zijn hulde, zijn gevoelens van toewijding en onderdanigheid van de
leenheer op diens gemalin over,--waar n.l. de vrouw zelf niet het leen
bezit. En het feodale erfrecht heeft juist ingevoerd dat de weduwen
en dochters van de baronnen hem op kunnen volgen; vele der Dames die
de troubadours bezongen, waren in dat geval: Eleanora bracht heel
Zuid-Frankrijk mee ten huwelik en Ermengarde regeerde drie jaar lang
over het graafschap Narbonne. Ten tijde der kruistochten bestuurden
de vrouwen in elk geval dikwels een leen gedurende de jarenlange
afwezigheid der mannen. Menig lied der troubadours tot lof der hoge
dames is minder te beschouwen als een minnelied dan wel als de hulde van
een onderdaan aan zijn meesteres, feitelik een soort vazallenhulde die
zich ook geheel en al in de formules van het leenstelsel beweegt. De
dame is de »domna"--domina,--gelijk de leenheer de dominus is, en de
hulde van de troubadour heet »domnei", »vrouwendienst". De ridder
knielt--als voor de leenheer--en zweert zijn dame trouw, hij wil haar
»man", d. w. z. vazal (homme lige) zijn en legt met samengevouwen handen
zijn huldigingseed af en zij schenkt hem een kus, juist wat de leenheer
doet, en misschien ook wel een ring, wat er ook dikwels bijhoort,
wanneer men een vazal met een leen bekleedt. Van nu af »dient" hij haar
en heet haar »vriend" (amico) als een tot het huishouden horende vazal,
(in het oude Rome: de klient) daartoe heette te horen; _cliënt_ is later
ook het Latijnse woord voor vazal. Daarentegen belooft zij zich als de
leenheer voor zijn trouw en gehoorzaamheid, »genadig" voor hem te tonen
en hem zijn »beloning" niet te onthouden en hij »klaagt haar aan"
wanneer hem onrecht geschiedt of zegt haar zijn dienst op gelijk een
vazal dat doet. Nog bij Wolfram von Eschenbach noemt de ridder zijn dame
»de Burchtheer van zijn hart" (Vogt) en in de Roman de la Rose wordt die
leenshuldiging in alle bizonderheden uitgewerkt. Troubadours van lagere
afkomst kwamen niet als vrije vazal tegenover de meesteres te staan,
maar bleven ook hier in een ondergeschikte positie.
En de keus voor de vrouw des huizes van het troubadourshart was niet
moeilik. Een kasteel was een soort garnizoen; de jonge lieden waren
er in de grote meerderheid en van vrije vrouwen waren er dikwels niet
veel anderen dan zij zelf,--vooral sedert men, gelijk wij zien zullen,
begonnen was de jonge meisjes van het gezelschap der mannen af te
zonderen--en zo liep zij daar rond als de vrouw van de commandant onder
alle de dienstdoende luitenants van haar gemaal, omgonsd door de hulde
en de verlangens van gans een jong geslacht. En het huwelik was toen
minder dan ooit identies met liefde. Door de familieraad van twee
adellike geslachten op touw gezet, was het eigelik niet veel meer dan
een zaakje of een politieke manoeuver: goederen die bij elkaar gebracht
moesten worden of de macht van een geslacht die versterkt moest worden
door zulk een alliance; er werd over de hand van een vrouw beschikt door
haar vader of door haar broeder, zonder dat iemand er aan dacht naar
haar wensen te vragen. Het normale motief van de man tot het huwelik was
voor zijn bezittingen een erfgenaam te krijgen opdat die niet verspreid
zouden worden. Een staande uitdrukking in de ridderroman is dan ook
deze: »en daar zijn eigendom zo groot was, nam hij een vrouw om bij haar
een erfgenaam te verwekken". De Kerk zelf erkende vier gronden om te
trouwen: »om kinderen te verwekken, om ontucht te voorkomen, om elkaar
met raad en daad te steunen en ten slotte om een verzoening te weeg te
brengen, als wanneer de groten op aarde dikwels hun dochters aan hun
ergste vijanden uithuweliken om vrede met hen te sluiten. Maar--heet het
dan verder--er zijn er die een huwelik sluiten wegens geen een van die
redenen, maar alleen om hun wellust bot te vieren, als wanneer een man
een meisje opmerkt, dat hij begeert, en hij ziet dat hij haar niet zal
kunnen bezitten zonder haar te huwen. Maar zij die alleen de lusten des
vleezes willen voldoen, begaan doodszonde en gaan naar de hel." Een
