poëzie menige bijdrage voor de troubadours te vinden. Heel wat van de
beeldspraak die het plotseling ontstaan der liefde en haar merkwaardige
macht verklaren moeten, schijnen van het ene land naar het andere
getrokken te zijn. Dat die liefde b.v. een vlam is die plotseling
oplaait, of dat de blikken der schone als pijlen de ogen van de
aanbidders doorboren en zijn hart wonden. »Dit meisje is als een
jager--heet het in de Indiese hoflyriek--haar wenkbrauw is de boog
die zij spant, haar zijdelingse blik is als de pijl. Mijn hart is
de Antilope die zij treft". Volgens de Phaedrus van Plato zijn de
Anacreontici, de dichters uit de Alexandrijnse periode en de Griekse
romans vol van beelden over de blik die als een pijl door het glas der
ogen het hart wondt. En uit die werken gaan ze in de middeleeuwse
kerkelike verhandelingen over: »De ogen", lezen wij in zulk een stuk
van ongeveer 1100, »zijn de boodschappers van de losbandigheid. De ziel
wordt door de ogen gevangen; door hen dringt de liefdepijl het hart
binnen"; en in Latijnse gedichten twisten het oog en het hart er om, wie
van de twee de schuld is van de zonde der mensen. Of wel: de minnaar en
zijn hart worden door de oude dichters voorgesteld als gevangen en aan
banden gelegd; Amor heeft hem geschoten of is naar binnen geslopen en
heeft zijn hart geroofd en speelt er nu mee als met een bal. Al die
beeldspraak vindt men bij de troubadours terug, soms met een licht
middeleeuws tintje, als wanneer er eerst een boodschap naar de
Harte-burcht gestuurd wordt en vol vertrouwen wordt die nu voor de
vijand geopend,--maar nu kunnen ze er die niet meer uit krijgen.
Aangezien »Amor" in 't Provençaals vrouwelik is, smolt de God der
liefde Amor, bij de troubadours samen met de godin der liefde Venus.
In de klassieke literatuur zijn er schilderingen van het slot en de
tuin van Venus te vinden (bij Claudianus) en van haar zelf waar zij
op een rechtsgeding het liefdepleit beslist en het oordeel uitspreekt
(Pervigilium Veneris). En in overeenstemming met deze en dergelijke
middeleeuws-teologiese allegoriën schilderden de troubadours het Slot
der Liefde, met zijn verschillende poorten en trappen en zalen--alles
met een bepaalde allegoriese betekenis--en de Godin der Liefde zelf met
een kroon van goud en pijlen van goud en lood. Een hele beeldspraak en
mythologie der liefde is op die manier van de oudheid via de troubadours
en Petrarca als staande uitdrukkingen in de moderne lyriek der
minneliederen overgegaan.
Meer psykologies schilderen de klassieken de liefde als een ziekte. De
minnaar mist alle eetlust, wentelt zich slapeloos op zijn legerstede
heen en weer; koortsachtig wisselen bleek en rood op zijn wangen af,
warm en koud, opgeruimdheid en neerslachtigheid in zijn rusteloos
binnenste. Zo schilderen Propertius in zijn Elegiën en Ovidius in zijn
Amores, de hartstocht; zo wordt ook in de Griekse romans de verliefdheid
van de jongeling aangegeven en die van Dido bij Virgilius. En het
ongewone en het onbegrijpelike van het liefdeleven wordt door dichters
en rhetoren breed uitgemeten; hoe het beeld van de geliefde in het hart
van de minnaar nederdaalt of hoe de beide geliefden elkaar hun hart
geschonken hebben en zo elk van de beide de ander letterlik in verre
landen met zich mede draagt; hoe de minnaar als de mug is die om de vlam
fladdert, ofschoon hij zich voortdurend brandt, of haar schoonheid hem
als een magneet steeds tot zich trekt.--Al zulke motieven gaan ook in
de troubadours-poëzie over. In een rijmbrief aan zijn geliefde vertelt
Arnaut de Marueil in alle bizonderheden hoe hij 's nachts op zijn
sponde ligt te woelen, het dek van zich af gooit, op staat maar toch
weer gaat liggen... en hoe hij overdag buiten zich zelf rond loopt, de
mensen niet groet en niet antwoordt, niet wetend waar hij is of wat hij
doen zal. Zo leert de troubadour van de klassieken te trachten zich zelf
gade te slaan en te vertellen wat er in zijn ziel omgaat. En de naïeve
blik van de Middeleeuwen wordt duizelig en raakt heelemaal in de war als
hij die innerlike wereld leert kennen, waar alles zo heel anders toegaat
dan in de tastbare buitenwereld. De fantasie der Middeleeuwen, geheel
vervuld van de kristelike mysteriën, van de merkwaardige stenen en
dieren waar reizigers uit het Oosten of schrijvers van de boeken over
de onnatuurlike natuurlike historie over wisten te vertellen, vindt
in de liefde een nieuwe wereld van wonderen. En nu tracht men de
Alexandrijnse Neoplatonici in uitvoerigheid bij de schildering van de
wonderen der Liefde te overtreffen. Gelijk de maagd Maria zwanger werd
zonder dat haar jonkvrouwelike schoot geopend was, zo glijdt het beeld
van de geliefde dwars door de ongebroken ruiten van het oog in het hart.
