nationale heldendichten ter hand te nemen en die tot kronieken te
latiniseren of tot een stukje Virgiliaanse epiek. Er kwamen op die
manier hoogst merkwaardige produkten tot stand. In het klooster te
St. Gallen zat er reeds in de 10de eeuw een jong geestelike die als
Latijnse stijloefening een der schoonste Duitse heldendichten--dat
van Walther en Hildegunde--tot een Latijns epos in hexameters omwerkte
met zinswendingen en vergelijkingen in de trant van Virgilius, zowel
als geestelik-vrome uitbarstingen in de wild-barbaarse, heroiese poëzie
van het gedicht ingeweven. Op dezelfde manier had in diezelfde eeuw een
Franse monnik de heldendichten uit de cyclus van Karel de Grote tot een
Latijns gedicht in een hoogdravende, duistere retoriese stijl omgewerkt.
In de zogenaamde kroniek van Turpijn (begin van de 12de eeuw) zijn
verschillende »chansons de geste" tot een poëties gestemd Latijns stuk
proza omgewerkt; meer dan bij schilderingen van strijd en fiere helden,
blijft het verhaal stilstaan bij de Majesteit van Keizer Karel en zijn
hof te Aken of bij allerlei hemelse mirakelen en aardse wonderen en in
't algemeen is de toon kristelik-sentimenteel en religieus-fanaties. Een
vermakelike metamorfose heeft het Rolandslied ondergaan, dat door een
zekere priester Konraad aan het hof van de Beierse hertog Hendrik de
Trotse in het Latijn is vertaald en daarna weer in Duitse verzen werd
omgezet. Nergens kan men zo goed als hier het verschil in geest en toon
bestuderen tussen nationaal heldendicht en geestelike rijmkroniek: de
geleidelik en breed vloeiende vertellingsstijl van de laatste die niets
overslaat, niets op de voorgrond schuift; de uitvoerige beschrijvingen
der kostumes en ceremoniën, de lange redeneringen, steeds weer de
mirakelen, het verlangen der Paladijnen naar het hemelrijk en de
martelaarskroon--alles zo geheel anders dan wat in de sfeer van de
»Chanson de Roland" thuis hoort.
Zelfs waagden ze het enkele gedeelten uit de bijbel tot romantiese,
roerende en onderhoudende vertellingen om te werken, eerst in Latijnse
verzen, tot stichting der geesteliken zelf, later in de volkstaal om
het publiek van de kermissen zowel als van de kastelen tot de lezing van
vrome lektuur te brengen, in plaats van een geschiedenis als Tristan en
Isolde of van het Chanson de Roland. Een Engels geestelike vertelt, in
de 12de eeuw, hoe de speellieden de hoorders tot tranen toe bewogen,
door van de ongelukken te vertellen die de edele held Artus of Gauvain
vervolgden, maar hij vindt dat men bij het voordragen van Christi
lijdensgeschiedenis veel meer tranen zou moeten storten. Daarom prijst
Ordericus Vitalis ook een geestelike die in de kapel van een Engelse
graaf aangesteld was, en die dikwels baronnen en pages om zich heen
verzamelde en ze »een grote massa voorbeelden vertoonde van lieden
uit het oude testament zowel als uit de moderne Kristen-sagen, die
de heilige strijd aangebonden hadden", en op die manier schilderde
hij o. a. heerlik de gevechten die Demetrius en George, Theodorus
en Sebastiaan, Mauritius de hoofdman over honderd en het Thebaiese
legioen zowel als de voorname hoofdman Eustachius hadden te bestaan
om zich als »bloedgetuigen de hemelkroon waardig te maken". Men bracht
de daden der Machabaeën zowel als de schipbreuk van Jonas in rijm,
schilderde de kamp van Salomo met een draak die alle bronnen van
Jerusalem leeg dronk, en zijn schitterend hof met al zijn pracht en
ceremonieën. Vooral werden de liefdesgeschiedenissen in detail
geschilderd. Een Frans bisschop verhaalt in Latijnse verzen hoe de
dochter van Jakob geschandvlekt werd, een ander hoe Amnon zijn zuster
verkrachtte; een Duitse berijming van de bijbelse geschiedenis treedt in
allerlei bizonderheden over de liefdesgeschiedenis van Jakob en Rachel,
Sichem en Dina en vertelt gezellig, op de manier der »Brautwerbungen" in
de Duitse heldengedichten, hoe het Eleazer ging toen hij naar Nahors
toog om voor Isaak een vrouw te zoeken.
