meer en meer oostwaarts en hoe verder hij daarheen doordringt, des
te merkwaardiger dingen krijgt hij te zien. Wat over die tocht van
Alexander het nodige licht werpt en het een nieuwe glans bijzet, is het
verlangen als in de tijden der kruistochten naar het Oosten. Talrijke
merkwaardigheden die de kruisvaarders bij de Saracenen gezien hebben
of waar ze over hebben horen spreken, worden nu gebruikt om aan de
beschrijving van Alexander's tochten lokale kleur bij te zetten.
Bijvoorbeeld de grote prachtig versierde tenten die de Saracenen
gebruikten en die nog in onze dagen tot de luxe-voorwerpen van het
Oosten behoren; de kruisvaarders hadden er meer dan een zo veroverd en
Europese vorsten kregen die wel van Oosterse prinsen ten geschenke.
Of fraaie grafmonumenten, kostbaar van buiten zo wel als van binnen
versierd, met eeuwig brandende lampen, die door magneten vrij in de
grafkamer blijven zweven en dergelijke dingen meer,--dit kan iets
geweest zijn wat de kruisvaarders zich nog van antieke en Oosterse
grafmonumenten herinnerden of--een echo van de vele verhalen die over
het graf van de profeet in Mekka liepen. Tenslotte allerlei mechaniese
kunstwerken, die in het keizerlik paleis te Byzantium of in de paleizen
der Saracenen-vorsten zulk een indruk op de reizigers gemaakt hadden.
Kronieken en sagen vloeien over van de gedetailleerde beschrijvingen
daarvan. Reeds Haroen al Rashid moet Karel de Grote automatiese
speelwerken gezonden hebben; in het paleis der Kalifen te Bagdad was
een gouden boom te zien met zingende metalen vogels; om die boom heen
voerden automatiese ruiters toernooien op, en van die zelfde kracht
was het kunst en vliegwerk aan het hof van Byzantium, zo als dat
in gedichten en kronieken beschreven staat. En dit alles komt ook
overal in de Alexander-romans voor. Beschrijvingen van fantastiese
natuurmerkwaardigheden, waar men op de kruistochten kennis mede had
gemaakt, werden ook in de verhalen die daarover al in de oude bronnen te
vinden waren, ingevlochten. Evenals de kruisvaarders, werd het leger van
Alexander, wanneer het zich des avonds om de vuren bij een bron in de
woestijn had nedergeslagen, plotseling gealarmeerd door het bericht dat
alle dieren der woestijn daar hun dorst kwamen lessen, en in grote
scharen kwamen ze dan aanzetten, witte leeuwen, schorpioenen en andere.
Of wel hoort het leger plotseling in de duisternis tot zijn grote schrik
als een tromgeroffel boven hen--dat zijn de vleugelslagen van grote
scharen gieren of andere roofvogels. Ook aan de Keltiese sagen hebben
de Alexander-romans blijkbaar fantastiese trekken ontleend. Wij worden
altans sterk aan de Bretonse romans herinnerd, wanneer het leger over
»le tertre avantureux" trekt, waar de dapperen lafaards worden, en de
laffen moedig, of door een betoverd dal waar niemand zijn weg door en
uit kan vinden, totdat ze eindelik na allerlei toverkunsten, door een
duivel geholpen worden, die Alexander onder een steen vandaan haalt,
waar hij gevangen zit.
Maar het verst naar het Oosten zijn de schoonste wonderen te
vinden--daar ginds aan de uiterste rand van de aarde, waar men van
de bergen van Indië uit de zee-ring kan zien die de aarde omgeeft.
