meer bij Ovidius dan bij Virgilius in de leer geweest--en nu toont
de romanschrijver alle mogelike voorliefde voor het aandoenlike, het
gracieuse, het galante en het erotiese. In Atys en in Parthenopaeus, de
vrijers van Ismene en Antigone, had Statius de ephebus getekend, zeer
jeugdig nog, die de rijpe oudheid zo graag zag, en in kunst en poëzie
vereerde. De schoonheid van de 15-jarige wordt in de ridderromans in
meer details aangegeven: zijn gezicht is witter dan »sneeuw op de
takken", met een zachte blos er over heen, de levende, heldere ogen
zijn vol vrolikheid, de volle kin zonder baard; zijn haar is omwonden
met een groen zijden lint, ook zijn kleêren zijn van zijde. Wanneer de
heldengedichten de knaap in strijd schilderden, was dat alleen om te
doen zien wat een waaghals hij was en hoe hij vurig en woest de anderen
in kracht trachtte te overtreffen. Hier daarentegen worden de lezers er
aan herinnerd wat er voor een fijne jonkvrouwelike wang achter de helm
en een tenger lichaampje onder de maliënkolder zit, en hoe de knaap
onder het gevecht naar zijn geliefde verlangt zo als zij naar hem.
Juist gelijk de heldenpoëzij de amazones, de »schildmaagden" bewondert,
omdat zij zich werkelik boven hun geslacht hebben weten te verheffen
en de mannen gelijk geworden zijn,--zo ook nog de Camilla van
Virgilius--terwijl daarentegen de ridderroman de gedachten meer in 't
bizonder vestigt op de naakte jonkvrouwelike huid onder de maliënkolder
en er de nadruk op legt hoe Camilla niettegenstaande alles vrouw is
gebleven, schoon en beminnelik: overdag duldde zij geen vrouw in haar
nabijheid, maar 's nachts kwam geen man haar maagdelik vertrek binnen.
Het galant erotiese verknoeit, verwatert de wilde tragiek. Bij Statius
ijlt Jokaste, de oude moeder der twee strijdende broeders in de vroege
morgenstond, bleek met ongekamd hangende haren--een Erinye om aan te
zien--naar het vijandelike kamp, steunend op haar dochters; haar borst
is naakt en onder wild weeklagen slaat zij haar armen aan 't bloeden;
woest klopt zij op de poort en baant zich niettegenstaande alle
tegenstand een weg tot de koningstent waar zij haar klachten en boosheid
over haar zoon uitstort. Maar in de roman trekt zij netjes zo als 't
hoort met een gezantschap op weg, vergezeld van haar twee schone, fraai
uitgedoste dochters; voorname jongelingen leiden de paarden der dames.
Evenals Flore en Beauté in de Alexanderromans maken ze onderweg kennis
met een paar van de vreemde ridders die ze naar het kamp vergezellen.
Een van hen is de jonge vorst Parthenopaeus die »naar de Franse mode"
gekleed is. Die wordt terstond op de schone Antigone verliefd, wier
lichaam door het eenvoudig blanke purperen gewaad heen te zien komt, en
dat bovendien tot aan de gordel toe open staat; heur haar is omwonden
met zilverdraad. Onderweg voeren ze een levendige conversatie, zonder
onfatsoenlike woorden, maar toch ook niet al te ernstig of deftig,
integendeel schertsend en vriendschappelik. Hij vraagt haar dadelik of
zij zijn vriendin wil zijn. Trots maar beleefd antwoordt zij dat die
liefde wel wat al te spoedig in zijn werk zou gaan; zo iets kan men aan
herderinnetjes vragen en aan andere lichte vrouwen, maar zij is maagd en
koningsdochter en kan zich niet zo vlug tot zo iets lenen. »Maar daarom
zeg ik niet" voegt zij er met haar aangeboren natuurlikheid bij--»en
daar durf ik gerust voor uitkomen, dat ik u niet zeer lief kan hebben,
indien gij van mijn eigen stand waart, en het uitgemaakt was dat ik uw
vrouw zou worden. Want schoon zijt gij voor alle anderen en nooit zag
ik zulk een edel heer." Niets van dit alles vindt men bij Statius. Nu
vertelt Parthenopaeus dat hij uit een koninklik geslacht is en dan
vraagt zij hem er met haar moeder over te willen spreken. Die vindt
