Is het motief van de scheiding der twee gelieven en van hun hereniging

een der grondformules van de liefderoman gebleven, het andere motief

dat van de Grieks-Oosterse vertellingskunst in de ridderromantiek

over is gegaan, heeft zich niet minder vruchtbaar getoond voor de

wereldliteratuur. Dat is 't motief van de echtgenote die onschuldig van

ontrouw verdacht en weggejaagd wordt; haar onschuld komt echter voor den

dag en het gelukt haar man de verschoppelinge te vinden en haar weer in

ere te herstellen. Het is een roman-formule waar het werkelike leven

dikwels genoeg de stof voor geleverd heeft en die werkelik bizonder

geschikt is om tot het gevoel en de fantasie te spreken: de reine

onschuld die door duivelse boosheid zwart gemaakt wordt; de goedige

echtgenoot, een man van eer, maar die door schijnbaar sterke bewijzen

verblind, er toe komt groot onrecht te doen--de waarheid eerst onder

de voeten getreden, maar die ten slotte triomfeert. Van verschillende

trekken die nu in de »Duizend-en-één-Nacht" te vinden zijn tot de

geschiedenis van Suzanna in het boek van Daniël, van de historie van

Lucretia bij Livius tot de Griekse roman van Chaereas en Kallirhoe,

boden het Oosten en de klassieken genoeg uitgangspunten. In de

middeleeuwse kronieken en heldendichten kan men dergelijke

geschiedenissen lezen over allerlei koninginnen, Angelsaksiese, Franse

en Duitse; in de legenden waren die op heiligen overgebracht. Maar

die vorm van het motief, waarin de middeleeuwse ridderromans het

behandelen--de Franse »roman van de violette moedervlek", »de Graaf

van Poitiers", de »roman van Rozenvlek", de Duitse »roman van de twee

kooplieden"--heeft de eigenaardigheid dat een weddenschap of in elk

geval een dispuut tussen de man en diens vrienden over de trouw zijner

echtgenoot het uitgangspunt vormen; het »bewijs" dat de lasteraar haar

gunst genoten zou hebben is dat hij weet aan te geven waar zij een

moedervlek op 't lichaam draagt, of haar slaapkamer kan beschrijven

of een ring van haar kan vertonen. De weddenschap of het dispuut als

uitgangspunt hebben wij ook in de geschiedenis van Lucretia en iets

dergelijks vinden wij in vele Oosterse histories; schijnbare bewijzen

van ontrouw die de echtgenoot in de war brengen, hebben wij ook reeds in

Griekse romans en Oosterse vertellingen. En die ganse half wrede, half

moraliserende sentimentaliteit die in het motief ligt, draagt een

Oosterse stempel.

