Geoffrey is de Nestor van een groep geleerde Engelse geesteliken die

zich nu als om strijd aangorden de wereld van het Britse verleden voor

de Fransen en Europa te openen. Toen Geoffrey zag welk een sukses zijn

kroniek had, verraste hij de geleerde wereld ook met de merkwaardige

voorspellingen van Merlijn, de oude wijze van Wales, die, zoals blijken

zou, volkomen de gebeurtenissen tot zijn eigen tijd toe had voorspeld.

En nu kwam Giraldus Cambrensis, geboren op een adellik familieslot

in Wales, maar met half Normandies, half Brits bloed in zijn aderen;

resoluut wierp hij de algemene zware pedanterie der geesteliken van

zich af en praatte er in zijn Latijnse geschriften over Wales en

Ierland lustig op los, vertellend van de vele natuurwonderen, van de

merkwaardige zeden en gewoonten, over de gave der voorspelling van zijn

landgenoten en al het mirakuleuse dat in zijn eigen land als in de lucht

lag. Dan was er Walter Map, ook van adel en uit Wales, aartsdiaken

te Oxford; in zijn geschrift hoopte hij als in een soort rommelkamer

allerlei anekdoten en merkwaardigheden op, die hij gehoord had of

gelezen en zich herinnerde, en de geleerde schrijver heeft er toch

ook plezier in allerlei volksverhalen weer te geven over dwergen en

kabouters, over »Harlekijn" en over feeën die zich door ridders laten

beminnen, maar ze laten lopen zodra die dat aan de grote klok hangen.

Misschien was het ook Walter Map die de merkwaardige graal-histories in

elkaar heeft gezet, uit Keltiese, Oosterse en Kristelike elementen

samengesteld, welke in die tijd juist in omloop kwamen.

Zowel Walther als Giraldus waren kapellaans aan het hof van koning

Hendrik de Tweede en ofschoon zij in 't Latijn schreven, richtten zij

zich tot de hofkringen. Evenals onder de Otto's in Duitsland zijn

er blijkbaar heel wat ontwikkelden onder de hoge adel geweest, die

evenals de koning zelf Latijn verstonden. En het is een hele geestelike

»Keltiese beweging" waar deze ijverige Britse geesteliken propaganda

voor maken. Giraldus las zelfs zijn werk, drie dagen lang, aan een

auditorium voor, dat hij te Oxford bij elkaar had gehaald, en--ontving

bij die gelegenheid zijn toehoorders allerroyaalst!

Maar van nog groter betekenis dan deze geleerde propaganda was de

invloed der Brits-Bretonse speellieden en vertellers uit Wales en

Bretagne. De »Bretonse" melodieën waren al heel vroeg wijd en zijd

bekend geworden en tegelijk daarmeê werden zeker ook veel van die

volksliederen die er bij gezongen werden, door talenkundige speellieden

in 't Engels en Frans overgebracht en in elk geval werden de sagen welke

die liederen behandelden wel in diezelfde kringen in proza naverteld.

Reeds vóór dat de Noormannen naar Engeland trokken, hadden ze zich,

intelligent en ontfankelik als ze waren, al in verbinding gesteld

met het naburige Bretanje en toen ze een mensenleeftijd vóór ze naar

Engeland gingen, naar Zuid-Italië waren getrokken, brachten ze reeds

de namen van helden uit hun sagen met zich mede; reeds in de 11de eeuw

vindt men in Italië Arthur en Gawain als doopnamen. Maar vooral nu, na

de samensmelting tot één volk, is een grote invloed van poëzie en sage

niet te miskennen.

En die Keltiese sagen en gedichten spraken voor zich zelf. Voor de

mensen die smachtten naar romantiek, zou zich daarvan nu een gehele

wereld openen.

* * * * *

Kelten waren toch ook de Fransen eens geweest en in den grond was hun

aard, niettegenstaande al hun romanisering, toch helemaal Gallies

gebleven; de karakteristiek welke de Latijnse schrijvers van de Galliërs

geven--hun sanguiniteit en hun levendigheid, hun zin voor opschik, hun

opgewektheid, hun gezellige omgang,--dit alles past nog op den huidigen

dag op de Fransen. Trots het Latijn en het Kristendom en de heerschappij

der Franken, hadden zich ook nog overblijfselen van de oude Keltiese

godsdienst der Druïden bewaard. De oude priesterkaste, waarvan er zelfs

in 't jaar 700 nog geheime genootschappen bestonden, bleef zijn bestaan

voortzetten als tovenaars die de magiese kruiden kenden en de oude

toverformules. Nog trokken tegen Nieuwjaar, evenals vroeger, de mensen

in de maneschijn naar buiten om de heilige mistelstruik te zoeken. En in

de bronnen woonden nog altijd feeën die met geschenken bij de wieg der

pasgeborenen aan kwamen zetten en die de eenzaam in 't bos rondzwervende

jonge mannen in hun alfendans meesleepten.

