verovering van Troje zich hier deed kennen dan bij Homerus. Alle twee
de schrijvers doen zich voor als betrouwbare historici die zelf als
ooggetuigen de gebeurtenissen hebben bijgewoond, dageliks hun dagboek
daarover hebben bijgeschreven--Dares aan de kant der Trojanen, Dictys
bij de Grieken--en die nu droog, kort en nauwkeurig, alles mededelen
zoals dat een geschiedkundige uit de school van Thucydides en Sallustius
past, zonder de partijdige leugens of de poëtiese fabelen van Homerus,
en dus ook zonder de godenwereld die hij er zo kinderachtig bij haalt.
Benoît de St. More in zijn Roman van Troje, gelooft vast en zeker dat
zijn autoriteiten zelf in het Griekse en Trojaanse kamp rond hebben
gedoold, maar dat verhindert niet dat hij zelf de droge mededelingen
van zijn geschiedschrijvers met alle details aanvult die hij maar te
pakken krijgen kan. Hij is uitstekend thuis in de wereld der Franse
heldendichten en er lopen hem gedurig formulen en citaten daaruit in de
pen; gevechten en verwondingen schildert hij ook met grote kennis van
zaken en er ligt over zijn verzen iets van het strijdgenot zelf, de
»gaudia certaminis" der heldendichten, wanneer er in de horen geblazen
wordt, de wapens in de zon schitteren, de banieren over het strijdgewoel
waaien en de zwaarden tegen de helmen dreunen; het is dan ook zeker wel
uit zijn hart gesproken wanneer een der helden van de oorlogszuchtige
geestelike zegt: dat men nooit naar priesterraad luisteren mag, dat zijn
altijd lafaards, die moeten thuis blijven, in de kerk bidden en zich
niet met ridders bemoeien. Maar de romanticus die hij is, weet heel goed
dat het leven in de Griekse oudheid er anders uitzag dan in Frankrijk
ten tijde van Lodewijk de zevende en hij amuseert zich zelf zowel als
zijn lezers met alle fraaiigheden op te dissen die hij maar vinden kan.
Hij vertelt van lijkverbranding en de spelen die daar bij plaats hadden,
»want dezulken lees ik dat men in die dagen arrangeerde wanneer er een
held gestorven was." Aan de verhalen over de kruistochten en aan het
Oosten ontleent hij--evenals zijn voorgangers--heel wat exotiese kleur,
nog meer bovennatuurlike natuurkunde en stukjes naïeve middeleeuwse
kosmografie. Alles wat oud is en vreemd en merkwaardig, is voor hem één
en hij zwelgt er gewoon in. Wat weet hij al niet te vertellen? Van de
stad Troje, waar alles van marmer is en de straten geplaveid waren en
gedeeltelik overdekt, zodat men er lopen kon zonder vuil te worden.
Over het slot van Priamus dat hij bij zijn beschrijving versiert in
de trant van de tempel van Salomo in het Boek der Koningen, of van
het zonnepaleis bij Ovidius of het keizerlik paleis te Byzantium; in
elke zuil en in elk kapiteel zijn bloemen- en dieren-versieringen
gebeeldhouwd (als in de Romaanse kerken), de ramen zijn van kristal en
in de kamers vindt men gouden standbeelden. Bizonder merkwaardig is »de
Kamer der Schoonheid" die haar licht alleen kreeg van al de edelstenen,
waarvan de vloer en de muren, de zuilen en de zoldering samengesteld
waren--dezelfde waar ook het nieuwe Jerusalem in de openbaring van
Johannes mede was opgebouwd,--en aan de zuilen waren weer beelden
aangebracht die gelijk automaten dansten en speelden, bloemen op de
grond strooiden en welriekende geuren verspreidden. Dan vertelt onze
geestelike verder van al de prachtige en wonderbare kleêrdrachten die
de Trojaanse dames aan hadden--al de nieuwe kleurrijke stoffen van de
Levant met bonte patronen--en over de kleedij der soldaten, hun wapens
en hun prachtige fantastiese schildversieringen, de met edelstenen
bezette gouden helmen, hoeden van Indiese vogelveren, de mantel van
Hektor uit rood laken van Saragossa, met vergulde leeuwen bedekt, met
hermelijn gevoerd en met een rand van zwart sabelbont; de witte zijden
paardendekken met vergulde bellen; strijdwagens van ivoor, de wielen van
ebbenhout met goud beslagen. Zulke wonderwerken zijn dan natuurlik door
tovenaars gemaakt of een geschenk van feeën. Wij horen ook van Centauren
die aan het gevecht deelnamen en met pijl en boog schieten,--gelijk men
ze onder de figuren van de dierenriem der Romaanse kerkportalen in steen
uitgehouwen kan zien. Ten slotte vindt Benoît nog gelegenheid om, naar
een fabuleuze wereldbeschrijving van voor de tijd van Karel de Grote,
een heel overzicht te leveren over de merkwaardige landen en rivieren en
volkeren van het Oosten.
