waren door een dame gedicht wier naam Marie was en die in 't eigelike
koninkrijk Frankrijk geboren was, maar onder de regering van Hendrik
II, in Engeland woonde en hem haar novellen opdroeg. Evenals de oude
romancen, schijnen ook de lais dikwels door vrouwen geschreven te zijn.
In een Noorse bewerking uit de 13de eeuw van een Franse lai, heet het
dat Willem de Veroveraar eens met zijn mannen aan de Normandiese kust
lag, terwijl storm hen verhinderde naar Engeland over te steken; toen
verdreef hij de tijd met jacht en feesten en om te zorgen dat die niet
vergeten zouden worden, zond hij enige harpspelers naar een dame in
Bretagne die bekend was door de schone lais die zij dichtte, en liet
haar uitnodigen, op een fraaie melodie daar gedichten over te maken; dat
deed zij en leerde de harpspelers 't gedicht zowel als de melodie. Zo
maakte ook Iseut gedichten over haar ontmoetingen met Tristan. Marie was
literair ontwikkeld, zij vertaalde fabelen uit het Engels en legenden
uit het Latijn en zoals zij in de proloog voor haar lais vertelt, had
zij er eerst over gedacht een goed geschiedwerk uit het Latijn te
vertalen, maar daar er nu zovelen juist met dergelijke dingen bezig
waren, had zij liever willen vertellen wat zij van Bretonse verhalen
gehoord of gelezen had. Bij die »dergelijke dingen" denkt zij
waarschijnlik aan zo iets als de Roman van Aeneas, er zijn allerlei
reminiscenties in haar lais juist aan die roman te vinden, evenals
aan Ovidius. Een zekere kennis van de Provençaalse erotiese poëzie
der troubadours schijnt zij al vroeg gehad te hebben. Dichteres van
betekenis was zij niet; er is iets bleeks en damesachtigs over haar
stijl, iets konventioneels in haar karakteristiek; maar bevallig en met
gemak geeft zij de Keltiese stof in Franse verzen weer,--in hoeverre zij
zelf voor dit alles verantwoordelik is, of wat zij dankt aan een ander,
Frans of Engels, die tusschen haar en de sagestof in staat, dat laat
zich niet gemakkelik uit maken; zij zelf schijnt in elk geval geen
Kelties gekend te hebben. Maar--zij wist een eigenaardige romantiese
geur van 't ver-affe en 't wonderbaarlike over die vreemde, niet altijd
meer goed begrepen motieven te leggen; zij voelt de poëzie van zee en
bos, zoals die over de Keltiese sagen ligt, en overal legt zij nadruk op
het erotiese en het sentimentele en het vergroot eigelik alleen maar de
poëtiese charme, wanneer trekjes uit de Aeneas-roman of Ovidius of zelfs
motieven van de Grieks-Oosterse vertellingen in de Keltiese stof
ingeweven zijn.
Verscheidene Keltiese sagen behandelden b.v. de verhouding der mensen
in zake de liefde betreffende, tot de onsterfeliken. Mannen die b.v.
uit het land des Doods opgestaan zijn of mannen uit het onderaardse
feeënland die een vrouw onder de sterfeliken liefhebben. Of, gewoonlik,
feeën die sterfelike mannen hun liefde aanbieden. Maar wanneer de zaak
bekend wordt is 't uit,--gelijk altijd bij de onderaardsen: wanneer
niet-ingewijden 't zien of de zaak bij de naam genoemd wordt, dan
verdwijnt alles. Zulk een sage was nu net iets voor de sentimentele
romantiese smaak dier dagen. Lanval, een gedicht van Marie de France
evenals verschillende lais van onbekende schrijvers, behandelen dat
tema met allerlei variaties. Er is b.v. een ridder die alleen het bos
doorrijdt,--hij is op jacht van zijn gezelschap afgeraakt of hij dwaalt
alleen maar wat om, b.v. omdat hij bedroefd is over het feit dat de
koning zijn diensten niet goed beloont. Hij viert de teugel, en weldra
heeft 't paard hem in 't dichtst van 't woud gebracht; het is heerlik
weer en de vogels zingen in de middaguren, maar hij hoort er niet naar.
