toch niet anders was dan de bijzit van Prins Troilus. Daarentegen heeft
de dichter in Polyxena, een van de dochters van Priamus, de echte
tegenhanger geschilderd van de trotse prinses uit de Roman van Thebe,
Antigone, en in het gevoel van Achilles voor haar heeft hij een liefde
getekend meer ridderlik van aard dan die van Diomedes, zowel als van
Aeneas. Onder een wapenstilstand is Achilles over gekomen om een
plechtigheid bij te wonen die bij de Trojanen plaats heeft ter ere van
Hektor die gedood is; daarbij krijgt hij Polyxena te zien en staat de
gehele tijd als aan de plek genageld van verrukking. Als zij weg is,
rijdt hij diep in gedachten naar huis. In een lange monoloog klaagt
hij dan over zijn hopeloze liefde: er is niemand die de Trojanen zo
zeer haten als hem die Hektor de dood had gegeven. Nu zendt hij een
paar vertrouwde mannen naar koningin Hekuba en belooft alle mogelike
boetedoening voor de dood van Hektor, als hij Polyxena maar de zijne
mag worden. De jonge maagd was daar zelf bij tegenwoordig, maar als
welopgevoed meisje, hoort zij dat aan zonder een woord mede te spreken.
Priamus heeft wel bezwaren, van geboorte en rang vindt hij n.l. Achilles
heel wat minder dan een Trojaanse koningsdochter, maar hij geeft toch
zijn toestemming, indien Achilles bij de Grieken het beleg op kan doen
heffen en zij aftrekken. In die tussentijd geeft Achilles thuis lucht
aan zijn gevoelens in klachten over de macht van Amor en op de wijze
der troubadours noemt hij zijn aangebedene »verheerlikte geest", »glans
der schoonheid" en dergelijke. Nu tracht hij de Grieken te bewegen
naar huis te trekken en wanneer hem dat niet gelukt, blijft hij mokkend
in zijn tent thuis. Maar ten slotte, wanneer de Grieken al te erg
in 't nauw gebracht worden, kan hij toch niet meer achterblijven en
werpt zich--hevige verwijten van »Amor" die zich openbaart, en zijn
zelfverwijt wegens zijn verraad jegens de schone--toch weer in de
strijd. Van haar kant voelt Polyxena zich in stilte ook zeer ongelukkig;
van dat huwelik had zij nu al zo lang horen spreken, dat zij nu juist
haar zinnen daarop was gaan zetten. Maar nu beraamt Hekuba verraad. Zij
laat Achilles weten dat hij Polyxena toch kan krijgen en vraagt hem 's
nachts bij een tempel buiten de stad te komen. En even als Amor Leander,
de geliefde van Hero van zijn verstand beroofde, zo nu ook Achilles.
Romanties wordt de eenzame tocht in de maneschijn van hem en zijn
volgelingen beschreven, naar de verlaten, eenzame plaats waar de
koningin een hinderlaag heeft aangebracht en waar de held nu zijn dood
vindt. Onder groot weeklagen wordt zijn lijk begraven en de Grieken
richten een gedenkteken voor hem op, waarop zij Polyxena afbeelden, over
hem wenende. Aandoenlik is het ook te lezen hoe later, na de inneming
van Troje, de Grieken wreedaardig de maagd op het graf van Achilles
offeren. »Laat de dood mij maar nemen," zegt de trotse koningsdochter,
»ik verweer er mij niet tegen, hier schenk ik die een jonkvrouw zo
schoon als ooit een koningszoon verwierf."
Polyxena en Antigone, Dido en Medea, Ismene en Lavinia, en ten slotte
Briseis, het is een hele vrouwengalerij--hooggeboren trots, woest
hartstochtelik, zacht onschuldig, koket wisselvallig--welke die romans
hun tijdgenoten voor zetten.
XIII.
GRIEKS-OOSTERSE VERTELKUNST.