alles zelf wel goed, maar zij wil toch de zaak eerst thuis met Eteokles
overleggen en zo rijden ze verder; zo weinig bekommeren de jongelui zich
over de vredesonderhandelingen dat zij wensten dat de tocht naar 't kamp
nog lang zou duren. En als dan daarna Jokaste in de tent des konings
over de »overeenkomst" onderhandelt, blijven de jonge ridders haar
dochters gezelschap houden en maken ze 't hof (doneier) en ze vragen God
de onderhandelingen niet al te gauw ten einde te brengen. Ismene, die
in een goede leerschool geweest is, doet niets dan disputeren en weet
haar tongetje aardig te roeren; zij verdedigt het standpunt van Thebe,
terwijl Antigone met 't oog op Parthenopæus steeds aan de kant der
Grieken staat. Zo oppervlakkig is het tragiese konflikt in Antigone
voorgesteld. Wanneer de onderhandelingen mislukt zijn en de strijd
opnieuw ontbrandt, zendt Parthenopæus het paard van een verslagen
Thebaan als trofee naar zijn dame--zij en Ismene zitten juist onder
de schaduw van een pijnboom naar het gevecht te kijken--en Antigone
zendt hem haar groeten terug met een betuiging van haar gevoelens van
liefde.--Intussen volgt Ismene met haar ogen de heldendaden van haar
geliefde, de Thebaan Aton,--zij herkent hem aan de zijden mouw die hij
als haar ridder draagt--en zij raakt door die heldendaden zo zeer in
vervoering dat zij zweert hem te zullen belonen: Of ik nu een domheid
bega of niet, maar ik geloof toch dat ik bij hem zal slapen.
Ook koning Eteokles had een liefdesavontuur, hij maakt de dochter van
een zijner aanvoerders het hof,--en de aard van zijn verhouding tot haar
wordt nog aangegeven door het zeer weinig fatsoenlike portret van zijn
geliefde dat hij voor de grap op zijn schild heeft laten aanbrengen (ook
graaf Willem van Poitou liet zijn vriendin op zijn schild afbeelden;
hij wilde haar in de slag dragen die hem zo dikwels in het bed gedragen
had). Zij had heel lang de gebeden van haar koning weerstaan, maar
eens had haar vader een verraad begaan, en nu stond zijn leven op
't spel en Antigone leidde nu de jonge maagd naar haar broeder. Een
pikant-aandoenlike scène,--die, gelijk zo dikwels in de middeleeuwse
romans veel naïefs en ruws achter sentimentaliteit verbergt. Wij horen
hoe schoon zij in haar verdriet is; van haar haar dat zij zich niet de
moeite gegeven heeft op te maken; de kleine zachte mond welks volle
lippen als gemaakt zijn om te kussen; haar ogen, glimlachend en vol
liefde, die nu bedauwd zijn; haar tranen, schoner dan de glimlach van
andere vrouwen; onschuldig ziet zij er uit, haar woorden klinken zacht.
De koning kan zich nauweliks inhouden om haar niet vriendelik te gemoet
te snellen, maar hij verliest zijn waardigheid niet uit 't oog en wil
haar nu geen medelijden tonen die dit nooit voor hem had. Maar Antigone
zal haar voorspraak zijn, en zij raadt hun aan elkaar barmhartigheid te
tonen en zij slaagt er in de verzoening te weeg te brengen. En van nu af
is Salamandre de vriendin des konings, dikwels trekt hij ten strijde om
in haar ogen uit te blinken; wanneer ze alleen zijn, beloont zij hem
daarvoor.
Maar bij een kamp, werpt Parthenopaeus de koning van zijn paard--doden
wil hij hem niet, want hij hoopt immers zijn zwager te worden--maar
verraderlik velt een van 's konings trawanten de jonge held, tot grote
smart van Eteokles die zelf zijn zuster's hand voor hem bestemd had.
Boven in een van de torens zitten juist Antigone en Salamandre bij
hun borduurraam naar de strijd te kijken; vergeefs tracht de laatste
de wanhopige koningsdochter in te houden.--»Gij zijt van koninklijk
geslacht," zegt zij eigenaardig genoeg, »en moet u kunnen beheersen,
opdat men u niet lake,"--maar nog geen week later heeft Antigone zich
dood geweend.
