Reeds bij Statius wordt er een zachtere toon aangeslagen,--hij was

meer bij Ovidius dan bij Virgilius in de leer geweest--en nu toont

de romanschrijver alle mogelike voorliefde voor het aandoenlike, het

gracieuse, het galante en het erotiese. In Atys en in Parthenopaeus, de

vrijers van Ismene en Antigone, had Statius de ephebus getekend, zeer

jeugdig nog, die de rijpe oudheid zo graag zag, en in kunst en poëzie

vereerde. De schoonheid van de 15-jarige wordt in de ridderromans in

meer details aangegeven: zijn gezicht is witter dan »sneeuw op de

takken", met een zachte blos er over heen, de levende, heldere ogen

zijn vol vrolikheid, de volle kin zonder baard; zijn haar is omwonden

met een groen zijden lint, ook zijn kleêren zijn van zijde. Wanneer de

heldengedichten de knaap in strijd schilderden, was dat alleen om te

doen zien wat een waaghals hij was en hoe hij vurig en woest de anderen

in kracht trachtte te overtreffen. Hier daarentegen worden de lezers er

aan herinnerd wat er voor een fijne jonkvrouwelike wang achter de helm

en een tenger lichaampje onder de maliënkolder zit, en hoe de knaap

onder het gevecht naar zijn geliefde verlangt zo als zij naar hem.

Juist gelijk de heldenpoëzij de amazones, de »schildmaagden" bewondert,

omdat zij zich werkelik boven hun geslacht hebben weten te verheffen

en de mannen gelijk geworden zijn,--zo ook nog de Camilla van

Virgilius--terwijl daarentegen de ridderroman de gedachten meer in 't

bizonder vestigt op de naakte jonkvrouwelike huid onder de maliënkolder

en er de nadruk op legt hoe Camilla niettegenstaande alles vrouw is

gebleven, schoon en beminnelik: overdag duldde zij geen vrouw in haar

nabijheid, maar 's nachts kwam geen man haar maagdelik vertrek binnen.

Het galant erotiese verknoeit, verwatert de wilde tragiek. Bij Statius

ijlt Jokaste, de oude moeder der twee strijdende broeders in de vroege

morgenstond, bleek met ongekamd hangende haren--een Erinye om aan te

zien--naar het vijandelike kamp, steunend op haar dochters; haar borst

is naakt en onder wild weeklagen slaat zij haar armen aan 't bloeden;

woest klopt zij op de poort en baant zich niettegenstaande alle

tegenstand een weg tot de koningstent waar zij haar klachten en boosheid

over haar zoon uitstort. Maar in de roman trekt zij netjes zo als 't

hoort met een gezantschap op weg, vergezeld van haar twee schone, fraai

uitgedoste dochters; voorname jongelingen leiden de paarden der dames.

Evenals Flore en Beauté in de Alexanderromans maken ze onderweg kennis

met een paar van de vreemde ridders die ze naar het kamp vergezellen.

Een van hen is de jonge vorst Parthenopaeus die »naar de Franse mode"