Zoals wij gezien hebben waren de klassieken al halverwege voor de
trouvère der Middeleeuwen geromantiseerd door de Grieks-Oosterse
vertelkunst, waardoor alleen hij in de regel de klassieken te zien
kreeg,--bijv. door de Egyptiese historie van Alexander of door de romans
over Troje uit de periode van het verval der oudheid. De overdreven
beschrijvingen, de avontuurlike fantasie, de dialektiese zielsanalyse
en het galant-sentimentele erotiese element,--dat waren alles duidelike
sporen van dat verval der klassieken en hun Asiatisering. Daaruit was
in de Oost-Romeinse wereld een vertelkunst ontstaan, van wier stam de
Griekse en Byzantijnse roman en de romantiese Oosterse verhalen, b.v.
de 1001 nacht, slechts verschillende vertakkingen zijn, door een en het
zelfde sap gevoed. En reeds lang hadden de klerken, gelijk wij gezien
hebben, zich Latijnse vertalingen van Griekse romans als »Apollonius
van Tyrus" weten te verschaffen, zoals die van de vriendschapsproef of
van de goede raad op reis. Nu, ten tijde van de kruistochten, wordt de
romanhonger der leken door de Grieks-Oosterse vertellingsliteratuur
gestild zowel door Latijnse vertalingen er van, als door mondelinge
verhalen. En door haar kunstvorm en haar geest zowel als door haar
onderwerpen, zou die al heel spoedig nog vruchtbaarder voor de
ridderromans blijken te zijn dan de klassieken dit geweest waren. Veel
uit onze moderne roman, de opbouw en de liefde-intriges stammen direkt
uit de Aetiopiese verhalen van Heliodorus of de novellenkunst van
Bagdad.
Een laat, zeer ingewikkeld literatuur-genre was de Griekse roman, zoals
die jaren na Kristus bloeide--»Verhalen uit Babylon",--»Verhalen uit
Ephese",--»Aetiopiese Verhalen",--»Leukippe en Chlitophoon",--»Chaereas
en Kallirhoe",--de pastorale roman »Daphnis en Chloë", en hoe die
ook alle heten. Aan de ene kant een nakomeling van een overrijpe en
verouderende kultuur--zonder kracht en frisheid, zonder natuurlikheid
en oorspronkelikheid, vroeg rijp vroeg wijs, gekunsteld, verzwakt, maar
niet zonder fijnheid in denken en gevoel, en geboren met beschaving en
kunst. Maar tegelijkertijd een kind, die roman, van die zekere tijd
van barbaarse en chaotiese vernieuwing en kultuurmenging, waarin het
kristendom zijn laatste wereldvernieuwende vorm zou krijgen, en zo,
doordrongen van kinderlike lust naar avonturen en een ruwe barbaarsheid,
maar ook met de dageraad van een nieuwe levensopvatting in zich en een
geheel nieuw stel gevoelstonen.
Die romans beschrijven altijd het partikuliere leven; het vaderland,
politiek en alle maatschappelike kwesties liggen buiten hun horizont.
Met geschiedenis en godsdienst staan ze in geen verband, hebben geen de
minste pretensie een beschrijving van werkelike gebeurtenissen te geven,
en de goden behandelen ze ook vrij wel niet anders dan als een poëtiese
fictie. Wat zulk een roman wil, is de fantasie met een ingewikkelde
en spannende handeling en merkwaardige avonturen gaande te houden,
medelijden op te wekken voor een hartroerende geschiedenis, soms ook
daardoor een wijze levensfilosofie aan de man te brengen en de moraal
te helpen opbouwen.
Dikwels begint de roman met een scène tussen twee jongelui die op elkaar
verliefd worden. Zij treffen elkaar bijv. bij een feest in de tempel,
waar men voor een optocht of dans of voor spelen bijeen gekomen is.