huwelik te sluiten uit liefde is een misbruik van het Sakrament, en het
is dan ook helemaal niet zoals het hoort wanneer de echtgenoten elkaar
al te zeer beminnen; dat is een beschouwing die men steeds weer tegen
komt, dat, wanneer man en vrouw meer van elkaar verlangen dan wat er
nodig is om de huweliksplicht te vervullen en kinderen te telen, dit tot
zonde leidt, zelfs een groter zonde dan liefde buiten het huwelik omdat
het een misbruik van het Sakrament is.--Onder die omstandigheden sprak
het als van zelf dat de burchtvrouwe de liefde niet zo maar terugwees
die haar overal aan het hof van ridder en troubadour tegemoet stroomde,
maar dat, al beantwoordde zij die niet geheel, zij er toch behagen in
schepte, door die warme liefdegolven en de wierook uit zijn liederen
omringd te zijn. Ook haar gemaal zal wel meer dan eens geglimlacht
hebben bij de ongevaarlike, schuchtere verliefdheidjes van de
ondergeschikten en hij zal het dus wel hebben laten gaan dat zij die
gevoelens met een kus of andere kleine gunstbewijzen aanwakkerde,--over
het algemeen was een kus of een aanhaling iets dat in 't geheel niet
meetelde als men zich maar onthield van meer positieve echtbreuk. En
bovendien, als de baron zich per slot van rekening van zijn kant niet
ontzag, zekere vrijheden te nemen, dan kon hij zich niet te recht
beklagen, wanneer zij het ook niet bij de kleine gunstbewijzen liet
blijven.
En nu zou de ervaring uitwijzen--dat was de groote ontdekking der
troubadours--dat de »aanbidding" door de jonge ridders van de
burchtvrouwe of een voorname getrouwde vrouw, welke op die wijze
niet alleen een soort gepaste hofdienst, vazallendienst was, maar ook
een meer of minder wederkerige dweperij,--dat die »damesdienst" een
allerbelangrijkste invloed had op de zeden en manieren der ridders,
ja op geheel hun opvoeding. De Zuid-Franse hoven zouden nu de gehele
opvoedende kracht van de vrouw leren kennen. Haar fijne constitutie,
haar fijne takt, haar sterke behaagzucht maakten haar maatschappelik
verreweg de meerdere van de ruwe man. In de regel was zij ook
ontwikkelder dan de man en kon zij lezen en schrijven, spelen, zingen
en dichten. En als zulke opvoedsters werkten--elk in hun kring--al de
voorname dames die het Zuid-Franse leven dier kringen beheersten; de
burchtgravin Ermengarde van Narbonne of Adelasia van Marseille of »la
comtessa fina de Provensa"; van hen kon men zeggen, zo als het ergens
heet van de Koningin van Koning Arthur: »Gelijk de leermeester het kind
onderwijst, zo leert de Koningin alle mensen en voedt ze op... Er is
niemand aan het hof die niet iets van mijn Vrouwe geleerd heeft." De
jongen leren zich te wassen en andere kleêren aan te doen wanneer zij
binnen moeten komen, onhoofse boeren-manieren af te leggen, de dames
beleefdheid te tonen, en zich gemakkeliker en gracieuser bij de
conversatie te bewegen dan het hun vroeger mogelik was. Om strijd
trachtten zij zich bij de toernooien en op de jacht op de voorgrond te
stellen, goed voor te snijden en fraai te dansen. Alles ter wille van
de dames,--gelijk een sproke het uitvoerig vertelt,--maar met een ander
vrij wat natuurliker woord in plaats van »dames". De troubadours maken
zich de verkondigers van het evangelium der civiliserende macht van
de vrouw. Het refrein van hun minneliederen is: »De dames vermogen de
onbeschaafde boeren tot fatsoenlike mensen te maken; menigeen is nu
netjes en hoofs die zonder hen tegenover een ieder lomp en ongemanierd
zou zijn geweest. Ik zelf ben door de invloed ener vrouw beleefder
en bescheidener tegen de goeden geworden, en trotser tegenover de
slechten." En de mannen krijgen te horen hoe zij de vrouwen hun eerbied
kunnen bewijzen: zij moeten niet te paard zitten en de dames te voet
laten gaan, zij moeten ze niet met slijk bespatten; bij de maaltijd
moeten ze de lange mouwen der dames ophouden, terwijl zij zich wassen;
en het is 't beste om in het gezelschap van dames onder de mantel altijd
een broek aan te hebben om door een plotselinge beweging geen aanstoot
te wekken. Naieve maar noodzakelike beginselen der kunst om dames te
behagen.
