na de andere had die bewonderd en zich er over verbaasd en hadden die
romans de verbeeldingskracht voedsel en vleugels gegeven. Bij de
geschiedschrijvers der oudheid--Plutarchus, Arrianus, Diodorus,
Justinus, Curtius--treedt ons, zo al niet de historiese Alexander
tegemoet, (wie weet hoe _die_ er uitgezien heeft?), dan toch het
volkomen ontwikkelde schitterende beeld van de grote held: de lieveling
der goden, met alle eigenschappen om de mensen voor zich te winnen en
te beheersen--schoon, dapper, welsprekend, beminnelik; opgevoed door
niemand meer of minder dan Aristoteles, de grootste wijsgeer van heel
Griekenland,--flink om zichzelf te beheersen, met een blik op de mensen
en de regeerkunst; en ten slotte gedreven door jeugdige drang tot
handelen, en een onverzadigbare eergierigheid. Als een echte leerling
van de mannen van Odysseus, offert Alexander te Memphis aan Apis en laat
zich in de Ammons tempel als de zoon van een God begroeten; als een
Grieks filosoof gooit hij voor de ogen van de van dorst versmachtende
soldaten de beker met water in het zand der woestijn ledig, en drinkt
hij de medicijnbeker uit terwijl hij zijn vriend Philippus de brief
overhandigde die de zaak aangaf. Maar: Alexander's missie in de historie
was juist om aan het eigelike antieke een einde te maken; in de Griekse
rijken smolten het Oosten, Aegypte en Griekenland tot een gemengde
kultuur samen; en daarin is het dat het slechts in zo geringe mate
antieke beeld van het leven en de figuur van Alexander zich gevormd
heeft, dat tot de Middeleeuwen kwam en met zulk een entoesiasme werd
ontvangen. Te Alexandrië ontstond ongeveer 200 jaar n. C., half
op de geschiedenis, half op Oosterse sagen gebaseerd, de zogenaamde
pseudo-Callisthenes, een levensbeschrijving van Alexander, aan
Callisthenes toegeschreven, die, met enige zogenaamde brieven
van Alexander aan zijn moeder en Aristoteles, het uitgangspunt
werd--grotendeels door een Latijns uittreksel van Julius Valerius--voor
een rijke middeleeuwse Alexander-literatuur, eerst in 't Latijn, toen in
het Provençaals, toen in 't Frans en Duits en daarna in vele Europese
talen.
In het beeld dat de middeleeuwen op die wijze ontvingen, waren trekken
van een fijne, nobele kultuur, vermengd met de laatste half Oosterse
sterk-fantastiese producten der oudheid. Voor de Aegyptiese schrijver
van de biografie van Callisthenes is Alexander niet een zoon van koning
Philippus maar van Nektanebus, een Aegypties tovenaar, die de laatste
uit het geslacht was van de oude koningen en halfgoden. In de gedaante
van de God Ammon is Nektanebus bij de Koningin Olympias gekomen en heeft
door zijn toverkunst ook koning Philip kunnen doen gelooven dat diens
gemalin door een God zwanger is geworden. Allerlei wonderen gebeuren er
bij de geboorte van Alexander. Nektanebus wordt een van de opvoeders van
de knaap, maar deze doodt hem wanneer hij te weten komt dat het zijn
vader was. Verder zijn Zeuxis en vooral ook Aristoteles de leraars van
Alexander. Hij wordt in de »zeven liberale kunsten" onderwezen en wint
een ieder voor zich, door zijn verstand en zijn beminnelikheid, hij is
vooral zo vrijgevig dat zijn ouders en leraars het bedenkelik beginnen
te vinden. Na het wilde paard Bucephalus getemd en afgericht te hebben,
trekt de jongen met permissie van zijn vader naar de Olympiese spelen.
Daar hoont een andere vorst hem en spuugt zelfs naar hem; met kalme
zelfbeheersing verdraagt de jongeling eerst de belediging, maar wreekt
zich door hem onder de spelen ter aarde te vellen. Als hij thuis komt,
hoort hij dat zijn vader Olympias verstoten heeft en op 't punt staat
met een ander bruiloft te vieren, Alexander ijlt de feestzaal binnen,
geeft zijn vader een bittere en scherpe terechtwijzing en dwingt hem
zijn echtgenote weer in haar oude waardigheid te herstellen.