De »Graaf van Poitiers" is de oudste, nog vrij ruwe versie, de »Roman

van de violette moedervlek", de fijne ridderliker bewerking. De koning

van Frankrijk houdt een feest voor zijn hof en zijn baronnen. Terwijl

zij zitten te praten en te zingen, beroemt de graaf van Nevers,--of van

Poitiers--zich op de trouw en de deugd van zijn geliefde Oriaut (in de

oudste roman is het zijn vrouw) en zingt haar lof. Een edelman, een

intrigant, graaf Lysiart van Forest, spot met zijn vertrouwen en beweert

dat hij binnen korten tijd het bewijs zal brengen dat hij de liefde der

schone genoten heeft. Zij wedden om hun graafschappen en graaf Lysiart

rijdt naar het slot van Oriaut met de groeten van haar geliefde en de

boodschap dat zij verzocht wordt hem goed te ontvangen. Oriaut staat

juist als hij komt in het raam van haar torenkamer naar het gezang der

vogeltjes te luisteren en liederen van Poitou te zingen terwijl zij

aldoor aan haar hartevriend denkt. Zij ontvangt hem zeer vriendelik en

geeft hem een kamer op het slot, maar wanneer hij woorden van liefde

loslaat, wijst zij hem eens voor altijd af. (In de oudere roman toont

hij zijn liefde door onder de maaltijd elk stuk te grijpen waar zij al

van gegeten heeft, haar op de voeten te trappen en haar om 't lijf en

aan de borsten te pakken). Maar Oriaut heeft een sluwe oude kamenier; de

graaf weet haar om te kopen dat zij hem door een gat laat kijken terwijl

de schone een bad neemt. En nu ziet hij dat zij een violette moedervlek

op haar ene borst heeft. (In de oudere versie weet de cameriere hem haar

ring te verschaffen, wat van haar haar en een stuk van haar kleed). Met

dit »bewijs" voorzien, ijlt de verrader nu naar 't hof, waar hij nu vol

jubel de ridder met al zijn vertrouwen beschaamt en zijn leen van hem

wint.

Zonder enig verder onderzoek jaagt de ridder zijn geliefde nu natuurlik

weg. En nu krijgen wij weer de gewone situatie voor die romans. Terwijl

zij n.l. in de wereld ronddoolt, gezocht voor haar schoonheid en belaagd

voor haar deugd die zij bewaart, merkt hij al heel spoedig hoe hij

bedrogen is. Nu is het zijn beurt om met Othello zijn »Fool! fool! fool!

fool!" te roepen en hij trekt ook de wereld in om zijn verongelijkte

geliefde te zoeken. Zijn zwerftochten worden in lieve kleine episoden

beschreven. Hij ligt b.v. ziek in het huis van een burger, van verdriet

uitgeteerd en de schone dochter van de gastheer zit bij zijn bed te

naaien, terwijl zij de ballade van Oriaut en Renaut zingt. Als hij de

naam van zijn beminde hoort, wordt hij dadelik opgefrist wakker, nu wil

hij opstaan om te gaan zoeken en hij begint in bed al een minnezang te

zingen. Nu vraagt het jonge meisje hem of hij zich beter voelt en hij

polst haar of zij wel weet van wie zij zong,--zodat zij begint te

begrijpen dat wat hem scheelt »mal d'amour" is. Dan vertelt hij haar

zijn hele geschiedenis en wil dadelik op weg. Maar de familie wil hem

niet loslaten vóór hij goed en wel beter en wat aangesterkt is; de

vriendelike mensen willen geen betaling van hem aannemen. Als hij ergens

anders komt, wordt de dochter van een hertog verliefd op hem, haar

dienstmaagd geeft hem een toverdrank te drinken, zodat hij zijn Oriaut

vergeet... Reeds is het huwelik bepaald, maar eens op een dag, wanneer

hij in 't bos op jacht is en hij een van de liederen van Bernard de

Ventadour neuriet, vangt zijn sperwer een leeuwerik die--Oriaut's ring

om zijn hals heeft! Nu wordt zijn herinnering weer levend, zijn liefde

neemt de kamp op tegen de toverdrank en zegeviert. Weer trekt hij de

wereld in en vindt haar juist als zij op de brandstapel staat--een

gewone trek in een Griekse roman--; zij moet sterven voor een misdaad,

waar boze mensen haar van beschuldigd hebben.

Zoals men ziet, vervolgt het noodlot de onschuldige vrouw overal in de

wereld en van dergelijke door alle ongeluk getroffene, door de mannen

belaagde en door boze medeschepselen van allerlei misdaden beschuldigde

vrouwen, weten vele ridderlike romans en vertellingen op Oosterse manier

te vertellen. De heldin wordt b.v. door haar eigen vader belaagd en

houwt haar ene hand af om zo haar schoonheid in diskrediet te brengen;

zij moet de vlammendood sterven, maar vlucht in een boot zonder roer de

zee op; trouwt, maar wordt door haar schoonmoeder vervolgd, of wordt

als kindermeisje beschuldigd het haar toevertrouwde kind omgebracht te

hebben;--maar altijd brengt de genade van de voorzienigheid haar door

alle beproevingen heen. Het is een hele literatuur over de vervolgde

en onderdrukte vrouwen die haar oorsprong heeft in laat-Griekse

sentimentaliteit en Oosterse martellust, maar in de middeleeuwse romans

neemt die een belangrijke plaats in bij de strijd van het kristendom om

de harten te verweken en de zeden te verzachten, en bij het werk van de

poëzie, om de ruwe baronnen als ridders de vrouw te doen eren.