Dit alles is er bijgevoegd en de elegante figuur van de jeugdige
Parthenopaeus ging even als de jonge liefde van Aton en Ismene reeds
in de laatste helft van de 12de eeuw in de gemeenschappelike poëtiese
schatkamer van de lyriek der troubadours en hun romans over.
Maar in de »Roman van Aeneas" kwamen er twee liefdes-episodes voor
waarbij die in de roman van Thebe in 't niet verzonken. De gehele
nationale achtergrond waarop in het Romeinse epos de avonturen van
Aeneas zich aftekenen en van waar ze verlicht worden, is in de
middeleeuwse roman natuurlik verdwenen. De Aeneis toch was een Romeins
nationaal gedicht, geschreven ter verheerliking van het Romeinse
keizerschap om de stichting van het rijk aan het overoude, eerwaardige
Ilium te verbinden en het onder de bescherming der eeuwige machten te
plaatsen; dat alle avonturen van Aeneas, van de val van Ilium af tot de
opoffering van Dido toe, schakels zijn in de keten van een goddelike
wereldorde, die tot het Augustiaanse keizerrijk leiden moet,--dat is de
idee die grootheid en waardigheid, ethiek en pathos over alle personen
en gebeurtenissen van het gedicht werpt. Maar in de Middeleeuwse roman
schrompelden die reuzenafmetingen in tot een heel weinig belangrijk
geschiedenisje van een vluchteling, die met enige schepen omdwaalt,
gastvrij door een koningin ontvangen wordt, die hem lief heeft, maar
die hij trouweloos verlaat, waarop hij grond in Latium verwerft en in de
strijd het rijk en de koningsdochter weet te veroveren. Een avontuurlike
roman zoals b.v. Apollonius van Tyrus dat geweest was, en zonder dat
er sprake is van noodlot of een missie. De enige hoofdepisode is zijn
liefdebetrekking tot de koningin van Carthago. De vorstin die evenals
Medea in de oude saga een vreemdeling haar liefde schenkt maar door hem
verlaten wordt, heeft bij Virgilius een myties-heroiese grootheid over
zich en er is iets van een natuurmacht, iets van een noodlot in de
liefde van die twee en haar dood. In de Franse roman daarentegen is het
niets dan een avontuurtje tussen een man en een vrouw, die hun luimen
volgen en zelf hun noodlot bezegelen. Naïef wordt er eerst verhaald hoe
Aeneas, vergezeld door Ascanius, op bezoek komt in het slot van Dido; in
de roman bepaalt zich de goddelike interventie tot het feit dat Venus
het gift van de liefde op de lippen van de knaap uitgegoten heeft,
en terwijl onder het bezoek dan eens de gastvrouw, dan eens de vader
dat lieve kind kussen, zuigen ze beiden de liefde in. Vooral vlamt
die in Dido op en als zij des avonds hare gasten op 't slot naar bed
heeft gebracht, »kan zij er zich nauweliks toe brengen weg te gaan".
Familiaar en realisties wordt dan haar slapelooze nacht geschilderd.
Waar Virgilius zich vergenoegt met te zeggen dat »de liefde-onrust gunt
geen slaap haar in de ogen", gaapt hier de heldin, rekt zich uit, zucht,
denkt er over na hoe hij was en wat hij zeide; zij zoent het hoofdkussen
en omhelst het, terwijl zij zich verbeeldt dat zij hem naakt in haar
armen sluit. Met zulke détails schilderde ook de troubadour van Provence
de slapeloze nacht van zijn geliefde. Met de dageraad staat ze op en
roept haar kamenier niet, maar ijlt terstond naar haar zuster Anna.
Bij Virgilius houdt zij dan een lange pathetiese rede tot haar zuster
volgens alle regelen van de kunst, over haar liefde tot de vreemdeling,
maar ook over de eed die zij haar gestorven echtgenoot gezworen had
dat zij eeuwig weduwe zou blijven. Naïef, maar natuurgetrouw heet het
in de roman: »Anna, ik geloof dat ik niet langer kan blijven leven,
zuster!"--»Wat is er dan gebeurd?"--»Ik ben mijzelf niet meer, ik kan
het niet meer verbergen: ik heb lief."--»En wie is het?"--»Dit zal
ik je zeggen, het is voorwaar hij..." Maar wanneer zij zijn naam zal
noemen, valt zij in zwijm en kan zij pas later voortgaan. Haar zuster
antwoordt ook niet in zulk een deftige speech als de Anna van Virgilius,
maar tracht haar te doen begrijpen,--prakties en cynies, als later zo
dikwels de koppelaarsters in de ridderromans--dat die trouw jegens een
afgestorvene nu niet zo heel veel betekent, dat zij van hem toch geen
plezier kan hebben of een erfgenaam krijgen; het is een goed waar woord:
»laat de doden voor de doden en de levenden voor de levenden zorgen." Er
moet toch ook iemand zijn om het land te verdedigen.