Op eens is het hem alsof hij honden hoort aanslaan of een glimp van het
witte hert krijgt, dan zet hij de hoorn voor de mond zodat het luid
door 't bos weergalmt... Maar hij is steeds alleen in de betovering van
't eenzame bos. Zo komt hij dan aan een bron waar hij een badende fee
verrast, hij bemachtigt haar klederen en zo krijgt hij haar in zijn
macht en heeft haar zo aldra tot zijn wil,--als in de sage van Völund
(Wieland). Of wel wordt hij door haar aangezocht en laat hij zich naar
haar tent of haar slot voeren, waar hij haar liefde geniet, volop
eten en drinken krijgt zowel als de kostbaarste kleren en goud. Zulke
feeën die prinsen naar hun feeën-kastelen ontvoeren, kenden ook de
Oosterse verhalen; met een Middeleeuws-Latijnse verzameling van zulke
geschiedenissen (de Delopathos) heeft een van die lais merkwaardige
punten van overeenkomst en die zelfde lai (Guingamor) schildert ook de
pracht van marmer en ivoor in dat slot en de muziekfeesten, met echt
Oosterse kleuren. Het einde van de historie, om er dat even bij te
voegen, is zeer karakteristiek. Wanneer de ridder daar drie »dagen" bij
die fee door heeft gebracht, begint hij naar huis te verlangen en wil
weg, maar nu vertelt de fee hem dat er reeds 300 jaar verlopen zijn en
zo vindt hij dan ook 't bos en alles heel anders wanneer hij weer in de
wereld terugkomt. Niettegenstaande dat de fee hem er tegen gewaarschuwd
heeft, eet hij toch onderweg van de vruchten van een appelboom en
daardoor valt plotseling de ouderdom op hem en wordt hij een oud
mannetje,--door van 't aardse voedsel te gebruiken is hij n.l. ook weer
onder de aardse wet der sterfelikheid gekomen,--evenals zij die naar 't
dodenrijk trekken ook aan de wetten daarvan onderworpen zijn, zodra zij
daar eten. (Verg. de appelen van Persephone en de sage van koning
Hadding uit Saxo).
In de andere lais keert de ridder na een »heure du berger", naar de
mensenwereld terug, maar nu is hij altijd rijk en opgewekt en heeft nog
steeds, wanneer hij maar wil, ontmoetingen met zijn geliefde; alleen
heeft de onderaardse schone hem verboden op straffe van haar te moeten
verliezen, iets van deze zaak te vertellen. Maar nu wordt ongelukkig de
koningin op de jonge ridder verliefd. Met haar vrouwen komt de koningin
de tuin in, waar de ridders dadelik de dames het hof gaan maken, maar
hij, de schoonste van allen, houdt zich alleen op een afstand; ofwel
komt de koningin eens door de voorhal waar zij hem bij het raam ziet
zitten schaak spelen, terwijl een zonnestraal daardoor op zijn
aangezicht valt en er een nieuwe glans op werpt. Zij laat hem roepen,
tracht hem te verleiden door hem haar liefde aan te bieden en is diep
gekwetst wanneer de jongeling die afwijst,--in een dier lais in de eigen
woorden van een lange passage uit Cicero's »De Amicitia". In onbeheerste
razernij barst de koningin nu in allerlei eerrovende beschuldigingen uit
(wij volgen hier de versie uit Marie de France, waar de gebeurtenissen
het natuurlikst met elkaar in verband schijnen te staan),--dat Lanval
zeker niet om jonge vrouwen geeft omdat hij natuurlik van knapen
houdt,--de dichteres zal dat wel uit de Roman van Aeneas hebben--en om
zijn eer te wreken komt Lanval er nu toe te zeggen dat hij een ander
liefheeft die veel schoner is. In een veel plompere, misschien wel
oorspronkelike versie is het de koning die bij een groot gastmaal, zijn
koningin geheel ontkleed op een bankje ten toon stelt, zoals Ahasverus
dat ook wilde, opdat de ridders haar kunnen bewonderen en haar gemaal
benijden; wat zij dan ook allen plichtschuldig doen, behalve onze jonge
ridder die, wanneer de koning hem uitvorst, er iets over los laat dat
hij er een kent die nog schoner is.--In beide gevallen moet de ridder
binnen een zekere vastgestelde tijd zijn bewering waar maken, anders
moet hij voor zijn brutale pocherij sterven. Wanhopend loopt hij nu
rond, niet alleen omdat hij nu sterven moet, maar ook wijl hij zijn
woord tegenover zijn geliefde gebroken heeft. Maar de laatste dag komt
er een prachtige stoet van maagden aanzetten die de bewondering der
hovelingen opwekken en ten slotte de feeënkoningin op een wit paard, in
een wit gewaad, maar zo dat haar gehele lichaam door alle aanwezigen
te zien komt,--Venus noch Dido noch Lavinia waren schoner dan zij,--zo
wonderbaarlik schoon is zij dat allen erkennen moeten dat de jonge man
niet gepocht heeft. Maar hij blijft apart staan, omdat hij zich schaamt
over zijn gebroken belofte en zij is dan ook eerst niet geneigd hem
genade te schenken, maar 't eindigt er toch mede dat hij met haar
meegaat naar het feeënrijk en nu voor goed.