* * * * *

In schelle tegenstelling met de geest in deze romans staan al de

Oosterse verhalen over de sluwheid der vrouw die terzelfder tijd de

Westerse literatuur binnen drongen. Die kwamen geheel en al overeen

met al de anekdoten over vrouwen die uit zichzelf in Galliese aarde

ontstaan en gegroeid waren; alleen waren de inheemse »fabliaux" nog

al humoristies en schuin, en meer ironies-skepties, terwijl er in

de Oosterse een sombere, lage passie op te merken viel. Populaire

speelmans-liederen in 't Frans en Duits bewerkten ook con amore de

Oosters-Byzantijnse geschiedenissen van de ontrouwe echtgenote van

koning Salomo en de sluwe bultenaar Morolf. Nu namen ook de ridderromans

Oosterse verhalen van dat genre ter behandeling op. Maar zij wagen zich

aan het kunststuk om die verhalen met een nieuwe geest te bezielen;

openlik nemen zij het voor de vrouw en de liefde op en geven hun ten

slotte de zege.

Een van de oudste ridderromans heet Eracle en is in 1160 door

Gautier van Arras op grond van geestelike Oosterse legenden en

Oosters-Byzantijnse vertellingen geschreven. De roman begint in

religieus-stichtelike trant, door van een vroom Romeins echtpaar te

vertellen--de man is senator. Zij leven kinderloos, totdat een engel

zich voor hen openbaart die hun zekere intieme mededelingen doet,

waaruit ze leren hoe zij hun nachtelik samenzijn de gewenste vrucht

kunnen doen dragen. Schuchter volgen ze die voorschriften en er wordt

hun dan ook een jongen geboren. Op de dag dat 't kind gedoopt zal worden

kwam er een engel aanvliegen die een brief van God op de wieg legt; die

mag niet geopend worden vóór de jongen die zelf kan lezen. Maar dat

duurt niet erg lang, zo voorlik is het kind,--en in die brief schenkt

God hem drie bovenmenselike gaven: hij zou verstand hebben van

edelstenen, paarden en vrouwen,--de drie dingen waar een Oosterling

altijd het meeste op gesteld was iets van te weten. Nu sterft de senator

en de weduwe ziet zich genoodzaakt door geldgebrek haar kind te

verkopen,--»zoals dat in die dagen zo veel gebeurde"; zij stelt zich

bovendien voor--zo luidt de verontschuldiging van de schrijver--het geld

uitsluitend voor zielemissen voor haar man te gebruiken. Roerend als in

de legenden wordt beschreven hoe zij de strik om de hals van de jongen

legt en zachtmoedig als een lammetje laat hij zich naar de slavenmarkt

brengen. Hij landt weldra aan het hof van de keizer aan, waar hij

spoedig gelegenheid krijgt om zijn kunst te tonen, die de keizer op de

proef stelt--eerst met stenen, dan met paarden. Telkens laadt de jongen

eerst de spot van alle aanwezigen op zich door zijn keuze; hij laat de

grootste en aanzienlikste edelstenen liggen en pas later blijkt het dat

daar »de worm" in zat; hij gaat de beste paarden voorbij en kiest een

onaanzienlike klepper, maar overwint toch alle anderen met hem bij de

wedrennen. Hij komt nu, als een bij de Oosterse hoven aangestelde

»Wijze", tot grote eer en moet o. a. voor zijn heer en meester een

keizerin kiezen. Dat gaat weer helemaal op zijn Oosters toe, als in het

boek van Esther. Alle groten van het rijk krijgen bevel zich met hun

jonge dochters naar de hoofdstad te begeven. Dat wordt daar buiten de

stad een heel kamp en als een kermis, en de gespannen verwachting der

jonge meisjes, en hoe jaloers zij op elkaar zijn, wordt buitengewoon

levendig beschreven,--ook hun verwanten en bekenden, hoe die al het hof

maken aan degene van wie men verwacht dat zij keizerin zal worden, enz.

