Voor de Middeleeuwen waren alle »Wijzen van het Oosten" Tovenaars en

Magiërs evenzo zeer als de Philosofen van de klassieken: Hippocrates

en Virgilius, zo wel als koning Salomo en al de wijzen der Oosterse

novellen. Die maakten vernuftige mekanismen, ze konden zien wat er op

andere plaatsen geschiedde, konden de gedachten van anderen lezen en te

weten komen wat anderen in 't schild voerden, misdaden opsporen, en zeer

talrijk waren de bewijzen van scherpzinnigheid waar de Midrasch en de

Talmud der Joden of de Arabiese sprookjesverzamelingen van verhaalden.

Maar slimmer dan zelfs de wijste man was toch dikwels de vrouw, waar het

er op aan kwam om de mannen te bedriegen. Een wijze als Hippocrates werd

door zijn vrouw vergiftigd; Virgilius de Tovenaar zou een listige vrouw

in 't geheim ontmoeten en toen hij zich in een mand naar haar vertrek

zou laten hijsen, liet zij hem midden in de lucht hangen tot spot voor

iedereen. Van de vrouw van Salomo vertellen Joodse sagen en Byzantijnse

romans, hoe de sluwe vrouw en de verstandige bultenaar Morolf, Salomo's

broeder en helper elkaar steeds weer in list trachten te overtreffen.

Van de gemalin van Caesar zowel als van die van Constantijn wordt

verteld hoe zij hem met haar twaalf camerieres bedroog die verklede

mannen waren, totdat een der wijzen haar schaamteloosheid aan 't licht

bracht. Een vrouw neemt een slaapdrank in en geeft zich zo voor dood

uit, ze wordt begraven en door haar geliefde weggevoerd. Een ander laat

een geheime gang graven tussen het huis van haar man en dat van diens

vriend, die tegelijk haar geliefde is. De vriend presenteert haar nu

in zijn eigen huis als zijn eigen vrouw; de bedrogene kan zijn eigen

ogen niet geloven, maar de vriend verklaart dat er alleen maar een

merkwaardige gelijkenis in 't spel is; als hij naar huis wil gaan zal

hij zijn eigen vrouw thuis vinden,--wat dan ook uit komt. Een derde

heeft het ongeluk dat een geleerde ekster de echtgenoot vertelt, wat zij

in zijn afwezigheid heeft uitgevoerd, maar de vrouw weet op alles raad

en slaagt er gemakkelik in door een zeker experiment hem te overtuigen

dat die eksters maar leugenbeesten zijn, zodat hij ze nu ook niet kan

vertrouwen.

Meestal kan men die Oosterse verhalen van vrouwenlist waar ze in de

Europeese novellen, b.v. de Franse fabliaux overgegaan zijn, daaraan

herkennen dat ze zo paradoxaal lijken, zo kunstig, en in de aangewende

middeltjes zo tegen alle gezond verstand in schijnen te druisen,

vergeleken met de nuchterder, natuurliker Europese geschiedenissen.

Het zelfde gemis aan respekt, beter: het zelfde genot in het

paradoxaal-onwaarschijnlike kenmerkt ook die talrijke Oosterse

geschiedenissen over het merkwaardige spel van het toeval of, als men

wil, over de wonderbare wegen en de almacht van het Noodlot. Van de

Duizend-en-één-Nacht kent een ieder genoeg dergelijke verhalen over de

vreemdste combinaties van het toeval. Alle toevalligheden hebben b.v.

zo zeer samengezworen naar 't schijnt om een volkomen reine vrouw in de

schijn van schuld te brengen, dat ook alleen maar een even merkwaardig

toeval haar onschuld aan den dag kan brengen. Of--en dit is een historie

die in veel versies in de Middeleeuwen bekend was--men heeft de keizer

voorspeld dat een arm kind dat juist geboren wordt, zijn schoonzoon en

erfgenaam zal worden en wat de keizer ook keer op keer probeert om de

voorspelling te doen falen, alles werkt daarentegen juist samen om die

wel te doen uitkomen.