Beiden zijn zeer jong, maagdelik, naïef onschuldig,--geen van beiden
hebben van de liefde iets willen weten; zij is een der maagden van die
tempel, hij jager. Er zit hier een weinig verering der overkultuur in
van het naïef-ongekunstelde, en een geraffineerd plezier om de onschuld
in de mysteries der liefde in te wijden, maar er is ook een zeker
verlangen in die tijd naar een verjongingskuur der reinheid. Beiden,
hij en zij, schitteren boven alle andere jongelingen en maagden uit,
hun namen zijn »Bloem" en »Gratie", »Anthia", »Chariklea", hij is
van voorname familie, zijn klederdracht en zijn wapenrusting worden
geschilderd bijna als die van een Middeleeuws ridder, als zulk een
ridder blinkt hij uit bij het rijden en de spelen, en ontvangt de
lauwerkrans uit de hand van de schoonste maagd. Zij heeft een krans om
haar gouden haar en draagt een met goud gestikt purperen gewaad. Amor
straft ze nu wegens hun miskenning van zijn macht en steekt bij de
eerste blik hun beider harten in lichte laaie. Mysties-platonies heet
het bij deze gelegenheid hoe de hele natuur van liefde doordrongen was:
de aantrekkingskracht van de magneet is een soort liefde, de rivieren
worden er ook door liefde toe gebracht zich in elkaar uit te storten,
en wanneer de mannelike palm alleen staat, ver weg van een vrouwelike,
droogt die door liefde-verlangen uit! Door het oog vloeit het beeld der
schoonheid in de ziel, zodat ziel met ziel verenigd wordt, zelfs als de
lichamen gescheiden zijn. De jongelieden voelen die verliefdheid eerst
als een soort ziekte; geheel in gepeins verzonken zitten zij bij het
feestmaal aan, blozen, verbleken, gaan zelfs ziek naar bed. Heel naïef
hebben zij er gewoonlik geen idee van wat hun scheelt, totdat een meer
ervaren oudere vriend ze inlicht. Of wel dolen ze in de vrije natuur
rond, klagen tot de maan, snijden de naam van de geliefde in de
boomschors en trachten de toekomst uit de bloemen te lezen. Zij leven
van elkaars blikken of handdrukken; hij drinkt van de zelfde kant van
de beker waar zij haar lippen gezet heeft, of kust de fluit waarop zij
geblazen heeft. Er loopt ook veel eroties geflikflooi onder door. Hij
mag een krekel aanpakken die op haar borst gevallen is, en als hij haar
eens op een dag een toverformule hoort murmelen over de arm van haar
dienstmaagd die door een bij gestoken is, dan beweert hij in zijn lippen
gestoken te zijn, opdat zij dan met haar lippen dicht bij de zijne komen
zal.
Het jonge meisje is wel eerst wat bleu, maar heeft toch niet al te
veel aanmoediging nodig, zij is het ook dikwels die er wat op weet te
vinden, hetzij dat zij haar cameriere er toe weet te krijgen haar te
helpen of dat zij degeen die haar bewaakt een slaapmiddel toedient. Met
Grieks-zinnelike verfijndheid wordt het genot geschilderd dat de kus
geeft,--lang daarna kan de jongeling de kus nog op zijn lippen voelen.
Maar dat genot is meer dan eens met filosofiese sentimentaliteit
gepaard. De kus is het eerste zoete dat de geliefde te genieten
krijgt, want het wordt door het schoonste deel van het lichaam
voortgebracht,--de mond is immers het orgaan van de stem, en de stem
is de afschaduwing van de ziel; door de aanraking der lippen vliet het
genot in de ziel, zo goed als de ziel tot het zoete genot van de kus op
wordt getrokken. »Nooit heb ik zulk een zielegenot gesmaakt, en toen
pas wist ik dat er geen genot was dat met de liefdekus vergeleken kan
worden." En de jongelieden generen zich ook niet alle andere
liefdevruchten te plukken.
Of wel vluchten zij met elkaar en trouwen. Of wel voelen de ouders dat
»het beter is, teneinde de onterende naam van de zinnelike begeerte te
ontgaan, daarboven de wettelike banden van een eerbare vereniging te
verkiezen en de ziekte der hartstocht in een huwelik om te zetten."