Eracle loopt langs al de opgestelde meisjes; ieder die iets op haar

geweten heeft, beeft onder zijn blik, hij doorziet hun lichtvaardige en

domme gedachten en gaat, het hoofd schuddend, ze allen voorbij zonder er

één uit te kiezen. Maar op de terugweg ziet hij een arm klein meisje de

straat oversteken; hij volgt haar naar het eenvoudige huis waar zij bij

een tante woont en kondigt hun aan dat zij koningin moet worden. Men

voelt met welk een sympathie de dichter de vreugde in dat bescheiden

milieu schildert, de onschuld van 't kleine meisje, de voorbereiding van

haar uitzet, en de pracht van de bruiloft zelf. Als keizerin verovert

zij weldra allen door haar vrome ootmoed en gratie.

Maar nu slaat de toon van de vertelling om; het is duidelik dat 't

vervolg uit een heel andere bron stamt, de inspiratie is geheel anders.

De keizer moet ten oorlog en om zeker te zijn van zijn gemalin, zet hij

haar in een toren met een lijfwacht van 24 ridders; zij heeft een bed

in 't midden van de toren en de ridders slapen in een kring er om heen.

Op die manier worden de vrouwen dikwels in de Oosterse vertellingen

bewaakt, zo ook de dochter van Pompeius in de »Gesta Romanorum".

Maar de ridderlike dichter ziet in die strenge beledigende bewaking een

onrecht, dat de keizer zijn vrouw aandoet en dat verontschuldigt wat er

nu gebeurt. Eracle heeft daar sterk tegen gewaarschuwd; men past 't best

op een vrouw door haar vertrouwen te tonen, dwang en verveling, zegt

hij, kan tot allerlei verkeerds leiden. En nu gebeurt dan ook--echt

Oosters-paradoxaal--dat de deugdzame en zo uitstekend bewaakte vrouw

toch toont de Eva te zijn die zij is en dat »vrouwenlist zonder einde

is". Er moet een feest plaats hebben waar de keizerin volgens oude

gewoonte bij tegenwoordig moet zijn, en waar zij onder volle bewaking

heen gebracht wordt. Maar onder de jongelui van goeden huize die voor

de vorstin zingen en dansen en aan de wedstrijden mede doen, trekt de

jonge Parides weldra haar aandacht en in een ogenblik is zij evenzeer

op hem als hij op haar verliefd. Fijn en fris worden beider gedachten

beschreven: zij zit er over te peinzen hoe zij hem zal laten merken wat

zij voelt; zij mag toch wel hopen dat hij haar blikken begrepen zal

hebben, en zulk een edel gemoed als 't zijne moet toch de hoogte in

willen en niet vervaard zijn om zijn gedachten tot een vorstin op te

heffen; gelijk-gestemde zielen als de hunne moeten elkaar toch onder

duizenden kunnen verstaan. Als zij nu zondigt, is het toch in elk geval

de keizer die haar 't eerst onrecht aangedaan heeft, en de liefde wekt

toch zo dikwels edele deugden in de mens op, dat zij zich toch wel voor

God daarvoor zullen kunnen verantwoorden, zelfs als die op zich zelf

misschien zonde is. De keizerin zit nu in haar wachttoren te verlangen,

terwijl de jongeling zich, op zijn Oosters, op zijn bed legt en van

liefde verteert. Maar nu komt er, ook op Oosterse wijze, een vriendelike

oude buurvrouw die hem de pols voelt, hem vraagt wat hem scheelt en al

heel gauw merkt wie het voorwerp van zijn gevoelens is. En de volgende

dag gaat de oude vrouw met een mandje kersen naar de keizerin en

begint een praatje met haar... zij beklaagt haar omdat zij zo van allen

afgesloten leeft, en weet net zo lang te vragen tot zij begrijpt hoe de

zaken staan en vertelt dan van die jonge man die van liefde verteert. In

een pastei die de keizerin de volgende dag aan de vrouw laat brengen om

voor de kersen te bedanken, ligt een mededeling hoe de ontmoeting plaats

zal kunnen hebben. In de woning van de oude vrouw wordt een onderaardse

kamer gegraven en daar wordt Parides in verborgen. Wanneer de keizerin

nu, enige dagen daarna, bij een groot feest, met haar escorte daar

voorbijrijdt, heeft zij 't ongeluk van haar paard te vallen, haar

rijkleed erg vuil te maken en haar been te bezeren, zodat zij in 't

huis van de oude ondergebracht moet worden. En dan wordt ook alles

volgens 't programma afgewerkt,--dat natuurlik ook van Oosterse

oorsprong is: »Ne sait, qu'il fait, qui femme gaite."