Ook de persoon zijner helden weet hij te beschrijven tot in de kleinste
détails. Hier had hij de eigen woorden van Dares om zich aan te
houden. Bij Dares en zeker ook wel bij Dictys waren er een hele reeks
karakteristieken te vinden van alle personen, hun innerlik zo wel als
hun uiterlik,--in de compendia die tot ons gekomen zijn, werken die met
de nauwkeurige opgave van alle kentekenen als een soort offisiële pas.
Het is waarschijnlik een soort uitvinding der rhetoren, net als de
nauwkeurige beschrijvingen die men er plezier in had van kunstwerken te
geven,--dergelijke voorstellingen van de optredende personen door een
korte opgave van uiterlike en innerlike trekken kennen trouwens ook
de IJslandse sagen. Van Grieken zowel als Trojanen worden door onze
exacte, realistiese geschiedschrijvers de eigenaardigheden, maar ook de
ondeugden opgesomd. Helena heeft een moedervlek, Briseis wordt enigsins
ontsierd door haar samengegroeide wenkbrauwen, en er is ook iets niet in
orde met Priamus die enigsins vreemd spreekt. Neoptolemos heeft een te
dikke buik en grote ronde ogen; die had de rechten bestudeerd en kon
verzen maken; de kleine dikke roodharige Aeneas is wel verstandig, maar
denkt altijd 't eerst aan zijn eigen voordeel. Paris die anders zo
schoon is, loopt toch met een enigsins kromme rug. Zelfs van Hektor
kan men bij Dares lezen dat hij scheel is en stottert. En zo moet ook
de trouvère wel in alle eerlikheid toegeven dat zijn lievelingsheld
»wel iets schoner had kunnen zijn" en dat hij niet alleen iets of wat
stotterde maar ook aan beide ogen scheel zag,--»wat hem toch volstrekt
niet misstaat" haast hij zich er bij te voegen. En niettegenstaande al
die kleine gebreken houdt hij de baronnen van de 12de eeuw toch al die
Grieken en Trojanen voor als de typen van »hoofsheid" en ridderlikheid.
De trouvère wil juist in zijn gedicht de grotere beschaving der Grieken
als een ideaal zijn tijdgenoten voorhouden. Hij doet b.v. uitkomen
hoe daar in de oude tijd de gezanten zeker konden zijn dat ze nooit
overlast zouden lijden,--iets wat hun in de Franse »chansons de geste"
voortdurend overkomt. Hij prijst Achilles in tegenstelling met de
baronnen der heldenpoëzij daarvoor, dat hij nooit nà tafel onder een
beker wijn zou blijven zitten pochen. Wanneer Achilles en Hektor voor
de tweekamp tegenover elkaar komen te staan, beginnen zij eerst alle
twee te snoeven en te dreigen--zoals dat in de heldenpoëzie gewoonte
was--maar Hektor breekt plotseling af en zegt dat hij zijn mond niet
vuil wil maken met dingen waardoor de mens niet beter wordt. Theseus
waarschuwt in het gevecht Hektor dat hij zich in de hitte van het
gevecht te ver van zijn mannen gewaagd heeft, later krijgt Hektor
gelegenheid hem een dergelijke dienst te bewijzen. Maar de trouvère
vindt het heel lelik wanneer Hektor eens een gevallen vijand
plundert,--iets wat de krijgers in de heldengedichten kalm doen en
men ook op het wandtapijt van Bayeux ziet gebeuren.