gekleed is. Die wordt terstond op de schone Antigone verliefd, wier

lichaam door het eenvoudig blanke purperen gewaad heen te zien komt, en

dat bovendien tot aan de gordel toe open staat; heur haar is omwonden

met zilverdraad. Onderweg voeren ze een levendige conversatie, zonder

onfatsoenlike woorden, maar toch ook niet al te ernstig of deftig,

integendeel schertsend en vriendschappelik. Hij vraagt haar dadelik of

zij zijn vriendin wil zijn. Trots maar beleefd antwoordt zij dat die

liefde wel wat al te spoedig in zijn werk zou gaan; zo iets kan men aan

herderinnetjes vragen en aan andere lichte vrouwen, maar zij is maagd en

koningsdochter en kan zich niet zo vlug tot zo iets lenen. »Maar daarom

zeg ik niet" voegt zij er met haar aangeboren natuurlikheid bij--»en

daar durf ik gerust voor uitkomen, dat ik u niet zeer lief kan hebben,

indien gij van mijn eigen stand waart, en het uitgemaakt was dat ik uw

vrouw zou worden. Want schoon zijt gij voor alle anderen en nooit zag

ik zulk een edel heer." Niets van dit alles vindt men bij Statius. Nu

vertelt Parthenopaeus dat hij uit een koninklik geslacht is en dan

vraagt zij hem er met haar moeder over te willen spreken. Die vindt

alles zelf wel goed, maar zij wil toch de zaak eerst thuis met Eteokles

overleggen en zo rijden ze verder; zo weinig bekommeren de jongelui zich

over de vredesonderhandelingen dat zij wensten dat de tocht naar 't kamp

nog lang zou duren. En als dan daarna Jokaste in de tent des konings

over de »overeenkomst" onderhandelt, blijven de jonge ridders haar

dochters gezelschap houden en maken ze 't hof (doneier) en ze vragen God

de onderhandelingen niet al te gauw ten einde te brengen. Ismene, die

in een goede leerschool geweest is, doet niets dan disputeren en weet

haar tongetje aardig te roeren; zij verdedigt het standpunt van Thebe,

terwijl Antigone met 't oog op Parthenopæus steeds aan de kant der

Grieken staat. Zo oppervlakkig is het tragiese konflikt in Antigone

voorgesteld. Wanneer de onderhandelingen mislukt zijn en de strijd

opnieuw ontbrandt, zendt Parthenopæus het paard van een verslagen

Thebaan als trofee naar zijn dame--zij en Ismene zitten juist onder

de schaduw van een pijnboom naar het gevecht te kijken--en Antigone

zendt hem haar groeten terug met een betuiging van haar gevoelens van

liefde.--Intussen volgt Ismene met haar ogen de heldendaden van haar

geliefde, de Thebaan Aton,--zij herkent hem aan de zijden mouw die hij

als haar ridder draagt--en zij raakt door die heldendaden zo zeer in

vervoering dat zij zweert hem te zullen belonen: Of ik nu een domheid

bega of niet, maar ik geloof toch dat ik bij hem zal slapen.

Ook koning Eteokles had een liefdesavontuur, hij maakt de dochter van

een zijner aanvoerders het hof,--en de aard van zijn verhouding tot haar

wordt nog aangegeven door het zeer weinig fatsoenlike portret van zijn

geliefde dat hij voor de grap op zijn schild heeft laten aanbrengen (ook

graaf Willem van Poitou liet zijn vriendin op zijn schild afbeelden;

hij wilde haar in de slag dragen die hem zo dikwels in het bed gedragen

had). Zij had heel lang de gebeden van haar koning weerstaan, maar

eens had haar vader een verraad begaan, en nu stond zijn leven op

't spel en Antigone leidde nu de jonge maagd naar haar broeder. Een

pikant-aandoenlike scène,--die, gelijk zo dikwels in de middeleeuwse

romans veel naïefs en ruws achter sentimentaliteit verbergt. Wij horen

hoe schoon zij in haar verdriet is; van haar haar dat zij zich niet de

moeite gegeven heeft op te maken; de kleine zachte mond welks volle

lippen als gemaakt zijn om te kussen; haar ogen, glimlachend en vol

liefde, die nu bedauwd zijn; haar tranen, schoner dan de glimlach van

andere vrouwen; onschuldig ziet zij er uit, haar woorden klinken zacht.

De koning kan zich nauweliks inhouden om haar niet vriendelik te gemoet

te snellen, maar hij verliest zijn waardigheid niet uit 't oog en wil

haar nu geen medelijden tonen die dit nooit voor hem had. Maar Antigone

zal haar voorspraak zijn, en zij raadt hun aan elkaar barmhartigheid te

tonen en zij slaagt er in de verzoening te weeg te brengen. En van nu af

is Salamandre de vriendin des konings, dikwels trekt hij ten strijde om

in haar ogen uit te blinken; wanneer ze alleen zijn, beloont zij hem

daarvoor.

Maar bij een kamp, werpt Parthenopaeus de koning van zijn paard--doden

wil hij hem niet, want hij hoopt immers zijn zwager te worden--maar

verraderlik velt een van 's konings trawanten de jonge held, tot grote

smart van Eteokles die zelf zijn zuster's hand voor hem bestemd had.

Boven in een van de torens zitten juist Antigone en Salamandre bij

hun borduurraam naar de strijd te kijken; vergeefs tracht de laatste

de wanhopige koningsdochter in te houden.--»Gij zijt van koninklijk

geslacht," zegt zij eigenaardig genoeg, »en moet u kunnen beheersen,

opdat men u niet lake,"--maar nog geen week later heeft Antigone zich

dood geweend.