Maar ginds in Ierland en Cornwalles en Wales leefden er massa's Keltiese

sagen en gedichten en door immigratie uit Cornwalles in de 6de eeuw was

nu ook de noord-westelike streek van Frankrijk, Bretagne, weer voor de

Keltiese wereld teruggewonnen. Toen de Noormannen naar Engeland kwamen,

vond men in de Ierse kloosters grote perkament-folianten--ze zijn er nog

tot op den huidigen dag--waarin de monniken de oude sagen opgeschreven

hadden over de heldendaden van Cuchulain, de voornaamste Ierse held, en

over de strijd tussen de mannen uit Ulster en Connaught, of die tussen

de koningen van Erin en hun huurlingen, de mannen van Fionn, wier

voornaamste helden Fin en Ossian waren. In bepaalde direkte verbinding

met de Ierse sagen kwamen de veroveraars niet te staan, maar er bestond

in Wales een overeenkomstige poëzie, die wij nog in haar vorm van vóór

1100 kennen, n.l. in de oudste delen van de oudste manuskripten uit

Wales, het zogenaamde »zwarte" en het »rode Boek". Dit zijn ten dele

kunstmatige lofzangen over vorsten, strijdzangen, en bardenliederen

die, geakkompagneerd door de harp, in de grote feestzaal gezongen

werden evenals de Noorse liederen der skalden; ten dele zijn het

volkssprookjes: de Mabinogion, op oude sagen en mythen gebouwd.

Onmiskenbaar slaat ons uit deze poëzie het eigenaardig Keltiese

tegemoet.

Er ligt iets vaags over die poëzie in haar lyriek en fantasie. Vaste

omtrekken of een massa détails te geven is haar zaak niet; personen

en gebeurtenissen vloeien in 't vage, immateriële over, schijnen als

visioenen voorbij 't oog te trekken. Maar ze worden door een rijk en

levendig gevoel gedragen, dat alles in lyriese kleuren-tonen beeldt en

een losgelaten fantasie die alles naar haar eigen bandeloze luimen

omvormt.