Maar dan komen, na de idylle, de avonturen, de verwikkelingen en de
beproevingen. Nu trekken zij op weg,--hetzij ze op de vlucht gaan, of
dat een van beiden zijn ouders wil gaan bezoeken, of dat hij of zij
bij vreemden opgevoed is, of zelfs, als dat alles niet kan, is er
een orakelspreuk volgens welke zij na de bruiloft een reis moeten
ondernemen. En op die reis raken ze dan van elkaar af, hetzij door
schipbreuk of door een overval van zeerovers. Ook kan het motief zijn
dat de jonge vrouw door boze tongen belasterd is en de man haar als
ontrouw weg zendt; dan dwaalt zij de wereld om, maar hij komt daarna
haar onschuld te weten en gaat ook ronddolen om haar te zoeken. En
altijd dwalen ze alle beiden, elk op zijn eigen houtje, in de wereld
rond, krijgen beiden de wisselvalligheden van het lot te verduren en
zoeken elkaar overal. En op dit weefsel wordt nu verder doorgeborduurd.
Reisverhalen en berichten over vreemde landen en zeeën waren altijd
bij het Griekse volk van zeevaarders en handelaren geliefd en in trek
geweest. Bij Homerus zowel als bij Herodotus en de Latijnse bewerkingen
van Virgilius, vindt men een bezinksel van al de verhalen van matrozen
en handelsreizigers, waar het de Grieken nooit verveelde naar te
luisteren. Maar nu is de Hellenistiese tijd van de wereld zo veel groter
en zo veel bonter geworden dan ooit tevoren, en ook het verlangen om
de wereld te leren kennen, zoveel sterker en zoveel gemakkeliker te
voldoen. En uit Indië kwam er weer aanvoer van nieuwe zeemansverhalen
over tochten naar Ceylon en andere merkwaardige landen,--dezelfde
verhalen waaruit de Arabieren later de geschiedenis van Sindbad samen
zouden stellen; uit Aegypte en Perzië, uit Scythië en het »uiterste
Thule" kwam al meer en meer kennis en stof. Natuurkundigen en geografen
kompileerden grote verzamelingen van »Paradoxa", allerlei merkwaardige
gebeurtenissen, verhalen van dieren, planten, stenen, natuurfenomenen
uit alle landen der wereld en de filosofen droomden temidden van hun
Griekse overkultuur van een paradijs onder de gelukkige natuurvolkeren,
en voor hun ogen stond het land der Hyperboraeën in 't Noorden, Atlantis
in het Westen, of Indië ver in het Oosten als het ideaal van wijsheid en
geluk. En van dit alles vindt men ook veel in de Griekse romans terug.
Op hun reizen zien de geliefden vreemde klederdrachten en gewoonten,
merkwaardige dieren en mensen; de lezer krijgt een beschrijving van
de overstroming van de Nijl en van Aegyptiese toverformules, van
kunstwerken te Delfi, Perziese hoven, Skytiese tempelfeesten, en veel
van de magie en de toverij, waar de tijden zo vol van waren, vindt men
in de romans weer. In de scholen der Sofisten en de rhetoren had zich
een bloeiende beschrijvingskunst ontwikkeld die zich aan allerlei
zeldzame en moeilike onderwerpen oefende, en het zijn de »opstellen" der
leerlingen van die rhetorenscholen, die wij als delen van die romans
aantreffen.