Nu geeft de koningin zich geheel en al aan haar passie over en onder
het samenzijn met Aeneas groeit die de volgende dagen steeds aan; zij
weet niet wat zij doet, vraagt haar gast duizend maal hetzelfde en
vertelt hem los en vast, alleen maar om met hem te kunnen praten. Om
haar gedachten te verzetten--hier worden de gebeurtenissen weer, als
gewoonlik bij de Middeleeuwse dichters, zuiver psychologies gemotiveerd
zonder het Virgiliaanse godenapparaat--arrangeert zij een jachtpartij.
En gedurende die jacht is het dan dat Aeneas en Dido in een grot een
schuilplaats zoeken voor een onweer. »Die dag was het begin van dood en
ongeluk; om decorum en haar reputatie geeft zij niet meer, zij vraagt
niet om heimelike liefde, zij spreekt van een huwelik en verschoont haar
val met deze naam." In die kuise algemene bewoordingen duidt Virgilius
aan wat de trouvère zich niet geneert rond uit te zeggen: »Daar zijn
die twee nu alleen tesamen, hij doet met haar wat hem lust, veel geweld
hoeft hij niet te gebruiken. De koningin weigert hem niets, maar geeft
hem zijn wil; lang had zij er zelf naar verlangd." Bij Virgilius waar
alles goddelik bestierd is met het oog op de missie van Aeneas, is het
eigelik alleen Dido die lief heeft en wanneer Mercurius kort daarna
Aeneas beveelt verder te trekken, gehoorzaamt deze zonder aarzelen. Maar
hier voelt hij twijfel en gewetenswroeging, voor dat hij zijn besluit
nemen kan. En 't duurt niet lang of Dido doorziet zijn plannen. Bij
Virgilius raast Dido dan als een furie of een Bacchante in het paleis
en de stad rond en giet in lange tirades haar klachten over de verrader
uit, haar verwijten, haar woede en haar vloek: zij wenst zijn dood
en verzekert dat zij als een zwarte furie om zijn lijkstoet zal
fladderen. Anders bij de Franse Dido, zij is in 't kristendom opgevoed
en in de wereld der baronnen en spreekt met heel wat meer vrouwelike
ingetogenheid en zachtheid, zij smeekt om medelijden, vraagt hem of zij
iets misdaan heeft, is bang voor haar baronnen die er al lang boos over
waren dat zij zich met de vreemdeling ingelaten heeft, en zegt dat het
haar dood zal zijn. Wanneer Aeneas weg zeilt, gaat zij de vrijwillige
vlammendood tegemoet op die zelfde kussens waarop zij zijn liefde
genoten heeft en kust het bed en zijn feestklederen, ten teken dat zij
hem vergeven heeft. Terwijl de vlammen haar schone, blanke, zachte
lichaam lekken, is »Aeneas" het enige woord dat zij er nog uit kan
krijgen. Haar as wordt in een urn gedaan waarop geschreven staat: »Hier
rust Dido die voor haar liefde in den dood ging; nooit was er een betere
heiden, als zij alleen maar niet plotseling door liefde was getroffen,
maar haar liefde was misdaad." Terwijl Virgilius in Dido's dood alleen
maar een grote hartstocht zag in haar schoonheid als natuurmacht, werd
die voor de middeleeuwse dichter een voorwerp van aandoening en
medelijden, een zedelik afschuwwekkend, maar ook stichtelik voorbeeld.