Maar de Oosterse fantasie zoekt ook buiten de grenzen van het

natuurlike, op het gebied van het zieleleven haar weg naar overspanning

en paradoks. Vrienden die elkaar in zelfopoffering, vijanden die elkaar

in grootmoedigheid trachten te overtreffen, liefde die alle beproevingen

doorstaat, de zwartste ondank, de blankste edelmoedigheid. Een jongeling

woont bij een getrouwde vriend, diens vrouw begint te sukkelen en

vertelt eindelik aan haar man dat zij van liefde voor de jonge

huisgenoot vergaat. De man neemt nu zijn jonge vriend in 't vertrouwen,

en die... weet zich een melaatse ziekte op de hals te halen om zodoende

bij de vrouw zijns vriends de liefde te doen overgaan die de schone

verhouding tussen hen drieën in de war had gebracht. Romanties is die

liefde vooral en sentimenteel--veel meer zelfs dan in de Griekse romans.

Als in deze laatste zijn de geliefden in de regel zeer jong. Hij wordt

op iemand verliefd die hij nooit gezien heeft, op haar portret, op haar

beeld dat hij in zijn dromen gezien heeft, of hoogstens heeft hij een

glimp van haar achter het tralievenster gehad. Hij legt zich op zijn bed

en wordt zieker en zieker en bij zijn onmannelik gedrag moet nu een

vriend of de ene of andere koppelaarster voor hem handelen. Het feit

dat in 't Oosten de vrouw altijd bewaakt wordt en van allen afgesloten

leeft, geeft een hoogst romanties tintje aan de verhouding tussen de

geslachten en brengt noodzakelik gevaarlike avonturen, zowel als het

gebruik van tussenpersonen met zich meê, en wanneer b.v. de held als

een slavin verkleed de harem binnen is gesmokkeld, of in een mand met

bloemen naar boven is gehesen, dan wordt die gelegenheid ook terstond

aangegrepen, daar was die zeldzaam genoeg voor en duur genoeg gekocht,

om terstond op alle liefdegenot aanspraak te maken.--Maar meestal doolt

hij lang in de grootste ellende rond; de ongelukkige jonge man wordt

waanzinnig van verdriet; hij of zij worden als in de Griekse romans

als slaven verkocht of door rovers weggevoerd en pas na jarenlange

tegenspoeden, en na er veel tranen en zuchten bij te hebben gelaten,

komen zij tot hun welverdiende geluk.

* * * * *

Hier en daar vindt men nu motieven uit die Griekse en Oosterse

vertellingsliteratuur in de gehele Ridderromantiek,--in wat vooraf

gaat hebben wij ze al gevonden en wij zullen er in wat volgt geregeld

weer aantreffen. Maar als direkte afstammelingen daarvan doet zich

heel duidelik een reeks romans en vertellingen kennen,--door de

kinderachtig-zoetsappige liefde die daarin optreedt, of door een

spesiale soort van avonturen en spel van het noodlot, of wel door de

buitengewoon extravagante geschiedenissen van toverij en vrouwenlist.

Een van de hoofdmotieven in de Griekse romans was, zoals wij zagen,

dat twee gelieven, of man en vrouw door een toeval, op reis van elkaar

gescheiden raken, of door rovers overvallen worden, en terwijl zij

elkaar trouw de gehele wereld over blijven zoeken, hebben zij al de

wisselvalligheden der fortuin en al de wereldse ellende te verduren.

In de Franse romans (van de 12de of begin 13de eeuw) zo als Floris en

Blanchefleur, Aucassin en Nicolette, Escoufle, Guillaume van Palermo,

worden histories van dat genre als in de ridderliteratuur behandeld.

De ridderromans beginnen met de opvoeding van de held of heldin

van kindsbeen af aan een vorstelik hof te schilderen. Of wel is het

de zoon van een edelman, Guillaume, die aan het hof van de keizer

van Italië opgroeit met 's keizers dochter Alis, of de dochter van

een kristen-ridder, Blanchefleur, is gevangen bij het hof van een

Spaans-Moors koning en groeit daar op met prins Floris. Zoet wordt

de schoonheid en de liefelikheid der kinderen geschilderd,--evenals

in de sentimentele legenden van het Kindeke Jezus uit die tijd, of

op de groepen van de »Madonna met het kind" waar de Franse kunst de

kerkportalen mee begon te versieren. De jongen, drie jaar oud, lijkt met

zijn blonde haar een engel, allen zijn dol op hem en hij zit voortdurend

op de rug van de schildknapen en ridders. Wanneer zijn moeder hem naar

't hof zal zenden, neemt zij hem de laatste nacht nog bij zich in bed

en als de jongen weg rijdt, legt zij een zacht kussen op zijn zadel.