Er schuilt een elegiese, romantiese stemming achter veel van die

bardenliederen. Stap voor stap zijn de Kelten dan ook uit Europa

verdreven, eerst naar 't Westen, toen op de eilanden,--door de Romeinen,

de Germanen, door Angelen en Denen. Klagend staat de bard uit Wales

aan de graven der krijgers en herdenkt de dappere gevallenen. Klagend

spreekt de oude dichter, nu hij in zijn ouderdom een kruk draagt, over

wat hij kon en deed in de dagen van zijn volle kracht, en over zijn

liefde. Maar van de werkelikheid, het nu, ijlt de fantasie òf de

toekomst tegemoet wanneer de sagekoning uit de glanstijd die nu op het

feeëneiland wegens zijn wonden verzorgd wordt, wanneer koning Arthur op

zal staan en de oude Britten-heerschappij weer zal vestigen, of zij gaat

terug naar de oude tijd,--»ouder dan enige geschiedenis, die in enig

boek geschreven is". Van oude heidense sagen die de gekerstende inwoners

van Ierland en Wales niet meer verstaan, bouwt de fantasie lustige,

luchtige sprookjes op, woest en barbaars, maar vervluchtigd en vormloos

als vage, stralende dromen. Geweldig kijven de helden van Ulster en

Connaught met elkaar, of de witte stier van Ulster of de bruine van

Connaught sterker is en schoner; ook al om de een of andere jacht-twist

wordt er hevig gestreden, of over een paar varkens, over een oorvijg,

of wie het eerste stuk vlees krijgen zal; en als de reus uit de slag

thuis komt, is hij zo verhit door zijn woeste razernij dat hij dadelik

moet baden om af te koelen;--drie kuipen gaan er aan, want de eerste

twee worden dadelik door zijn lichaam aan 't koken gebracht. Op de

wonderlikste expedities trekt de held uit; de gekste, onmogelikste

opdrachten worden hem door Penkawr gegeven vóór hij de schone Olwen

krijgt, maar hij volbrengt ze alle; hij loopt ook zo licht dat geen

grassprietje zich onder zijn voet buigt; en hij kan de mier horen

wanneer die 's morgens zijn nest verlaat. Tachtig jaar lang zitten die

reuzen in de Wonderbare zaal te eten en te drinken zonder dat zij merken

dat er meer dan één uur verlopen is. Onverzadigbaar is voor mannen en

vrouwen beiden de liefde; de vrouw vraagt gewoon de man in wie zij

behagen vindt, en Cuchulain maakt de vrouwen van Ulster zo gek op hem

verliefd, dat de mannen terwille van hun huiselike vrede zelf er op uit

trekken om hem de schoonste vrouw in de wereld te verschaffen. Maar wij

horen ook van de jongeling die van stom liefdelijden versmacht of die

slechts in zijn droom een schoonheid heeft gezien die hem zo zeer met

liefde vervult, dat er geen stukje in een van zijn beenderen is, of geen

plaatsje op het binnenste van zijn nagel dat niet van liefde doortrokken

is. Door toverij wordt er een vrouw gevormd uit louter bloemen, uit de

brem en de spirea en andere bloemen die daar groeien, zij krijgt de naam

van »Bloemenaangezicht"--Blodenwedd--en wekt bij een ieder liefde op.

Overal wordt er veel met kleuren gewerkt. De kleedij des konings is

gelijk de wazige Mei-morgen, wisselend van kleur; de winden hebben een

kleur: uit 't Oosten komt de rode wind, uit 't Zuiden de witte, uit 't

Noorden de zwarte en uit het Westen de dikke, grauwe mist-wind. Ook de

geïllumineerde handschriften en oude wettelike dokumenten bewijzen welk

een lyries gevoel voor kleur de Kelten hadden. Pracht en rijkdom, gouden

sieraden en geborduurde en geweven stoffen, prachtige sloten en zalen en

feesten, dit alles ziet men in hun sagen schitteren. En wij horen van

allerlei wonderen,--van een toverketel die door de adem van meisjes

verwarmd wordt; wanneer de ledematen van de dode krijgslieden daarin

worden gelegd, groeien ze weer aan elkaar en worden ze weer levend; en

van een tovervat dat altijd vol is met eten en de dingen die alle

behoeften tevreden kunnen stellen; van toverlanden waar alle wensen

vervuld worden en van »Avalon" het »appeleneiland" der eeuwige jeugd,

heel ver weg in het Westen.

Een vage romantiese fantasie omgeeft overal de werkelikheid met

die wereld welke niet gezien wordt. Staande tegenover de heldere

aanschouwingskunst der Latijnse volkeren, bestond daar bij dat ras een

fantasie die overal het onzichtbare zoekt, dat wat slechts mystiese

voorstellingen opwekt. Een levendige romantiese natuur-poëzie gaat er

door de sagen en sprookjes zowel als de liederen,--een poëzie van het

mistige klimaat en de altijd omslaande winden en de Atlantiese Oceaan,

van bos en heide, dat zoveel plaats in 't land inneemt. »Een roep van de

bulderende zee komt tot mij, een roep van de bulderende zee jaagt mij

des nachts op van mijn leger... Raad eens waaraan ik denk: Een sterk

wezen, zonder vlees, zonder been, zonder hoofd, zonder voeten; het wordt

nooit ouder dan het is; de zee wordt wit wanneer het komt. Hij is op

't veld, hij is in het bos, zonder hand, zonder voet, hij ziet niet en

wordt door niemand gezien... Van 't Noorden komt de winterwind, laag en

kort is nu de baan van de zon, de varens in het bos zijn geel, de golven

van de zee brullen, de wilde gans laat zijn gewone kreet horen, de vorst

bijt hem in zijn vleugels. Het is de tijd nu van het ijs en treurig zijn

mijn woorden."