De Trojanen--aan wier zijde Benoît staat evenals de gehele
Middeleeuwen--overtreffen de Grieken in hoofse vormen. Elke avond,
wanneer zij de strijd verlaten en hun wapenrustingen uitgetrokken
hebben, worden ze tot fijngekultiveerde mensen. Wanneer Hektor thuis
komt, gaat hij eerst zijn mannen in hun nachtverblijf opzoeken, en geeft
order om de gewonden goed te verzorgen en spreekt hun moed in. Dan pas
gaat hij naar zijn kasteel en dan trachten de dames om strijd hem zijn
wapenrusting uit te trekken,--nooit zouden zijn schildknapen dat mogen
doen. Eens komt hij gewond thuis, het valt hun lastig hem zijn bebloede
rok uit te trekken, zijn echtgenote Andromache weent, en hij wordt in
een prachtig bed gelegd in de »chambre de beauté", waar een beroemd
geneesheer de wonden komt behandelen. Vóór hij in slaap valt, komt
zijn oude vader, »de edele, hoofse koning Priamus", angstig naar hem
informeren, maar Hektor antwoordt geruststellend. Steeds wordt de oude
man grote eerbied bewezen; de kinderen zijn er altijd op uit hem zo min
mogelik verdriet te doen en wanneer de koningin der Amazonen, na de dood
van Hektor, de stad ter hulpe snelt, is zij vol medelijden met de oude
koning, want hij weent groteliks over de zonen die hij verloren heeft.
En als een goede, edele vrouw troost zij hem zo goed als ze kan. Gelijk
het ook in de raadsvergaderingen heel wat meer parlementair en beschaafd
toe gaat dan b.v. in het Rolandslied--Hektor is het met een voorslag
niet eens en argumenteert er tegen, maar zegt ten slotte dat hij zich
natuurlik niet wil verzetten tegen wat de anderen het beste zouden
vinden,--zo is er ook altijd de warmste, schoonste verhouding tussen
alle leden der koninklike familie, de schoondochters inkluis. Iedereen
kust daar iedereen,--en overal. Angstig volgen de dames overdag de
strijd van de muren af, 's avonds komen de vorsten de dames in de »kamer
der schoonheid" bezoeken; hier praten ze gezellig met elkaar en de oude
koningin maant alle aanwezigen in bewogen woorden aan om »lor cors, lor
terre et lor aveir" eensgezind te verdedigen. Tegenover Helena zijn
allen louter galanterie; reeds dadelik toen zij naar Troje kwam, was
koning Priamus haar tegemoet gereden en had haar paard bij de teugel de
stad ingeleid; nooit krijgt zij het minste verwijt te horen, hoogstens
kan Hektor eens op een manier, die ons niet heel delikaat lijkt, een
grap verkopen over »haar twee echtgenoten", die zij nu samen kan zien
vechten.
Hoofse beminnelikheid, een milde zachte humaniteit is het voor
Benoît waar men de ware adel aan herkent. Reeds die hiervoor genoemde
»signalementen" hadden dit bizonder doen uitkomen, maar de geesteliken
gaan hierin veel verder. Achilles was »nimmer zwaarmoedig en korzelig,
maar opgewekt, milddadig en royaal",--Patroklus is een innemend,
beminnelik ridder, die niets gesteld is op boosheid en verdriet; van de
dikke Polidarius heet het daarentegen dat hij zwaarmoedig was en nooit
van vrolikheid hield, wat een berisping verdient. Priamus wordt geprezen
wegens zijn zachte lieve stem en omdat hij zo veel hield van liederen
en geschiedenisjes. Maar vóór allen is Hektor het ideaal van een
ridder. Zijn »cortesie" is zo groot dat Grieken zowel als Trojanen in
vergelijking met hem »gewone boeren" zijn, nooit gebruikte hij lelike
woorden of sprak hij kwaad, altijd toonde hij zelfbeheersing, alleen gaf
hij te graag alles weg, en gaf niets om goud of paarden of edelstenen,
»alleen zijn edel gemoed hield hij voor zich".
Maar toch,--de natuur gaat boven de leer, en telkens als de trouvère
zich eens goed en van nabij in de stof inleeft, vergeet hij dat hij zich
in een hogere, meer ideale sfeer moet bewegen en dan haalt hij, evenals
de dichter van de roman van Aeneas, alles in de nuchtere naïeve
werkelikheid neer waar hij thuis hoorde.