In die scholen was ook die fantasie en smaak geboren, welke de romanheld
zich in allerlei extraordinaire avonturen en zielstoestanden doet
storten. Bijvoorbeeld een rhetories beschreven zeestorm, een schipbreuk
of een merkwaardige redding, dramatiese overvallen van piraten met
daarop volgende gevangenschap en slavernij; plotselinge ontmoetingen,
een even plotseling van elkaar afraken, verkledingen en vergissingen
en herkenningsscènes. Zoals reeds in de nieuwere Attiese blijspelen
wordt de knoop door allerlei romantiese motieven gelegd: kinderen die
uitbesteed zijn geweest of geroofd waren geworden en ten slotte aan
een moedervlek herkend worden of aan de doek waarin ze gewikkeld waren;
mensen die erg op elkaar lijken en verwisseld worden, slavinnen die vrij
geborenen blijken te zijn; mensen die als dood beweend worden en dan op
eens nog tot de levenden blijken te behoren. En als een weifelen tussen
dergelijke motieven wordt de handeling opgebouwd; het ene brengt die
vooruit, het andere houdt die tegen. De twee geliefden lopen elkaar als
gekken elk in een ander werelddeel te zoeken en schrijven elkaars naam
op alle Hermeszuilen aan de weg voor het geval dat de ander daar ook
voorbij mocht komen; of zij zijn vlak bij elkaar zonder er iets van
te vermoeden, b.v. in hetzelfde huis door éen enkele muur gescheiden,
spreken met elkaar zonder dat ze weten wie ze voor zich hebben, of wel
de jongeling vindt een vrouwenlijk en meent dat het zijn geliefde is,
hij begraaft het en is diep wanhopend, ofschoon zij het helemaal niet
is; allerlei boze mensen trachten ze in het ongeluk te storten. Maar
tegenover dit alles hebben de geliefden hun trouw te stellen, hun geduld
en hun volharden. Maar zij _maken_ hun eigen lot niet als helden die de
kracht om te handelen bezitten, zij _ondergaan_ hun lot. Beiden zuchten
en wenen, klagen en verlangen in huilerige sentimentaliteit. De held
zowel als de heldin vinden hun troost daarin dat ze overal waar zij
komen gevoelvolle harten in hun lijden inwijden en in hun gevangenschap
ontmoeten ze lotgenoten met wie zij hun tranen mengen, terwijl elk met
zijn geschiedenis voor de dag komt en de anderen met de verhalen van
zijn eigen ongeluk tracht te overbluffen. Met verfijnd materialisme
krijgt men te horen »welk een smachtende schoonheid tranen aan een maagd
schenken: het wit en het zwart in het oog vloeit te samen, terwijl het
oog als een bron zwelt; het wit glinstert als een narcis, het zwarte
gloeit als een viooltje, en de tranen die in het oog samengedrongen
worden schijnen te glimlachen." Is de maagd schoon en wordt zij door hem
die haar ziet wenen, bemind, dan »kunnen zijn ogen niet laten de hare te
volgen, want de schoonheid die in de ogen der geliefde troont, vloeit
daaruit in die van de toeschouwer over en trekt de tranenvloed tot zich;
de schoonheid glijdt in de ziel van de toeschouwer over, maar de tranen
behoudt hij in zijn oog, die wil hij niet afwissen, zijn geliefde moet
die kunnen zien." Zelfs in de bruidsnacht liggen de twee gelieven samen
te wenen in een soort melankolieke sentimentaliteit. Hij drinkt haar
tranen, die hem zoet zijn en hem genezen, en zij legt zijn haar op haar
eigen ogen opdat ook zijn haar de »liefdedrank" moge drinken; dan kust
zij zijn ogen: »Gij hebt mij veel kwaad gedaan toen gij eerst mijn hart
gewond hebt, maar gij hebt mij ook veel goed gedaan, toen gij mijn beeld
de weg naar zijn hart weest. Daarom kus ik u; maar nu moet gij hem ook
nooit een schonere vrouw laten zien die hem van mij af zou doen keren."
Tot de moeilikheden der twee gelieven hoort ook dat zij overal belaagd
worden wegens hun schoonheid en hun beminnelikheid; zij, door tyrannen
of rovers of door een lompe herder in wiens hut zij toevlucht gezocht
heeft; hij, door vorstinnen in wier handen hij gevangen is geraakt.
Maar hun trouw en hun kuisheid zijn in de regel tegen alle verzoeking
bestand. Er is iets kristeliks in het gewicht dat in die romans op de
kuisheid gelegd wordt. Tegenover al de pogingen der vorstinnen om hem
te verleiden, staat hij als een Josef, en zij bewaart haar deugd als een
ware heilige, in het bordeel zowel als tegenover alle dreigementen van
een tyran: »Laat de martelwerktuigen maar brengen, laat het rad maar
komen, hier zijn mijn handen; neem de zweep maar in de hand, hier is
mijn rug. Een nieuwe kamp zal voor uwe ogen beginnen: niettegenstaande
alle folteringen zal een vrouw alléén in haar strijd zegevieren."