Later landt Aeneas dan in Latium, waar koning Latinus heel spoedig
geneigd blijkt de vreemdeling als zijn schoonzoon en erfgenaam aan te
nemen, terwijl de koningin haar dochter Lavinia aan koning Turnus wil
geven, die oudere rechten op haar kan laten gelden. De betrekking tussen
Aeneas en Lavinia, bij Virgilius vluchtig aangeduid, maar misschien meer
uitgewerkt in een niet overgeleverd later Latijns gedicht, wordt in de
roman aangegrepen als een welkome aanleiding om daar weer een andere
lang uitgesponnen liefdesgeschiedenis aan vast te knopen, waarin het
onschuldige verliefdheidje van de jonge koningsdochter een schone
tegenstelling vormt met de hete, ervaren passie van de vorstelike
weduwe.
Lavinia's moeder wil haar kind liefde voor Turnus doen voelen en tracht
haar nu te verklaren wat liefde eigelik voor een eigenaardige koorts is.
Maar als 't jonge meisje die beschrijving hoort, is 't enige wat zij
daaruit afleidt, dat zij zich die ziekte wel van 't lijf zal weten
te houden. Dan verklaart haar moeder verder hoe die ziekte juist zijn
geneesmiddel in zich draagt, hoe er vreugde welt uit tranen en uit het
bittere, zoet; laat zij maar even naar 't beeld van Amor kijken, die
heeft pijlen maar ook een doos met zalf tegen de wonden door de pijlen
veroorzaakt. Dit helpt alles niets, het jonge meisje wil haar rust
bewaren. Deze hele scène herinnert aan de zoetsappige naïeveteit in
»Daphnis en Chloë" of andere latere klassieke liefderomans. Intussen
krijgt Lavinia onder een wapenstilstand van uit haar torenkamer Aeneas
in het oog in het vijandelik kamp, en op 't zelfde ogenblik wordt zij
door een liefdepijl gewond. Zij opent haar kamerdeur om hem beter te
kunnen zien en vraagt nu zich zelf af--evenals Chloë--wat er toch
eigelik is. Zou dat de ziekte zijn waar moeder onlangs over sprak?
Maar waar zou de medicijn dan blijven die Amor, zoals moeder zeide,
medebracht? Ik ben bang dat de doos verloren is en de zalf weg! Maar
ik moet verbergen wat mij scheelt. Moeder zal woedend zijn dat ik de
erfvijand liefheb. En zij blijft zo in zich zelf praten; daar komt
het innerlike drama van het gehele zieleleven te voorschijn, waar
de klassieken en de geestelike literatuur het oog der middeleeuwse
schrijvers voor geopend hebben en die de romans van nu af, in eindeloze
spitsvondige dialogen met zich zelf, trachten weer te geven. Een
ogenblik denkt zij er werkelik aan zich tussen Turnus en Aeneas te
verdelen, maar zij zet die lelike gedachte van zich af: ware liefde gaat
slechts van één tot één; men kan tegen velen glimlachen, maar hij die
meer dan een wil liefhebben, houdt zich niet aan de voorschriften der
liefde. Zij denkt er over een boodschap naar Aeneas te sturen maar
durft toch de eerste stap niet doen, hij mag toch niet denken dat zij
lichtvaardig is. De gehele dag zit zij te staren in de richting die
hij genomen heeft, en 's nachts ligt zij slapeloos te klagen dat Amor
zo wreed is een arm, weerloos jong meisje te overvallen. Wanneer de
koningin de volgende dag haar dochter zo bleek en afgevallen ziet
verschijnen, begrijpt zij heel gauw wat haar scheelt en letter voor
letter--in hele korte vragen en antwoorden, bijna als in de Latijnse
komedies--weet zij de naam van het »voorwerp" uit Lavinia te halen.
Verbitterd dat dit nu juist Aeneas moet zijn, tracht zij Lavinia tot
andere gedachten te brengen door de ruwste en verschrikkelikste
beschuldigingen tegen hem in te brengen, hoe Aeneas aan de paederastie
doet,--ook dit duidt op een laat klassieke bron voor deze episode.