Zo luidt de geschiedenis van Alexander's jeugd. In de middeleeuwen
krijgt die een andere kleur en vorm,--met trekken van het baronachtige,
het ridderlike en het fantastiese. Nog vrijwel in de antieke atmosfeer
bleef de Zuid-Italiaanse priester die ongeveer 1000 jaar n. C. een
bewerking van de stof gaf in Latijnse proza: »de Proeliis". In de
11de eeuw was er een geleerd geestelike, Albéric de Briançon, die een
Provençaals gedicht schreef met Julius Valerius als bron, maar die nu en
dan ook de echte klassieke historici er ter vergelijking bijhaalde: zijn
doel is asketies: de geschiedenis van Alexander te schilderen als een
groot bewijs voor de waarheid van het woord van de Prediker: »Alles
is ijdelheid", maar hij schijnt--slechts een klein fragment is er van
over--de oude verhalen toch veelal in de toon der heldenpoëzie gestemd
te hebben. Maar geheel in de stijl en het rhytme daarvan wordt Albéric's
gedicht in de 12de eeuw overgebracht in een Noord-Franse bewerking uit
de grensstreken tussen Noord- en Zuid-Frankrijk. En tegelijk duikt het
ook aan de overzijde van de Rijn op, toen een priester Lamprecht uit
Keulen of omstreken, het in Duitse verzen weergaf en het tot een hele
roman uitwerkte. Bij Lamprecht begint het hoofse element reeds hier en
daar de ongeneerde baronnen-poëzie op zijde te dringen. Maar geheel
en al in de geest der riddertijd is de bewerking die het gedicht van
Lamprecht tegen het einde der eeuw onderging, en nog meer is dit het
geval met een grote Noord-Franse Alexanderroman, welks oudste deel van
Lambert le Tort is, maar waarvan de laatste versie (ongeveer 1185) wordt
toegeschreven aan Alexander van Bernay of van Parijs.--
IJverig protesteren die middeleeuwse baronnen- en riddergedichten er
tegen dat Alexander een onecht kind zou zijn, een spruit van een
heksenmeester--»gelijk enkele troubadours beweerd hebben"--; neen! zo
iets moge waar zijn van een Merlijn of de boze graven van Anjou, maar
Alexander was voorzeker van echte koninklike stam! En een echte »fils de
baron" is de knaap dan ook van zijn wieg af. Zijn ene oog is blauw als
dat van de draak, zijn andere zwart als dat van de griffioen, de borst
van een min is hem niet genoeg,--de vrouw van een ridder moet hem
met een gouden lepel voeden,--en hij vliegt op als men hem aanraakt;
als hij opgroeit, wil hij alleen edele ridders om zich heen hebben
en verwaardigt zich niet een schildknaap of mindere aan te kijken. In
latere versies is het nog meer het welopgevoede kind van een edelman
dat op de voorgrond geschoven wordt: de knaap is »gentile" en glimlacht
vriendelik tegen een ieder die hem aanspreekt. Zijn opvoeding is die van
een middeleeuws vorstenzoon. Hij wordt in de wapenen geoefend, in de
rechtspleging volgens alle vormen van het leenrecht, in goede manieren
en gedrag. Dertig gravenzonen die op de zelfde dag als de prins geboren
zijn, worden met hem opgevoed en blijven zijn lijfwacht vormen--men
vergelijke het boek der Macchabaeën I, 7. Met grote animo en zeer
levendig wordt verteld hoe hij Bucephalus inrijdt en temt,--het paard
heet met de nodige fantasie een kruising tussen een oliefant en een
drommedaris. Tot grote schrik van iedereen rijdt de prins het getemde
dier de slotstrap op, de zaal in, dwars over alle tafels en banken, dan
stijgt hij er af, geeft het paard aan een stalknecht over en vraagt zijn
vader hem tot ridder te slaan--hem zelf zo wel als zijn volgelingen.
