen

deze trek als een onwaardige uitvinding der speellieden; Tristan zelf

had bij zijn thuiskomst de schoonheid van de jonge Isolde in zulke hoge

tonen geprezen en bovendien wensten de baronnen Tristan juist naar

Ierland te zenden omdat zij wisten dat er daar levensgevaar voor hem

schuilde.

Zo trekt Tristan daar nu weer heen, te midden van het gevaar. Hij kwam

op een gunstig oogenblik. Een draak hield juist vreselik op het eiland

huis, elke dag moest er een jonge maagd aan hem geofferd worden en de

Koning had laten weten dat hij die de draak wist te dooden, de prinses

ten huwelik zou krijgen,--een in de Griekse en Germaanse sagenwereld

zeer bekend motief. Tristan, gelijk gewoonlik als een koopman verkleed,

trekt er incognito op uit en doodt het monster door een stoot in zijn

muil--in het hart zegt Gotfried meer in overeenstemming met ridderlike

opvattingen--snijdt zijn tong uit en steekt die in zijn broekzak--legt

die op zijn borst, zegt Gotfried, maar--nu trekt het vergif zijn lichaam

door en niet ver van de draak valt Tristan zelf in zwijm. De Seneskalk

des konings, een slecht mens, komt langs het lijk van de draak, en

eigent zich de eer toe die gedood te hebben, rijdt vol triumf naar huis

en eist Isolde voor zich op. Zij is wanhopend over het vooruitzicht met

die man te moeten trouwen en zij kan bovendien ook niet geloven dat hij

zulk een heldendaad heeft kunnen volbrengen en zij gaat met haar moeder

het gevelde dier bekijken. Daar vinden ze nu de vreemdeling met de tong

van het ondier; zij nemen hem mee naar huis waar hij verpleegd wordt

en dan komt hij met zijn trofee voor den dag en bewijst tot groote

schande van de Seneskalk hoe die ze allen heeft willen bedriegen. Dit

is duidelik een geheel op zich zelf staande sage die vrij onhandig in

het gedicht ingevlochten is, het wordt ook in een apart Kelties gedicht

gevonden over »De held en het hert met de witte poot"; misschien is het

ook verwant aan de Griekse geschiedenis van Alkatoos, die op die zelfde

manier zich door de tong van het monster als de geen doet kennen die het

gedood heeft, inplaats van een ander die hem die eer wil roven. De sage

is in haar grondtrekken zeer algemeen.

Maar intussen is het opgehelderd wie Tantris is. Eens zit hij naakt

in het bad en Isolde staat er bij met hem te praten, terwijl zij er

zich over ergert dat die man, zo schoon als hij is, toch niets dan

een koopman is. Nu gaat zij naar zijn wapens kijken die daar hangen,

en ziet het zwaard dat nog de sporen draagt van de houw die Morolt

er mee gekregen heeft--op eens krijgt zij een ingeving, zij haalt het

stukje dat in het hoofd van Morolt is blijven zitten en dat zij bewaard

heeft,--kijk! Dat past presies en op 't zelfde ogenblik wordt het haar

op eens duidelik dat Tantris natuurlik hetzelfde is als Tristan. En

zij neemt dadelik het besluit hem, zoals hij daar in het bad zit, te

doden. Een echt pikante situatie, die de ridderlike versies in detail

uitwerken: die naakte held geheel in de macht van het jonge meisje.

Tristan herinnert er haar aan dat hij haar zal moeten helpen, nu de

Seneskalk beweert de draak gedood te hebben en haar hand eist. De jonge

maagd voert een innerlike tweestrijd, zij moest de moordenaar van haar

moeders broeder haten, maar haar »milde wîplichheit" zoals Gotfried

zegt, waagt het niet toe te slaan. Nu komt de moeder er bij en wordt

van de zaak op de hoogte gebracht; beiden zijn vol twijfel, als de een

iets besluit, houdt de ander haar terug, ook Brangien stelt zich op de

voorgrond en wil als Isolde's »cameriere" ook een duit meê in 't zakje

doen. Tristan verlaat nu het bad en knielt »voor de schone rij der

vrouwen", die galant door de Duitser met de zon, de maan en de dageraad

vergeleken worden. Brangien brengt er het drietal toe elkaar de kus der

verzoening te geven,--het maakt vooral indruk als Tristan mededeelt dat

het uit naam van de Koning van Cornwall is dat hij om de hand van Isolde

komt vragen.