Al die aandoenlike kleine idyllen uit het leven van Maria en de
kindsheid van Jesus, waar de apocryfe evangeliën van wisten te
vertellen, werden in Franse en Duitse gedichten behandeld. In
sentimentele verzen werd ook de Passie geschilderd. Op Goede Vrijdag,
wanneer de menigte in de kerk zich voor het omsluierde kruis op het
altaar verdrong, kon het gebeuren dat de priester naar voren trad en een
berijmde versie van de Lijdensgeschiedenis reciteerde, en dat hij begon,
net als de trouvères: »Hoort mij nu allen rustig aan, en laat de mond
niet langer gaan--hoort wat ik zeg van Kristi dood..." Verder werden
alle sentimentele legenden van de genaderijke mirakelen der Madonna
allerliefst tot kleine berijmde schetsjes bewerkt. Een Latijnse
verzameling van zulke legenden vond de Normandiese monnik Adgar
in de biblioteek van de St. Paulskerk te Londen en hij begon ze in
naieve Franse verzen na te vertellen--van het Jodenjongetje dat de
Hemelkoningin uit het vuur redt, van de kankerlijder, een monnik, die
zij van haar borst laat drinken, van de zondaars die zij uit de klauwen
redt van de wereldlike rechtvaardigheid, zowel als van de duivel. En zo
zijn er anderen die de Heiligen-legenden van hun bloemrijke, gezwollen
stijl ontdoen en die wonderbaarlike en roerende geschiedenissen in een
gewone, lichtbevattelike stijl de leken aanbieden.
Juist in de 11de eeuw stroomden er van Oost en West de meest fantastiese
en sentimentele legenden Europa binnen. Van het Westen--uit de oude
kristelike kerk der Kelten in Ierland en Engeland--haalden de
Noormannen, na de verovering van Engeland, verschillende legenden
die doortrokken waren van het avontuurlik-fantastiese van een
zeevaarders-natie en met een aan dat ras eigene romantiese, onstoffelike
mystiek. St. Patrick, St. Columbanus, de Heilige Brigitta--of hoe al
die Keltiese heiligen heten--zijn als door een atmosfeer van mystiek
omgeven; zij hebben visioenen en horen stemmen, de natuur spreekt tot
hen, profeties kijken ze de toekomst in, een tijdlang worden zij zelfs
in het Hiernamaals overgebracht en weten dan, bij hun terugkomst, de
merkwaardigste dingen te vertellen, over de vurige helmond--en de zwarte
vogels die klagend in het vuur rondfladderen, over de brug, scherp als
een mes, die over de afgrond voert, over het verblindende licht en het
zoete gezang dat de bezoeker uit Gods eigen huis te gemoet stroomde.
Herinneringen aan de openbaring van Johannes hebben zich klaarblijkelik
in deze visioenen met heidens-Keltiese myten vermengd. Of de legenden
vertellen van de avontuurlike zeereis van de Ierse heilige Brandanus
naar de woonplaatsen der zaligen en der verdoemden,--legenden die
samengesmolten schijnen uit herinneringen aan oude Keltiese zeevaarders
en Indies-Oosterse reisverhalen.