Dit alles is er bijgevoegd en de elegante figuur van de jeugdige

Parthenopaeus ging even als de jonge liefde van Aton en Ismene reeds

in de laatste helft van de 12de eeuw in de gemeenschappelike poëtiese

schatkamer van de lyriek der troubadours en hun romans over.

Maar in de »Roman van Aeneas" kwamen er twee liefdes-episodes voor

waarbij die in de roman van Thebe in 't niet verzonken. De gehele

nationale achtergrond waarop in het Romeinse epos de avonturen van

Aeneas zich aftekenen en van waar ze verlicht worden, is in de

middeleeuwse roman natuurlik verdwenen. De Aeneis toch was een Romeins

nationaal gedicht, geschreven ter verheerliking van het Romeinse

keizerschap om de stichting van het rijk aan het overoude, eerwaardige

Ilium te verbinden en het onder de bescherming der eeuwige machten te

plaatsen; dat alle avonturen van Aeneas, van de val van Ilium af tot de

opoffering van Dido toe, schakels zijn in de keten van een goddelike

wereldorde, die tot het Augustiaanse keizerrijk leiden moet,--dat is de

idee die grootheid en waardigheid, ethiek en pathos over alle personen

en gebeurtenissen van het gedicht werpt. Maar in de Middeleeuwse roman

schrompelden die reuzenafmetingen in tot een heel weinig belangrijk

geschiedenisje van een vluchteling, die met enige schepen omdwaalt,

gastvrij door een koningin ontvangen wordt, die hem lief heeft, maar

die hij trouweloos verlaat, waarop hij grond in Latium verwerft en in de

strijd het rijk en de koningsdochter weet te veroveren. Een avontuurlike

roman zoals b.v. Apollonius van Tyrus dat geweest was, en zonder dat

er sprake is van noodlot of een missie. De enige hoofdepisode is zijn

liefdebetrekking tot de koningin van Carthago. De vorstin die evenals

Medea in de oude saga een vreemdeling haar liefde schenkt maar door hem

verlaten wordt, heeft bij Virgilius een myties-heroiese grootheid over

zich en er is iets van een natuurmacht, iets van een noodlot in de

liefde van die twee en haar dood. In de Franse roman daarentegen is het

niets dan een avontuurtje tussen een man en een vrouw, die hun luimen

volgen en zelf hun noodlot bezegelen. Naïef wordt er eerst verhaald hoe

Aeneas, vergezeld door Ascanius, op bezoek komt in het slot van Dido; in

de roman bepaalt zich de goddelike interventie tot het feit dat Venus

het gift van de liefde op de lippen van de knaap uitgegoten heeft,

en terwijl onder het bezoek dan eens de gastvrouw, dan eens de vader

dat lieve kind kussen, zuigen ze beiden de liefde in. Vooral vlamt

die in Dido op en als zij des avonds hare gasten op 't slot naar bed

heeft gebracht, »kan zij er zich nauweliks toe brengen weg te gaan".

Familiaar en realisties wordt dan haar slapelooze nacht geschilderd.

Waar Virgilius zich vergenoegt met te zeggen dat »de liefde-onrust gunt

geen slaap haar in de ogen", gaapt hier de heldin, rekt zich uit, zucht,

denkt er over na hoe hij was en wat hij zeide; zij zoent het hoofdkussen

en omhelst het, terwijl zij zich verbeeldt dat zij hem naakt in haar

armen sluit. Met zulke détails schilderde ook de troubadour van Provence

de slapeloze nacht van zijn geliefde. Met de dageraad staat ze op en

roept haar kamenier niet, maar ijlt terstond naar haar zuster Anna.

Bij Virgilius houdt zij dan een lange pathetiese rede tot haar zuster

volgens alle regelen van de kunst, over haar liefde tot de vreemdeling,

maar ook over de eed die zij haar gestorven echtgenoot gezworen had

dat zij eeuwig weduwe zou blijven. Naïef, maar natuurgetrouw heet het

in de roman: »Anna, ik geloof dat ik niet langer kan blijven leven,

zuster!"--»Wat is er dan gebeurd?"--»Ik ben mijzelf niet meer, ik kan

het niet meer verbergen: ik heb lief."--»En wie is het?"--»Dit zal

ik je zeggen, het is voorwaar hij..." Maar wanneer zij zijn naam zal

noemen, valt zij in zwijm en kan zij pas later voortgaan. Haar zuster

antwoordt ook niet in zulk een deftige speech als de Anna van Virgilius,

maar tracht haar te doen begrijpen,--prakties en cynies, als later zo

dikwels de koppelaarsters in de ridderromans--dat die trouw jegens een

afgestorvene nu niet zo heel veel betekent, dat zij van hem toch geen

plezier kan hebben of een erfgenaam krijgen; het is een goed waar woord:

»laat de doden voor de doden en de levenden voor de levenden zorgen." Er

moet toch ook iemand zijn om het land te verdedigen.

Nu geeft de koningin zich geheel en al aan haar passie over en onder

het samenzijn met Aeneas groeit die de volgende dagen steeds aan; zij

weet niet wat zij doet, vraagt haar gast duizend maal hetzelfde en

vertelt hem los en vast, alleen maar om met hem te kunnen praten. Om

haar gedachten te verzetten--hier worden de gebeurtenissen weer, als

gewoonlik bij de Middeleeuwse dichters, zuiver psychologies gemotiveerd

zonder het Virgiliaanse godenapparaat--arrangeert zij een jachtpartij.

En gedurende die jacht is het dan dat Aeneas en Dido in een grot een

schuilplaats zoeken voor een onweer. »Die dag was het begin van dood en

ongeluk; om decorum en haar reputatie geeft zij niet meer, zij vraagt

niet om heimelike liefde, zij spreekt van een huwelik en verschoont haar

val met deze naam." In die kuise algemene bewoordingen duidt Virgilius

aan wat de trouvère zich niet geneert rond uit te zeggen: »Daar zijn

die twee nu alleen tesamen, hij doet met haar wat hem lust, veel geweld

hoeft hij niet te gebruiken. De koningin weigert hem niets, maar geeft

hem zijn wil; lang had zij er zelf naar verlangd." Bij Virgilius waar

alles goddelik bestierd is met het oog op de missie van Aeneas, is het

eigelik alleen Dido die lief heeft en wanneer Mercurius kort daarna

Aeneas beveelt verder te trekken, gehoorzaamt deze zonder aarzelen. Maar

hier voelt hij twijfel en gewetenswroeging, voor dat hij zijn besluit

nemen kan. En 't duurt niet lang of Dido doorziet zijn plannen. Bij

Virgilius raast Dido dan als een furie of een Bacchante in het paleis

en de stad rond en giet in lange tirades haar klachten over de verrader

uit, haar verwijten, haar woede en haar vloek: zij wenst zijn dood

en verzekert dat zij als een zwarte furie om zijn lijkstoet zal

fladderen. Anders bij de Franse Dido, zij is in 't kristendom opgevoed

en in de wereld der baronnen en spreekt met heel wat meer vrouwelike

ingetogenheid en zachtheid, zij smeekt om medelijden, vraagt hem of zij

iets misdaan heeft, is bang voor haar baronnen die er al lang boos over

waren dat zij zich met de vreemdeling ingelaten heeft, en zegt dat het

haar dood zal zijn. Wanneer Aeneas weg zeilt, gaat zij de vrijwillige

vlammendood tegemoet op die zelfde kussens waarop zij zijn liefde

genoten heeft en kust het bed en zijn feestklederen, ten teken dat zij

hem vergeven heeft. Terwijl de vlammen haar schone, blanke, zachte

lichaam lekken, is »Aeneas" het enige woord dat zij er nog uit kan

krijgen. Haar as wordt in een urn gedaan waarop geschreven staat: »Hier

rust Dido die voor haar liefde in den dood ging; nooit was er een betere

heiden, als zij alleen maar niet plotseling door liefde was getroffen,

maar haar liefde was misdaad." Terwijl Virgilius in Dido's dood alleen

maar een grote hartstocht zag in haar schoonheid als natuurmacht, werd

die voor de middeleeuwse dichter een voorwerp van aandoening en

medelijden, een zedelik afschuwwekkend, maar ook stichtelik voorbeeld.