Een van de schoonste scènes van de Ilias is die waar Hektor naar zijn
woning gegaan is om voor de strijd van zijn vrouw afscheid te nemen,
maar haar met zijn kind en de voedster tegen komt, vol onrust en angst.
Zij smeekt hem om thuis te blijven. »Vrouwe, dit alles bekommert
mij ook," antwoordt hij, maar het is zijn plicht om ten strijde te
trekken... en dan wil hij zijn jongen in de armen nemen, maar die is
bang voor 't »golvende, de helmkam dekkende paardhaar" en kruipt weg,
zodat vader en moeder elkaar in een gelukkige glimlach over hun kind
ontmoeten. Nu neemt Hektor zijn helm af en kust zijn jongen en wiegt
hem in zijn armen, bidt voor hem tot de goden en legt hem dan weer aan
moeder's borst, door haar tranen heen glimlacht zij en drukt hem tegen
zich aan. Dan scheiden ze van elkander, en zij gaat de zware weg naar
huis; »zijn vrouw ging talmende huiswaarts, telkens het hoofd weer
wendend en hevige tranen vergietend". Van deze hoogte--de meest
gevoelvolle innigheid, maar beheerst door natuurlike adel en een
zuiver plichtgevoel--was reeds de voorstelling bij Dares diep gezonken.
Andromache heeft in haar dromen voorspellingen gekregen en heeft Hektor
gebeden thuis te blijven, maar hij verwijt haar die »vrouwelike woorden"
en in haar angst zendt zij iemand naar Priamus met de vraag zijn zoon
te verbieden die dag ten strijde te trekken. Als Hektor dat hoort bromt
hij op zijn vrouw en beveelt haar zijn wapens te halen. Vergeefs tracht
Andromache op zijn gemoed te werken door hem de knaap toe te steken,
haar klachten doen de mensen er bij komen en nu ijlt zij zelf weg
naar Priamus... Bij Benoît eindelik is alle hoogheid uit die scènes
verdwenen, die zijn zo brutaal en woest dat de hoofse Hektor niet meer
te herkennen is. »Dat verwachtte ik wel dat er geen greintje gezond
verstand meer in je is," zegt hij hard tot zijn vrouw, en het scheelde
niet veel, zegt de dichter of hij had zijn vrouw geslagen. De oude
Hekuba komt er nu bij en tracht de held tot betere gedachten te brengen,
maar hij doet niets dan bedreigingen tegen zijn vrouw uiten. Terwijl
hij zijn wapenrusting aantrekt, slaat zij zich wanhopend op haar borst,
trekt zich de haren uit, werpt zich voor haar man op de knieën, terwijl
hij juist zijn kniestukken aangordt, en houdt hem het kind smekend vóór,
»dat kleine kind, dat gij uit uw eigen vlees gewekt hebt" en dat nu
vaderloos zal worden. Maar Hektor is woedend en wil weg. Schreeuwend
ijlt Andromache de stad door naar Priamus; als de oude man haar
aangehoord heeft, zucht hij bang en diep, kijkt voor zich heen, tranen
biggelen op zijn kin en kleêren; met moeite stijgt hij te paard en rijdt
weg. Midden op de straat treft hij zijn zoon, »zwetend van boosheid",
met een rood gezicht en opgezwollen ogen, alsof hij geweend had. Nu
verbiedt hij hem te gaan strijden, en brommende en scheldende op die
gekke vrouwen moet Hektor naar huis terug; niemand durft hem aankijken
en hij is er niet toe te brengen zijn wapenrusting af te leggen.
Van het hoge van Homerus en de »Sitte" is hier niets meer over, maar
de middeleeuwse dichter heeft alles fris en zelfstandig beleefd. Maar
evenals in de roman van Aeneas is het toch vooral in het liefdeleven dat
de innerlike wereld, die tot nu toe alleen de theologen hadden nagegaan,
zich nu voor de fantasie van de dichter opent. Nog meer dan de »roman
d'Enée" zou de roman van Troje een voorbeeld voor de lateren worden door
zijn beroemde schilderingen, waarin het vrouwenhart zijn liefdeleven
blootlegt.