Ook dit alles: dat de ridder naar de mensenwereld teruggaat, zich zijn
geheim laat afpersen, enz., wordt in Oosterse sprookjes van de fee
Peribanu verteld; er is hier verband met Griekse mythen van Amor
en Psyche en de Duitse sagen over Tannhaüser in de Venusberg. Even
duister als de sage zelf is voorlopig ook nog het verband tusschen de
verschillende vormen er van. Wat het omgekeerde geval betreft van een
aardse vrouw die een onsterfelike man toebehoort, in die klasse valt
Marie de France's lai over Yonec. Maar hier is de bewerkster zich maar
half bewust dat zij met een onsterfelike te doen heeft en dat het land
in kwestie het hiernamaals is; de personen uit die sage maakt zij,
zonder het echter geheel van de mystiek te ontdoen, tot echte gewone
mensen en ridders.
De jonge echtgenote van een ridder is in een toren opgesloten en
»verspilt haar schoonheid met tranen". Op een morgen in de maand April
ligt zij klagend naar de heldere zon te kijken. Dat die akelige jaloerse
oude man van haar dan ook nooit schijnt te kunnen sterven. Dat er dan
ook nooit bij haar eens een van die ridders komt, waar men hier in
Bretanje altijd van spreekt, die de dames komen »troosten" zonder dat
hun reputatie daar onder lijdt. Op 't zelfde ogenblik dat zij die wens
uitspreekt, ziet zij in 't venster de schaduw--zeer schilderachtig wordt
dit verteld--van een grote vogel, die vlak daarop de kamer in komt
vliegen. Zodra de vogel en zij elkaar aankijken, wordt hij tot een
ridder (in de »Oiseau Bleu" en ook in een Deens volkslied en een
sprookje komt dat zelfde motief voor); nooit, beweert hij, heeft hij
iemand anders dan haar liefgehad, maar hij zou zijn rijk niet hebben
kunnen verlaten en bij haar komen indien haar wens hem niet geroepen
had. Hier zien wij duidelik 't mytiese dat hier aan ten grondslag ligt,
en de dame durft zich niet met hem inlaten, vóór zij de zekerheid
verkregen heeft dat hij geen kwade geest is, nu weet de kristelike
auteur er zeer naïef en onbeholpen niets beter op dan de ridder het H.
Avondmaal in de toren te laten gebruiken! Dan schenkt de vrouwe hem haar
liefde en--evenals de fee bij de ridder,--komt hij van nu af telkens
wanneer zij dat wenst; alleen moet hij zorgen dat nooit iemand hem ziet.
Lang genieten zij nu van elkaars omarmingen, totdat de echtgenoot zich
er over begint te verbazen dat de schoonheid van zijn troosteloze vrouw
nu op eens weer zo opbloeit; hij laat haar bespieden en als hij hoort
dat er dikwels een grote vogel bij haar komt, laat hij ijzeren punten in
't raam slaan. En wanneer de vogelridder dan de volgende keer komt heeft
hij zich bezeerd en valt bloedend op haar bed neer, evenals in de Deense
ballade, de knaap Germand in zijn veêren kleêren tot zijn geliefde komt,
alleen om te sterven, daar de harpij onderweg zijn hartebloed gedronken
heeft. Ook de ridder zegt dat hij nu naar huis moet vliegen om in zijn
eigen rijk te sterven, maar zij zal een zoon baren die hem zal wreken.
