Overal breekt men af, alles komt op losse schroeven te staan. Wanneer de
burchtheer een verre reis onderneemt, wordt op menig kasteel het land
verpand, of het gaat al vast aan de erfgenamen over of wordt aan een
voorlopige bestuurder overgedragen, de vazallenband wordt opgeheven,
huweliken worden ontbonden en de vrouwen naar het klooster gezonden, of
de vrouw die alleen achterblijft vergeet haar man en neemt een ander,
zo goed als hij op zijn tochten genoeg los vrouwvolk vindt. Ook bij
het volk lopen genoeg dwepers rond die het opstoken; ze trekken weg,
in scharen, man, vrouw en kinderen, de dorpen met elkaar, en als
sprinkhanen valt het volk in zwermen ergens anders op aan. Alle wegen
zijn vol soldaten en pelgrims, allerlei mensen vullen de herbergen die
propvol zijn, op schepen en in karavanen pakken ze zich samen, een
mengelmoes van de beste en de slechtste elementen der maatschappij
met de ergste misdadigers erbij, stromen allemaal naar het Oosten. Het
afscheid van huis legt een pathos in vele gemoederen, dat ons nog uit
de gevoelvolle liederen te gemoet klinkt waarin Provençaalse, Franse
en Duitse ridders hun kastelen en goederen, vrouw en kinderen en al hun
ondergeschikten een afscheid toe roepen; hun heimweezuchten van uit het
Oosten of van op de zee; de verlangens der achtergebleven vrouwen naar
hun »Seigneur". Elke avond luiden de kerkklokken om de thuisgeblevenen
tot het gebed op te roepen, voor hen die »over de zee" waren getrokken;
»ik zing," zo klaagt de Vrouwe van Fayel, »om mijn ziek gemoed te
versterken, opdat ik niet sterve of krankzinnig worde van verdriet,
wanneer ik niemand uit het heidense land terug zie keren, waar _hij_
is, die mijn hart doet kloppen, wanneer ik hem maar hoor noemen," en
het refrein luidt: »God, wanneer ze roepen: op ten strijd!, help dan de
pelgrims, want voor hem ben ik bevreesd; de Saracenen zijn zo wreed."
Maar, »op ten strijd! ginds over de zee,--oltrée!" klonk het refrein
van de kruistocht-marseillaise die te land en te water de scharen
achter zich aantrok. »O, kruis des Heilands, gij zijt onze mast op deze
Wereld-zee," zongen de pelgrims. »God de Heer zelf is onze Veerman, de
goede werken zijn het touwwerk en het geloof het zeil, de Heilige Geest
is de wind die ons op de rechte weg brengt en het Hemelrijk het Tehuis
waar wij zullen landen!" Allerlei onuitsprekelike narigheid en ellende
staan ze te land en op zee uit. Alle soorten van besmettelike ziekten
als pest maken hunne rijen dun, als vliegen sterven zij in hopen van
honger, en er lopen vreselike geschiedenissen van pelgrims die het
leven er in moesten houden door menschenvlees te eten; op zee maken de
zeerovers in hun galejen jacht op ze als gulzige haaien, en voeren velen
in slavernij weg; in de woestijnen van Syrië worden ze met aanvallen der
Bedouïnen bedreigd en door wilde dieren.--Wie kent de geschiedenis niet
van Godfried van Bouillon, hoe die helemaal alleen met een vreselike
beer moest vechten, en van Boudewijn die half door bloedzuigers
opgegeten werd. Maar alles is vergeten wanneer ze zo gelukkig zijn hun
doel te bereiken en ze de Heilige Plaatsen kunnen kussen, waar de voet
des Heren getreden heeft, als ze aan het Heilige Graf kunnen bidden en
water uit de Jordaan mee naar huis kunnen nemen. En de gehele atmosfeer
daarginds is voor de gelovigen in hun verbeelding van mirakelen vervuld.
Al de relikwieën die de bedevaartgangers vinden--van de heilige lans
van Longinus tot een doorn uit Kristi kroon of een druppel van zijn
bloed;--al de hemelse maar ook duivelse openbaringen waarmede de
kruistochten gepaard gaan. Plotseling komen b.v. witte ruiters het in
't nauw gebrachte leger der Kristenen ter hulp, of wel bezoekt Satan in
de gelijkenis van een slang 's nachts het leger der kruisvaarders.