Aan het hof komt de jonge keizersdochter hem met haar speelkameraadjes

te gemoet, hij groet zoals hij dat van zijn moeder geleerd heeft

en de eerste ontmoeting der kinderen is vol gratieuse verlegenheid.

Aldoor zijn Guillaume en Alis of Floris en Blanchefleur samen; hij

is vol attenties en beleefd, heeft nooit lelike woorden of vloeken

in zijn mond, en zij zingt en naait en heeft er plezier in steeds

maar gordels en beurzen weg te geven die zij geborduurd heeft. Samen

spelen zij in een tuin, terwijl »de vogeltjes van de liefde zingen".

Als de een lezen moet leren, moet de ander meê doen en dan leren ze

dat uit de »heidense liefdeboeken" en schrijven met zilveren en gouden

stiften over vogelengezang en bloemen en liefde op ivoren tafelen (ook

in de »Duizend-en-één-Nacht" schrijven een jongen en een meisje elkaar

verzen vol liefdebetuigingen, zodra de onderwijzer hun de rug toekeert).

Zij noemt hem »vriend" of »broeder", maar men kon aan de kleur op haar

gezicht en de ogen zien welke naam haar 't zoetst klonk; wanneer zij

»vriend" zegt, zucht zij en worden haar ogen eens zo klein van schattige

schuchterheid.

En zo groeien zij op. Hij doet dienst als page, munt uit bij de

ridderspelen, in 't schaken en bij 't bakspel, in hoofsheid en

mildheid. Zij wordt maagd,--de kleine vaste ronde borstappeltjes zijn

als »Waalse noten", haar tengere middeltje kan men met de twee handen

omspannen; haar lichaam is zo blank dat wanneer zij met blote benen op

de weide door de morgendauw loopt, de madeliefjes, met haar vergeleken,

grijs schijnen. Hun gevoelens worden ook inniger. Wanneer hij eens een

ogenblikje van haar af is, worden haar ogen helemaal »rond" en kijkt

haar hart door 't raam van het oog om hem na te staren; en als zij eens

op een dag in de tuin wandelend, de jonge man ziet liggen slapen, kan

zij niet nalaten hem te kussen, maar nu heeft hij juist van haar liggen

dromen en droomt op het zelfde ogenblik dat zij hem een roos geeft en nu

wordt hij wakker en begroet haar beleefd. En het duurt niet lang of zij

kussen en liefkozen elkaar en menige nacht brengt Alis slapeloos door

als zij bedenkt hoe dikwels haar vriend haar borstjes en haar lijf onder

haar kleren heeft gestreeld en haar »schone lenden" heeft geliefkoosd.

Het verschil in stand heeft weinig voor de gelieven te zeggen, en in elk

geval brengt de liefde ze daar licht over heen, of zij nu 's keizers

dochter is of hij vorstenzoon en zij van mindere stand. Maar de lelike

ouders kunnen die mésaillance niet toelaten. Daarom vluchten b.v.

Guillaume en Alis (in »Escoufle") eens op een nacht, aan haar

beddelakens laat zij zich uit het raam van haar kamer neerglijden en op

muilezels rijden zij de weg op. En de muilezels bleven aldoor vlak tegen

elkaar aanlopen; de twee gelieven hadden pret en liefkoosden elkaar, dan

eens nam hij haar hand, dan aaide hij haar over de wangen; »wat heb ik

die maan toch lief," zegt hij, »die beschijnt uw schone aangezicht."--En

de dichter barst uit: »Wel hebben die twee, vader en moeder, goud en

goed op 't spel gezet om de roepstem huns harten gehoor te geven!"

Vergeefs worden de vluchtelingen nagezeten, vrolik en wel rijden ze de

wereld rond, in de herbergen krijgen ze volop eten en drinken op reis

mee, buiten in de heerlike vrije natuur spreiden zij hun tafellaken...