Later landt Aeneas dan in Latium, waar koning Latinus heel spoedig

geneigd blijkt de vreemdeling als zijn schoonzoon en erfgenaam aan te

nemen, terwijl de koningin haar dochter Lavinia aan koning Turnus wil

geven, die oudere rechten op haar kan laten gelden. De betrekking tussen

Aeneas en Lavinia, bij Virgilius vluchtig aangeduid, maar misschien meer

uitgewerkt in een niet overgeleverd later Latijns gedicht, wordt in de

roman aangegrepen als een welkome aanleiding om daar weer een andere

lang uitgesponnen liefdesgeschiedenis aan vast te knopen, waarin het

onschuldige verliefdheidje van de jonge koningsdochter een schone

tegenstelling vormt met de hete, ervaren passie van de vorstelike

weduwe.

Lavinia's moeder wil haar kind liefde voor Turnus doen voelen en tracht

haar nu te verklaren wat liefde eigelik voor een eigenaardige koorts is.

Maar als 't jonge meisje die beschrijving hoort, is 't enige wat zij

daaruit afleidt, dat zij zich die ziekte wel van 't lijf zal weten

te houden. Dan verklaart haar moeder verder hoe die ziekte juist zijn

geneesmiddel in zich draagt, hoe er vreugde welt uit tranen en uit het

bittere, zoet; laat zij maar even naar 't beeld van Amor kijken, die

heeft pijlen maar ook een doos met zalf tegen de wonden door de pijlen

veroorzaakt. Dit helpt alles niets, het jonge meisje wil haar rust

bewaren. Deze hele scène herinnert aan de zoetsappige naïeveteit in

»Daphnis en Chloë" of andere latere klassieke liefderomans. Intussen

krijgt Lavinia onder een wapenstilstand van uit haar torenkamer Aeneas

in het oog in het vijandelik kamp, en op 't zelfde ogenblik wordt zij

door een liefdepijl gewond. Zij opent haar kamerdeur om hem beter te

kunnen zien en vraagt nu zich zelf af--evenals Chloë--wat er toch

eigelik is. Zou dat de ziekte zijn waar moeder onlangs over sprak?

Maar waar zou de medicijn dan blijven die Amor, zoals moeder zeide,

medebracht? Ik ben bang dat de doos verloren is en de zalf weg! Maar

ik moet verbergen wat mij scheelt. Moeder zal woedend zijn dat ik de

erfvijand liefheb. En zij blijft zo in zich zelf praten; daar komt

het innerlike drama van het gehele zieleleven te voorschijn, waar

de klassieken en de geestelike literatuur het oog der middeleeuwse

schrijvers voor geopend hebben en die de romans van nu af, in eindeloze

spitsvondige dialogen met zich zelf, trachten weer te geven. Een

ogenblik denkt zij er werkelik aan zich tussen Turnus en Aeneas te

verdelen, maar zij zet die lelike gedachte van zich af: ware liefde gaat

slechts van één tot één; men kan tegen velen glimlachen, maar hij die

meer dan een wil liefhebben, houdt zich niet aan de voorschriften der

liefde. Zij denkt er over een boodschap naar Aeneas te sturen maar

durft toch de eerste stap niet doen, hij mag toch niet denken dat zij

lichtvaardig is. De gehele dag zit zij te staren in de richting die

hij genomen heeft, en 's nachts ligt zij slapeloos te klagen dat Amor

zo wreed is een arm, weerloos jong meisje te overvallen. Wanneer de

koningin de volgende dag haar dochter zo bleek en afgevallen ziet

verschijnen, begrijpt zij heel gauw wat haar scheelt en letter voor

letter--in hele korte vragen en antwoorden, bijna als in de Latijnse

komedies--weet zij de naam van het »voorwerp" uit Lavinia te halen.

Verbitterd dat dit nu juist Aeneas moet zijn, tracht zij Lavinia tot

andere gedachten te brengen door de ruwste en verschrikkelikste

beschuldigingen tegen hem in te brengen, hoe Aeneas aan de paederastie

doet,--ook dit duidt op een laat klassieke bron voor deze episode.