Hand in hand hiermede gaat de gehele woeste strijdlust die de Europese
soldatesca op de Saraceense »honden" botviert, nu er voor hen thuis geen
plaats meer is. Met groot genoegen snijden de heren op de kruistochten
de gevangene Turken de neus en lippen af en zenden die als trofeeën aan
de Griekse keizer en toen Jerusalem ingenomen was, vlood het bloed door
alle straten en werden overal in alle kerken de mensen vermoord. En
gulzig wierp die roofgierigheid zich over alle rijke landen, »laat
ons dapper voor Kristus strijden," roept een deelnemer aan de eerste
kruistocht uit, »indien God het wil, worden wij allen rijk." Nu men dom
genoeg geweest was zich door de Griekse Keizer voor de gek te laten
houden, in plaats van Byzantium te nemen en te plunderen,--waar de
zanger der kruistochten zich eigelik hevig over ergert--nu zouden de
kamelen der Beduïnen of het huisraad en de kostbaarheden in de marmeren
paleizen het des te meer moeten ontgelden. Onder de schitterende
Oosterse zon is de kleurenpracht in de natuur zo wel als in de steden
verblindend en de gehele atmosfeer van het Oosten verwekelikt en
prikkelt alle zinnen tot genot; meer dan één ridder liet zich vangen
door de Oosterse schoonheid der Saraceense vrouwen en hun ervaren
liefdekunstjes. En al het Oosters-fantastiese waar men tot nu toe in
Europa slechts een echo van kende, dat ontvouwde zich nu vlak voor de
oogen der kruisvaarders. Hyena's en luipaarden, topazen en smaragden
met hun zeldzame toverkracht, de automatiese en mechaniese kunstwerken
waarmede de Saracenen hun woningen versierden--dat alles waar zij
thuis slechts over gehoord hadden, zagen ze nu met hun eigen ogen.
Nog vreemder waren de dingen, waar ze daar ginds over hoorden van de
landen nog meer naar het Oosten, maar waar ze zelf niet kwamen--over
het mystiese nieuwe rijk van Babylon, waar de Griekse keizer gezanten
heen heette gezonden te hebben, over het land van de »Aartspriester
Johannes", nog verder Azië in, en over het Aardse Paradijs in Indië met
al zijn rijkdom en merkwaardigheden. Een brief die de Griekse keizer van
die mystiese »Aartspriester" gekregen moest hebben en die in talrijke
afschriften over Europa verspreid werd, vertelde van de wonderen in zijn
paleis, over het graf van de Apostel dat in de lucht zweefde en over de
»fontein der verjonging". En op de tapijten die de kruisvaarders van
Syrië en Byzantium mede naar huis brachten, en die weldra overal in 't
Westen de altaren der kerken en de muren der zalen versierden, gloeiden
gele olifanten met groene snuiten de toeschouwers van een dieprode grond
tegemoet, of pelikanen die hun borst aan 't bloeden pikten om hun jongen
te voeden. Van die tapijten gingen draken en griffioenen en gevleugelde
leeuwen en alle mystiese fabeldieren van het Oosten weldra op de
portalen en de kapitelen der Romaanse kerken over.
Bij hun thuiskomst werden de kruisvaarders en pelgrims niet moe van te
vertellen, en de thuisgeblevenen konden nooit genoeg te horen krijgen.