Maar natuurlik weet de wijze Eracle die met de keizer en het leger

van huis is, dadelik wat er gebeurt en vertelt dit aan zijn meester.

Deze ijlt spoorslags terug en neemt de schuldigen in verhoor. Zij

erkennen beiden 't gebeurde, maar zij verklaart dat zij alles wil doen

om haar geliefde te bezitten en ook hij is bereid voor zijn liefde te

sterven,--»dat is geen schande." En wanneer dan bovendien Eracle de

keizer nog voorhoudt dat hij zelf aan alles medeschuldig is, door zijn

tyrannieke behandeling van zijn echtgenote, dan laat de grootmoedige

Oosterse despoot die hij is, zich welwillend van zijn echtgenote

scheiden en verenigt de twee gelieven... En dan glijdt de roman weer

in een geestelike legendesfeer over.

Oosterse vrouwenlist, ontrouw van een Griekse keizerin, maar met de

sympathie der lezers aan de kant van echtbreuk en de vrouw,--dat

is ook het onderwerp van een der eerste romans van Gautier's grote

mededingers,--de »Cligès" van Chrestien de Troyes. Het is haar neef die

de keizerin hier bemint, en haar voedster, die de toverkunst verstaat,

bereidt eerst een toverdrank die de keizer verhindert het huwelik te

»consumeren" wanneer hij 's nachts bij haar komt en daarna een andere

die de keizerin in een slaap brengt die op de dood gelijkt, waarna zij

zich laat schaken,--evenals dit uit de geschiedenis van koning Salomo's

echtgenote in de Oosterse vertellingen bekend is; wij kennen het uit de

geschiedenis van Romeo en Julia.

Maar in een roman als »Cligès" is het, gelijk wij later zullen zien,

alleen maar de uiterlike handeling, de machinerie er van, die uit het

Oosten stamt. Van deze, zoals van zo veel andere romans die alleen in

wat voorafgaat beschouwd zijn als een Europeisering van Grieks-Oosterse

vertellingskunst, geldt het dat ze veel meer op te vatten zijn als

geheel originele ridderlike romanpoëzie die eenvoudig »prend son bien où

il le trouve".

Maar nog een vreemd element--en niet 't minst belangrijke--zou die

romanpoëzie beïnvloeden, vóór die haar volle romantiese geur en kleur

zou krijgen.

XIV.

MATIÈRE DE BRETAGNE.

De ridderromantiek ontvouwde zich voor 't eerst ten volle in het

Engels-Normandiese rijk dat immers in het midden van de 12de eeuw

Groot-Brittannië en het gehele West-Frankrijk omvatte en waar de taal

van de heersende klassen het Frans was. Hier vond men de grootste

welstand en het sterkste geestelik leven, hier kwamen het koningsschap

en de adel der leenheren pas tot hun grootste recht, hier was de

volksmenging en de kultuurmenging, waar de romantiek uit ontstond het

rijkst.