Maar in elk geval moet elke jonge ridder zich een bepaalde dame
kiezen om te »dienen"--haar kleine diensten te bewijzen, galant kleine
geschenken te geven, een, voor wie hij bij de toernooien vecht, op wie
hij verliefd moet zijn en die hij in zijn lied moet prijzen. »Hij had
een dame nodig om te dienen en trachtte er een te vinden", staat er dan
ook in de biografieën der troubadours, en in een Provençaalse roman
lezen wij hoe een jongeling nog niemand bemind heeft, maar hij leest
en weet dus dat nu de tijd voor hem gekomen is waarop het nodig is dat
hij verliefd wordt; daar hij nu zo veel van de Vrouwe van Bourbon heeft
horen spreken, kiest hij haar en gaat op reis om kennis met haar te
maken. Is dan de dame niet meer vrij, maar reeds te voren van een
dienende ridder voorzien, dan wendt zij zich tot een vriendin en vraagt
of die de haar zelf aangeboden diensten over wil nemen en dat wordt
dan--altans in een der biografiën van de troubadours--vrij gemakkelik
onder elkaar gearrangeerd;--de troubadour biedt de andere dame, die nog
vrij is, zijn diensten en zijn liefde aan.--
Maar... getrouwd met een ander moet de dame zijn, indien de verhouding
aan haar doel zal beantwoorden. Zijn eigen vrouw daarvoor te kiezen of
een jong meisje dat men misschien eens tot vrouw zal kiezen, dat komt in
het geheel niet te pas; want het huwelik waarin de vrouw maatschappelik
en ekonomies van de man afhankelik is en waarbij haar gunst haar plicht
als echtgenote betekent--kon, onder die omstandigheden minder dan ooit,
tot de vorming van de man bijdragen. En liefst moet de dame ook sosiaal
boven de dienende ridder staan; anders is de dienst de ware niet.
Voorname, hoge heren deugen daar dan ook volstrekt niet voor, wat
een der troubadours de Koning van Aragon in een strijd met tenzonen
verklaart; die willen alleen maar hun begeerten stillen en beginnen
altijd dadelik met van de dame de hoogste gunst te verlangen, zonder
zich tot een lang, ootmoedig dienen te vernederen; en zij houden ook
dadelik op zodra hun ogenblikkelike opwelling voorbij is of wanneer
ze tegenstand ontmoeten. Maar wanneer de dame vrij tegenover de
ridder staat, en boven hem, zonder enige verplichting tegenover hem,
integendeel eigelik aan een ander gebonden, zodat elke kleine gunst
een teken van genade wordt, een offer van haar kant en wanneer een
element van werkelik toegeven van haar kant gevaar medebrengt en tot
geheimzinnigheid aanleiding geeft en tot een romanties verbergen (b.v.
het gebruik van schuilnamen),--ja, dan heeft zulk een verhouding pas wat
het van zulke groote waarde maakt voor de ontwikkeling bij de mannen van
alle goede eigenschappen, d. w. z. juist dat wat de troubadours al meer
en meer opstellen als de ware ridderlike en hoffelike liefde.