Maar het helpt alles niet; wanneer het jonge meisje alleen gebleven

is, schrijft zij een brief »tot en latin", waarin zij Aeneas haar

liefde bekent en om de zijne vraagt. Zij bindt die brief aan een pijl

en weet door een list een boogschutter er toe te krijgen die naar

het vijandelike kamp te schieten. Die liefdegroet is wel enigsins

onvoorzichtig, maar bereikt toch zijn doel. De pijl valt naast Aeneas

neer, die ziet de brief, leest die en kijkt in de richting van de toren

waar zij hem kushanden toe staat te werpen. Als in de Noordfranse

romances is het jonge meisje het nog dat het initiatief neemt; wij

zijn nog niet tot het troubadour-standpunt gekomen. Aeneas neemt de

toenadering goed op en staat van nu af dikwels naar de toren te kijken,

tegenover zijn mannen doet hij heel naïef, net alsof het de toren zelf

is die hij bewondert, maar zij begrijpen er alles van en plagen hem met

allerlei toespelingen. Maar het is ook hier altijd de vrouw die 't meest

door de liefde geplaagd wordt als in 't geval van Dido; maar _hij_ vindt

niet dat het geheel en al met zijn waardigheid strookt om te laten

merken dat hij verliefd is en hij laat zich daarom soms een ganse dag

niet zien. »Hij die een vrouw wil liefhebben, zo redeneert hij, moet

zijn hart niet al te haastig voor haar openen, hij moet zich enigsins

op een afstand houden, want als de vrouw weet dat zij de sterkste is,

krijgt hij dat spoedig te voelen." Wanhopig begint Lavinia hem reeds van

al dat slechte te verdenken dat haar moeder haar voorgelogen heeft en

besluit hem van nu af te haten,--»als ik hem tenminste van ganser harte

haten kàn"; maar wanneer zij hem tegen de avond voorbij ziet rijden,

zelf onder de indruk van wat zijn liefde hem doet ontberen, krijgt zij

berouw over haar boosheid. »Ach! het duurt te lang voor hij zijn recht

van mij opeist. Zoete vriend, te voet zou ik naar uw tent willen gaan,

het zou mij een genot zijn smart voor u te voelen." Het is als 't gevoel

voor Abélard voor Héloise die zijn slavin wilde zijn. Zelfs als Aeneas

eindelik Turnus, zijn mededinger, geveld heeft en recht heeft op

het rijk en de prinses, houdt hij haar nog lang in haar smartelike

onzekerheid; uit een soort trots of een soort verfijnde wreedheid wacht

hij nog met zijn bezoek bij haar, en zij is verdrietig, daar zij denken

moet dat hij haar veracht omdat zij de eerste stap gedaan heeft. Totdat

ten slotte de kroningsfeestelikheden en de bruiloft op één dag plaats

hebben.

De episoden van Dido en Aeneas zowel als Lavinia en Aeneas bleven een

voorbeeld voor talrijke latere ridderromans. Dit was over het algemeen

ook met de roman van Aeneas het geval, niet alleen wat betreft de

schilderachtige beschrijvingen, maar ook wat de levendige gesprekken

aangaat, pikant gepointeerd, toen reeds echt Frans-spiritueel.

Maar ook deze roman werd in de schaduw gesteld door een andere en latere

navolger--het enorme werk van Benoît de St. More--de »Roman van Troje",

een gedicht uit ± 1160 en dat in vele opzichten onder de invloed van

zijn twee voorgangers staat.

* * * * *

Van alle verhalen uit de oudheid was er geen één dat de Middeleeuwen

zo bezig hield als dat van Troje. Evenals de Romeinen van de gevluchte

Trojanen heetten af te stammen, zo trachtten zowel patriciese

geslachten, enkele steden, als verschillende volken--Franken zowel als

Britten--hun oorsprong tot Troje op te voeren. Reeds in de 7de eeuw kan

men in de kroniek van Fredegarius lezen dat de Franken van Francio, de

zoon van koning Priamus afstammen en in de offisiële dokumenten der

Franse koningen komt die bewering voortdurend weer voor den dag. In een

kroniek van de 9de eeuw beweren de Britten van hun kant ook van Troje te

komen door een afstammeling van Aeneas, genaamd Brutus, waar ook de naam

Britten dan vandaan zou komen. En er waren ook reeds heel wat Latijnse

kronieken en Latijnse gedichten over de val van Troje geschreven, vóór

een geestelike zich er nu toe aangordde om een berijmde roman over de

beroemdste van alle klassieke verhalen te schrijven.

Zijn bron was niet Homerus, maar twee Latijnse prosawerken, die

respektievelik Dares en Dictys als schrijver noemden en die vrij korte

uittreksels schijnen te zijn van Griekse of Latijnse werken uit de

latere classiciteit.

De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen · 第 16 / 36 段