In het door de Noormannen veroverde rijk kwam het koningsschap in

Engeland met Willem de Veroveraar en zijn opvolgers tot een macht

zoals die sedert de tijd van Karel de Grote niet gezien was. Een rijk

waarin een kleine klasse van veroveraars een veel groter massa, de

oorspronkelike bevolking, er onder wil houden, moet noodzakelik streng

monarchies en militaristies georganiseerd worden. En de krachtige, niet

al te makke koningen die ze waren, wisten de organisatie dan ook flink

door te voeren. Zware belastingen vulden 's konings schatkist, grote

goederen en jachtrechten maakten de baronnen rijk en machtig, maar de

koning liet allen, ook de vazallen zijner vazallen, aan zichzelf de

eed van trouw zweren en oefende een niet geringe despotiese macht over

de adel uit doordat hij zich het recht van voogdij en om huweliken te

sluiten voorbehield; ook de gehele rechtspleging en het gehele bestuur

hielden de koningen alleen in hun hand; gelijk ook de geestelikheid hun

gehoorzaam gereedschap was. Voortdurend staken zij het Kanaal over en

onderdrukten Angelsaksen en Britten en de baronnen van Normandië; razend

van woede zodat hun aderen er van opzwollen, als iemand ook maar kikte

of tegenstand trachtte te bieden, ontembaar in hun wreedheid, zelfs

tegen hun naaste bloedverwanten, ontoombaar in hun lusten en begeerten,

als zij op de jacht het koren der boeren neertrapten, hun echtgenoten

wegzonden of er talrijke bijzitten op na hielden, maar ook, als goede

koningen voor hun soldaten, goud onder hun mannen uitstrooiende en er

genot in vindend royaal en vlot te leven en schitterende feesten te

geven. In het begin van de 12de eeuw hield Hendrik I een hof, waar de

meest elegante feesten en tournooien gegeven werden en waar men de dames

het hof maakte zoals in die tijd anders zo goed als niet voorkwam

behalve in Provence en Languedoc.

Na een periode van burgeroorlogen die de Noormannen, Britten en

Angelsaksen geheel tot één volk deden samensmelten, dat zich Engelsen

noemde, maar waarin Frans de taal van de hogere klassen was, kwam toen

ongeveer 1150 met Hendrik II, het huis van Anjou aan de regering, dat

der Plantagenets. Onder hem zagen de Normandiese koningen de hoogste

verwezenliking van hun eergierige plannen. Van moederszijde een

afstammeling van Willem de Veroveraar, had hij van zijn vader Anjou

geërfd, zowel als Touraine en Maine. Door zijn echtgenote, koningin

Alienor (Eleonora), een prinses van Poitou, die eerst met de koning van

Frankrijk getrouwd was geweest, kreeg Hendrik ook nog het graafschap

Poitou en het hertogdom Aquitanië, d. w. z. geheel Zuid-West-Frankrijk

in zijn bezit. Zijn machtig West-Europese rijk dat zich van de

Orkney-eilanden tot aan de Pyreneeën uitstrekte, overschaduwde geheel

en al de Franse koning te Parijs met zijn nog slechts beperkte macht.

En de verbindingen van het koningshuis strekten zich over geheel Europa

uit. De oudste zoon van Hendrik, die onderkoning over Engeland was,

trouwde met de dochter van de Franse koning, de tweede zoon, Richard

Leeuwenhart, huwde de dochter van de koning van Aragon, de oudste van

zijn eigen dochters trouwde met de machtige hertog Hendrik van Saksen

en werd de moeder van een aanstaand Duits keizer, een andere prinses

werd koningin van Castilië, een derde trouwde met de rijke koning van

Sicilië. Het was in Hendriks hand dat alle draden van de Europese

politiek samen schenen te komen.

Van uiterlik was de koning zelf een echte Noorman uit het geslacht van

de Veroveraar: vierkant, maar met een rond hoofd, met een vuurrood

gezicht vol sproeten, en rood haar. Maar even als zijn korte

schoudermantel--die hem de naam van »kortmantel" verschaft had--uit

Anjou kwam, zo duidden ook veel van zijn eigenaardigheden er op dat de

man zelf daar ook uit stamde: zijn soberheid, zijn levendigheid en zijn

drang naar ontwikkeling. Zijn werklust had iets koortsachtigs: altijd

zat hij in 't zadel, nooit was hij langer dan één week op één plaats

in zijn rijk, zijn gevolg was altijd veel eerder moe dan hij; zelfs als

hij 's avonds in zijn kwartier aangekomen was, liep hij nog heen en weer

te redeneren, zelfs onder de mis kon men hem nog edikten zien zitten

uitvaardigen. Ook zijn zucht naar kennis was zonder perken, Latijn sprak

hij even goed als Frans en hij verstond veel andere talen; als hij geen

zwaard op jacht in de hand had of met zijn raad vergaderde, zat hij in

een boek verdiept of te disputeren met zijn klerken.