Met kreten van smart springt zij hem uit het raam na; in haar hemd
volgt zij zijn bloedige sporen; het wordt een lange tocht--men begrijpt
dat het oorspronkelik de reis naar het doodsrijk was die zij daar
ondernam,--door een bergengte... over met bloed besprenkelde weiden...
door een stad waar geen mens op straat te zien is... tot in een kasteel
waar zij hem stervend te bed vindt liggen. Maar zij mag dáar niet
blijven, zegt zij, als de mensen haar zagen zouden zij haar afmaken
omdat zij schuldig is aan zijn dood; maar hij geeft haar een ring die
maakt dat haar man niets van haar afwezigheid zal merken, en een zwaard
dat zij aan hun zoon moet geven om daarmeê zijn dood te wreken...
Meer en meer verdwijnt de Keltiese achtergrond uit de vertellingen
van Marie de France. Een bezoek in het feeënrijk is oorspronkelik
ook wel het onderwerp van de Lai van Guigemar geweest, maar de gehele
détail-schildering wijst in de richting van de Grieks-Oosterse kunst.
De jonge Guigemar die altijd de liefde van zich afgeworpen heeft, schiet
eens op de jacht op een witte hinde, maar de pijl slaat op hem zelf
terug en verwond hem,--blijkbaar is de hinde door een fee gezonden om
hem voor zijn gevoelloosheid te straffen, evenals Amor bij Ovidius de
god van de jacht treft omdat die de liefde veracht heeft. En de hinde
voorspelt hem dat slechts een trouwe liefde hem zal kunnen genezen.
Somber dwaalt Guigemar nu van zijn mannen af om bij het zeestrand een
prachtig wonderschip te treffen,--er is niemand aan boord. Nieuwsgierig
maar niet zonder enige angst gaat hij er heen en vindt daar een prachtig
bed (het wordt beschreven zo prachtig als dat van Salomo in het Hooglied
en dat van Hektor in de roman van Troje), hij gaat er even op liggen
omdat hij door zijn wonden vermoeid is en als hij weer opstaat is hij al
in het ruime sop. Dat soort van tover-mystiek is echt Kelties. Hij landt
aan de voet van een groene marmeren toren. Daar houdt een oude man zijn
vrouw gevangen, slechts een jong meisje en een oude ontmande klerk zijn
daar bij haar,--dat zijn natuurlik voorstellingen van een harem en
eunuchen die de dichteres hier voorzweefden. De twee vrouwen vinden de
jongeling op dek liggen slapen; hij lijkt dood, maar als de jonge vrouw
haar hand op zijn borst legt, merkt zij dat die nog warm is, nu slaat
hij ook zijn ogen op en zij brengen hem binnen waar hij in het bed van
de maagd gelegd en goed verzorgd wordt. Marie, die voor alles allerlei
zedige omschrijvingen weet te vinden en die altijd in de kleinste
kleinigheden de zedigheid in acht neemt, laat ze een mantel als een
gordijn voor dat bed hangen, want er is maar één kamer in die toren.