Hier vindt men de zonne- en maan-bomen die Alexander zijn spoedige
dood voorspellen. Hier is de »fontein der verjonging",--»fontaine de
Jouvence",--die waarover de Priester Johannes ook spreekt in zijn brief
aan de Griekse keizer; dat is een zij-rivier van een der stromen in het
Paradijs. Alexander en zijn mannen baden zich daar in en krijgen dan
hun jeugd terug. Hier, in 't Oosten, zijn ook de merkwaardigste bossen
te vinden, van welker gekruide lucht de mensen leven en waarin de
mandragora en andere wonderplanten groeien. Daaruit klinkt Alexander en
zijn mannen zulk een wonderbaarlik schoon gezang tegemoet, dat zij al
hun smart en bekommernis vergeten, »alles wat hun van kindsbeen af voor
kwaads overkomen is" en zij ontdekken daar in 't bos de aanvalligste
meisjes die daar lachend onder de bomen spelen. Dat zijn bosnymfen die
in 't voorjaar uit de knoppen van de bomen ontstaan, doch alleen maar
onder de schaduw der bomen kunnen leven,--zeker wel een Oosterse sage.
Het leger slaat zich in dat bos neer en de soldaten van Alexander kiezen
elk zulk een nymf uit die zij zich tot vrouw nemen en zo leven zij in
vreugde en genot. Maar als dan het najaar komt en de bloemen verwelken
en de bladeren vallen,--dan verteren ook,--smartelijk als het is om aan
te zien--de lieve kleine wezentjes en sterven ze. Verdrietig trekken de
soldaten verder.
Als een ideaal van vorstelike grootmoedigheid en drang naar ridderlike
avonturen bleef die figuur van Alexander voor de gehele fantasie der
Middeleeuwen leven en zijn leven werd steeds weer in rijmkronieken,
romans en volksboeken beschreven. En van de tijd der kruistochten over
Marco Polo tot Columbus toe, is het Indië uit de Alexander-literatuur
dat de schrijvers voorzweeft als het aardse paradijs en het doelwit van
aller reisverlangens; nog nà de ontdekking van Amerika zocht men in
Florida naar de »fontaine de Jouvence".
XII.
ROMANTIES-KLASSIEKE LITERATUUR.
Alexander--dat was half middeleeuws, half Oosters-antiek werk. De
oudheid zelf was, zoals wij gezien hebben, voor de fantasie der
Middeleeuwen nooit geheel dood geweest. De grote massa had van munten en
ivoorwerk en andere kleinodiën, van half vergane beelden en reliëfs een
wazige voorstelling van Griekse goden en Romeinse keizers en de fantasie
der studerende klerken was vervuld van een bonte menigte barokke beelden
van de Griekse mythenwereld en Romeinse geschiedenis. Maar vooral stond
men toch onder de invloed van de dekadente, vervallen oudheid; er waren
half-barbaarse triomfbogen en sarkofagen uit de latere keizertijd over
en bovendien had men mythografen en de lexicografen en de florilegia
uit de rhetoren-scholen die in 't bizonder bestudeerd werden. De Griekse
oudheid--Homerus zowel als de treurspeldichters--lag helemaal buiten
hun gezichtseinder; de schrijvers der Latijnse Gouden Eeuw--misschien
zelfs Ovidius en Virgilius--werden meest in latere prosa-bewerkingen
of uittreksels gelezen en in de nationalistiese interpretaties der
grammatici was Uranus tot een koninklike sterrekundige geworden, Medusa
tot een Libyse vorstin en Aeolus tot een weerprofeet en uitvinder van de
zeilen op de schepen. Reeds lang hadden zich hier en daar geesteliken
geamuseerd met een episode uit Ovidius of Virgilius in Latijnse
verzen te behandelen, maar van omstreeks het jaar 1100 af brengen
de rondtrekkende scholieren en halfgestudeerde speellieden talrijke
voorstellingen uit de oudheid in omloop. Aan de hoven zong men of
vertelde men van Narcissus en van Orfeus, of de geschiedenis van Dido
en Aeneas; dergelijke verhalen worden nu ook overal in de geestelike
romans ingevlochten. Enkele van die berijmde vertellingen naar Ovidius
zijn in 't Frans en Engels tot ons gekomen; ook nog fragmenten van
komplete vertalingen in het Frans en Duits van Ovidius' »Metamorphoses".
In de »Gesta Romanorum", een Latijnse verzameling van kleine
prozavertellingen, en de vele bewerkingen daarvan in de volkstaal van
verschillende landen, vinden we ook nog verschillende motieven van
Ovidius en Livius terug.