Uit het kristelike Syrië en Aegypte kwamen er omstreeks het jaar 1000,
waarschijnlik over Byzantium en Zuid-Italië, een hele massa legenden,
ontstaan uit de vurige en grenzenloze verbeeldingskracht van het
Oosten: verhalen van de gruwelikste misdaden en de meest geraffineerde
boetedoeningen, van daemonen en toverij, van de merkwaardigste
ondervindingen, de smartelikste beproevingen, de wonderbaarlikste
zelfopofferingen--van Theophilus die een verbond met de duivel aangaat
en de zwarte kunst leert; van St. Gregorius die--evenals Oedipus in
de oudheid--zonder het te weten met zijn moeder trouwt en die na het
hevigste berouw het tot Paus brengt; van kuise schone jonkvrouwen die
in hun onschuld en vroomheid de wapenen vinden om de draken des duivels
te overwinnen, van het jonge meisje dat haar bloed geeft om de zieke
koningszoon te genezen, over de zelfvernedering van berouwhebbende
zondaressen; van de heidense prins Joasaph die, van alle nood en
ellende in de wereld afgesloten, in een kasteel opgroeit, vol van alle
heerlikheden, maar die toch door het een of ander toeval een begrip
krijgt van wat ziekte, armoede en dood betekent en die daardoor zo in
zijn binnenste geschokt wordt dat hij vlucht en bij een kluizenaar,
Barlaam terecht komt die hem tot het Kristendom bekeert.
»Barlaam en Joasaph" is aan Syriese en Griekse romans ontleend, die
het verhaal weer uit Indiese Buddha-legenden hebben. Lang vóór de
kruistochten was veel van de rijke vertellings-literatuur van Byzantium
en het Oosten naar Europa overgebracht en door geesteliken in het Latijn
vertaald. De voornaamste stapelplaats waarover die uitvoer plaats had,
was ongetwijfeld Zuid-Italië, dat nog half Grieks was, maar waar
eerst de Saracenen zich nestelden, maar later de Duitse keizers hun
heerschappij trachtten te bevestigen en waar eindelik de Noormannen in
de 11de eeuw een rijk stichtten. Bij de geestelikheid en de adel was er
uit de dagen der oudheid nog een niet geringe beschaving blijven bestaan
en het voortdurende zich met elkaar mengen der volkeren bracht ook een
grote kultuurinvloed op elkaar mede. De Hertogen van Napels zonden in
de 10de eeuw de Aartspriester Leo met een missie naar Byzantium en daar
verzamelde hij gedurende zijn verblijf alle boeken, en zo bracht hij
o. a. een Griekse vertelling over Alexander de Grote mee naar huis, die
hij later ten pleziere van de voorname Zuid-Italiaanse kringen, in 't
Latijn vertaalde. Via Byzantium werd waarschijnlik ook wel de roman
»Van de zeven wijze meesters" bekend--de geschiedenis van een prins
wiens stiefmoeder hem eens vergeefs tracht te verleiden en hem daarna
bij de koning aanklaagt; nu vertellen zeven wijzen elk op hun beurt
een geschiedenis die alle daarop neerkomen hoe gevaarlik een overijlde
bestraffing is, terwijl de geslepen koningin verhalen doet met een juist
tegenovergestelde tendens. Deze vertellingen gingen met de omlijsting
die ze zo op Oosterse wijze samen bond, in verschillende versies heel
Europa door; ze vertelden van de verwonderlike scherpzinnigheid der
wijzen en de vindingrijke slimmigheid der vrouwen waar het er op
aan kwam hun echtgenoten te bedriegen, of wel hoe merkwaardig het
noodlot met de mensen speelt. Uit Arabië kwam ietwat later de bekende
verzameling van anekdoten en dierfabels die »Kalilah en Dimnah" heet;
die werd eerst in het Hebreeuws vertaald en daaruit door een gekerstende
Jood, Johannes van Capua, in 't Latijn.--Behalve Zuid-Italië is ook
Spanje een brug tussen het Oosten en West-Europa. Daar woonde een andere
bekeerde Jood, Petrus Alphonsus, die ongeveer in het jaar 1100 een
reeks, grotendeels aan 't Arabies ontleende anekdoten en zedelike
vertellingen in één Latijns boek bijeen bracht, dat hij »Disciplina
Clericalis" noemde: het handelt over een vader die zijn zoon
levensregelen geeft welke hij met talrijke geschiedenissen illustreert.