Daar zien wij hoe een volk van jagers met de natuur en de jaargetijden

vertrouwd is. Met de wilde woeste vlakten waarop het heidekruid in de

wind golft, en vooral met het bos: de grauwe eiken en de hazelbosjes, de

herten die op de open plekken in 't bos grazen, de wilde zwijnen daar

waar het 't dichtst is, de arend in de toppen der bomen. Steeds horen

wij van de passie waarmede er gejaagd wordt,--op wilde zwijnen, wolven

en herten. Van de jonge man die in de eenzaamheid van 't bos geboren en

getogen is, geen mensen kent, maar wel alle natuurgeluiden en de taal

der dieren, die hij met zijn fluit tot zich kan halen. Van de witte

toverhinde, waar alle jagers het op verzien hebben. Van de fantastiese

bosman die de jagers soms op een heuvel in het oerbos vinden, de Deense

sagafiguur »Dier-mens" die met een knots in zijn hand het wilde, vreemde

vee bewaakt... Vooral van de feeën die de jager aantreft wanneer hij een

dier vervolgt en daardoor zijn jachtgezelschap kwijt raakt. Bij een

meertje of een bron ziet hij een nymf daarin baden. En dan is òf zij het

die zijn liefde verlangt en hem, wanneer hij niet wil, betovert en aan

het ziekbed kluistert, of wel steelt hij haar kleêren die op de oever

liggen en zo krijgt hij haar met geweld tot zijn wil.

Soms worden de mensen door de feeën zelfs naar hun rijk meegelokt. Een

geloof in een land van gelukzaligheid en onsterfelikheid ergens in 't

Westen komt overal in de Keltiese sagawereld te voorschijn. Enkele

uitverkorenen onder de stervelingen zijn daar wel al eens op bezoek

geweest. Een gewond krijgsman legt zich b.v. in een boot neer en laat

zich dan door weer en wind maar drijven, waarop hij dan in het feeënrijk

komt, waar zijn wonden verbonden worden. Dat gebeurde b.v. met koning

Arthur. Hij die uit het feeënrijk terugkomt, meent dat hij maar één dag

weg geweest is, maar dan kunnen er honderden jaren verlopen zijn. Eens

toen Bran, door zijn krijgers en hoofdmannen omgeven, in zijn hal zat,

stond er plotseling een vrouw voor hem, een afgezant uit het Geluksland,

die in wonderbare verzen van de heerlikheid in dat eiland zong--waar de

witte zeepaarden (de golven) omheen spelen en uit hun manen kristallen

droppels naar de kust spatten; waar de vogels in oude, bloeiende bomen

zingen, waar ze spelen op de vlakte, onder het genot van Wein, Weib en

Gesang; alles in geluk en in zonneschijn, »zonder enige mist", zonder

verdriet, en ziekte en dood, waar alles gelijk de zoetste muziek in

de oren klinkt... In een kristelik kleed is een reis naar dat land

beschreven in de verhalen van de Heilige Brandanus, en in een heidense

variant als de tochten van Maël Duin. Hier komen ze aan allerlei

fantastiese eilanden: het eiland van de grote mieren en de grote vogels,

het eiland der zwarte Wenenden en der Lachenden, het eiland waar alles

van kleur verandert en het eiland van de verschrikkelike smeden, de »ile

des forgerons", waar er geen gras groeit, maar waar men overal sintels

vindt en hamerslagen hoort en blaasbalgen van de onderaardse

smidsen,--men denkt hier allicht aan de Hekla en IJsland.

Dat zijn van die verhalen zoals alle zeevarende volkeren ze kennen;

de Indiërs en de Grieken hebben die zowel als de IJslanders, en het is

duidelik dat er al van zeer oude tijden verband is tussen die verhalen:

men herkent allerlei motieven in die Ierse wonderbare reisverhalen òf

uit de »Indica" van Megasthenes, òf uit de reizen van Sindbad, of uit de

Odyssee en Virgilius.

De gehele lucht is er vol van toverij en magie; wat Ierland voor de

Scandinaven was, vonden de Fransen in Wales: het land van tovenaars.

De kern van de godsdienst der Druïden was dan ook het geloof in de

magie; de Druïden hadden in hun cultus de goden zo goed als afgezet en

beheersten nu zelf de wereld. Niet de krijgslieden maar die priesters

en tovenaars waren de eigelike heersers in hun maatschappij. En sage

en gezang vertellen van hun doen. Ze lopen langs de zee en vinden

voorspellingen in de golven en de stemmen der zeevogels; donkere

profetiën vertellen van een bos dat over de zee zal komen (een mastbos)