Nu vergeet hij al heel gauw zijn wonden, maar hij wordt daarentegen nu
door de liefdepijl getroffen, en de jonge vrouw niet minder. Het meisje
helpt ze, en ofschoon hij zich eigelik erg geneert,--want, zegt de
sentimentele Marie de France, hij was niet een van die lichtzinnige
ridders die de ware liefde bespotten--waagt hij 't eindelik met zijn
gevoelens voor den dag te komen. Eerst wijst zij hem lachend af,--zij
moet van Antigone uit de roman van Thebe geleerd hebben dat men eerst en
vooral moet tonen er niet »zo maar één" te zijn die men met een natte
vinger kan lijmen; maar de ridder antwoordt, en het is Marie's eigen
fijne vrouwelikheid die door zijn woorden spreekt,--: »Vrouwe, wees niet
boos dat ik dit zeg. Een lichtzinnige vrouw moet zich lang laten smeken
om haar waar op prijs te stellen, opdat men gelove dat het de eerste
keer is dat zij zich lokken laat. Maar een edele vrouw, die een man
vindt van wie zij houdt, heeft zich niet trots op een afstand te houden,
maar mag hem liefhebben en zich met hem verheugen." De dame geeft dan
ook al heel gauw toe, en zij kussen elkaar en omhelzen elkaar en »wat
daar verder zo bij hoort". Maar de echtgenoot krijgt de lucht van wat er
in die toren gebeurt en Guigemar moet nu vertrekken. Wederkerig geven
zij elkaar beloften van trouw, maar hij legt toch een kuisheidsgordel om
haar lijf--dat wijst ook op Asië en Aegypte--en zij legt een knoop in
zijn hemd die zij alleen los zal kunnen maken... Verder horen wij hoe
beiden hun trouw bewaren, hoe zij haar man verlaat en bij een andere
ridder in huis komt die tracht haar in zijn macht te krijgen, maar hij
kan haar gordel al evenmin los krijgen als alle vrouwen van Bretagne de
knoop in 't hemd van Guigemar los kunnen maken. Ten slotte vinden zij
elkaar en worden ze verenigd,--aandoenlik wordt geschilderd hoe zij
elkaar gaandeweg herkennen, fijn is ook de droefheid beschreven van
de ridder in wiens huis zij opgenomen was geworden en die nu getuige
is van de vreugde van hun wederzien. Ook hierin is er veel dat aan
Grieks-Oosterse romans herinnert met hun verliefde maar toch zo humane
despoten...
Over 't algemeen put Marie nu langzamerhand haar stof zo wat uit alle
bronnen, terwijl zij die alleen maar in Engeland of Bretagne lokaliseert
en er haar zachte sentimentele geest in legt. Zij neemt b.v. een
vulgaire anekdote over echtbreuk en een geliefde die zich in een badkuip
aan het kokende water brandt, maar brengt die in hoger sfeer over, door
er een sentimentele troubadour-liefde in te leggen en vol aandoening
het ongelukkig einde der gelieven te bewenen. Zij neemt een verhaal
dat in 't middeleeuws Latijn voorkwam en van Oosterse oorsprong schijnt,
over de jalousie van een echtgenoot die zo hevig was dat hij eens een
nachtegaal door vier paarden in stukken deed rijten omdat haar gezang
zijn vrouws hart in tederheid deed smelten en haar zo tot liefde
verlokte. Daar maakt zij nu een aandoenlike kleine natuur-romantiese
geschiedenis van: De echtgenote van de ridder en haar vriend zitten in
een nacht vol maneschijn elk voor zijn venster naar elkander te kijken
en naar 't gezang van de nachtegaal te luisteren--hun tuinen grenzen aan
elkaar, zij kunnen nu met elkaar spreken maar zij zijn nog nooit samen
geweest. De ruwe echtgenoot is boos dat zijn vrouw 's nachts zo dikwels
opstaat en naar 't gezang der vogelen luistert,--'t is de nachtegaal
zegt zij n.l. die maakt dat zij geen oog dicht kan doen--en daarom zet
hij een vogelknip voor de verstoorder van zijn vrede uit en eens op een
dag kan hij vol triomf haar de bloedige vogel in de schoot werpen. Maar
de dame zendt het kleine lichaampje in fluweel gehuld naar haar vriend
met de boodschap dat zij nu niet langer 's nachts bij het raam durft te
gaan zitten en hij legt het lijkje in een gouden kistje en draagt het
als een herinnering op zijn borst...
Helemaal tot kleine romans groeien ten slotte hier de vertellingen aan,
die naar het schijnt niets Kelties in zich hebben en waar het overdreven
fantastiese geheel op de achtergrond treedt voor de zuiver menselike
hartegevoelens. Beide handelen ze over vrouwen wier liefde zo vol
zelfverlochening is dat zij zich voor het geluk van hun geliefde
opofferen door voor een andere vrouw plaats te maken. Maar het is zeker
Marie's eigen gevoelige idealisme, dat dit in de onderwerpen gelegd
heeft die zij opvatte.