Isoldes vader gaat op dat huwelik in en met grote pracht en praal wordt

de prinses, door Brangien begeleid, met Tristan over de zee gezonden. Er

is tot nu toe geen sprake van liefde tussen die twee, wel zegt Gotfried

iets van tedere gevoelens tussen hen, maar het wordt toch nog als iets

dat van zelf spreekt beschouwd, dat Isolde met vreugde de Koningin van

Koning Marc zal worden. In de voorgeschiedenis zijn er sprookjesmotieven

en reminiscenties van allerlei heldensagen. De eigelike handeling begint

pas waar Tristan en Isolde uit Ierland vertrekken, nadat Tristan voor

zijn oom de hand van de Ierse koningsdochter gevraagd heeft.

Isoldes moeder heeft Brangien een minnedrank meegegeven die zij

de jonggehuwden de avond van het huwelik moet doen drinken om

hun huweliksgeluk te bezegelen. Van zulke minnedrankjes vertelde

Ovidius,--Circe zowel als Medea hadden die gebrouwen. En nu heeft de

tragiese vergissing plaats. Isolde heeft heimwee en is bedroefd. Tristan

komt haar dikwels gezelschap houden en troosten. Eens wanneer het schip

door windstilte genoodzaakt is geworden een haven binnen te lopen en de

meesten aan land zijn gegaan, wil een van Isoldes maagden hun een glas

wijn inschenken om bij de hitte hun dorst te laven. »Doch neen! het was

geen wijn, ofschoon het dit wel scheen. Het was de eeuw'ge smarte, de

eindeloze hartenood, en beiden bracht die ook de dood", barst Gotfried

uit. Te laat ontdekt Brangien wat er gebeurd is. »Die drank die wordt

beider dood." En inderdaad blijkt nu ook al ras dat »der Welt Unmusze",

de grote onruststichter der wereld, hun beider gemoed is binnen

gedrongen. Gotfried laat ze eerst nog wat tegenstribbelen maar »de ogen

en de harten naderen elkaar steelsgewijze,"--de liefde--die »kleurster"

maakt ze beiden dan rood, dan bleek. Zij is het die per slot van

rekening het initiatief neemt, maar echt op de manier van jonge meisjes,

met allerlei omwegen: levensmoede gaat zij tegen hem aan leunen en laat

haar hoofd op zijn borst nederzinken, zodat hij haar met zijn arm omvat.

»Wat scheelt er aan?" vraagt hij. »»L'amer" is het dat mij wee doet"; en

nu spekuleert hij er over welke drie betekenissen dat woord hebben kan.

Bedoelt zij »de zee"? Is het »de bittere" wind? vraagt hij daarna, maar

zij is het die de derde betekenis noemen moet:--het is »de liefde".

»Mijn beminde, zo is het ook mij gegaan," zegt hij dan. Het is zeker

een vrij oud spel over die woorden, waarschijnlik al uit 't Latijn. En

dan wordt Tristan--gelijk Gotfried het zoet-sentimenteel beschrijft,

in de trant van »Daphnis en Chloë"--door de geneesheer Liefde naar de

legerstede van Isolde geleid en biedt Amor hun elkaar aan als medicijn

voor hun ziekte.