over de rode en de witte draak die samen zullen vechten (Saksen en

Britten). De figuur van Merlijn werd het inbegrip voor Wales van

voorspelling en toverkunst. In zijn haat voor de mensheid was hij

naar de bossen van Northumberland gevlucht en daar voorspelde hij nu

alles wat er gebeuren zou. In de bardenpoëzie wemelt het van mystiese

versraadsels en die is ook doortrokken van een vreemd geloof in de

zielsverhuizing: »Ik heb vele gedaanten aangenomen, ik ben een traan

geweest in de lucht, de verste van alle sterren, een woord, een boek,

een kaarslicht, een wild zwijn, een geluid in de slag, een golf op

de woeste kust,"--men ziet hoe vreemd onwezenlik de meesten van die

personificaties zijn. Door allerlei bezweringsformules kunnen de

tovenaars de wil van de mens buigen, kwaad over het hoofd van de

vijanden brengen, zich zelf en anderen in allerlei gedaanten omtoveren,

en een mist op de heide of prachtige kastelen te voorschijn toveren en

dit ook weer laten verdwijnen. Die toverij schijnt vooral op de heide te

bloeien,--»la lande aventureuse", waar we in de Franse romans uit

Bretanje zo veel van horen.

Ongemengd was dit Keltiese element nu niet. Niet alleen de reis van

Brandanus, maar de hele literatuur van Ierland en Wales was al vroeg

doordrongen van antieke en Oosterse elementen en dikwels ook kristelike.

Driehonderd en vijftig jaar lang hadden de Romeinen in Engeland

geheerst en tot op den huidigen dag toe tonen ruïnes en opgravingen hoe

grondig ze de Latinisering aangepakt hadden. Evenals de hele latere

Romeinse wereld, was ook hier in 't uiterste Noord-westen de Romeinse

kultuur sterk met Oosterse elementen vermengd. Een prefekt--weet men

toevallig--was van Nicomedia, een tribuun uit Syrië, dikwels kwamen

garnizoenen uit Azië hierheen en in Northumberland heeft men altaren

gevonden voor de Perziese Mithra, te Cambridge voor de Syriese Astarte,

te York voor de Aegyptiese Serapis. De Keltiese kristelike kerk was in

de 6de-8e eeuw, een tijd, verder van alle kultuur ontbloot, de enige

in Europa om niet alleen aan Latijn te doen, maar ook aan Grieks; de

Ierse kloosters hebben een hoofdaandeel aan het bewaren van de antieke

literatuur. En een bizondere band schijnt ook die Westerse kerk met de

Oosterse gehad te hebben; het kristendom der Ierse monniken draagt in

vele opzichten meer een Oosters dan een Latijns karakter.

Toen Geoffrey de Britten van Brutus liet afstammen en van de Romeinen,

was dat nog niet zo helemaal zonder enige reden. Onder de (jongere)

»Mabinogion" vindt men verhalen die niets dan fantasiën over de tijd

der Romeinen zijn,--b.v. over een keizer van Rome die met 32 koningen op

jacht gaat en van een toverschip droomt, een tovereiland, een toverslot

en een toverachtig schoon meisje en dan laat hij de hele wereld afzoeken

totdat hij eindelik in Brittanië komt en de maagd vindt. Zo zijn

er ook zelfs in het oudste deel van de Mabinogion, voortdurend

trekken die opvallend aan Oosterse motieven doen denken, zo b.v.

de »Vriendschapsproef",--twee vrienden die elkaars plaats innemen,

maar tegenover elkaars echtgenoot vriendentrouw bewaren--of wel de

geschiedenis van Ali Baba en de oliezakken die wij herkennen, of wel

verwoeste prachtige toversloten, waar de bezoeker tot steen wordt, zodra

hij een gouden schaal aanraakt. Bij het »Appelen-eiland" van de Eeuwige

Jeugd in het Westen denkt men allicht aan de appelen der Hesperiden

en de eilanden der zaligen, en er loopt een verhaal van een held die

»het land waar niemand ooit vandaan komt" binnengedrongen was en daar

met een vrouw vandaan was gekomen, waarbij natuurlik iedereen aan de

geschiedenis van Orpheus en Eurydice denkt. Merlijn wordt ook al heel

gauw verdoopt en heet dan als de zoon van een Romeins konsul Ambrosius,

veel trekjes die zijn list betreffen en zijn helderziendheid, zijn

eenvoudig op hem overgebracht van de verhalen van Indiese, Griekse en

Hebreeuwse wijzen--van Midas en Silenus, van koning Salomo en de vorst

der Geesten, Aschmedai--terwijl zijn »Profetiën", die Geoffrey uitgaf,

vol van reminiscenties van Lucanus zijn en van de Sibellijnse boeken.