Overal in alle landen treft men verhalen--die misschien op een oud
sprookje terug gaan--van de jonge vorstendochter die bestemd was om de
bruid van een prins te worden, maar die dan juist daar vóor geschaakt
wordt en die dan na velerhande avonturen pas herkend en erkend wordt
juist op 't ogenblik dat een van haar zusters met de vorst trouwen zou
voor wie zij zelf bestemd was. Uit dit motief is het gedicht van Marie,
De Esch--»Le Fraisne"--ontstaan. Het is een vondeling, die Esch heet
naar de boom waaronder zij gevonden werd,--zij wordt in een klooster
opgevoed, maar heeft een vorst lief die in de buurt woont en vlucht uit
het klooster om op zijn slot als zijn bijzit te gaan leven. Zij zijn
zeer gelukkig samen, maar dan verlangen ongelukkig de baronnen van de
vorst dat hij nu een huwelik in zijn stand aan zal gaan om een erfgenaam
het leven te geven. Hij wordt er dan ook toe gebracht om de hand van de
dochter van een zijner ridderlike naburen te vragen. De bruiloft wordt
vastgesteld en de moeder komt naar het kasteel om de voorbereidselen
te treffen en o. a. om de bijzit weg te jagen. Maar ze wordt verrast
en geheel ingenomen door de liefelikheid van het jonge meisje, dat zacht
en geduldig aan alles medehelpt, zijn dienaars zegt hoe hij gewoon is
het te hebben, ook b.v. zelfs zijn bruidsbed helpt gereed maken »want
dat wist zij zo heel goed" en als zij geen linnengoed vindt dat mooi
genoeg is voor hem, gaat zij zelf van haar eigen linnengoed uit haar
kast halen. Maar wat zij daar nu uithaalt is juist het goed waar zij in
gewikkeld was toen zij in 't klooster opgenomen was. En--de moeder van
de bruid kijkt en kijkt,--ze kent dat goed! Dat was 't zelfde linnen
waarin zij zo lang geleden haar eigen kind te vondeling legde, toen zij
niet had durven erkennen dat zij een tweeling gekregen had, omdat zij
altijd volgehouden had dat dit op ontrouw van de vrouw duidde. »Esch"
is dus haar eigen kind, de tweelingzuster van de bruid (Hazel)... En nu
komt er verklaring en vreugde,--gejubel!--en Esch wordt de bruid in
plaats van haar zuster.
Het is de zachte vrouwelikheid, de aandoenlike verzaking van de liefde
die hier verheerlikt wordt--zoals die reeds in talrijke legenden van
vrouwelike heiligen door het Kristendom verheerlikt was geworden, zowel
als in de Indiese en Griekse poëzie. Maar zo lang als de opoffering aan
een Godsvrucht te danken was die zich van de wereld afwendt, zolang
de stempel van de slavernij nog op de vrouw drukte, kon de verzaking
niet het karakter van die vrijwillig verlochenende liefde dragen als
hier in »Fraisne". Na Marie de France wordt de geduldige Geliefde een
lievelingstema voor de poëzie der middeleeuwen en ook van de latere
tijd; de verwantschap met de lais van Marie laat zich vooral niet
lochenen voor de schone Engelse en Noordse balladen van »De schone
Anna--fair Annet".
In het Deense volkslied is de ridder blijkbaar van plan ze alle
beiden aan te houden, en hij vraagt kalm zijn bruid wat zij zijn
»fryndinne" voor geschenk denkt te geven en omgekeerd. In de tijd van de
kruistochten, kwam het, zoals wij al gezien hebben, dikwels genoeg voor
dat de echtgenote meer of minder vrijwillig zich in een soort ménage à
trois moest schikken, wanneer haar ridder van zijn reizen met een vrouw
thuis kwam die hij in verre landen gehuwd had. Dat is het tema van de
grootste en fijnst uitgevoerde vertelling van Marie de France, die van
Eliduc.