Deze verhouding tussen een ridder of een troubadour en de voorname
getrouwde vrouw--een verhouding die over de gehele scala zich bewegen
kan van een gezelschapsspelletje of een gewone flirtage tot de diepste
hartstocht--moge onze tijd immoreel schijnen,--voor die tijd betekende
het een grote zedelike stap vooruit. Waar de mannen vroeger gewoon waren
volgens de opwelling van het ogenblik hun begeerte dan op de ene, dan op
de andere vrouw te werpen en terstond aan die lusten moesten voldoen,
werd de ridder er nu toe gebracht zich aan een enkele vrouw te wijden,
haar trouw te zijn en zijn begeerte om zo te zeggen, volgens haar
wensen, op rantsoen te zetten. De troubadour stelde zijn ware liefde op
in tegenstelling met het woest begeren,--met de »losengiers", waarmee
men oorspronkelik blijkbaar alleen de gewetenloze verleiders bedoelde,
die niets anders vragen dan een ogenblikkelik tevreden stellen der
zinnen (»hoe meer ze doen alsof ze u van ganser harte liefhebben, des
te zekerder is het er hun alleen om te doen u te onteren")--en met de
brutale echtgenoten--»op wat voor rechten tegenover hun vrouwen durven
die zich te laten voorstaan? Laat die zich zelf eens bekijken, met
baarden als bokken, vuil als raven, behaard als een beer, leder gelijk
en rimpelig als een buffel." Feitelik was de liefde der troubadours een
grote schrede in de richting van monogamie; zijn gevoelens--verzekert
hij ons--blijven trouw en zij zullen blijven duren; zelfs een
ongelukkige liefde wil hij niet verruilen voor een eenvoudig tevreden
stellen der zinnen bij een vrouw die hij niet liefheeft. En tegenover
hen welke die tedere verhouding profaneren en de naam ener vrouw
bezoedelen alleen om met hun »zegepraal" te koop te loopen, prijst de
troubadour: »discretie als een erezaak"; daarin ligt feitelik de charme
en het romantiese van de verhouding. Daarom zegt men dan ook dat de
dame zich nooit met burgerliken af moet geven; wanneer die mensen in de
herberg zitten, dan flappen ze er uit wat ze achter hun tanden moesten
houden. In tegenstelling met hen die dadelik het hoogste wensen,
verklaart de troubadour zich tevreden te stellen met beloften, met
een glimlach, met een handdruk (met »een draad van haar handschoen"),
hoogstens een kus, en wil hij slechts trapsgewijze en langzaam in de
gunst van zijn aangebedene stijgen. En het is juist hieraan--zegt
hij--dat men het verschil merkt tussen wat herderinnetjes en lichte
vrouwen bieden (garçonnières--femmes folles) en de geciviliseerde liefde
waarbij de vrouw met enige eigenwaarde, zelfs indien zij lief heeft,
hoogstens eerst na een tijdje en na een soort voorbereiding, zich
langzamerhand overgeeft, maar nooit in eens. Waar het per slot van
rekening op neerkomt, is de overweging die men in een roman vindt,
waar een dame ziet hoe veel moeilikheden een van haar aanbidders te
overwinnen heeft, voor hij zijn doel bereikt, waarop zij verklaart dat
dit niets erg is, want »had hij zonder moeite zijn doel bereikt, dan zou
de vrouw niet zo hoog bij hem aangeschreven staan:--car se sans peine
joie avoit,--de dames bon marché seroit."
Dat is juist de kern van de zaak. De nieuwe maatschappelike »Sitte", de
nieuwe geslachtsmoraal omgeeft de geslachtseer van de vrouw met meer
bolwerken dan de naïeve zeden van vroeger gekend hadden. Haar positie
werd hierdoor niet alleen veiliger, maar ook tegelijkertijd minder vrij
dan te voren.
In de wereld der baronnen, een maatschappij van en voor mannen, was de
vrouw geminacht en onderdrukt geweest. Daar was zij de slavin van de
man, die hem bij de maaltijd bediende en bij het toilet, die zijn haar
wies, hem bij het bad wreef en afdroogde, zijn vermoeide ledematen
masseerde en zelfs als 't nodig was het werk van een staljongen voor hem
deed. Gelijk een odaliske bediende zij hem ook met haar liefde en wij
hebben gezien, hoe zij het bijna altijd is in de volkspoëzie die de man
om liefde vraagt. De man is haar »seigneur"; als hij binnentreedt, staat
zij op, zij eet pas nà hem, hij tuchtigt haar met slagen,--in een Franse
ballade slaat de Koning de Prinses »zo dikwels met een riem dat heel
haar blanke lichaam rood zich kleurt", evenals in een Deens lied uit
de Middeleeuwen Lave Stisön zijn vrouw een leidsel met ijzeren punten
laat voelen. Aan de andere kant worden de meisjes dikwels als jongens
opgevoed, zij leren rijden, jagen, de wapens hanteren en beweegt de
vrouw zich vrij en spreekt vrijuit met de man, konventionele begrippen
over vrouwelikheid staan hun niet in de weg en naar de Chansons de geste
en het Nibelungenlied te oordelen, spreken ze en handelen ze, waar ze
macht en vrijheid hebben, vrijwel gelijk de mannen doen.