Het is een geromantiseerde klassieke literatuur--barok ingekleed,
grillig en vreemd--soms erg nuchter en zonder enig begrip er van, in
huiselike middeleeuwse toestanden omgezet, soms daarentegen door vrome
geesteliken tot in een ideale sfeer opgeheven of door de fantasie der
speellieden tot het niveau van de gewoonste avontuurtjes teruggebracht.
Eerst zijn er dan hele massa's goden en godinnen. Men raakt de kluts
bij al die namen gemakkelik kwijt: Apollo en Apelles, Cybele en Sibylle
zijn licht te verwarren; sommigen dachten eigelik, zoals b.v. de
kerkvaders, dat zij duivels waren,--zo werd er b.v. gezegd dat Apollo
door de Saracenen aangebeden en vereerd werd, even goed als Mahomed en
Tervagaunt en al die andere duivelse goden van hen--maar anderen
beweerden dat Apollo een speelman geweest was, die ook een uitstekend
jager was en de mensen à raison van zoveel de toekomst voorspelde.
Tovenaars en boze wezens waren het in elk geval; men moest maar eens bij
Meester Ovidius lezen, hoe Jupiter zich in alle gedaanten om kon toveren
en wat een hoereerder en Sodomiet hij was. Maar het was toch maar het
beste op goede voet met hen te staan, daar wist Paulus van mee te
spreken, toen de hele familie uit de Olympus met hun rijke gaven aan
kwam zetten,--Apollo met apoteek-zalf, Ceres met een massa zakken koren,
Pallas met een hele vracht boeken.
Dan was er al die andere hekserij en duivelskunsten, waar de klerken der
oudheid van wisten te vertellen. Waternymfen zoals die ook in Bretagne
voorkwamen; zeemeerminnen en sirenen die »een lied zingen dat musica
heet, en dat de schippers in 't verderf stort"; de kleine duivel Spin
(d. w. z. Sfinks) die alle mensen in de afgrond wierp, welke zijn
raadsels niet konden oplossen; de tovenaar Virgilius die even ervaren
was in de zwarte kunst als Merlijn bij de Britten, en allerlei snuggere
mechanismen op 't Capitool te Rome aanbracht ter bescherming van het
Romeinse rijk. Toverij moet er ook geschuild hebben, dacht de trouvère,
in die geschiedenis van een vorst die een witte koe bezat die zulke
heerlike melk gaf en die hij door een man met honderd ogen liet bewaken,
of in het verhaal van de koningsdochter Ariadne, wier vrijers allemaal
naar een grote tuin gebracht werden, die zodanig ingericht was dat
niemand er weer uit wist te komen, terwijl er nog een lelik beest van
een leeuw ook in huis hield. Maar 't alleraardigste in al die klassieke
feeënverhalen was dat van koning Orpheus wiens koningin Heurodis naar 't
onderaardse feeënrijk van Pluto weggevoerd was. Wanhopend trekt Orpheus
weg en leeft als een wildeman alleen in 't bos: alleen zijn harp heeft
hij meegenomen en alle wilde dieren komen naar hem luisteren als hij
daar op speelt. Dikwels ziet hij daar in de stilte van het bos de
Alfenkoning op jacht met zijn gehele gevolg en onder de vrolike dames
daaronder ontdekt hij op een zekere dag zijn geroofde vrouw. In zijn
speelmanskleedij gaat hij met de stoet mede door een opening in de berg
naar het prachtige slot van de Alfenkoning en dààr speelt Orpheus zó
schoon voor de koning en het hof dat hij permissie kreeg zijn Heurodis
weer naar zijn eigen koninkrijk mede te nemen. (De Engelse Sir Orfeo
naar een verloren Frans _lai_.)