Toen graaf Guillaume van Poitou van zijn mislukte tocht thuis gekomen
was, trok hij van slot tot slot in Zuid-Frankrijk rond en maakte zich
interessant door van zijn gevechten met de dieren van de woestijn te
zingen en te vertellen hoe hij in zijn gevangenschap daar ginds de
bewondering van alle ongelovigen had opgewekt. Ook graaf Bohemund van
Tarente trok zo rond en terwijl hij troepen aanwierf voor een nieuwe
expeditie, vertelde hij met de nodige fantasie van zijn heldendaden en
zijn avontuur met de dochter van de sultan, die op hem verliefd werd
en hem uit zijn gevangenschap bevrijdde. Jarl Ragnvald kwam met zijn
mannen, na hun kruistocht, op de Orkney-eilanden en vertelde: eerst van
de vrolike dagen te Narbonne waar de gravin Ermengarde de flinke mannen
uit het Noorden zo gastvrij ontvangen had; toen, hoe zij aan de kust
van Sicilië een enorm groot Saraceense Dromund (oorlogsschip) getroffen
hadden, dat door een reus van een neger gekommandeerd werd, en dat zo
vol was met goud en zilver, dat, toen het schip verbrandde, er een
gloeiende stroom van metaal het water in stroomde; verder over de
belegering van Askalon, het plezierige leven dat de kruisvaarders
te Byzantium geleid hadden; enz. Over alles werden de teruggekeerden
uitgevraagd en alles wat zij vertelden werd met huid en haar verslonden.
»Zeg mij nu, meester Trougemunt," heet het in een Duits lied (en
Trougemunt betekent de zeer bereisde, die vreemde talen kent), »twee en
zeventig landen kent gij; welke vogel heeft geen tong, en welke vogel
zoogt er zijn jongen?"... en op alle vragen heeft Trougemunt een
antwoord klaar, dat hij telkens met de trotse woorden inleidt: »Die
gij daar vraagt, dat is een man, die goed bescheid u geven kan."
En een hele literatuur van kronieken en reisverhalen schiet uit die
kruistochten op; de tijd voelt zich zelf merkwaardig en de wereld groot
en interessant. De verhalen die de deelnemers aan de eerste kruistocht
zelf na hebben gelaten, maken nu nog een vrij betrouwbare, nuchtere
indruk. Wij hebben een dagboek van een gewone verstandige kapelaan
uit Noord-Frankrijk, op de tocht zelf geschreven, en een verslag
van een kwezelachtige, dwepende Provençaalse monnik; wij hebben ook
een heldendicht, of berijmde kroniek, »Het lied van Antiochia" dat
reisverhalen reproduceert en verloren liederen van een zanger die
op de kruistocht geweest is en die over het algemeen zijn avonturen
schildert met hetzelfde nuchtere gevoel voor de werkelikheid en de
zelfde strijdlustige wereldlikheid die men in de oude »chansons de
geste" aan kan treffen. Maar in de latere berichten uit de tweede en
derde hand overtreft de legendariese fantasie alles en de geest die de
kruistochten zelf eerst langzamerhand kweekte, laat op zijn beurt weer
zijn eigen licht en kleurenschakering op de kruistocht zelf terug
vallen. In de geestelike kronieken--bijvoorbeeld in die rommelkamer
voor allerlei overleveringen die Willem van Tyrus in zijn werk bij
elkaar bracht--wordt het geheel tot een mirakel; God zelf voert de hele
kruistocht aan en midden in de handeling staat de legaat van de Paus als
de plaatsvervanger van Kristus; en terwijl de monniksfantasie de meest
fantastiese leugens over de wereld der Mahomedanen op elkaar stapelt,
schildert hij de kruisvaarders allemaal als even heilig-vroom en
eendrachtig in de liefde. In het bizonder wordt Godfried, koning van
Jerusalem, helemaal door de geestelike overlevering in bezit genomen en
wordt hij tot het type van wat zij een echt kristelik ridder noemen.
Zijn afstamming is in wonderen gehuld--hij stamt van de mystiese
zwaanridder af, de kiem van de Lohengrin-figuur,--dromen voorspiegelen
zijn toekomstige koningswaardigheid en zijn ganse jeugd wijdt hem voor
zijn missie. »In wapenrusting als in hertogsdos was hij een heilige
monnik."