Maar, ééns op een dag, wanneer zij zich bij een bron waarbij ze gegeten

hebben, te slapen heeft gelegd, en hij bezig is haar aangezicht tegen

de zon te beschutten, dan schiet plotseling een wouw uit de lucht op

zijn beurs af waarin een ring is die zijn geliefde hem juist geschonken

heeft,--een trek die ook in de »Duizend-en-één-Nacht" te vinden

is--Guillaume springt dadelik te paard hem achterna, Alis wordt wakker

en is nu eenzaam door haar trouweloze schaker achtergelaten,--wanhopend

gaat zij nu ook op weg,--natuurlik juist de verkeerde kant op. En zo

krijgen wij weer de gewone situatie: twee gelieven die op goed geluk

elkaar in de wijde wereld gaan zoeken.

Wanneer de koning der Moren in »Floris en Blanchefleur" merkt dat het

tussen zijn zoon en het jonge kristen-meisje wat al te warm wordt, zendt

hij de prins weg in een verre stad naar school, het meisje wordt aan

vreemde kooplieden verkocht en de koning en koningin laten een prachtig

grafmonument oprichten, dat Floris wanneer hij thuis komt, als het graf

van die arme overleden Blanchefleur wordt getoond. Dit motief komt ook

in de »Duizend-en-één-Nacht" voor. Zijn ouders die denken dat het gevaar

nu geweken is, laten het graf versieren met schone herinneringen aan de

jeugdige liefde van die twee kinderen: twee beelden die hem en haar

voorstellen en die door de wind bewogen, elkaar goudbloemen geven,

terwijl zij de woorden spreken: »Kus mij, mijne schone!" Maar Floris

laat zich niet troosten,--»de liefde heeft een kruid in zijn hart

geplant, dat steeds in bloei stond en dat zo zoet rook, dat hij daar

alles door vergat", hij beklaagt zich overal en gelijk de held in de

Griekse romans, besluit hij zich van kant te maken en wel met een

zilveren schrijfstift, die zijn geliefde hem geschonken heeft; dan

zal hij zo naar het »camp flori" komen en met zijn vriendin bloemen

plukken,--dat zijn waarschijnlijk de affodil-bedden in de klassieke

onderwereld. Nu moeten zijn ouders de waarheid wel bekennen en zij

laten 't hem aan niets ontbreken als hij nu de wereld in trekt om

zijn Blanchefleur te zoeken. Als een koopman verkleed, gaat hij op

weg,--gelijk de prins in »Duizend-en-één-Nacht" die zijn geschaakte

geliefde achterna trekt. (Latere versies vinden blijkbaar die verkleding

als koopman niet deftig genoeg en laten de prins op reis gaan als een

vorstenzoon met een gevolg van ridders).

Blanchefleur is verkocht geworden aan de »admiraal" van Babylon die

haar in zijn »vrouwentoren" opsluit,--blijkbaar een soort Oosterse

harem--waar er 140 kamers zijn met jonge meisjes die bediend en bewaakt

worden door eunuchen. Elk op de beurt moest naar de »lever" van de

admiraal en als het bewijs van hun kuisheid geleverd is, worden ze voor

één jaar de favorite,--hierop worden ze onthoofd, want de despoot wil

niet dat iemand anders een vrouw zal bezitten die eens de zijne geweest

is. Dit is alles volkomen Oosters. Na lang vergeefs zoeken zit Floris in

een herberg en terwijl allen om hem heen vrolik praten en eten, denkt

hij alleen maar aan zijn »Wittebloem" en zucht en weet niet wat hij eet.

De waardin merkt dit en stoot haar man in de zij,--»bij God, dat is

geen koopman, dat is een jonge edelman." Dan begint zij een vriendelik

gesprek met hem en vertelt hem in de loop daarvan dat er voor enige

tijd hier een meisje was komen logeren die erg op hem leek en die

Blanchefleur heette en aldoor zat te zuchten over een zekere Floris. De

jonge »koopman" raakt helemaal in de war hierdoor, gooit de wijnkan op

de tafel om, maar geeft de waardin een gouden beker tot beloning voor

haar mededeling en trakteert het gehele gezelschap op wijn. Dan haast

hij zich weg in de richting waar de waardin van vertelde, komt weer bij

een vriendelike waard en waardin,--zijn eigenaardige jeugdige schoonheid

wekt aller medelijden en welwillendheid,--en ten slotte komt hij

werkelik te Babylon, waar zij in de »vrouwentoren" van de admiraal zit.