Uitvoerig worden de middeleeuwse ceremonieën bij deze handeling
geschilderd. Eerst moeten de jonge mannen baden; als men heel natuurlik
water binnen wil brengen, verklaart Alexander »mannelik" dat zij alleen
maar in de zee willen baden. Terwijl de jonge mannen in het water
rondspartelen, laat de koningin de nieuwe kleeren naar 't strand
brengen--die speelden toen de zelfde rol als nu bij de aanneming,--en
tegelijk daarmee zendt de koning de paarden en wapenen daarheen. Toen
had gij--barst de zanger uit--die massa's van hermelijnen pelsen eens
moeten zien, van zijden stoffen, van marterbont, gezadelde paarden
en wapenrustingen. De koningin is zelf gekomen om naar de badenden
te kijken,--zij heeft een baldakijn boven het hoofd om zich tegen de
warmte te beschutten--en naderhand geven de kamerdienaars Alexander's
volgelingen hun klederen aan, maar de koningin zelf trekt die haar
zoon aan. Eerst een hemd zonder naad en uit één stuk, (als de rok van
Kristus),--uit Engeland was dat over Friesland aan koning Philippus
gezonden--die beschermd tegen wonden en hete wellust,--gelijk ascetiese
haren hemden en de »helm" waar sommigen mede geboren heten. Daaroverheen
krijgt hij een zijden kleed dat vervaardigd is door feeën in een bos
bij Babylon en dat hem door een tovenaar gebracht is; wanneer men dat
aanheeft, voelt men noch warmte noch kou. Daarna legt zijn moeder hem
een hermelijnen mantel over de schouders met een rand van pantervel;
als men die aan heeft, krijgt men nooit wit haar. En zo nog andere
kledingstukken met allerlei wonderbare eigenschappen. Nadat zij gekleed
zijn, slaat koning Philippus al die jonge lieden tot ridders en geeft
hun wapenen. Het zwaard van Alexander is door een fee van koningin
Penthesilea gebracht, zijn harnas is van Arabies goud, de helm is van
Cornwall--in zijn tijd heeft koning Arthur die opgehad; het schild is
door koning Salomo gezonden,--dat is nog van Samson geweest. Nu gaan de
nieuwe ridders onder het oog van de dames ridderoefeningen houden; die
zitten de schone jonge prins te bewonderen en zeggen tegen elkaar: »Als
hij en ik bij elkaar lagen, zou ik hem niets kunnen weigeren." Eindelik
roepen de herauten hen aan tafel en de ridders laten zich dat niet twee
keer zeggen; Alexander komt vlak tegenover zijn moeder te zitten die
niet laten kan hem aan te zitten kijken.
De scène met de Olympiese spelen waar de antieke berichten nu van
vertellen, kunnen de Middeleeuwen niet begrijpen, Alexander's
glimlachende zelfbeheersching bij de bespotting door een vreemde vorst,
kunnen ze ook niet bewonderen. In plaats daarvan komt dan ook een oorlog
die met een scène uit een echte »Chauson de geste" begint. Boodschappers
van een vreemde koning komen de zaal binnen, waar Koning Philip hof
houdt, en eisen overmoedig de betaling van een schatting. Terwijl
men radeloos in de zaal zit te kijken, springt Alexander op, weigert
brutaalweg de schatting te betalen en zendt de mannen terug met een
uitdaging. Gelijk in de Franse heldendichten gaat hij op tafel staan
om mannen aan te werven en, »gelijk een edele ridder" laat hij, door
het gehele rijk, het geld van woekeraars en allen die zich verrijkt
hebben opeisen, om daarmede de ridders te kunnen wapenen; op raad van
Aristoteles omringt hij zich verder, op 't voorbeeld van Karel de Grote,
met 12 pairs. Geheel en al in de trant van de oude heldengedichten
worden nu de oorlog en de slagen geschilderd: ze rijden er op Arabiese
paarden, de banier waait boven het leger, de werpspiesen vallen dicht
als de Mei-regen, »daar had gij menig schild in stukken kunnen zien, en
menige gebarsten helm en rusting." In een tweegevecht velt ten slotte
Alexander de vreemde koning. Later hoort hij vertellen van de rijke
stad Athene, die zo goed door haar »baronnen" bewaakt wordt, dat die
onneembaar geacht wordt; terstond besluit de eergierige prins naar
die stad op te trekken. Maar het bericht dat zijn vader op nieuw in 't
huwelik wil treden, roept hem ijlings naar huis. Het komt tot een hevige
scène in de grote zaal waar de bruiloft gevierd wordt, maar als Koning
Philip, verbitterd, zijn zoon een zwaard in de zijde wil stoten,
struikelt hij en wordt gewond, waarop Alexander hem in zijn armen
opneemt, hem op een bed legt, en hem door zijn verwijten en door hem
zacht toe te spreken er toe brengt zich met Alexander's moeder te
verzoenen. Er is hier iets veel brutalers en tegelijkertijd iets veel
sentimentelers dan bij de corresponderende scène in de antieke bronnen.