De koude van haar ijs steekt zijn ziel in brand, gelijk men immers
brandend vuur uit het kristal krijgen kan dat uit de koude sneeuw
gevormd is. Gelijk de salamander, leeft de minnaar midden in de vlam
der liefde, gelijk het goud, wordt hij daarin gelouterd en gelijk de
basilisk van vreugde sterft, wanneer die zijn eigen spiegelbeeld ziet,
zo is met hem gedaan wanneer hij zich zelf in de spiegel van haar
blik verliest. De liefde maakt overmoedig en bang, trots en gedwee,
verstandig en dwaas; de minnaar lijdt, maar de pijn is hem zoet; hij is
ziek maar hij wil niet gezond worden; gevangen, maar hij wil niet vrij
zijn.--
Dit alles stamt in de minneliederen der troubadours uit de antieke
kultuur. Maar deze volkomen naturalistiese conceptie van de liefde
is toch bij de troubadours doortrokken van een geheel daaraan
tegenovergestelde moreel-religieuse opvatting, die met de gehele
dwepende gevoelsreligiositeit samenhangt die wij in het Europa van de
11de en 12de eeuw hebben zien opkomen.
Bewust staat de troubadourspoëzie in dezelfde verhouding tegenover
de godsdienst als de Sirventes tegenover de Kerk. De zanger zal ons
vertellen dat, als hij God maar half zo trouw was als aan zijn Dame, hij
zeker van het Paradijs zou zijn. Na haar dood is hij overtuigd dat zij
daar tronen zal, door rozen en leliën omgeven en door de Engelen met
hymnen begroet, »want dàt weten wij toch: wie de wereld prijst, prijst
ook God". Midden in een lied op de kruistochten zal de troubadour
erkennen dat hij, wat hèm zelf betreft, geen moed heeft zijn schone dame
te verlaten, en een ander, die werkelik zich heeft weten los te rukken,
zingt dat God zich wel zeer zal mogen verbazen en hem bizonder dankbaar
moet zijn dat hij om Zijnentwil dat besluit heeft kunnen nemen en
uitvoeren. En het erotiese leven der ridders stoort zich al bitter
weinig aan de kerk en haar moraal. Wanneer de bisschop van Angoulême
graaf Guillaume van Poitou een opmerking maakt over zijn uitspattingen,
wordt hij vrij cynies op zijn plaats gezet.
Maar per slot van rekening zijn de minneliederen der troubadours diep
doordrongen van Kristelikheid. Evenals Ovidius de liefde als een kunst
leerde uit te oefenen en daar praktiese regels voor gaf, zo had het
Kristendom zich aangewend, alles in het leven aan een morele behandeling
te onderwerpen. Voor de ware kristelike opvatting mocht niets natuur
zijn en zijn natuurlik leven leiden, alles werd van uit het standpunt
beschouwd van deugd of ondeugd, en werd geschoold, gedresseerd volgens
de idealen der moraal. Zo werd ook de liefde door de geestelik gevormden
onder de troubadours tot een morele plicht gemaakt en een deugd en werd
die gevormd en gekleurd in de kristelike geest.
Wel is waar was er ook voor de Kerk een gapende afgrond tussen de
kristelike caritas en de amor dei aan de ene kant en de voluptas of
libido, de geslachtsliefde, aan de andere. Maar dat er in alle hogere
liefde een machtig element zit van die zelfopoffering en van een zich
met alle gevoelens geven,--iets dat voor de religie der liefde als
het eerste en het hoogste staat wat men in de mens wekken moet, dat
kan door geen theologie weggecijferd worden. En overal waar het
gevoel in het Kristendom op de voorgrond komt, zoals juist bij de
sentimenteel-smachtende richting in de tijd der kruistochten, sprak daar
de kristelike »amor" een taal, zeer verwant met die van de troubadours
wanneer die het over hùn »amor" hadden. Wanneer men bij een van de
kerkvaders zinnen leest als deze: »Niemand kan zalig zijn zonder liefde.