Even als nu de ridderverhalen uit zijn eigen tijd tekenden zich voor
de trouvère al die mooie aandoenlike liefdesgeschiedenissen af, waar
Ovidius van vertelde,--van Prinses Atalante die met haar vrijers een
wedloop aanging en hoe een arm ridder die won omdat hij een rozenkrans,
een zijden ceintuur en een gouden bal bij zich had gestoken die hij
onderweg liet vallen; van Pyramus en Thisbe die niettegenstaande »die
huote" (de bewakers) in het groene bos elkaar zouden ontmoeten, maar zo
ongelukkig om het leven kwamen, maar vooral de schone geschiedenis van
Narcissus: dat was een allerheerlikste jonge man, met haar, zo verguld
dat een jonkvrouw het als gouddraad had kunnen gebruiken om mede te
borduren, en met een mond die alle vrouwen een »kus mij" scheen toe te
roepen, en ogen die reeds menige jonkvrouw gewond moesten hebben. De
vorstendochter zit aan het raam in haar vaders slot en wordt door Amor's
pijl verwond wanneer hij voorbij komt; slapeloos wentelt zij zich op
haar sponde heen en weer, zodat zij haar kamenier moet roepen om 't bed
over te maken, de volgende dag gaat zij in 't bos wandelen, en ontmoet
daar de ridder en bekent hem stamelend en blozend haar liefde,--alleen
om door de hardvochtige jongeling uitgelachen te worden. Maar de straf
van de God der liefde blijft niet uit. Als hij, vermoeid van de jacht,
zich bij een boom neer heeft gelegd, wordt hij door zijn eigen beeld
bekoord en versmacht van ongelukkige liefde; de vorstendochter komt de
stervende jongeling nog eens opzoeken,--met gebroken hart vindt men haar
later over 's jongelings lijk.
En zo zijn er nog zeer vele geschiedenissen. Maar tot gehele grote
romans zwollen de vertellingen op van de drie meest belangrijke
gebeurtenissen in de oudheid: de strijd om Thebe, waar Statius in zijn
heldendicht van had verteld, de stichting van het Romeinse rijk door
Aeneas waar Virgilius van had gezongen en de verovering van Troje waar
Dares en Dictys een betrouwbare schildering van gegeven hadden. Deze
romans werden in het midden van de 12de eeuw in Frankrijk geschreven,
ergens aan de kant van Anjou-Poitou.
* * * * *
De twee epopeeën van Virgilius en Statius werden met ernst en ijverig
door de middeleeuwse literair-ontwikkelde geesteliken gelezen. Vooral
Virgilius was reeds van de laatste jaren der oudheid het Latijns
leesboek bij uitnemendheid voor alle scholen geweest, elke regel van de
Aeneis werd literair en uit een grammaties oogpunt verklaard; op het
toneel en in natuurschilderingen en geweven behangsels werden Dido en
Aeneas roerend afgebeeld en wat de Sofisten begonnen hadden, zetten de
middeleeuwse geesteliken voort: het gedicht werd allegories opgevat
en geïnterpreteerd. Zo was het vol van alle menselike wijsheid, als
een fabel symbolies aangeduid,--beweerde de kerk--en terwijl velen
in Virgilius de grote tovenaar en duizendkunstenaar zagen, en zijn
boek opsloegen om de voorspellingen er in, verklaarden anderen dat hij
Kristen was en verwezen daarvoor naar de bekende vierde Ecloga, waarin
de Mantuaan de zege van het kristendom voorspeld had. Zo werd ook
Statius tot een kristen gemaakt en de Thebaïde was niet minder beroemd
en alom bekend dan de Aeneide.