Het is Medea, de Colchiese koningsdochter, die op de vreemdeling
verliefd wordt, welke zij in haar vaders burcht ziet. Tegen de nacht
beraamt zij een ontmoeting met Jason. Ongeduldig zit zij in haar kamer
te wachten, kijkt steeds weer of de maan nog niet op is en gaat aan de
zaal staan luisteren of de mannen zich nog niet gereed maken om naar bed
te gaan. »Hebben die nu gezworen dat zij nooit naar bed zullen gaan?--de
nacht is weldra half voorbij", klaagt zij. Nu begint zij zich een beetje
over zich zelf te schamen, gaat op haar bed zitten, staat weer op, opent
het raam en merkt dat de maan al op is. Nu wordt het in de grote zaal
ook stil, zij ziet dat de kamerdienaars daar de bedden al opmaken, en
tegelijk ziet zij dat Jason zich ook te slapen legt; nu zendt zij haar
oude cameriere om hem te halen. Maar de dienstmaagd zegt haar dat zij
nu in bed moet gaan liggen, »dat is veel meer zoals het hoort", en doen
alsof zij slaapt. Dat doet ze dan ook en speelt een hele komedie wanneer
hij komt; gemelik en bedeesd vraagt zij wat hij wil, nu was zij na al
dat lawaai in de zaal juist zo heerlik in slaap gevallen. In alle vormen
van de troubadour »geeft" Jason »zich aan haar over" als zijn heerseres
»en smeekt haar zijn eed van hulde te aanvaarden als haar getrouwe
vazal". En wanneer hij haar bij het beeld ener godheid zijn trouw
bezworen heeft, brengen ze samen de nacht in liefdegenot door. Dat is
een Medea, die van Benoît, welke heel ver afstaat van de kuise en trotse
jonge Medea van de Griekse dichter, Apollonius van Rhodus, in wier ziel
de hartstocht langzamerhand de overmacht krijgt en zelfs heel wat anders
is dan die van Ovidius in wie verstand met hartstocht strijdt. Die van
Benoît is misschien nog 't meest verwant aan de Saraceense vrouw uit de
gedichten der kruistochten of de dochter van de Wildeman in de oude
verhalen: de heidin die woest op de gevangen held verliefd wordt, hem
verlost en zo nodig helpt om haar eigen vader te doden.
Fijner en meer gecompliceerd is de liefde in een andere episode
geschilderd, die de grootste literair-historiese betekenis gehad
heeft. De geschiedenis van Troilus en Briseis geeft in een kort
bestek--waarschijnlik niet door Benoît zelf gevonden, maar iets wat
hem in een uitgebreider versie van Dares voorlag dan die welke wij
nu kennen--een staaltje van alles wat Ovidius geleerd had over de
onbestendigheid en de erotiese behaagzucht van de vrouw. Het lag voor de
hand Helena zelf als het type van vrouwelike zwakheid en veranderlikheid
op te vatten en dat had Ovidius in zijn »Heroiden" dan ook gedaan. De
brief waarmede zij op de liefdebetuigingen van Paris antwoordt, die
hij haar in de handen heeft weten te spelen, terwijl hij te Sparta
als gast vertoeft, is een meesterstuk van koketterie en slimheid en
wispelturigheid. Zij begint hem met verwijten te overladen dat hij haar
zo beledigt en de gastvrijheid zo misbruikt en wijst verontwaardigd zijn
aanzoek af. Maar dan voegt zij er bij dat zij eigelik al lang de taal
zijner ogen en zijn zuchten verstaan heeft en dat zij gelezen had wat
hij in de wijn geschreven had die er op tafel gemorst was; zij was heus
bang geweest dat haar man iets gemerkt zou hebben. Zij geeft toe: hij is
schoon... laat er een woordje van los dat hij ook niet de eerste is die
om haar gezucht heeft,... spreekt van haar man... van haar reputatie...
laat onbewust--of waarschijnlik met opzet--merken hoe verliefd zij zelf
is... en zegt ten slotte dat Paris in elk geval veel te haastig in zijn
werk gaan wil en oogsten wil terwijl het gras nog groen is; ofschoon...
de gelegenheid nu juist schoon is terwijl haar man juist afwezig is...
en zegt dat, mocht hij haar nog iets mede te delen hebben, hij verzocht
wordt gebruik te maken van twee van haar maagden die zij hem als trouwe
en ook betrouwbare helpers noemt.