Uit 't Oosten is hoogstwaarschijnlik ook het motief van de
»vriendschapsproef" gekomen; reeds vóór het jaar 1100 was het voor de
geesteliken in veel Latijnse versies behandeld geworden, die later van
grote betekenis voor de dichtkunst der Middeleeuwen zouden worden. Het
zijn geschiedenissen van een sentimenteel elkaar trachten te overtreffen
in grootmoedigheid en zelfopoffering, over het ten toon spreiden van
grote scherpzinnigheid en een merkwaardig spel van 't lot--allemaal in
de Oosterse dichtkunst zeer geliefde motieven. Iemand merkt dat zijn
vriend op zijn vrouw verliefd is en staat haar grootmoedig aan hem af.
Soms gaat dit zo in zijn werk, dat de echtgenoot niet dan na de stil
versmachtende vriend zéér slim op de proef gesteld te hebben, hem zijn
geheim ontlokt; hij vat de hand van de zieke terwijl hij alle vrouwen in
huis eén voor eén voorbij het bed laat gaan, als zijn vrouw passeert,
merkt de man dat zij het is, voor wie de zieke zucht. Later krijgt
de vriend gelegenheid zich op zijn beurt op te offeren, de vroegere
echtgenoot komt dan b.v. in levensgevaar, hij is van een zekere misdaad
beschuldigd en juist zal hij naar het schavot gevoerd worden, wanneer
de andere er bij komt en alle schuld op zich neemt. Of wel hij wordt
melaats en kan alleen gered worden door een bad in kinderbloed; de ander
bedenkt zich geen ogenblik en doodt zijn eigen kinderen om de vriend
te redden. In meer dan een tekst lijken de twee zò sterk op elkaar dat
de een de ander daardoor uit een gevaarlik avontuurtje redden kan.
Die staat n.l. in liefdesbetrekking tot de koningsdochter, maar wordt
verraden; nu moet hij door een Godsoordeel zijn onschuld bewijzen;
zijn vriend neemt zijn plaats in en natuurlik valt het oordeel nu te
zijnen gunste uit. In verband hiermede moet de een ook tegenover de
koningsdochter de rol van zijn vriend op zich nemen en omgekeerd deze
die van de echtgenoot tegenover zijn vriends vrouw, maar beiden houden
zich zo trouw aan hun vriendenplicht dat niemands recht daarbij gekrenkt
wordt. Het hartroerende, gevoelvolle in deze motieven hebben de
geesteliken reeds in de 11de eeuw in Latijnse verzen, met de nodige
retoriek en sentiment ontwikkeld. Helemaal romanties is het dat,
wanneer de echtgenoot zijn vrouw aan zijn vriend heeft afgestaan en zij
wegtrekken, hij dan zelf aan de oever ze na blijft staan turen, terwijl
hij op zijn guitaar tokkelt en ze elegies klagend achterna zingt; hij
hoort de echo zijn woorden herhalen en wanneer hij ze uit het oog
verliest, slaat hij zijn guitaar in splinters.