Maar als de twee Latijnse heldengedichten nu tot onderhoudende romans
voor ridders en hun dames omgewerkt worden, zet de schrijver de deftige
hexameters en de epiese kunststijl eerst en vooral in een gewone
verteltrant en in achtlettergrepige rijmkroniekverzen om, waardoor alles
in een meer flegmatiese toon gestemd wordt en tot een heel wat lagere
sfeer afdaalt. »Infandum regina, jubes renovare dolorem," wordt tot
»Vrouwe zegt hij, al mijn smarte wekt gij weer van harte." »Et hæc
meminisse juvabit" heet nu: »Eens zal het u vreugde schenken,--hier weer
aan terug te denken,--dan deelt gij dikwels vrolik mee, 't kwaad door U
geleên op zee." »Manet alta mente repostum--judicium Paridis spretæque
injuria formae," luidt: »Juno, de hemelkoningin,--voor hen met afgunst
in den zin, had een gevoel van grote haat, voor elk die kwam uit Troja's
staat, sinds Paris 't oordeel had gesproken,--moest zij op Troja's macht
gewroken." De machtige kaskaden van 't oude rhythme zijn tot een vulgair
kabbelen en babbelen geworden. Zo wordt ook de gehele inkleding van de
epiese stijl weggeworpen: de vergelijkingen, de epitheta en de andere
rhetoriese figuren. En daarmede gaat ook het gehele mythologiese
godenapparaat overboord, dat er ook bij de Romeinse kunstdichters
reeds heel losjes bij hing en geheel verdwenen moet zijn in de
proza-bewerkingen voor schoolgebruik die de Middeleeuwse dichters
waarschijnlik gekend hebben. Wanneer Fama naar koning Euander ijlt met
de boodschap van Pallas' dood, wordt dit in de vertaling dat de koning
mannen uitzendt om nieuws te horen waar zij mee naar huis moeten komen.
In plaats van Iris in Virgilius komen gewone spionnen, zelfs de rol
van Venus in de Aeneis wordt eigelik niet veel meer dan die van een
goedgezinde fee, en terwijl bij Virgilius Camilla een amazone is, die
de kunst van bovennatuurlike sport verstond, wordt zij hier een gewone
jonkvrouw uit de ridderwereld die paard rijdt en de wapens weet te
hanteren.
In 't algemeen ziet de Middeleeuwse dichter wat hij bij Virgilius en
Statius leest, in het licht van zijn eigen tijd en interpreteert hij de
woorden naar de betekenis die ze voor zijn eigen tijd hebben,--tekent
hij en kleurt hij alles volgens de opvattingen der tijdgenoten. Wanneer
hij van Thebe en Carthago leest, ziet hij de tinnen op de muren voor
zich, ophaalbruggen en torens op de stadspoorten die elk door een graaf
bewaakt worden. De tempels zijn voor hem gelijk Romaanse kerken, de
soldaten zijn ridders. Amphiareus wordt in zijn verbeelding tot een
aartsbisschop in helm en maliënkolder, gelijk Turpijn in het »Chanson
de Roland". Uitdrukkelik wordt hij met Turpijn vergeleken, gelijk Tydeus
met Roland, des morgens, wanneer de torenwachter op zijn horen blaast en
de nachtegalen in de pijnbomen slaan, komt Tydeus aangereden, kaarsrecht
zit hij op zijn paard uit Gascogne, met de lans recht naar boven, met
gulden sporen, met zijn zwaard dat Wieland gesmeed en meester Vulcanus
geslepen heeft,--precies als Roland voor zijn schare bij Roncevaux.
De Sibylle wordt een gerimpelde heks die de kunst van de »necromantie"
verstaat. Wanneer Ismene, de zuster van Eteokles haar geliefde verloren
heeft, gaat zij in een klooster en haar broeder verleent dat klooster
molens en het recht tot visserij in de rivieren die daar voorbij
vlieten. Nog meer wordt in de miniaturen der handschriften alles
gemoderniseerd. Wanneer de boodschapper bijv. bij Aeneas komt, treft
hij die aan het schaken.