En feitelik werd de Frankiese leenstaat die daar ginds in het heilige
land ingericht werd tot een soort geestelik koninkrijk en een kristelike
ridderstaat,--het beloofde land niet alleen voor het ridderwezen,
waar alles op oorlog en op oorlog alleen aangewezen was, en waarde
feodale maatschappij zich in een zuiverder en meer aristocratiese vorm
ontwikkelde, dan ergens elders in Europa, maar ook voor de Klerus zelf,
waar de gehele geest ìn en ìn kristelik was. Hier had eerst het echte
huwelik plaats van de ridderwereld met de geestelikheid--door de
oprichting van de geestelike ridderorden, de zwarte Johannieters, de
hospitaal-broeders, wier hoofdzetel mysties ontoegankelijk boven op
een berg in Syrië lag--een machtig gebouwencomplex, »welks reusachtige
pilaren en torens bestemd schijnen om het hemelgewelf te schragen"--of
nog meer de aristokratiese tempelheren in hun witte kleêren met het
rode kruis, de beschermers der pelgrims, wier residentie de »Tempel
van Salomo" zelf was. Deze geestelik gewijde ridders die in kuisheid
leefden, in een eeuwige strijd voor de Kerk en voor de zwakken en de
vrouwen, werden de ideale helden der bewegingen voor de kruistochten.
Maar op de meer wereldlike gemene man werkten de kruistochten juist
in volkomen tegenovergestelde richting. Bij elke mislukte kruistocht
komt de terugslag in de vorm van een plotselinge en sterke val in de
godsdienstige temperatuur. Het bleek telkens weer dat het gloeiendste
geloof, de kerkelike inwijding, de wonderen Gods en de hulp van de hemel
de keten van de natuurlike oorzaken toch niet konden breken en het
onmogelike mogelik maken; het waren andere, natuurlike wetten die de
zegepraal of de nederlaag bestemden. De scepsis der teleurstelling
tegenover het bovennatuurlike breidt zich in vele kringen uit--bij de
troubadours zijn wij die reeds tegengekomen--en tegelijkertijd neemt de
belangstelling toe voor die grote nieuwe werkelikheid die zich voor de
blik geopend had. De werkelike avontuurlike wonderen nemen alle attentie
in beslag, in plaats van het hiernamaals. Menigeen trekt nog als
pelgrim uit, maar schrijft bij zijn terugkomst reisverhalen, kronieken,
natuurhistoriese werken, of dicht romantiese vertellingen. En de
kennismaking met de Saracenen en hun hogere beschaving, gaf een hevige
slag aan alle vooroordelen die de geestelikheid zo fanaties bij de
Kristenen had trachten wortel te doen schieten. Die afgodendienaars
waren, met hun geloof in één onzichtbare God, veel zuiverder
Monotheisten en stonden veel verder van de afgoderij, dan de kristenen
met hun heiligen- en relikwieën-cultus. En die trouweloze bloedhonden
bleken niet alleen veel eleganter en ridderliker te zijn dan de
kristen-baronnen, maar in hun praktiese mensenliefde--die de hospitalen
en herbergen duidelik genoeg deden uitkomen--, in hun grotere
verdraagzaamheid, hun rechtvaardigheidsgevoel en hun vorstelike
grootmoedigheid, kwam een Nureddin of Saladin al heel gauw voor vele
kristen-ridders meer of minder bewust, als een schitterend voorbeeld
ter nabootsing te staan. Ginds in die Frankiese Staten van Palaestina
en Konstantinopel had er een vermenging plaats, een »commercium et
connubium" tussen kristenen en ongelovigen of Grieken, die op Europa
terugsloeg en in vele adelskringen en onder de kooplieden vormde zich
onbewust een zuiver humane moraal van menselikheid, ridderlikheid en
eer, die uit de voogdijschap der kerk weggleed. Meer als iemand anders,
werden de strijders der kerk, de tempelheren zelf, zo als bekend is
door die >skepsis< en het humanitarisme aangegrepen die daar in het
kristelike Oosten in de lucht lagen. En thuis komt een emancipatie van
de kerk duidelik te voorschijn in de nieuwe ridderpoëzie, waarin het
weldra even goed mode wordt om tegen de vrome huichelarij en de
zwartrokken te velde te trekken als om de »edele Saracenen" en »le
courtois Saladin" te prijzen.