Ridder Eliduc van Bretagne heeft zijn vrouw en zijn haardstede moeten
verlaten en is naar Engeland getogen waar hij de Koning van Exeter in
de oorlog gevolgd is. De koningsdochter wordt op hem verliefd en spreekt
vriendelik met hem en ook de ridder kan van zijn kant niet nalaten naar
de zoete woorden der prinses te luisteren, maar wil zijn vrouw toch niet
vergeten. De prinses zendt hem een kamerjonker met geschenken om te zien
of hij haar lief heeft,--zó kan men nu eigelik niets er over te weten
komen, voegt de dichteres er met een zekere skeptiese mensenkennis aan
toe, die dikwels door haar sentimentaliteit heen breekt; nog nooit zag
ik een ridder die geen geschenken aanneemt. Levendig als bij Ovidius
wordt de twijfel der prinses beschreven, of zij die geschenken durft
zenden of niet, en haar ongeduld om 't resultaat te horen. Eliduc neemt
alles aan, maar zegt »niets zonder dank" en biedt de boodschapper geld;
zo weet de Prinses nog niet wat zij geloven moet. Zij heeft n.l. geen
idee dat ook het hart van de ridder in diepe nood verkeert, hij kan
niet meer voor zich zelf verbergen dat hij haar lief heeft, maar toch
wil hij zijn trouw jegens zijn echtgenote bewaren. En hij wil ook wel
op goede voet met de prinses staan en haar eens kussen, maar ook niets
meer. Eens zit de koning schaak te spelen en laat zijn dochter binnen
komen om Eliduc bezig te houden. Zij gaan apart in een hoek van de zaal
zitten--de scène doet denken aan die tusschen Jason en Medea in de roman
van Troje--zij zijn beiden wat gegeneerd en 't gesprek vlot volstrekt
niet. Eindelik stamelt hij een woord van dank voor haar geschenken en
nu biecht zij op dat zij die zond, omdat zij hem lief heeft en niemand
anders wil hebben. Hij legt zijn gevoelens nu ook bloot maar--voegt er
bij--wanneer de oorlog gedaan is moet hij naar huis terug. Zij legde
zich daar bij neer en van toen af zagen zij elkaar dikwels en hielden
veel van elkander.
Maar nu wordt Eliduc naar Bretagne teruggeroepen, omdat zijn eigen
koning zijn hulp tegen hun vijanden nodig heeft. Hij moet weg. Het doet
hem verdriet voor zijn vriendin, maar er is niets tussen hen geweest dan
vriendelike woorden en gaven, geen dwaasheden of iets oneerbaars, maar
zij die niet wist dat hij getrouwd was, bleef hopen. Men ziet hoe fijn
de kleuren gemengd zijn, hoe delicaat Marie de halfheid in de verhouding
weet te tekenen: hij heeft de eerste schrede niet gedaan, alleen is hij
niet sterk genoeg geweest om de avances der jonge dame af te wijzen; hij
heeft alles nog binnen de grenzen van het fatsoen weten te houden, maar
heeft 't niet over zich kunnen verkrijgen te zeggen dat hij daar ginds
in den lande van overzee getrouwd was. Nu voelt hij met smart dat het
hart van een hunner of misschien wel van beiden bij de scheiding moet
breken, en besluit alles aan de beslissing van de prinses zelf over
te laten. Eerst neemt hij afscheid van de Koning en gaat dan naar de
dochter om haar alles te vertellen. Maar ongelukkig valt zij dadelik in
zwijm zodra zij van afscheid nemen hoort spreken en nu kan onze held
niet anders doen dan haar in zijn armen nemen en kussen: »Mijn zoete
vriendin, laat ik U alleen dit maar zeggen: gij zijt de mijne in leven
en dood." Haar dadelik meenemen--wat zij eigelik wilde--kan hij niet;
hij staat in haars vaders diensten dat zou trouwbreuk zijn; wel kan hij
terugkomen als hij een vrij man is en dan kan hij haar schaken, zonder
dat zijn eer daar onder lijdt. Nu wisselen ze ringen, kussen elkaar...
en zo zijn al zijn schone voornemens door haar tranen gesmolten--zoals
het de man zo dikwels gaat die komt om zulk een verhouding af te breken.