In vele opzichten ging het dan ook zeer gemakkelik om de oude
heldenfeiten in de sfeer der »chansons de geste" over te
brengen,--vooral omdat het Romeinse kunst-epos een naïeve oude
sagawereld behandelde die in meer dan één punt op het zelfde
beschavings-niveau stond als de Franse heldendichten. Wanneer Oedipus
als de moordenaar van Laius diens weduwe nog met bloedige handen tracht
te verzoenen door haar te huwen, dan is dat een erg barbarisme voor de
zo zeer gekultiveerde dichter uit de Romeinse keizertijd, maar voor het
publiek van de Franse heldenpoëzie was het gewoon en natuurlik. Evenzo
dat de koning van Argos, de avond zelf van de aankomst der verbannen
vreemdelingen, zijn dochters in de zaal doet leiden en ze aan de gasten
ten huwelik biedt. Op zulke punten vonden de Franse trouvère en de
rhapsode van de oorspronkelike oude Griekse heldensage elkaar weer
achter de artistieke behandeling van Statius. Of wanneer Tydeus met de
gezanten voor Thebe komt en gewapend de zaal binnenrijdt, waar de koning
met zijn mannen zit te eten,--wanneer Tydeus hun daar zijn uitdaging
naar 't hoofd slingert, waarop ze elkaar over en weer met bedreigingen
overladen, en wanneer hij dan op de terugweg in een hinderlaag valt,
maar er zich dapper doorslaat,--dan is dit presies als het de afgezant
van Karel de Grote verging in een van de Franse heldendichten.
Maar toch is er genoeg nieuws en merkwaardigs dat de fantasie van
de Middeleeuwse dichter boeit. Feitelik leert hij van de antieke
kunst de wereld van buiten te schetsen en te schilderen. Terwijl de
oude kronieken droog waren en grauw en ook de heldendichten nog het
schilderachtige misten, leert nu de roman van Virgilius en Statius de
kunst van het beschrijven. Ofschoon,--zelfs nu vinden wij er nog geen
uitwerking in détails van gewone dagelikse dingen. Waar Virgilius
homeries schildert hoe de mannen van Aeneas vonken uit steen slaan, de
sintels in bladen bewaren enz., daar roept de trouvère alleen maar: »zij
legden een vuur aan en bereidden een maaltijd." Het elegies-romantiese
natuurgevoel van de stadsbewoner kent hij niet. Als Virgilius van de
sombere rotsen en schrikaanjagende bossen van de Libyse kust vertelt of
hoe de bladeren in 't najaar vallen en de kraanvogels voor 't vertrek
bijéén komen, laat de roman dit weg. Maar wel heeft die van Virgilius
en Statius geleerd de kleerdrachten en wapenrustingen te beschrijven,
een kamp of een storm op zee, offers in de tempel of gymnastiekspelen.
En dan tracht de schrijver alle beschrijvingen te overtreffen door
de pracht van zijn wapenen en tenten, grafmonumenten of kunst- en
vliegwerk,--presies als in de Alexanderroman. Op het kapitool van
Karthago worden van die zelfde toverwerken aangebracht die volgens de
»Mirabilia urbis Romae" op het kapitool van het oude Rome te vinden
waren; Karthago heeft magneten als muren--evenals er volgens de reizen
van Sindbad de zeeman, magneet-bergen (volgens de verhalen van een
Spaanse jood: glazen muren) om Damascus zijn. Men tracht Virgilius
te overtreffen bij het schilderen van de ongure détails van het
nederdalen in de hel, waarbij Charon tot een duivel wordt. Allerlei
natuur-merkwaardigheden worden er in gevoegd: uit het schuim op de bek
van Cerberus groeit een vergift, dat stiefmoeders aan hun stiefkinderen
geven. De mannen van Aeneas vangen kleine visjes waar ze rood purper uit
halen,--het zwarte purper krijgen ze daarentegen uit een slang die
krokodil heet, enz.
Evenals in de Alexanderromans, ontleent men ook trekken aan de
kruistochten om een Oosterse lokale kleur te scheppen. Meer dan een
episode is uit de kronieken en heldendichten over de kruistochten,
naar 't schijnt, overgenomen. Daarin vindt men b.v. zulk een verhaal
als van een troep oude grijze soldaten die op het kritiese ogenblik
in een gevecht de kruisvaarders ter hulp waren gesneld,--niemand wist
waar vandaan,--in de geestelike kronieken is het een hemelse heerschare
van in het wit geklede martelaars (»militum Christi cohors candida"
is immers de oude naam der martelaars), in het heldengedicht zijn het
alleen maar veteranen die hun witte baard over hun kolder hebben laten
vallen, zoals in de Chanson de Roland de oude krijgslieden van Karel de
Grote doen. Die hulp door oude grijze mannen vinden wij ook weer in de
»Zeven tegen Thebe" terug. Evenzo kan men in een episode van diezelfde
roman een vertelling uit de kruistocht herkennen van een der emirs
van Antiochië, wiens zoon door de Franken gevangen was genomen, maar
grootmoedig naar zijn vader terug gezonden wordt met rijke geschenken,
waarop deze tot dank de stad verraderlik aan Bohemund overgaf.