En altijd overwint ten slotte de deugd en de liefde van het jonge paar.
De onschuld en de tranen der schone roeren de tyran en de woeste rover,
»die geen echte barbaar van zeden en manieren was, maar die de stempel
van een zekere beschaving droeg"; hij is »de edele rover" die slechts
tot zulk een leven gedreven is door het onrecht dat zijn familie hem
aangedaan heeft, en »ook de handen van barbaren voelen weerzin, naar
het schijnt, om zich aan schoonheid te vergrijpen en door de aanblik van
de gratie wordt zelfs het boze oog weer vriendelik." De gevangen schone
wordt galant door de zegevierende vorst behandeld, dikwels zucht hij van
liefde voor haar, maar geeft grootmoedig alle rechten op haar op wanneer
haar harte-vriend weer opduikt; een andere even grootmoedige koning die
haar geliefde gevangen heeft genomen, hoort diens klachten, doet zich
zijn treurige liefdesavonturen vertellen en laat hem vrij, ja, wat meer
zegt, geeft hem reisgeld mede om zijn beminde te kunnen gaan zoeken.
De geliefden zijn bovendien niet afkerig van zich door allerlei streken
uit hun moeilikheden te helpen. Wat de romans verheerliken is niet de
moed van de krijgsman, maar list. Een van de bronnen waar de Griekse
roman veel aan ontleend heeft is die literatuur van novellen over list
en bedrog die van de oudste tijden zo populair bij de handeldrijvende
Grieken geweest was. De schelmstukken van Odysseus werden het eerst
opgeschreven; in de bewerking door Herodotus van de Aegyptiese
dievenverhalen heeft men een specimen van de bijdrage die het Oosten
hiervoor leverde en in de zogenaamde »Milesiese" vertellingen over
liefde en list van Aristides van Milete, stamt veel uit Griekenland en
het Oosten. Vooral toont het jonge meisje in die Griekse romans zich
zeer vindingrijk en zonder scrupules; in 't algemeen laat zij het hoofd
minder hangen dan de zeer weinig mannelike held. Of wel smeert zij haar
gezicht vol met roet, en gaat in lompen gekleed en met een bedelrok
op stap om haar geliefde te zoeken; of wel drinkt zij een slaapdrank,
waardoor ze een tijd lang voor dood ligt, zodat zij niet meer met de
gehate bruidegom hoeft te trouwen; soms legt zij een dubbelzinnige eed
af; zo nodig koketteert zij hevig met de tyran en belooft zelfs hem na
een zeker tijdsverloop te zullen nemen, om dan in die tussentijd de kans
schoon te zien en te verdwijnen.
Maar alles eindigt ook goed, dat hoort nu eenmaal bij het genre van
die romans evenals bij de komedie. Het zelfde spel van de grillen van
het noodlot, de zelfde »Tyche", die alle berekening trotseert en alle
plannen in duigen doet vallen, die nu eens de geliefden door een
onzinnige orakelspreuk naar Oost en West uit elkaar drijft, ze dàn weer
verblindt, zodat ze hun geluk niet vlak voor zich zien liggen, maar zich
met opzet in 't ongeluk storten,--diezelfde geluksgodin zal toch altijd
tenslotte ouders en kinderen elkaar terug doen vinden, de vrije geboorte
van de slavin voor den dag, en de onschuld van de ten onrechte verdachte
echtgenote aan het licht doen komen, en de twee geliefden ten slotte,
bevend van aandoening in elkaars armen laten vallen. En de zelfde
overdaad van tranen die zij in hun ellende hebben geplengd, is nu hun
liefdesgeluk gewijd. Alles wat zij doorstaan hebben was slechts een
loutering, die ze hun geluk meer waard zal maken,--of een raffinement
dat de liefde èn bij hen zelf èn bij de lezers wat moet aanwakkeren!