Kort daarna sterft koning Philippus en nu trekt Alexander als koning
op zijn grote veroveringen en ontdekkingsreis uit. Hierover hadden
de Oosters-antieke berichten al veel te vertellen. Ten eerste over
Alexander's snuggerheid en slimheid. Hoe kalm en geestig wijst hij de
overmoedige spottende brieven van de koning der Barbaren en diens gaven
niet terug; hoe hij vermomd de stad van de Persiese koning binnendringt
om daar te verspieden en zich zelfs bij hem aan tafel weet in te
dringen, maar hoe hij zich door die schitterende pracht volstrekt niet
laat verblinden,--kalm steekt hij de gouden beker, die hem voorgehouden
wordt, bij zich, met de woorden, dat zulks de gewoonte is bij Alexander
van Macedonië. Dan over zijn grootmoedigheid en zijn beminnelikheid. Hij
behandelt de moeder en de echtgenote van de koning van Perzië zeer goed
en neemt Roxana, de dochter tot vrouw. Vreedzaam bezoekt hij het land
der Amazonen en die betalen hem schatting. Na Porus, de koning der
Indiërs overwonnen en geveld te hebben, voert hij in alle vormen een
briefwisseling met diens schoondochter Candace, die hem geschenken doet
toekomen en in 't geheim zelfs zijn portret laat schilderen. Alexander
komt er later toe haar hulp te verlenen tegen de vijand, en daar hij
de dood van Porus op zijn geweten heeft, durft hij zich niet anders
dan vermomd naar diens rijk op reis begeven, waar hij zo de residentie
van de koningin bezoekt; maar zij herkent hem door zijn portret, doch
verraadt hem niet aan haar hovelingen en ontvangt hem vriendelik. Overal
is Alexander de dappere krijgsman, maar nog meer de verstandige, slimme
veldheer en nog 't allermeest de geestige, galante, edelmoedige vorst.
Maar ook is hij de personificatie van de onverzadigbare drang naar
onderzoek en de onverschrokken lust naar avonturen. Wat de ouden in hun
wildste fantasie voor vreemds hadden wensen te zien, is in de tochten
van Alexander verpersoonlikt. Dieper en dieper dringt het leger Azië
binnen en de wonderen worden steeds groter. Daar zijn allerlei
merkwaardige mensen en dieren; b.v. de ichthyofagi, een bron waarin men
dode vissen dompelt waarop ze weer levend worden, eilanden in de zee die
plotseling duiken en zo enorme vissen blijken te zijn, sprekende bomen
op de zon en de maan. Op een berg, door een muur van saphir omgeven,
komen Alexander en zijn mannen in een prachtige tempel, waar allerlei
vreemde dingen te zien zijn: een karbonkel verlicht de ruimte, een vogel
uit een gouden kooi roept hun waarschuwende woorden tegen, op een
vergulden ligbank rust een in zijde gekleed persoon met een gesluierd
gezicht. Niettegenstaande de waarschuwingen wil Alexander de vogel en de
karbonkel grijpen, maar nu begint de man op de rustbank zich te bewegen,
en terwijl Alexander steeds nog kalm zijn verschrikte volgelingen
uitnodigt plaats te nemen en te gaan eten en drinken, barst er nu op
eens een verschrikkelik onweer los en hoort men een hels lawaai van
fluiten en pauken en cymbalen,--de gehele berg begint te roken en
ijlings vluchten allen. Alexander daalt zelf in een glazen klok op
de bodem van de zee neer om de diepte na te sporen en hij laat een
vernuftig mechanisme maken waardoor hij zich met behulp van gebonden
griffioenen in de lucht op kan heffen om de hoogte te onderzoeken.
Dit was nu alles natuurlik net iets voor de Middeleeuwen. Maar reeds
aan het einde van de oudheid was een asceties-religieuze opvatting
op de voorgrond gekomen, voor welke die gehele geschiedenis van
Alexander niets anders was dan één groot voorbeeld van menselike
onverzadigbaarheid, ijdele eergierigheid en verwaande nieuwsgierigheid.