Diè mens is het onzaligste die tenminste niet iets bemint, buiten
zichzelf. De ware manier van beminnen is liefhebben zonder mate. Hij
die liefheeft, voelt geen moeite of heeft die moeite zelfs lief. Hij die
liefheeft, niet hij, die niet liefheeft zal beloond worden"--dan kon dit
alles even goed uit de liederen der troubadours bijeen gehaald zijn. Bij
Bernhard van Clairvaux en de Kloosterschool van de H. Victor bij Parijs
en soortgelijke Duitse mystici was de liefde tot de naaste een schrede
tot de liefde Gods en deze »Gottesminne" werd in gloeiende kleuren en
smachtende tonen geschilderd die dikwels uit de zeer aardse liefdepoëzie
van Salomo's Hooglied genomen was. Aan de andere kant verheft de
troubadour zijn aardse liefde tot een half-religieuse extase: hij
vergeet de gehele wereld in haar zoete blik, hij is dronken, niet van
wijn maar van liefde--zo zingt ook een Spaans-Arabiese troubadour--de
glimlach van mijn geliefde maakt mij gelukkiger dan als vierhonderd
engelen mij toegelachen hadden; als ik het schone lichaam van mijn
geliefde zie, geloof ik God zelf te zien en omgekeerd: Wanneer ik in de
kerk bid, zie ik U voor mij.
Gelijk de liefde van de Kristen voor God er een is van beneden naar
boven, vol van vrees en beven, vol van onderwerping en ootmoedige
aanbidding, zo is het ook met die van de troubadour tot zijn Dame.
Even verschillend van de antieke liefde van Hero en Leander of
Daphnis en Chloë of van de Germaanse opvatting als van die van
Sigurd en Brynhilde--twee geliefden die als gelijken tegenover elkaar
staan,--dwingt de liefde in de minne-poëzie der troubadours de man op
zijn knieën, de vrouw dienende en haar aanbiddend,--tegenover de trots
afwijzende of genadig nederbuigende vrouw, presies gelijk de Kerk de
krijgsman, de baron, op de knieën dwong voor de gekruisigde zoon van
de timmerman en de Moedermaagd. Evenals de Kristen, gelijk wij in het
tweede hoofdstuk zagen, bevend en schuldbewust, met gebogen hoofd voor
God staat en slechts hij die vreze voelt gered kan worden, zo zingt de
troubadour: »hij die geen vreze voelt, heeft niet uit heel zijn harte
lief" en vertelt hoe hij angstig en bevend in de tegenwoordigheid staat
van zijn aangebedene en hoe hij de blik niet op waagt te heffen of
zijn liefde uit te stamelen. Het is de minnaar een genot zich klein te
voelen: tegen over de geliefde is hij als een kind, wiens grootste
verdriet is van de moeder weggenomen te worden, een kind dat de roede
vreest; »ik moet voor haar staan en op mijn vreugde wachten, gelijk de
kleine vogeltjes op de dag wachten," zegt een Duits minnezanger. Het is
hem, als de kristen, een genot zich te vernederen. »Met gevouwen handen,
met een touw om de hals en met een bevangen hart bid ik U om genade,
o goede, genadige Vrouwe! en bid ik God van wie alles komt, om
barmhartigheid in uw ziel te storten." »Gij kunt mij verkopen of
wegschenken of mij doden,--ik ben helemaal uw eigendom." Evenzo noemen
de heiligen der Kerk zich »de slaven Christi" en als die het water
drinken waarin zij de melaatsen gebaad hebben, is dit een uiting van
dezelfde perversiteit die zich in een zachte vorm vertoont waar een
Duits minnezanger de kom leeg drinkt waarin de aangebedene haar handen
gewassen heeft. Maar waar de vrouw der Middeleeuwen lief heeft, komt
diezelfde drang tot zelfvernedering te voorschijn. Heloïse schrijft aan
Abélard: »Ofschoon de naam van echtgenote heilig heet en meer bindend,
is het mij toch altijd zaliger uw geliefde genoemd te worden, of als gij
niet boos wordt, uw boel of uw bijzit, zodat mij als ik mij zo voor u
verootmoedig, ook groter tederheid van u ten deel zal vallen... Mij zou
het dierbaarder zijn en een groter eer uw deern genoemd te worden dan de
Keizerin van Augustus." Een en ander hieruit is misschien genomen uit
de brief van Briseis aan Achilles in de Heroides van Ovidius, maar het
gevoel is echt middeleeuws overspannen. In de middeleeuwen kende men de
schone gelijkheid tussen de twee mensen niet; lief te hebben is knielen
en aanbidden. »Meesteres! ik vouw mijne handen en aanbid u," barst
Bernard de Ventadour uit.