Maar al ligt nu ook de skepsis van de libertijn Ovidius aan de figuur
van Briseis ten grondslag, toch heeft de Oosterse verachting voor de
vrouw en de angst der monniken voor haar er ook toe bijgedragen. Het
monnikenkristendom dat de vrouwen vijandelik tegenover stond, kreeg
er nooit genoeg van de trouweloosheid van de vrouw af te schilderen en
om naar de talrijke spreekwoorden en exempelen daarvan in de bijbel
te verwijzen, van Eva tot Dalila. En door de Latijnse verzamelingen
van vertelsels, zoals de geschiedenis van de Zeven Wijzen, zowel als
langs de mondelinge weg werden de Middeleeuwen met een rijke keur van
histories voorzien over de sluwheid en de valsheid van de vrouw. Die
geschiedenis welke de Middeleeuwen het best kende was het relaas dat
men al bij de Latijnse schrijver Petronius vindt onder de titel van
»de Weduwe van Ephesus", een weduwe die zich ontroostbaar in het
grafmonument van haar man heeft opgesloten, maar zich al een van de
eerste nachten aan een soldaat geeft, die op het kerkhof onder een paar
galgen de wacht houdt, terwijl zij zelfs medehelpt om het lijk van haar
man aan de galg te hangen, in plaats van een dief die heeft weten te
ontkomen, om op die manier de soldaat voor straf te vrijwaren.
Briseis is de dochter van Calchas. Haar vader heeft de Trojanen verlaten
en zich bij de Grieken aangesloten, maar zij is te Troje achtergelaten
en tussen haar en Prins Troilus is er een zekere verstandhouding. Zij
is schoon, vriendelik, zachtaardig, hij is elegant, opgeruimd en zacht,
met ogen die van vreugde en tevredenheid schitteren. Maar wanneer er
gevangenen uitgeleverd zullen worden, verlangen de Grieken dat ook de
dochter van Calchas teruggezonden zal worden en de Trojanen moeten dat
beloven. Briseis is wanhopend, de laatste nacht brengt zij met Troilus
onder omhelzingen en tranen door; met die tranen die uit de ogen
neerstromen vermengen zij hun kussen, zoals zo dikwels in de Griekse
romans. Twee gelieven te scheiden, roept de dichter vol medelijden uit,
is een zonde daar men hard voor moet boeten. De volgende morgen moet
zij nu alles inpakken, zij kleedt zich in haar fraaiste plunje--haar
kleed is uit Indië, het heeft zeven kleuren--gaat van alle koninklike
prinsessen afscheid nemen en trekt weg door verscheidene prinsen
vergezeld. Troilus houdt de leidsels van haar paard vast. Bij het
afscheid beloven Troilus en zij elkaar eeuwig trouw, maar de dichter
voorspelt dat zij hem spoedig vergeten zal; kuisheid en schoonheid gaan
zelden samen,--zegt Salomo. Nu komen verscheidene Griekse ridders haar
tegemoet, o.a. de elegante Diomedes. Hij wordt dadelik op haar verliefd
en terwijl zij samen verder rijden, biedt hij haar aan haar ridder en
vriend te worden, als zij nu eenzaam onder al die vreemden zal zijn; nog
nooit--verzekert hij--heeft hij aldus tot een vrouw gesproken,-- zij is
de eerste die indruk op hem heeft gemaakt en hij wil alles doen om haar
in haar smart te troosten. Maar Briseis antwoordt hem dat zij terecht
zéér lichtvaardig zou schijnen, indien zij een man die zij in 't geheel
niet kent, haar liefde schonk; liefde brengt ook veel ongeluk mede,
»tegen éen die lacht zijn er zes die wenen" en de mannen bedriegen een
meisje zo licht. »Maar gij zijt van hoge geboorte en welopgevoed en
indien ik ooit iemand zou liefhebben, zou het niemand anders zijn dan
gij!" Diomedes stelt zich, vrij natuurlik, hier mede tevreden, hij ziet
nu wel dat zij »n'esteit mie trop salvage". Hij begeleidt haar nu naar
haar vader's tent en neemt dan afscheid. Nu komen er vele Grieken haar
een bezoek brengen die Briseis zeer beleefd ontvangt. Er zijn nog geen
vier dagen vervlogen of zij voelt al geen lust meer om terug te keren.