Een andere in de geestelike wereld zeer verbreide vertelling was de
klassieke roman van Apollonius van Tyrus. Die werd in de 3de eeuw
geschreven, waarschijnlik oorspronkelik in het Grieks, maar reeds
vroeg in 't Latijn vertaald door iemand die nog heiden was; reeds
ten tijde van Karel de Groote heeft men in Franse en Duitse kloosters
handschriften van de Latijnse vertelling gehad en in de volgende eeuwen
kan men de roman zich in talrijke nieuwe afschriften verder zien
verspreiden. In de 10de eeuw vinden wij de stof in Latijnse hexameters
bewerkt, later gaat die in de Latijnse verzameling van verhaaltjes, de
»Gesta Romanorum" over, en reeds in de 12de eeuw zijn er Provençaalse en
Franse bewerkingen geweest. De oude vertelling had allerlei romantiese
motieven in zich opgenomen, die in het Oost-Romeinse rijk aan het einde
van het klassieke tijdperk verbreid waren: Een koning staat in een
onnatuurlike verhouding tot zijn dochter en om de vrijers kwijt te
raken, legt hij hun een raadsel voor. De wijze en voorname Apollonius
lost het raadsel op. Maar daar dat juist een bekentenis van de
bloedschande inhoudt, wordt hij, verre van de hand der prinses te
krijgen, meer dan ooit door de koning vervolgd. Hij moet uit Tyrus
vluchten, zwerft op de Aegeïsche zee rond, trouwt met een andere
koningsdochter, bij wie hij een dochter krijgt. De familie raakt door
een storm op zee van elkaar en alle drie hebben de merkwaardigste
avonturen te doorstaan. De dochter komt in een bordeel terecht, maar
zij weet haar kuisheid en onschuld te bewaren, de echtgenoote wordt
priesteres in een tempel, Apollonius zwerft oud en droevig om op zoek
naar vrouw en dochter die hij dan ook eindelik vindt en herkent. Al deze
in die tijd zeer bekende motieven heeft de oude schrijver samengeweven
om ze als grondslag te gebruiken voor uitvoerige schilderingen in de
trant der Sophisten en rhetoren: nu eens een storm op zee en een overval
door zeerovers, dan eens hoffeesten en godsdienstige ceremoniën; hier
horen wij van een jongeling, die van liefde verteert, daar van een
meisje dat door tranen of roerende smeekbeden een barbaar vertedert
die haar kuisheid belaagt,--vol van lange redeneringen en klachten,
vertwijfeling en herkenningsscènes.
Men begrijpt welk een enorme aantrekkingskracht zulk een roman had
voor de Middeleeuwse geestelikheid. De afwisselende, avontuurlike
gebeurtenissen te land en te water; de verschillende zinnen-prikkelende
onderwerpen--bloedschande en bordeelscènes--; de medelijden-verwekkende
ellende, roerend verdriet en aandoenlike vreugde; bewonderenswaardige
kristelike deugd, door boosheid vervolgd. In stof zowel als in geest was
er daarin veel dat verwant was aan de kristelike legenden. En bovendien
voerde die roman de lezers in de gehele antieke civilisatie in: de
omgang in de kringen van een koningshof zowel als de gehele geestelike
habitus van de optredenden, hun manier van zijn en van spreken, wees op
een oude hoogstaande kultuur.
Uit die van alle kanten toestromende stof poogden ten slotte de
geesteliken zelfstandige romans samen te stellen. Een zeer merkwaardige
vertelling in Latijnse hexameters, in de 11de eeuw geschreven door
een Beiers geestelike, is ons in fragmenten overgeleverd. »Ruodlieb"
verhaalt van een aankomende ridder die de wereld in trekt, en bij een
bezoek aan een koning twaalf raadgevingen mede krijgt, en het vervolg
van de geschiedenis toont nu hoe nuttig die waren en hoe alles misloopt
als ze niet opgevolgd worden. Het idee van die raad die door een hele
reeks avonturen zijn goed recht toont, stamt duidelik uit het Oosten,
waar die meer dan eens in de literatuur te vinden is; dat is juist een
van die echt-Oosterse handige manieren om verschillende geschiedenissen
tot één geheel samen te binden en levensregels in te prenten. Ook veel
van die enkele raadgevingen en vertellingen die ze illustreren, schijnen
van Oosterse oorsprong. Vanwege het exotiese-vreemde heeft de schrijver
een gedeelte van de handeling naar het koninkrijk Afrika verlegd en waar
hij kan, brengt hij de kennis aan de man die hij uit 't een of ander
medies-natuurkundig compendium geput heeft, over merkwaardige dieren of
planten. Maar vooral is hij in aanraking gekomen met de ridderwereld en
hij weet ook op de een of andere manier iets van het Zuid-Italiaanse
of Arabiese of het Byzantijnse hof, want midden in de realistiese
schildering van het naieve Beierse adelike leven der 11de eeuw, vinden
wij niet weinig trekjes van fijne »hoofse" manieren die duidelik
als voorbeeld opgesteld worden voor het publiek, tot hetwelk de
schrijver zich richt. Daar worden hoffeesten geschilderd met prachtige
klederdrachten en juwelen, de ceremoniële ontvangst der gezanten en
banketten. Na de maaltijd gaan de dames en de jonge ridders in de
slottuin naar de vogels kijken die de dames eten geven. Dan vraagt
een der ridders om een harp en geeft een stuk ten beste, waarna het
gezelschap gaat dansen; »gelijk de valk in een kring om de zwaluw heen
zweeft, zo draait de ridder om haar heen met wie hij danst, maar als hij
dichter bij komt, ontwijkt zij haastig". Een ridder en een dame spelen
met de teerling om vingerringen,--feitelik, zegt de dichter, spelen
ze om zichzelf, en of ze winnen of verliezen, ze zijn toch allebei
even gelukkig. Zij verbergen niet langer voor elkander hoezeer zij
liefhebben. Als de moeder van het meisje het maar goed vond, zouden ze
nog dezelfde dag trouwen, maar de zeden eisen nu eenmaal dat zij nog wat
wachten. Maar de jonkvrouw kan zich nauweliks bedwingen.--Elders komt
de schets van een kokette voor die achter haar deugdzame schijn een
amourette met een geestelike verbergt; zij meent een ridder in haar
netten te kunnen vangen, maar hij stelt haar brutaal te leur en aan de
kaak.