Voorlopig zijn het nu de oude »chansons de geste" en in Duitsland de
oude nationale heldensagen die daardoor gemoderniseerd en aktueel
gemaakt worden, doordat er allerlei kruistocht-motieven ingevlochten
worden. Reeds vóór de eigelike kruistocht hadden de pelgrimstochten en
de verbindingen met Byzantium het vermakelik avontuurlike epos in de
wereld gebracht dat »Karel de Grote's reis naar Jerusalem" heet. Daarin
trekt Keizer Karel met zijn Paladijnen op reis om te zien of Keizer Hugo
van Konstantinopel werkelik een machtiger en prachtiger vorst is dan
hij zelf. Eerst komen zij te Jerusalem waar men hen voor Jesus en zijn
twaalf apostelen houdt; God doet wonderen voor hen en de patriarch
schenkt Karel heilige relikwieën; daarop trekken ze naar het Griekse
keizerhof, waar de Franken de hovelingen door hun optreden imponeren en
nog meer wanneer ze werkelik trachten uit te voeren wat ze voor de grap
en in dronkenschap hebben gepocht dat ze doen konden,--en het eindigt
dáármede dat Karel en zijn helden in glans en glorie naar huis trekken,
nu hun superioriteit zo duidelik gebleken is. Nu in de 12de eeuw wordt
een avontuurlike tocht naar de even avontuurlike landen der ongelovigen
een geliefkoosd en het meest aktuele tema voor de heldendichten. Zo
wordt Karel de Grote b.v. als jonge koningszoon door zijn onechte
broeders op zij gezet en vlucht naar de koning der Saracenen te Toledo,
door wie hij tot ridder geslagen wordt, waar hij heldendaden uitvoert en
Galienne, koningsdochter en tovenares, op hem verliefd wordt. Huon van
Bordeaux wordt door de Franse koning op een gevaarlike reis naar Babylon
gestuurd: daar moet hij het kasteel van de »Amiraal" binnendringen, voor
diens ogen een zijner mannen neervellen, diens dochter drie kussen geven
en verder de baard van de admiraal afknippen en die met drie van zijn
kiezen naar het Franse hof brengen,--wat hij alles weet uit te voeren
met de hulp van de Wonderhoorn van de kleine Alfenkoning, Oberon, zowel
als van de heidense koningsdochter met wie hij, na vele beproevingen
doorstaan te hebben, naar huis trekt. Even amusant en romanties
vertellen een hele reeks Duitse speelmans-gedichten, die in de 12de eeuw
aan het Beierse hof werden voorgedragen, van de tochten naar het Oosten
van de Duitse vorsten: Koning Rother die de dochter van Keizer
Constantinus schaakt--door een list wordt zij hem ontroofd, maar hij
krijgt haar terug; Koning Orendel die van Trier naar Jerusalem zeilt om
de koningin daar het hof te maken en die na een lange Odyssee en hevige
gevechten met de heidenen, ten slotte met de hulp van hemelse mirakelen
zijn tocht gelukkig ten einde brengt; Hertog Ernst die naar het land
der Kraanvogelmensen komt en dat der dwergen, naar de Leverzee en de
Magneetberg; de kruisvaarder Graaf Rudolf, die met de andere Franken
twist krijgt en dan naar de Saracenen overloopt en die onder allerlei
zware beproevingen in aandoenlike trouw door een Saraceense begeleid
wordt die hem liefheeft en zich ten slotte laat dopen om dan met hem te
trouwen. Deze laatste vertelling is uit het Frans en heeft duidelik een
gelijktijdige historiese gebeurtenis ten grondslag, maar anders zijn
vele van deze gedichten oude Germaanse sagen over een gevaarlike tocht
van een held om een vrouw te zoeken, alleen gemoderniseerd door ze in de
atmosfeer der kruistochten over te planten.
Zo ontstaan er in de tijden der kruistochten allerlei liederen en
geschiedenissen in alle talen van een echtgenoot die lang buitenslands
geweest is en reeds voor dood wordt versleten, maar die dan juist
terug komt de dag waarop zijn vrouw met een ander bruiloft houdt. Dit
patetiese motief is blijkbaar een weerspiegeling van een werkelike
gebeurtenis; maar meer dan eens zal het ook het oude motief zijn van
iemand die uit het dodenrijk terugkeert, dat nu een werkelikheidskleed
aangetrokken heeft en in de atmosfeer der kruistochten gelokaliseerd is.