Eindelik schijnen ook verschillende Germaanse elementen de Keltiese

sagen binnengedrongen te zijn--het is onzeker of dat nu de Noorse

Vikingen, de Angelsaksen of de Denen en Noormannen zijn die ze gebracht

hebben. Nu eens herkent men trekken uit de sage van Siegfried, dan uit

die van Völund-Wieland--of wel zijn het Germaanse namen die men

plotseling te midden van zuiver Keltiese aantreft.

* * * * *

Maar hoe deze »Matière de Bretagne" ook samengeweven is,--daarin opende

zich voor de Franse trouvères van het Engels-Normandiese rijk een wereld

van poëzie die hen en hun publiek in verrukking moest brengen. Die

wereld was hun nieuw en vreemd en daar lag een mysties perspektief,

een geheimzinnige ondertoon van halfvergeten mythen en sagen achter die

verhalen, welke de fantasie romanties in beweging moest brengen. En met

die vreemde stof kon men ongegeneerd omspringen en doen wat men wilde,

zonder door traditie of piëteit gebonden te zijn; dat alles kwam in

losse onsamenhangende saga-motieven uit het Westen aanfladderen en elke

dichter kon dat aan elkaar flansen, presies zoals hij zelf wilde. Dat

was iets anders dan dat gescharrel met die romans van Karel de Grote,

waar de stof met zulk een piëteit en histories nauwkeurig behandeld

moest worden, of een Latijns boek voor zich te hebben dat men volgen

moest!

En wonderbaarlik scheen die »Bretonse stof" met de poëtiese smaak dier

tijden overeen te stemmen. Hier streed men niet in geordende scharen

voor goederen of voor land en rijk, maar de helden trokken--presies

als de kruisridders en de vaganten in hun eigen wereld--op eigen hand

op weg om avonturen op te zoeken. En nu waren het eens niet die eeuwige

Saracenen daar ze mee moesten vechten, maar monsters en wildemannen,--en

voor al die magie en toverij en dergelijke avonturen, daar hoorde een

andere soort moed toe, een »nouveau frisson" die zij de zenuwen gaven.

Er lag een geur van natuurromantiek over deze poëzie van bos, heide en

oceaan en een glans en een kleurenpracht en sprookjesrijkdom over die

Keltiese fantasiewereld, welke bijna de vergelijking met de Alexander-

en Troje-romans kon doorstaan. En per slot van rekening leken die

Keltiese sagen de Fransen meer van hun eigen vlees en bloed dan de

Frankies-Germaanse epiek der baronnenwereld. Er was een levendigheid

en een fijne genotzucht in die Keltiese poëzie, een vrolik opgewekt

samenleven en zulk een sterk erotiese aanleg kwam daar in te voorschijn,

dat de Fransen zich daar zeer aan verwant moesten voelen. Hier waren

schitterende feesten, vooral ook aan het hof, een sappig »esprit

gaulois", en een gepassioneerd »feminisme",--te midden van al die

barbaarse woestheid lijkt het bijna een eerste schets van het leven der

Franse edelen in de 12de eeuw.

Een kleine groep van ridderlike dichters die in het Anglo-Normandiese

rijk werkten en die, ten dele direkt, maar ten dele ook door middel

van Engelse en Latijnse vertalingen de Britse en Bretonse sagewereld

trachtten te leren kennen, brachten van het midden der 12de eeuw af,

»la Matière de Bretagne" in de kring van het Franse geestesleven en wel

met het gevolg dat niet alleen de »Matière de France" (de nationale

heldenpoëzie) maar ook de »Matière de Rome" (de onder antieke invloed

staande romans) door de nieuwe modepoëzie vrijwel in de schaduw werd

gesteld.

Maar feitelik was het niet zo zeer de »Matière de Bretagne" die

Frankrijk veroverde als wel de Franse riddermaatschappij wier eigen

dichterlik genie de Keltiese stof in zichzelf op wist te nemen.

XV.

MARIE DE FRANCE.

In het begin vergenoegde men er zich mede in kleine berijmde

vertellingen de stof neer te leggen die men in de liederen der Bretonse

en Britse speellieden getroffen had of door de »fableors" had horen

vertellen. Het woord »lai", van Keltiese oorsprong, kwam in gebruik voor

die berijmde novellen welke hun stof uit den vreemde haalden en die door

hun karakter en hun geest zich meer in 't bizonder tot de hogere kringen

richtten, spesiaal waarschijnlijk tot de dames.

De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen · 第 21 / 36 段