Wat de liefde der troubadours vooral op verschillende wijzen gekleurd
heeft, is de sterk zich ontwikkelende Mariaverering, evenals die
omgekeerd ook onder de invloed der troubadours staat. Gelijk Maria in
de hymnen, wordt in hun minneliederen de Vrouw verheerlikt als de bron
van alle schoonheid en goedheid, als de Kamer der Vreugde, het Schrijn
der Eer, de Welriekende Bloem en wat dies meer zij. Ook het
schoonheidsideaal heeft trekken aan de Mariabeelden ontleend.
Van de Minnaar, gelijk van de Kristen, wordt strijd geëist,
zelfverlochening en lijden, voordat hij gehoor verdient te krijgen op
zijn smeken. Reeds Ovidius wilde het genot kruiden door tegenspoed en
beproevingen. Voor de ridder was het bovendien altijd aanlokkend, hoe
groter gevaar, hoe meer moeilikheden waren er met de liefde verbonden;
een ridder--heet het--moet vóór alles »paresse" ontgaan en strijd en
beproevingen zoeken. Nu wordt er in de kristelike geest verkondigd dat
de minnaar gelouterd moet worden en dat lijden de liefde dieper doet
worden. Het is uit het boek van Job of uit het »boek der wijsheid" van
Salomo, dat de troubadours het beeld hebben van het goud dat in het vuur
gelouterd wordt. Zij voelen zich als de martelaars der liefde, genieten
van hun ontbering en hun tegenspoeden en rekenen zich dit als een
verdienste aan; met Bernard de Ventadour zeggen ze: »Weinig heeft hij
lief die zich niet aan zwaarmoedigheid overgeeft. De schone tranen der
liefde zijn meer waard dan haar glimlach. Mijn wee is mij een zoete
pijn." Dit is het zuivere ascetiese sentimentalisme.
Gelijk de Kristen eindelik zich op de beproeving verheugt, daar zijn
verdienste in vindt, weet dat die een pant is voor een latere beloning,
zo ook de liefhebbende minnaar. Door zijn liefdesmart verdient de
minnaar de dank van »Merce",--de genade. Als de Madonna moet zijn Dame
zich ten slotte in barmhartigheid tot hem nederbuigen.
IX.
GEESTELIKE ROMANS.
Terwijl de Ridderlyriek zich zo aan de hoven van Zuid-Frankrijk
ontwikkelde, ontstond de Ridderroman langzamerhand uit de sosiale
en geestelike tijdsomstandigheden. Zijn voorganger is een Latijnse
vertellings-literatuur die in de wereld der geesteliken opbloeit en
ontstaat uit de kristelike sentimentaliteit en uit de overdreven
avontuurlike fantasie van de tijd.
In de kloosters leefden toch de geestelik het meest op de voorgrond
tredende mensen van hun tijd,--met de beste vorming en de grootste
leeslust, mensen met alle tijd tot hun beschikking, van de
morgengodsdienst tot de middag, tussen vesper en de kompleten en met
genoeg volharding in zich om grote uitgebreide folianten te schrijven.
Geheel de lange, stille dag werd er in de scriptoria en de cellen het
ene gele blad na het andere omgeslagen en kraste de ganzeveder over
het perkament. Op de boekenplanken in de leeszaal stonden de Heilige
Schrift, de kerkvaders en de legenden naast kronieken van Franse en
Duitse monniken, elk met _hun_ historie en met alles wat de wijze
klerken van Rome nagelaten hadden,--ja! zelfs kon men er vertalingen
van Griekse romans vinden of van de Oosterse wijsheid der ongelovige
Muzelmannen. Zij die Latijn lazen en schreven, hadden toegang tot al
de schatten van het menselik weten, en bronnen van onder elkaar wijd
verschillende wereldstreken en tijden--Keltiese Arthur-legenden en
Griekse liefdesgeschiedenisjes, Oosterse anekdoten en Frankiese
heldendichten--vloden nu in de tijd der kruistochten samen in de
Latijnse folianten der monniken tot een algemene Europese literatuur.