Daar hoort b.v. het Anglo-Franse heldengedicht van Horn en Rimel bij,
de Engelse roman van »Koning Horn", de Duitse sagen en gedichten van
»der edle Möringer" en het Deense volkslied van Hendrik van Brunswijk.
Ook het omgekeerde motief heeft zich dikwels genoeg gedurende de
kruistochten voorgedaan: de echtgenoot die in het Oosten een Saraceense
gehuwd heeft b.v. uit dankbaarheid dat zij hem uit de gevangenschap
verlost heeft, en die haar nu naar zijn burcht brengt, waar de vrouw--in
elk geval in de geschiedenis van Baron v. Gleichen en zijn twee
vrouwen--er grootmoedig in toestemt haar man met haar te delen.--
Dit is nu de direkte werking van die romantiek, maar de ridderromantiek
wortelt ook dieper in de tijden der kruistochten. Een der deelnemers
vertelt hoe het leger der kruisvaarders door Syrië trok: Fransen,
Vlamingen, Beieren, mannen uit Bretanje en Provence, Engelsen, Schotten,
Italianen, Spanjaarden en Grieken. »Als een Brit of een Duitser zich tot
mij wendde, verstond ik hem niet en kon ik hem niet antwoorden. Ons
verdeelde de verscheidenheid van de talen, maar de liefde tot God en
onze naasten schiep weer broederschap tussen ons." En zo is de gehele
tijd der kruistochten zulk een elkaar ontmoeten der volkeren, en der
verschillende kulturen. In het Anglo-Normandiese rijk dat Willem de
Veroveraar en zijn opvolgers aan beide zijden van het Kanaal geschapen
hadden, komen Fransen en Angelsaksen en Britten samen en leren elkaars
kultuur kennen. Noord- en Zuid-Frankrijk ontdekken en verrijken elkander
in dat opzicht. Byzantium en het gehele Oosten van de landen van de
Islam openen zich voor goed voor West-Europa. En juist dan is het ook
dat de geesteliken ijverig de bijbel en de legendenschat tot volkspoëzie
omwerken, terwijl bovendien de nieuwe scholen en de kruistochten de
klassieke literatuur voor meer dan één ontsluiten. Al die bonte stof
die de tijd van alle kanten in zich opneemt, wordt met de stevigste
appetijt opgenomen en ingezogen. Wij lezen van een Vlaams graaf, wiens
grote genot was zich te omgeven met mensen »die hem sprookjes en sagen
vertelden en verhalen uit de oude tijd deden. Als zijn vertrouwde vriend
naar wien hij graag luisterde, had hij een oude ridder bij zich, Robert
de Coutances, die hem vermaakte door wat hij over de Romeinse Keizers
wist te vertellen en over Karel de Grote, over Roland en Olivier en
Arthur, de Koning van Brittanië; verder Philip van Montjardin, die hem
van de verovering van Jeruzalem vertelde en de belegering van Antiochië
en de gebeurtenissen in het Oosten, en zijn neef Gautier de Cluse,
die Engelse geschiedenissen kende, die van Gormund en Isembart en van
Tristan en Isolde en van Merlijn en van Marcolf." En in de dichterlike
fantasie dier tijden voeren al die bonte voorstellingen een grote
heksensabbat op. Zo men de romantiese geestestoestand--in tegenstelling
met de klassiek-harmoniese--beschrijven kan als een, waarin de rijkdom
der stof en zijn menigvuldigheid de eenheid der ziel in tweeën splijt,
dan is de mentaliteit van de 12de eeuw meer romanties dan die van alle
andere tijden. De gehele nieuwe stof en de nieuwe gevoelstonen, die uit
de meest verschillende tijden en kulturen zich daar over uit storten,
smelten in gelukkige ogenblikken werkelik samen--het antieke en
het kristelike, het Oosterse en het Keltiese--tot nieuwe levende
fantasie-gewrochten, nieuwe, vreemde, gemengde gevoelens, maar nog meer
worden er zo slechts disparate elementen overal vandaan tot barokke
alliages samengesmolten of schilderachtig-bont naast elkaar geplaatst.