Maar het helpt alles niet; wanneer het jonge meisje alleen gebleven
is, schrijft zij een brief »tot en latin", waarin zij Aeneas haar
liefde bekent en om de zijne vraagt. Zij bindt die brief aan een pijl
en weet door een list een boogschutter er toe te krijgen die naar
het vijandelike kamp te schieten. Die liefdegroet is wel enigsins
onvoorzichtig, maar bereikt toch zijn doel. De pijl valt naast Aeneas
neer, die ziet de brief, leest die en kijkt in de richting van de toren
waar zij hem kushanden toe staat te werpen. Als in de Noordfranse
romances is het jonge meisje het nog dat het initiatief neemt; wij
zijn nog niet tot het troubadour-standpunt gekomen. Aeneas neemt de
toenadering goed op en staat van nu af dikwels naar de toren te kijken,
tegenover zijn mannen doet hij heel naïef, net alsof het de toren zelf
is die hij bewondert, maar zij begrijpen er alles van en plagen hem met
allerlei toespelingen. Maar het is ook hier altijd de vrouw die 't meest
door de liefde geplaagd wordt als in 't geval van Dido; maar _hij_ vindt
niet dat het geheel en al met zijn waardigheid strookt om te laten
merken dat hij verliefd is en hij laat zich daarom soms een ganse dag
niet zien. »Hij die een vrouw wil liefhebben, zo redeneert hij, moet
zijn hart niet al te haastig voor haar openen, hij moet zich enigsins
op een afstand houden, want als de vrouw weet dat zij de sterkste is,
krijgt hij dat spoedig te voelen." Wanhopig begint Lavinia hem reeds van
al dat slechte te verdenken dat haar moeder haar voorgelogen heeft en
besluit hem van nu af te haten,--»als ik hem tenminste van ganser harte
haten kàn"; maar wanneer zij hem tegen de avond voorbij ziet rijden,
zelf onder de indruk van wat zijn liefde hem doet ontberen, krijgt zij
berouw over haar boosheid. »Ach! het duurt te lang voor hij zijn recht
van mij opeist. Zoete vriend, te voet zou ik naar uw tent willen gaan,
het zou mij een genot zijn smart voor u te voelen." Het is als 't gevoel
voor Abélard voor Héloise die zijn slavin wilde zijn. Zelfs als Aeneas
eindelik Turnus, zijn mededinger, geveld heeft en recht heeft op
het rijk en de prinses, houdt hij haar nog lang in haar smartelike
onzekerheid; uit een soort trots of een soort verfijnde wreedheid wacht
hij nog met zijn bezoek bij haar, en zij is verdrietig, daar zij denken
moet dat hij haar veracht omdat zij de eerste stap gedaan heeft. Totdat
ten slotte de kroningsfeestelikheden en de bruiloft op één dag plaats
hebben.
De episoden van Dido en Aeneas zowel als Lavinia en Aeneas bleven een
voorbeeld voor talrijke latere ridderromans. Dit was over het algemeen
ook met de roman van Aeneas het geval, niet alleen wat betreft de
schilderachtige beschrijvingen, maar ook wat de levendige gesprekken
aangaat, pikant gepointeerd, toen reeds echt Frans-spiritueel.
Maar ook deze roman werd in de schaduw gesteld door een andere en latere
navolger--het enorme werk van Benoît de St. More--de »Roman van Troje",
een gedicht uit ± 1160 en dat in vele opzichten onder de invloed van
zijn twee voorgangers staat.
* * * * *
Van alle verhalen uit de oudheid was er geen één dat de Middeleeuwen
zo bezig hield als dat van Troje. Evenals de Romeinen van de gevluchte
Trojanen heetten af te stammen, zo trachtten zowel patriciese
geslachten, enkele steden, als verschillende volken--Franken zowel als
Britten--hun oorsprong tot Troje op te voeren. Reeds in de 7de eeuw kan
men in de kroniek van Fredegarius lezen dat de Franken van Francio, de
zoon van koning Priamus afstammen en in de offisiële dokumenten der
Franse koningen komt die bewering voortdurend weer voor den dag. In een
kroniek van de 9de eeuw beweren de Britten van hun kant ook van Troje te
komen door een afstammeling van Aeneas, genaamd Brutus, waar ook de naam
Britten dan vandaan zou komen. En er waren ook reeds heel wat Latijnse
kronieken en Latijnse gedichten over de val van Troje geschreven, vóór
een geestelike zich er nu toe aangordde om een berijmde roman over de
beroemdste van alle klassieke verhalen te schrijven.
Zijn bron was niet Homerus, maar twee Latijnse prosawerken, die
respektievelik Dares en Dictys als schrijver noemden en die vrij korte
uittreksels schijnen te zijn van Griekse of Latijnse werken uit de
latere classiciteit.