Maar het schelst komt het verschil van sfeer tussen het Latijnse epos en
de roman van de trouvères uit bij de behandeling van zielstoestanden.
Daar staat elegante kultuur tegenover naïeve natuur. Een jongeling die
met Ismene, de zuster des konings, verloofd is, wordt stervend uit de
slag naar huis gedragen en vraagt om nog slechts ééns, voor 't laatst,
zijn bruid te mogen zien. Bij de antieke dichter houdt een gevoel van
schaamte om haar liefde en smart op straat te tonen, de jonge vorstelike
maagd in haar vertwijfeling terug; haar moeder moet haar dwingen zich
naar zijn sponde te begeven en zo lang er mensen tegenwoordig zijn,
staat zij stil en kalm bij de stervende; eerst wanneer zij met de dode
alleen is, werpt zij zich jammerend op de baar neder en geeft haar
gevoelens lucht. In het Franse gedicht is het jonge meisje op het punt
van angst te bezwijmen, maar ijlt dan naar de baar van de stervende.
Daar valt zij dan als dood om, »koud als ijs en groen als klimop",
slechts merken de omstanders op dat er aan haar nek nog een ader is die
licht klopt; wanneer zij weer tot zich zelf komt, durft haar moeder haar
niet naar het lijk te laten brengen, maar Ismene verklaart dat als zij
't niet te zien krijgt, haar hart van smart zal barsten. Lang daarna
blijft ze nog in aandoenlike klachten bij de dode zitten wenen. Dat zijn
naïeve, frisse menselike gevoelens tegenover stijve antieke »Sitte".
Maar van de gehele tragiese grootheid in de sage over Thebe,
van de misdaden en de lotgevallen van een mensengeslacht die de
Romeinse rhetoricus gevoelde en trachtte te bewaren, blijft bij
de middeleeuwse geestelike niet veel meer over dan het aandoenlike
en het moreel-didaktiese. Hij schrijft--zo vertelt hij--om door een
afschuwwekkend voorbeeld te tonen hoe vreselik hij gestraft wordt die
»tegen de natuur" handelt, en hoe vreselik de vloek eens vaders werken
kan. Maar meest wordt de tragiek toch slechts aandoenlik. De kolossale
Tydeus zal b.v. de piep-jonge Aton in de strijd ontmoeten, de verloofde
van Ismene. Bij Statius verwaardigt hij zich niet werkelik met de jongen
te vechten, maar werpt in 't voorbijgaan honend een speer naar hem,
waardoor hij hem dodelik wondt, waarop hij kalm verder loopt, en
versmaadt het lijk te plunderen, gelijk een leeuw het bloed van het
kleine vee niet lust, maar alleen dat van de stier wil drinken. In
de Franse Roman daarentegen waagt Tydeus niet Aton kwaad te doen;--om
vele redenen, zegt hij lachend, wil ik niet met je vechten, gij zijt zo
schoon en nog zo jong en bijna ongewapend; gij had liever thuis moeten
blijven; je geliefde zou er geen plezier in hebben als wij samen vechten
gingen. Woedend over die spot, slaat de jonge man er nu op los, zodat
Tydeus zich zelf verweren moet, hij wil hem alleen maar even op zijn
schild slaan, maar kent zijn eigen kracht niet goed en, dodelik gewond,
stort de ander neer. De reus voelt zich daar heel en al ongelukkig over,
maar de verslagene erkent dat Tydeus zonder schuld is en wordt nu
stervend door de mannen van Tydeus naar Thebe gedragen.