Hector gebruikt het schild van Samson en heeft de helm van Arthur op,
zijn zwaard is gesmeed door Wieland en gehard door »Heer Vulcanus".
Moet iemand geprezen worden, dan is hij altijd sterk gelijk een Samson,
schoon gelijk Absalon, wijs als Salomo, mild als Alexander, prachtig als
koning Arthur, en een tovenaar als Virgilius of Merlijn. Tydeus--een
van de »Zeven voor Thebe"--is waardiger de kroon te dragen dan
Nebukadnezar, en de oude Otto, de raadgever van de Thebanenkoning, is
een neef van Plato.
En verder: zo, in tegenstelling met de helder de zaken beschouwende,
rustige, kalme klassieke geestesrichting, de romantiese geestestoestand
beschreven kan worden als een toestand van innerlike onrust en spanning:
een opgeschrikte, opgehitste fantasie, een sterk gespannen, golvend
gevoel van verwachting, twijfel, ontbering, verlangen, dan is het
bewustzijn van de tijd der kruistochten romantieser dan dat van enige
andere tijd. Voor de rondtrekkende troubadour en de ridder op een
kruistocht, voor de leeslustige geestelike of voor de Vlaamse graaf,
waar wij juist van hoorden, moest de wereld zich in wijde, vage
horizonten aftekenen, in schemerend, onzeker half-licht,--verwondering
wekkende en verwachting, verlangen en wensen, voorgevoelens en
dromen. Alles wat vreemd was, stond als in een afstand-mist maar ook
afstand-glans, men trachtte er bij te komen, maar kwam er maar half
bij, poogde het te vatten en vatte toch maar de helft. Een geestelike
probeert zich tot de hogere beschavings-sfeer van Virgilius en diens
personen op te heffen, wil fijn zijn en waardig en klassiek, maar
wordt slechts pedant, geaffekteerd en gekunsteld, en plotseling, in
een onbewaakt ogenblik, waar de dichter natuurlik is en zich zelf,
verraadt hij opeens op de vermakelikste manier het naïeve en ruwe
kultuurstandpunt van zich zelf en zijn publiek. Een ander haalt Keltiese
sagen en mythen voor den dag of roept de antieke goden en godinnen op;
maar Diana is een jagende vorstin, Echo een koningsdochter, Argus een
honderd-ogige reus, aan wie een koning de taak op draagt een koe te
bewaken, terwijl een ander die zeer op de hoogte is van de muziek graag
de koe zou willen hebben... en evenzo wordt het Keltiese land des doods,
waar de koningin door de Doodsgod heen gevoerd is, slechts als een
naburig rijk opgevat, welks koning haar geschaakt heeft. Maar toch--dat
naburig rijk heet »het land waar men nooit uit weer keert" en een zekere
mist of glans van iets bovennatuurliks, ligt er voor de dichter over
Keltiese zowel als antieke mythen; hij voelt dat er iets anders
achter en onder steekt, dat alle gebeurtenissen en personen en namen
een dubbele betekenis hebben, een wijder perspektief, waar ze op
uitkijken--wat de toehoorders dikwels ook tegenover onze heldenliederen
gevoeld hebben als die van Sivard en Brynhilde, en van Ribolt en
Guldborg.
Dat tweeledige en dat perspektief--die afstand welke slechts het
verlangen opwekt en de barokke disharmonie tussen stof en behandeling,
voorbeeld en navolging--geheel die menigvuldigheid van voorstellingen
en tonen... dit alles is het juist wat uitgedrukt wordt door het woord:
Romantiek.--
XI.
DE ALEXANDER-ROMANS.
Heel natuurlik werden de figuur en de geschiedenis van Alexander de
Grote het eerste dat tot ridderromans omgewerkt werd. De geesteliken
hadden reeds lang Latijnse ridderromans gekend en nu begon de wereld der
kruistochten om verschillende redenen voor de avontuurlike tochten van
Alexander belangstelling te voelen en die te begrijpen.