Zo kreeg de leeshonger en de dorst naar het fantastiese in het saaie
kloosterleven een bonte massa stof om op te teren. Ook langs mondelinge
weg kwam menige echo uit de buitenwereld naar binnen en werd trouw en
dankbaar opgetekend. Kloosterbroeders, teruggekeerd van de tochten
waarop zij uitgezonden waren, werden nieuwsgierig over alles
uitgevraagd, ook pelgrims kwamen terug van hun reizen, propvol van
indrukken en verhalen, menige ridder zocht op zijn oude dag een
toevlucht in het klooster en had dan veel van zijn avonturen te
vertellen, toen hij nog in 't volle leven verkeerde, verscheidene
kloosters waren ook eigelik niets anders dan een soort herberg waar
voortdurend de hoge heren met hun gevolg aan kwamen zetten. Aan de
andere kant gaat ook de geestelikheid de wereld meer en meer in, om die
door macht zo wel als door een sentimenteel-dwepend opruien te kunnen
beheersen. Onder dit alles zien wij de kronieken en legenden der
monniken levendiger worden en meer door menselike gevoelens bewogen,
maar door de fantasie gekleurd, meer roman-achtig en ze komen er nu
zelfs toe hele profane Latijnse romans te schrijven.
In plaats van vervelende droge annalen, die met even weinig geest als
gevoel, jaar na jaar de gebeurtenissen aanstippen--zonder samenhang,
zonder détails, zonder enige aandoening--groot en klein door elkander,
alles wat de annalist maar ter ore komt,--beginnen in veel dier
kronieken personen op de voorgrond te treden, gebeurtenissen worden in
dramatiese scènes weergegeven en tot geschiedenissen aaneengeregen en
de kroniekschrijver tracht deelneming te wekken, de spanning gaande te
houden en aandoening te weeg te brengen; hij kleurt en idealiseert de
geschiedenis, romantiseert, en sentimentaliseert die. In de schildering
door een geestelike uit Mainz van het leven van Hendrik IV, zien
wij b.v. de scène op de Rijksdag van Mainz waar de zoon des keizers
met gehuicheld berouw zich voor de voeten van zijn vader werpt.
De vader die zijn zoon's woorden en tranen maar al te graag
geloofde, viel hem om zijn hals, weende en kuste hem en was even blijde
als die andere vader in het Evangelie dat zijn zoon die gestorven was,
weer opstond en zo de verlorene weer terug gevonden was. In 't kort, hij
vergaf hem en schonk hem al zijn straf kwijt en zijn zoon met zachte
vaderlike vermaningen terecht te wijzen scheen hem een voldoende straf
voor zijn misdaad, want gelijk de blijspeldichter zegt: »een kleine
boetedoening is den vader voldoende voor de grote misdaad van zijn
zoon." Op die wijze ziet men die historiese scène geheel en al in
het licht van de terugkeer van de verloren zoon en van de scène bij
Terentius waar de oude vader zijn ongehoorzame zoon vergeeft; in het
licht van kristelike sentimentaliteit en antiek humanisme wordt de
scène er als één uit een roman. Even romanesk is de kroniek van de
Normandische monnik Ordericus Vitalis over de Normandiese vorsten. Het
is overal de gewone menselike kant en de anekdotiese scènes die hij
het liefst op de voorgrond zet; met bewondering schetst hij de statige
Normandiese groten met hun prachtige feesten en schildert hij de
familietwist tusschen Willem de Veroveraar en zijn zoon met de bijbelse
kleuren van David en Absalon. Volkomen als een historiese roman vormt
zich eindelik grotendeels de »Historie der Britten" van de Engelse
klerk Geoffrey van Monmouth. (c. 1135) Op het voorbeeld van de Romeinse
geschiedschrijvers, dicht de fantasie-rijke Brit uit Wales er op los:
brieven en redevoeringen en alles zet hij in een retoriese stijl en hij
schildert koninklike bruilofts- en kroningsfeesten, kerkelike ceremoniën
en vrouwen met een huid, witter dan ivoor en pasgevallen sneeuw. Koning
Uther wordt bij een banket op de gemalin van een zijner leenmannen
verliefd en verteert van liefde, totdat Merlijn, de fantastiese tovenaar
hem aan haar sponde brengt in de gedaante van haar gemaal--evenals
Mercurius Jupiter bij de echtgenote van Amfitruo bracht. Koning Lear
staat zijn rijk aan zijn dochters af en krijgt bitter hun ondankbaarheid
te voelen. Een moeder verzoent twee twistende broeders--gelijk Iokaste
tracht Eteocles en Polynices bij elkaar te brengen. Koning Arthur
vervolgt een reus die de jonge Helena geschaakt heeft en het
samentreffen met die reus herinnert in allerlei opzichten aan de strijd
van Hercules met Cacus, de zoon van Vulcanus. De 11000 schone Britse
vrouwen die schipbreuk lijden en in de handen van een wilde roverbende
vallen, zijn ongetwijfeld verwant aan de H. Ursula en de 11000 Britse
maagden die volgens de legende te Keulen de marteldood stierven. Zo
spookt ook in de fantasie van deze vindingrijke Keltiese monnik die
gehele massa stof rond waar de overlevering en de bonte boekenschat in
de kloosterbiblioteken van Wales hem mede hebben gevuld.