Met de gymnosophisten van Indië, boedhistiese filosofen, behandelt
Alexander diepzinnige vraagstukken als de kwestie welke van de twee er
eerder was: de nacht of de dag, en of er meer levenden zijn dan doden
of omgekeerd. Voor hen die in Maja en in het Nirwana geloofden, is
Alexander slechts de wereldse ijdelheid en begeerte die tot niets
leiden. En deze opvatting gaat ook op de middeleeuwse geestelikheid
over. Evenals Caesar in talrijke middeleeuwse verzen van zijn graf uit
spreekt en er de mensheid aan herinnert dat hij zich nu met een klein
plekje aarde moet vergenoegen en een steen, hij, voor wie de gehele
wereld in zijn leven niet groot genoeg was, zo vlocht de monniksgeest
episoden in de Alexander-gedichten in, die aan de parabelen van
de Talmud en het Oosten waren ontleend en die als »memento mori"
waarschuwende woorden tot de veroveraar der wereld moesten spreken.
Wanneer hij van zijn expeditie naar de bodem van de zee terugkomt, is
hij in ernstige overpeinzingen verzonken. Ook daar, bij de vissen,
heeft hij gezien dat de groten de kleinen opeten, en ook daar zitten
begeerlikheid en hebzucht aan het roer en zijn de wortel van alle kwaad.
Een andermaal hoort hij een boer van een bron vertellen die wijsheid
verleent, maar hij die begerig is, moet er niet van drinken, want voor
zo iemand wordt die een vergift dat krankzinnig maakt. Alexander beveelt
de boer terstond hem naar die bron te brengen. Op weg daarheen komen
zij voorbij een landgoed, waarover de boer vertelt dat de verkoper,
een arme edelman en de koper, een burger, in edelmoedigheid met elkaar
schijnen te wedijveren, daar geen van tweeën zich een schat van 100 ton
gouds wil toeëigenen, die men daarop begraven heeft gevonden. »Die man
is gewoon gek, die burger," roept Alexander uit, »in zijn plaats zou ik
er geen dukaat van terug gegeven hebben." Waarop de boer zegt dat hij
Alexander dan niet durft raden uit die bron te drinken en werkelik
vloeit er dan ook, als ze naderbij komen, bloed uit in plaats van
water.--Ergens anders lezen zij dat het leger van Alexander bij een
enorm gesloten kasteel komt, niets meer of minder dan het aardse
paradijs. Een paar van zijn mannen kloppen aan en eisen uit naam van
Alexander het betalen van een schatting. Nadat zij lang zijn blijven
kloppen, wordt er een klein luikje open gedaan en geeft een oud man hun
daardoor een steen, waarin een mensenoog gegrift staat. Een oude Jood
verklaart daarop aan Alexander dat die steen zo zwaar is dat al het goud
der wereld er niet tegen opweegt; maar wanneer men slechts het oog met
een weinig slijk bedekt, wordt de steen heel licht. Dat is een simbool
van het menselik oog dat door al het goud der wereld niet verzadigd
wordt, maar welks begerigheid pas niet meer opgewekt wordt, wanneer het
onder de aarde ligt. De eerste van die parabels is uit het Arabies, de
tweede uit de Talmud.
Ofschoon, de ridderlike opvatting laat zich aan Oosterse wijsheid weinig
gelegen liggen. Die houdt zich aan Alexander als hij uitroept: »ons erf
is, onder het hemelblauw, de hele aard, wat mij zo pijnlik treft en
mij zo zeer bezwaart, is dat de wereld werd gebouwd op al te eng een
rots,--God schiep te klein de aard voor mannentrots." Of aan het schone
antwoord dat de Macedoniese koning de gymnosofisten geeft, wanneer die
hem vragen waarom hij zo heen en weer trekt, ofschoon hij toch gelijk
alle andere mensen sterven moet: »Dat wordt slechts door de hoogste
voorzienigheid bestuurd, en wij zijn haar dienaren, die uit moeten
voeren wat die beveelt; de zee komt niet in beweging tenzij de wind er
over heen strijkt. Ik zou gaarne willen rusten, maar Hij die mijn geest
bestuurt, laat dat mij niet toe,"--het antwoord van een heldengeest op
de bezwaren van de burgerlikheid, die Tegnèr zo prachtig beschreven
heeft in zijn gedicht over »Alexander aan de Hydaspes". En door zijn
gehele optreden protesteert Alexander ook tegen de geestelike
beschuldigingen van onverzadelike hebzucht. Porus biedt Alexander
schatten als hij, Porus, zijn rijk terug krijgt; in de antieke bronnen
neemt Alexander het goud aan, maar in de Franse ridderroman geeft hij
Porus zijn rijk voor niets terug. »Een begerig man kan nooit een rijk
veroveren, hij zal integendeel kwijt raken wat hij heeft. Indien mijne
volkeren mij lief hebben, is het vanwege mijn vrijgevigheid. Ik geef
allen wat zij hebben willen." Alexander is alleen daarom onverzadelik in
het nemen, omdat het geven een passie voor hem is geworden. Hij wordt
het voorbeeld in de middeleeuwen, van ridderlike, vorstelike »largesse".