Hij maakt kennis met de portier van de toren, speelt schaak met hem, en

geeft hem ook een gouden beker ten geschenke, waarop de man hem in een

bloemenmand naar boven hijst. Vrolik en wel springt hij de mand uit,

maar ongelukkig is hij bij vergissing niet in de kamer van Blanchefleur

terecht gekomen maar in die van een harer vriendinnetjes. Van schrik

schreeuwt zij eerst luid, maar weet toch de andere meisjes die ijlings

aan komen zetten weg te krijgen,--'t was maar een kapelletje dat uit

de bloemen op was gevlogen. En dan roept ze Blanchefleur,--zij heeft

n.l. dadelik begrepen dat het haar vriend is die gekomen is. Sprakeloos

vallen ze in elkaars armen en de volgende dagen brengen die twee

gelieven in één liefderoes in Blanchefleur's vertrek door. Maar zo komt

het dat zij meer dan eens haar plicht vergeet om op de »lever" van de

admiraal te verschijnen; zij worden samen in bed ontdekt,--allerliefst

is het dat de admiraal eerst meent dat het een meisje is, dat daar bij

Blanchefleur ligt, maar als zij de borst van de bedgenoot zien, weten

ze dat het een jongen is. Nu moeten ze beiden verbrand worden,--Floris

heeft een toverring bij zich, die hij Blanchefleur aan de vinger wil

steken, zodat zij altans gered kan worden; maar geen van beiden wil

alléén gered worden en dus werpen ze de ring weg en worden naar de

brandstapel geleid. Maar--de admiraal krijgt de hele historie te horen,

hoe zij elkaar in leven en dood trouw zijn gebleven en dan wordt hij,

gelijk zo dikwels met de tyran in de Griekse romans het geval is, zo

zeer door medelijden bevangen dat hij ze beiden vrij laat en--Floris

zelfs tot ridder slaat! Nu trekken Floris en Blanchefleur vol geluk

naar Spanje, waar Floris de troon bestijgt en ter ere van zijn

kristelike vrouw zelf haar geloof aanneemt.

Het gehele gedicht is in een zachte, schone sprookjestoon geschreven;

de bloemennamen van de held en heldin schijnen direkt van dergelijke

personennamen in Griekse romans vertaald, misschien is het helemaal

oorspronkelik niets anders dan een bloemensprookje geweest. Het schijnt

in twee verschillende versies naar West-Europa gekomen te zijn, en daar

zijn dan twee groepen van die roman uit ontstaan, waarvan de éne in veel

ruwer lijnen opgetrokken is, niet alleen wat de boosheid van Floris'

vader betreft, maar ook de ongelukken van Blanchefleur: in 't algemeen

schijnt deze groep voor de smaak van een groter, meer populair publiek

bestemd.