En dit alles is toebereid met een kunst van onderhouden die voor lange
tijden de techniek van onze romans bepaald heeft. Gewoonlik komt de
lezer eerst in een merkwaardige, vreemde situatie, waardoor zijn
nieuwsgierigheid en belangstelling opgewekt worden, zonder dat hij
eigelik weet hoe en waarom. Twee reizigers treffen elkaar bijv. in een
herberg en de een vertelt de ander een geschiedenis die hem onlangs
overkomen is. De ander, wie men toch zou denken dat dit alles niets
aanging, luistert in stijgende spanning, vraagt, raakt in de war en
verwijdert zich om zijn aandoening te verbergen. Wanneer hij terugkomt
om het slot van 't verhaal te horen of b.v. te vragen waar de personen
in kwestie heen getrokken zijn, deelt de waard hem tot zijn diepe
vertwijfeling mede dat de ander juist per schip vertrokken is. Langzaam,
en stukje voor stukje begint de lezer iets van de vóórgeschiedenis te
snappen, later krijgt hij nog een paar draden te pakken; de handeling
kan hij tot een zeker ogenblik volgen, dan, juist als de situatie zeer
spannend is, laat de schrijver die los en plagerig volgt hij nu weer
een ander persoon op diens weg; voortdurend worden er nieuwe episoden
ingewerkt; net als in die Chinese doosjes wordt in elke historie altijd
weer een andere gevoegd, iedere nieuwe persoon die optreedt vertelt ook
weer zijn geschiedenis, die de lezer zich dikwels ietwat geïrriteerd
af doet vragen wat dit daar nu weer mee te maken heeft, maar die toch
tenslotte van afdoende betekenis voor de hoofdhandeling kan blijken
te zijn... en zo is de lezer in één voortdurende spanning en wordt
hij voortgezweept, in de war gebracht, geërgerd, verder gebracht...
teruggehouden... maar de roman laat hij niet los voordat hij aan 't
einde gekomen is!
* * * * *
Een vervolg op die Griekse roman vormen, naar het schijnt, in de
Byzantijnse tijd, andere romans die wij niet kennen, maar waaraan via
het Latijn, Franse en Duitse romans hun oorsprong danken. Maar deze
romanliteratuur is, zoals wij reeds zagen, slechts één enkele tak
van de rijke, mondelinge en schriftelike vertelkunst die zich in de
Grieks-Oosterse wereld ontwikkelde. En door de collecties van Latijnse
verhalen die wij al meer dan eens genoemd hebben, zowel als nog meer
langs mondelinge en schriftelike wegen die wij nu niet meer kunnen
nagaan, kwamen er talrijke Oosters-Griekse verhalen tot de Middeleeuwen
van het genre dat wij nu uit de grote schatkamers van Oosterse
vertellingen kennen, waarvan de »Duizend-en-één-Nacht" een van de
grootste en laatste is, maar die ook in 't Persies tot hele
gedetaljeerde liefderomans uit werden gewerkt.
Die vertellingen zijn al even onkrijgshaftig als de Griekse romans,
en ofschoon anders in elkaar gezet, zijn het dezelfde onderwerpen
die daarin met voorliefde behandeld worden. Het zijn verhalen van
sentimentele liefde, zielegrootheid, onschuldig lijden, list en vernuft,
vreemde spelingen van het noodlot en de merkwaardigste gevallen van
toverij.
Dat element van toverij ontbrak niet in de latere klassieke periode--de
toverdrank van Medea en Circe en de toverroman van Apuleius en zijn
»gouden Ezel" staan verre van alleen--maar vooral door de Oosterse
vertellingen maakten de Middeleeuwen kennis met alle soorten van
tovermotieven waar ze rijkelik gebruik van konden maken. Daar had men
allerlei geesten en toverdieren; bronnen waar men niet uit mocht drinken
of er stak een hevige storm op, of een enorme geest kwam de stoutmoedige
tot een tweestrijd uitdagen; mensen die door toverij tot stenen en
dieren gemaakt worden; toverslotten, waarin niemand wegens spoken
en heksen durfde overnachten; feeën die hun menselike geliefden naar
hun rijk ontvoerden. En er waren spiegels en bronnen waarmede men de
kuisheid van een vrouw op de proef kon stellen en toverkussens die men
in 't bed legde en die dan de man als van steen maakten in de armen van
de vrouw.