Reeds toen hij 11 jaar oud was bedolf hij de groten des rijks zo zeer
onder zijn geschenken, dat ze zijn vader kwamen waarschuwen: »Indien hij
Heer was over de gehele wereld, zou hij die binnen 14 dagen weg geven."
Waar hij ook komt, overal deelt hij uit, rechts en links, dikwels geeft
hij zo ook het land dat hij veroverd heeft terug. Aan een jongleur die
zijn eigen liederen op de fluit akkompagneert, geeft hij een gehele stad
ten geschenke,--een antiek motief waaraan een geheel nieuwe wending
gegeven is; een andere keer schenkt hij een ridder die een kleinigheid
vraagt, een geheel land, en wanneer de ander, geheel en al in de war,
zegt dat hij liever geld en kleeren wil hebben, voegt Alexander hem
verachtelik toe: »Ik ken u niet, en het hart in uw lijf niet,--maar
zo zijn nu de geschenken welke de koning van Macedonië geeft"; (vgl.
Seneca: De Beneficiis, II, 16). Eens komt een Aziaties »baron" klagen
dat hij door zijn leenheer verongelijkt is; dadelik trekt Alexander
daarheen, hoewel zijn weg daar niet langs liep en verschaft hem recht;
een andere keer, als hij een stad veroverd heeft, laat hij zich
bewegen,--hij is immers de »bloem der hoofsheid"--door de tranen van de
schone gevangen hertogsdochter, als hij merkt hoe haar blik voortdurend
op een der mannelike gevangenen blijft rusten, ondervraagt hij ze beiden
en wanneer hij hoort dat zij elkaar trouw liefhebben, schenkt hij hun de
vrijheid en geeft een feest bij hun huwelik.
Want gelanterie tegen de vrouwen hoort meer dan iets anders tot zijn
ridderlike vorstendeugden. Het erotiese element neemt hoe langer hoe
groter plaats in. In de episode met Candace die Alexander's portret
laat maken en die door hem incognito bezocht wordt, was in de antieke
versie dat element in 't geheel niet aanwezig, daar vond men niets dan
galanterie en grootmoedigheid van twee vijanden tegenover elkaar. Maar
in de middeleeuwse roman is zij op Alexander verliefd geworden door de
roem die er van hem uitstraalde en als hij haar bezoekt, biedt zij hem
zelf onverholen dadelik haar liefde aan, die hij dan ook volop te
genieten krijgt. Met veel détails schilderen die romans dan ook het
bezoek in het land der Amazonen. Allerliefst is hoe de koningin het
leger van Alexander twee maagden tegemoet zendt, Flore en Beauté, met
geschenken en beloften van hulde. Koket gekleed--de tedere huid is door
het open kleed te zien--trekken ze op weg en zingen onder het rijden een
lied van de schone jongeling die zijn eigen schaduw in het water zag
en van verlangen daarnaar verteerde; zij komen twee van Alexander's
baronnen tegen en vragen die met hen mede naar 't kamp te willen gaan.
Onder veel plichtplegingen leiden de ridders hun paarden bij de teugels,
eerst stribbelen de jonge meisjes een beetje tegen, maar zij laten zich
toch al heel gauw een kusje ontstelen, en wanneer zij hun boodschap bij
Alexander verricht hebben--hij komplimenteert o. a. hun koningin over
de verstandige zet om zulke schone gezanten af te vaardigen--vragen de
ridders verlof aan Alexander, met de twee jonkvrouwen te mogen trouwen,
die daar meer dan bereid toe zijn. Later komt de koningin der Amazonen
zelf op bezoek, en Alexander ontvangt haar met veel praal; zij en haar
vrouwen voeren allerlei gymnastiese spelen uit en zij werpt haar
overkleed af om haar lichaam onder het spel beter te laten uitkomen.