Het rijk waarvan hij aan het hoofd stond, nam enorm in bloei toe. Nu

Engeland door de Noormannen veel van zijn geïsoleerdheid verloren had en

op 't punt stond zich tot »het Australië van Europa" te ontwikkelen, zou

het de Vlaamse en Italiaanse lakenindustrie van wol voorzien en maakte

het ontwakende handelsleven steden als York, Nottingham, Gloucester

en vooral Londen, van vlekken tot rijke burger-gemeenten. En welk een

enige vermenging van intelligente nationaliteiten vond er nu niet in

dat rijk plaats! De Noormannen die reeds door hun verfransing zulk

een merkwaardige ontfankelikheid en drang tot ontwikkeling aan den dag

gelegd hadden, en die zich bij alle gelegenheden door hun levendigheid

en hun moed de voorgangers van Europa toonden. De Kelten die reeds in de

6de-8e eeuw in Wales en Ierland een buitengewoon rijke en merkwaardige

kultuur gehad hadden en de Angelsaksen die in de 8e-10e eeuw hun zeker

niet minder belangrijk bloeitijdperk gekend hadden,--en wel alle twee in

een tijd dat de rest van Europa de zoetste slaap der onwetendheid sliep.

En eindelik Poitou, in West-Frankrijk, dat de beste scholen had van

die tijd en de meest originele literatuur en dat waarschijnlik de wieg

geweest is van de troubadour-poëzie die zo snel naar Zuid-Frankrijk

oversloeg om daar pas tot bloei te komen. In de streek van Poitou was

het, zoals men zich herinneren zal, dat juist nu, in de tijd van Hendrik

II, de roman van Aeneas, de Alexanderroman, de roman van Thebe en

de Trojeroman door Benoît de St. More geschreven werden. En in het

Engels-Normandiese rijk was het ook, zoals wij gezien hebben, dat de

belangstelling der baronnen in de historie het eerst rijmkronieken in

het leven riep, die de Latijnse geestelike annalen voor leken

toegankelik maakten.

Het was, zoals men zich herinneren zal, in de eerste plaats, de kroniek

van Geoffrey van Monmouth, een geestelike uit Wales over de »Historia

Regum Britanniae", welke de Normandiese vorsten en vorstinnen door

hun klerken in Franse verzen over lieten zetten. Patriot en vol

verdriet over de ondergang der Britten, maar toch veel voelend voor de

Normandiërs, welke immers een einde hadden gemaakt aan de macht van de

Angelsaksen en de Denen op het eiland, dichtte Geoffrey uit de volheid

van zijn rijke fantasie en zijn grote geleerdheid; voor het Britse volk

toverde hij uit de overleveringen van Wales een sage van hun stralend

verleden op, en--of dat nu een diplomatieke zet was of uit »eerlike

ambitie"--weefde hij het verleden van de Fransen en zijn eigene

landgenoten zo volkomen samen alsof de schrijver op het standpunt van

de Normandies-Engelse koningspolitiek stond. De Britten, beweerde hij,

stammen van de Romanen en Trojanen evengoed als de Fransen, waren een

even geciviliseerde natie als zij en vooral niet te verwarren met

Angelsaksen en Denen. In hun glanstijd, onder koning Arthur, had het

rijk der Britten èn Engeland èn 't grootste deel van Frankrijk omvat,

presies als nu het Normandies-Engelse rijk. En in die zelfde koning

Arthur, wiens schitterende hof hij blijkbaar in de beeltenis van het hof

van zijn tijdgenoot Hendrik de Eerste beschreef, schilderde Geoffrey

voor het nieuwe rijk de grote held van het nationale verleden, die

helemaal niet onder deed voor Karel de Grote, waar de »Franceis de

France" in hun »Chansons de geste" zo trots op waren.

De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen · 第 20 / 36 段