En hier is het punt waar alles om draait. Een gewone vergissing, iets

wat niemand gewild heeft, brengt de hele tragedie aan de gang. Iets

dergeliks hoorde in de grote Heldenepiek niet thuis, noch in de Ilias,

noch in de Völsungensage, noch in de Chanson de Roland; dit is een

roman-truc,--vooral in de Grieks-Oosterse romans is het prototype van

dergelike vergissingen door drankjes te vinden. Zulk een toeval kan

niet als de hoogste tragiek werken, een die met noodzakelikheid uit de

oorzakelike samenhang voortgekomen werkt, integendeel komt er zo iets in

de eigelike zin van het woord pikants in ons gevoel van verdriet, omdat

we voortdurend voelen dat het ongeluk per slot van rekening even goed

niet had kunnen gebeuren en hoe onzinnig het eigelik is en hoe het

zonder enige reden op de slachtoffers neer is gekomen. Maar voor het

middeleeuws bewustzijn is zulk een toeval géén toeval, maar het mystieke

noodlot. En juist daarom, omdat het geheel niets anders dan toeval is,

valt er iets plechtigs, bijna iets heiligs over de liefde en de dood

van Tristan en Isolde, het zijn geen menselike grillen of invallende

gedachten die de verschillende personen in elkaars armen werpen of in

het ongeluk voeren, maar mystieke machten in wier hand de wil slechts

was is. Die tweezijdige houding tegenover de geschiedenis van Tristan

en Isolde kan men in de Middeleeuwen overal opmerken. Voor Berol is het

niets anders dan een gewoon tover-toeval; voor hem duurt de werking

er van dan ook maar een bepaald aantal jaren. En tegenover zulk een

opvatting komen de erotici van professie met een protest in de echte

stijl der troubadours, dat men zo iets liefde zou durven noemen. In

tegenstelling met de klassieken die de liefde als een soort ziekte

beschouwden, een noodlot dat de mensen overvalt, leerden namelik de

troubadours dat de liefde een vrijwillige kultus van de vrouw is, een

uiting van een moreel willen en dus een deugd, een verdienste, en meer

dan één ridderlik dichter legt er dan ook, zoals wij zien zullen, de

nadruk op, dat hun paar geliefden zich niet door een minnedrankje de

liefde aangedronken heeft, maar dat die het gevolg is van hun vrije

neiging. Velen hunner staat echter vaag een zekere opvatting voor de

geest, volgens welke die liefdedrank alleen maar een simbool is van de

natuurmacht der liefde,--zo, vrij zeker, voor Thomas en Gotfried voor

wie de werking ervan ook niet tot een bepaalde tijd beperkt is. Wanneer

het naïeve bewustzijn de plotseling opkomende liefde en de omstandigheid

dat er geen ontkomen aan is, verklaren kan als de werking van runen,

of andere tovermiddelen of als die van een pijl door een godheid

afgeschoten, dan moest dit alles voor het meer ontwikkelde bewustzijn

eenvoudig tot poëtiese uitdrukkingen worden van een natuurmacht die,

zich boven verstand en wil verheffend, zich door de liefde openbaart

en juist daardoor dat gevoel boven wet en recht stelde. Deze opvatting

schemert al in de minnepoëzie der ridderromantiek door en die ligt ten

allen tijde aan de romantiek ten grondslag; de burgerlike samenleving en

de kristelike moraal hebben ook voortdurend tegen die gevaarlike teoriën

moeten kampen.

Nu nadert het schip juist deze burgerlike samenleving, gelijk Isolde

haar bruiloft. Zij is ongerust omdat zij niet als maagd het bruidsbed

kan bestijgen en daarom haalt zij er haar camerière toe over haar eigen

plaats in de huweliksnacht in te nemen,--een onderschuiving die in vele

verhalen, o. a. in meer dan een Deens volkslied, voorkomt. Heel naïef

krijgen de lezers te horen hoe de koning ietwat onder de invloed van de

wijn is en hoe Tristan terstond de kaarsen uitblaast. Maar wanneer het

paar zo van de diensten van Brangien geprofiteerd heeft, vinden ze het

toch onaangenaam dat zij in hun geheim ingewijd is, en ruw en gevoelloos

wordt verhaald van de voorbereiding die Isolde treft om de trouwe

dienares kwijt te raken. Zij zendt haar het bos in met moordenaars

die haar moeten ombrengen. Maar die volbrengen het stuk niet. Brangien

brengt hun n.l. in 't bos aan het verstand dat haar hele misdaad daarin

bestond dat zij haar meesteres haar eigen bruidslinnen heeft laten

gebruiken, wijl dat van de hoge vrouw gekreukeld was; de moordenaars

keren terug en laten de koningin een hindetong zien voor die van het

meisje en vertellen haar ook wat die in het bos gezegd heeft. Die fijne

beeldspraak die zo heel Oosters-bijbels klinkt, doet Isolde zo aan dat

zij hevig berouw begint te gevoelen en de moordenaars bekennen nu de

waarheid. Brangien wordt teruggeroepen en is van nu af de vertrouwde en

de hulp der gelieven.

De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen · 第 23 / 36 段