Maar die romantiese kronieken--die van onze Deense Saxo is een
van de prachtigste exemplaren van het soort--zouden niet achter de
kloostermuren blijven. De ridderhoven smachtten gewoon naar amusante
verhalen. Dat Geoffrey van Monmouth zijn »Historia Regum Britanniae"
schreef, is waarschijnlik aan de uitnodiging daartoe te danken door de
aartsdiaken van Oxford, van een Engelse prinses, en kort daarna begonnen
ook verscheidene Normandiese geesteliken--gelijk er zo vele aan de hoven
leefden als sekretaris of gouverneur bij jonge kinderen--het Latijn van
Galfridus in Franse berijmde verzen over te zetten, naar het schijnt op
verzoek van vorstelike Engelse dames. En gelijk een van die bewerkers,
Mester Wace, verklaart, kon men nu op die manier op alle ridderkastelen
die kronieken bij feestelike gelegenheden voorlezen, als eens een
afwisseling voor die eeuwige heldengedichten. Zulke rijmkronieken,--Wace
zowel als Gaimar, de andere bewerker van Geoffrey, hadden ook oude
Latijnse kronieken in Franse verzen vertaald--missen de deftige
retoriese stijl van de voorgangers, beschrijven de kampstrijden en
feesten der Ridderwereld met trekken en kleuren daaraan ontleend in
nog groter détail en--iets waar Gaimar uitdrukkelik opmerkzaam op
maakt--vergeten niet 's konings privaatleven en zijn
liefdegeschiedenissen breedvoerig uit te meten.
Vroeger dan deze rijmkronieken valt de Duitse »Keizerkroniek", in Duitse
verzen ongeveer 1135 waarschijnlik door een klerk aan het hof van Hertog
Hendrik de Trotse te Regensburg geschreven. Die is geheel en al van uit
een geestelik standpunt en voor een geestelik publiek opgesteld, maar
overal zijn er romantiese episodes en kleine novellen ingevlochten--met
de stof van de Romeinse geschiedschrijvers, van Duitse heldensagen,
legenden en Oosterse vertellingen. Daar hebben wij b.v. de geschiedenis
van Tarquinius en Lucretia geheel als een ridderhistorie: Vorst
Collatinus leeft in een gelukkige echt met Lucretia maar rijdt toch
dikwels in 't geheim naar Viterbo waar men toernooien houdt en vele
hoofse dames wonen. De dames van Viterbo volgen de spelen van de muren
af en de Romeinse ridders trachten zich zo goed mogelik voor te doen;
in de pauses gaan ze met de schonen een praatje maken die het gesprek
snedig en gevat blijken te kunnen voeren. Een van hen vraagt een ridder
of hij liever de volgende nacht bij de schoonste vrouw zou willen
doorbrengen of de volgende dag met de dapperste ridder vechten, en de
ridder weet, zeer voorzichtig en galant zijn antwoord zo in te richten
dat hij noch laf lijkt, noch onverschillig voor vrouwengunst. Of
wij krijgen de geschiedenis van Crescentia, half legende, half een
Grieks-Oosterse vertelling, naar het schijnt. Het is over een onschuldig
belasterde Keizerin die verstoten is en een zwervend leven leidt vol
avonturen, steeds door het noodlot vervolgd, maar die door bijstand uit
de hemel per slot van rekening weer in eer en aanzien hersteld wordt. De
stichtelike legendentoon doet ons zien dat wij ons in een geestelike
atmosfeer bevinden, maar allerlei amusante détails tonen dat de klerk
hier bij de speelman in de leer is gegaan.