Ruodlieb zelf is het ideaal van een jonge man. Zijn dapperheid wordt
niet spesiaal op de voorgrond gesteld--ook dit wijst er op hoezeer 't
werk door het Oosten en door de geestelikheid geïnspireerd is--maar wel
zijn vroomheid, zijn goedheid en zijn beminnelike manieren. Schoon en
innig wordt zijn thuis en de verhouding tot zijn moeder geschilderd
(zijn vader is dood) en tot de ondergeschikten. Roerend is b.v. het
afscheid,--de moeder gaat hem op de verandah na staan kijken, maar
tracht haar tranen voor de dienstboden te verbergen, de knechts klimmen
op de muur om de vertrekkende nog zo lang mogelik te zien; zwaar om
het hart trekt hij zelf weg. Gevoelvol is ook in een reeks details de
terugkomst geschilderd: de knecht die in de kerseboom geklommen is om te
zien of hij nog niet komt,--de moeder die voor hem uithaalt en hem op de
erezetel wil doen plaats nemen, wat hij met de eerbied van een zoon van
zich af schuift, en dergelike trekjes meer.
Ruodlieb toont veel meer dan enig ander dokument hoezeer de geestelike
Latijnse vertellingsliteratuur de voorbode was der 12de eeuwse
ridderromans en die voorbereidde; in de tijd van de Otto's kenden
bovendien zo veel Duitse edelen Latijn dat Ruodlieb misschien ook wel
als lektuur berekend was voor de wereld der voorname leken.--
X.
DE ROMANTIEK DER KRUISTOCHTEN.
De kruistochten waren het die in de 12de eeuw 't meest op de voorgrond
traden. De gehele maatschappij en het gehele geestesleven droegen er de
stempel van: die stroom van mensen uit alle klassen der samenleving, die
een eeuw of anderhalve eeuw lang, uit Europa naar het Oosten trokken,
hetzij als een georganiseerd leger, hetzij in grote of kleine scharen
van pelgrims. En die kruistochten betekenden een grote verheffing van
het zelfbewustzijn dier tijden. Nadat de mensheid eeuwenlang moedeloos
door eigen ellende naar de oude goede tijd terug hadden gekeken,
voelden zij nu met vreugde dat er iets groots en iets nieuws in hun
leven gekomen was, en de wereld in nieuwe banen geleid werd. Zelfs in
die tijd, »nu de wereld oud geworden is",--zo laten de kroniekschrijvers
van de eerste kruistocht zich uit--zelfs nu is het gebleken dat er
dingen gebeuren die »evengoed de moeite van het horen waard zijn als
in de oudheid"--die zelfs »veel belangrijker zijn, en de mensheid tot
groter eer, dan die zuiver wereldlike oorlogen van vroeger", ja! »sedert
de schepping van de wereld en het mysterium van het kruis is er niets
gebeurd dat met deze tocht vergeleken kon worden, die een werk Gods was,
en niet van de mensen".