Maar kort daarop verovert Diomedes het paard van Troilus en zendt het
haar als een groet van haar vroegere vriend,--een courtoisie die haar
toch wel wat grof lijkt; zij laat hem antwoorden dat Troilus een beter
ridder is dan hij en zijn beurt wel komen zal. Maar, voegt zij er bij,
zij kan niet haten zo als zij moest, hem die haar lief heeft. En 't
duurt ook niet lang voor Troilus op zijn beurt het paard van Diomedes
machtig weet te worden en Diomedes, meer en meer verliefd, laat zijn
hoofd nu hangen,--zo treurig er uit ziende als een sperwer bij 't ruien.
Briseis merkt wel hoe hij lijdt, maar zo is nu eenmaal de aard van de
vrouw, dat, wanneer zij merkt dat gij haar lief hebt, dan werpt zij u
alleen maar aanmatigende blikken toe, en hier, zoals zo dikwels, stoot
de dichter een harte-zucht voor eigen rekening uit. Maar intussen,
Briseis zou eigelik graag Diomedes het paard van Troilus terug gegeven
hebben, als dat maar aanging,--opdat hij zich wederom in de strijd
zou kunnen onderscheiden--zij wil het zelf ook eigelik graag kwijt,
daar de Grieken de spot drijven met dit geschenk dat zij op zulk een
eigenaardige wijze van haar vroegere geliefde gekregen heeft; eindelik
slaagt zij er in hem op een fijne manier onder de vorm van een plagerij,
aan Diomedes zijn geschenk terug te geven. Nu voelt zij zich gelukkig,
dat zij hem helemaal in haar net gevangen heeft en schenkt hem ook nog
haar mouw als banier. »Van nu af--merkt de trouvère op--moet 't Troilus
duidelik zijn dat hij niet meer op haar liefde staat kan maken." Troilus
wordt dan ook razend van woede wanneer hij bij het gevecht Diomedes met
die banier ziet, die hem 't duidelikst bewijs is van de trouweloosheid
van zijn geliefde, en onder ruwe scheldwoorden aan haar adres, houwt hij
op haar nieuwe ridder los. Lelik gewond wordt Diomedes naar huis terug
gebracht, maar nu houdt Briseis zich ook niet langer in: zonder zich aan
bedreigingen van haar vader of aan de praatjes te storen, ijlt zij naar
de tent van de zieke. Onderweg heeft zij een hevige innerlike strijd
te doorstaan, zij noemt zich zelf trouweloos, »om mijnentwil zullen de
vrouwen heel wat over hun valsheid moeten horen, en het is wel waar
dat mijn aard wel wat àl te veranderlik is." Maar--antwoordt zij zich
zelf--nu kan ik nooit meer terug, nu heb ik mijn nieuwe vriend mijn
gehele hart gegeven en nu moet ik trachten hem trouw te blijven. Had men
mij te Troje laten blijven, dan was dit alles niet gebeurd. Maar hier
ben ik zonder vriend, niemand kan mij raad geven, en ik kan toch ook
niet altijd hier blijven lopen treuren! God geve Troilus alles goeds,
maar nu wij elkaar niet meer lief kunnen hebben, geef ik mij liever aan
Diomedes... kon ik maar vergeten wat er gebeurd is, dat drukt toch wel
zwaar op mijn geweten.
Heel erg zwaar neemt de trouvère de trouweloosheid van Briseis blijkbaar
niet op. De vrouwen zijn voor hem toch maar het zwakke frivole geslacht,
waar men niet te veel van verwachten mag: in 't algemeen kan men zeggen
dat uit de manier waarop hij »de zoete zonde" beschouwt, die hele
lichtzinnige weekhartigheid blijkt die de ganse ridderromantiek
kenmerkt, en nergens ziet men duideliker dan hier, hoezeer Benoît al
het geestelike afgelegd heeft en zich in de armen van »Frau Welt" heeft
geworpen.