Een heel bizondere bewerking heeft de sage ondergaan in de kleine

»chante-fable" van »Aucassin en Nicolette". In dit liefelike gedicht

zijn de verzen met uitzondering van de meest lyriese passages in proza

overgebracht, iets wat verder in 't Oud-Frans niet voor schijnt te

komen,--hoewel dat natuurlik bij de voordracht der berijmde romans door

de trouvères feitelik meer dan eens plaats gegrepen zal hebben,--en door

zoo van de banden van 't vers vrijgemaakt te zijn, is de vertelling

tot een kompleet sprookje geworden, alle waarschijnlikheid over boord

gooiende en op de alleraardigste manier een romantiese droom mengelend

met de nuchtere werkelikheid des levens, een dwepen zo erg, dat de boog

wel eens al te zeer gespannen blijkt en barst--met de meest naïeve

natuurlikheid, de zoetste zwaarmoedigheid met schelmse en ondeugende

vrolikheid. Hier is het 't meisje die tot de Moorse stam behoort, maar

zij is gekerstend geworden en opgevoed te Beaucaire, waar de zoon van de

graaf haar lief krijgt. De graaf laat het meisje in een toren opsluiten

om haar later geheel te doen verdwijnen, en zijn zoon die zich van

zijn passie niet wil laten genezen, werpt hij in de gevangenis; maar

Nicolette weet door middel van haar beddelakens uit haar toren te

ontvluchten, sluipt naar de gevangenis van Aucassin toe, waar zij

door een spleet in de muur haar vriend te spreken krijgt, totdat de

torenwachter die hen vol sympathie heeft gadegeslagen, haar waarschuwt

dat de nachtwachter uit de stad op zijn ronde nadert. Nicolette moet

over de muur en de gracht naar 't bos vluchten en zendt een groet aan

Aucassin, die als hij ook uit de gevangenis ontsnapt is, daar ook heen

snelt, en nu leven ze een romantiese natuuridylle in 't bos. Maar dan

gaan ze op reis,--in de beschrijving van de vreemde landen met de

merkwaardige zeden, waar ze door trokken, klinkt als een echo en bijna

als een parodie van de exotiese reisverhalen der Griekse romans--zij

raken in slavernij, worden onder een storm van elkaar gescheiden, en

Aucassin komt in zijn eigen rijk terug; maar zijn leven is een en al

zwaarmoedigheid, totdat eens op een dag zijn Nicolette, verkleed als een

arme speelman (gelijk de helden in een Griekse roman) naar Beaucaire

komt en zich weer bekend maakt...

Dit kinderlike en populaire volkssprookje zal eigelik wel niet voor de

hogere kringen van de ridderromantiek bestemd zijn geweest; maar de

fijne tederheid, de heidense sensualiteit, de schone mensenliefde, welke

die gehele klasse van de Grieks-getinte romans kenmerken, die wij hier

onderzoeken, laat zich nergens liefeliker kennen dan in »Aucassin en

Nicolette"--waarbij dan nog een bijna ziekelike innigheid komt, een

overspannen dweperij, die echt Middeleeuws-romanties is.

Heel wat beter aan Europese toestanden aangepast is het verdere verloop

der handeling in »l'Escoufle", daar wij afscheid van namen toen de wouw

in 't bos Guillaume en Alis had gescheiden. Bij haar rondzwerven komt de

dochter van de keizer te Montpellier, waar zij met een arme vriendin een

tijd woont en de kost verdient met haar prachtig handwerk. Zij borduurt

b.v. zijden beurzen die de edellieden uit de omtrek aan hun dames ten

geschenke geven; zij geneert zich ook niet het haar van de Heren te gaan

wassen, al heel gauw is zij overal bekend wegens haar vriendelikheid en

haar schoonheid, zo zeer dat het huis van de twee dames een hele salon

wordt, waar de gehele adel uit de buurt de artistieke schone het hof

komen maken, zodat de adelike dames erg jaloers worden. Eindelik komt

zij als een soort dame van gezelschap of een hoger genre van dienstmaagd

in huis bij een grafelike familie. Hier krijgen wij de beschrijving van

een gezellige, naïeve scène,--de heer des huizes is 's avonds van de

jacht thuis gekomen en maakt het zich gezellig bij de haard, waar men

appelen braadt,--om beter te kunnen »gratter" heeft hij alleen maar zijn

broek aangehouden en zijn hoofd rust in Alis' schoot;--de familie zit

om hem heen en ze praten over koetjes en kalfjes. Een vertelt van die

vreemde rare man die daar nu in de stad in 't hotel woont en die vandaag

op de jacht meegeholpen heeft; er was ergens een wouw gevangen en zodra

de jonge man die gezien had, had hij diens hart uit zijn borst gerukt

en dat opgegeten. De graaf wordt nieuwsgierig en laat de man bij zich

roepen, die dan vertelt waarom hij de wouwen zo haat... En terwijl hij

daar zijn historie staat te vertellen, herkent Alis hem op eens...

de rest kan men gissen!--Het is de levendigste beschrijving van het

dagelikse ridderlike leven der 12de eeuw, die men zich wensen kan, en

toch: niet alleen daarin dat Alis zeer sterk aan de odalisken doet

denken, maar ook in de episode van de man die zijn zonderlinge manier

van optreden moet komen verklaren, kan men moeilik iets anders dan een

Oosterse bron van de scène zien.

* * * * *

De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen · 第 19 / 36 段