Maar onder invloed van het Kristendom, dat de vrouwelikheid bij de vrouw
op de voorgrond bracht en in navolging van de zeden in Byzantium en het
Oosten, vormde zich nu pas, in tegenstelling ook met het idee van het
mannelike, het begrip van de vrouwelikheid en daarmede nieuw zaad voor
de plaats der vrouw in de maatschappij,--zij krijgt ook meer bescherming
aan de ene kant, maar wordt minder vrij aan de andere. Door haar
opvoeding wordt zij nu meer op de achtergrond gehouden, zij komt nu
minder in aanraking met jonge mannen en haar wordt meer dan vroeger een
schoone, fiere terughouding ingeprent. Als jong meisje ziet men haar op
de grote kastelen slechts uiterst zelden--Siegfried was meer dan een
jaar aan het hof te Worms, voor hij een glimp van de vorstendochter
Krimhilde te zien kreeg, om wie hij daarheen getrokken was--; en in elk
geval is zij altijd van een duenna vergezeld, en ook als jonge vrouw is
zij altijd met een dame van gezelschap en loopt zij op Oosterse wijze in
een mantel gehuld en de handen verborgen; en men heeft haar geleerd niet
naar de mensen om te zien en de mannen niet vast in de ogen te kijken,
nooit met onbekenden te spreken en over 't algemeen trots en kortaf
te zijn, »niet uit hoogmoed, maar om de kwaadwilligen op een afstand
te houden". Een vrouw die bemind wil worden--zegt een Provençaals
leerdicht--moet zich gedragen gelijk een ridder een havik op zijn hand
houdt, zo voorzichtig dat hem geen veertje gedeerd wordt. Het voorbeeld
van een eerbare vrouw is Maria, zoals die op de Madonnabeelden en in de
Marialegenden wordt voorgesteld. Zij liep zo schoon en rechtop--zeggen
reeds oude Marialegenden--met het hoofd licht gebogen; nooit keek zij om
of groette zij man of vrouw.--Zulk een afzondering en afsluiting van het
geslacht wekt altijd de nieuwsgierigheid op, maakt voor beide partijen
de aantrekkingskracht der liefde groter en het liefdegevoel fijner en
sterker. Tussen de geslachten komt zo het romantiese van het op een
afstand-zijn; het verlangen van Siegfried naar de onbekende schone wordt
grooter met de moeilijkheden om met haar in aanraking te komen en
Krimhilde bloost in het vrouwenvertrek, terwijl zij ieder uithoort over
de vreemde ridder, over wie zij aan het hof van haar broeders zo veel
heeft horen vertellen. En hoe meer »verhinderingen" de schuchterheid
der vrouw, of haar opvoeding, of de maatschappelike begrippen van wat
al of niet past, of wat de voorzichtigheid bij het huwelik gebiedt, de
begeerte van de man in de weg doen staan,--hoe meer »tussen-stadia"
van kleine, geleidelik stijgende gunstbewijzen er komen tussen het
opwekken van de begeerte en de bevrediging ervan, des te meer wordt het
liefdeleven voor beide partijen gecompliceerder natuurlik, maar ook
verfijnder.
* * * * *
De opvatting der troubadours over de liefde, zoals die nu, naar wat
wij gezien hebben, uit de gehele atmosfeer aan de Franse hoven was
ontstaan, werd nu niet alleen versterkt, maar kreeg ook een geheel
nieuwe kleur door de lektuur van het oude leerboek van Ovidius over de
»Minnekunst"--de Ars Amandi--een werk dat met de grootste attentie en
ijver door de gehele Middeleeuwen gelezen werd als een school voor de
fijnste en rijpste Levenskunst der antieke kultuur.
Een aestetiese lekkerbek en libertijn leert in dit gedicht de viveurs en
de lichte vrouwen van Rome--meestal getrouwde vrouwen bij de volkomen
gedesorganiseerde familieverhoudingen van de tijd--hoe de min tot een
kunst gemaakt kan worden, zodat er zo veel mogelik zinnelik en geestelik
genot van te halen valt,--hoe die van een eenvoudig ruw paren worden
kan tot een hoog zinnengenot zowel als een sympatiek behagen en een
prikkeling van de fantasie,--hoe die tot een »roman" kan worden, een
spel voor alle zielekrachten. Ongelofelik cynies is in dit opzicht
wat Ovidius leert. De mannen vertelt hij hoe altijd het grootste
genot daar in steekt om de vrouw van een ander te beminnen,--ongewoon
eten smaakt nu eenmaal 't best en de moeielikheden, de risico en het
ongepermitteerde maakt het genot des te pikanter,--hoe ze in 't geheim
te werk moeten gaan, de dienstmaagd als tussenpersoon moeten gebruiken
en moeten leren te vleien, om te kopen en geschenken te geven,--hij kent
allerlei foefjes hoe men zich royaal kan voordoen, zonder eigelik veel
op te dokken. Door er bleek en mager uit te zien en het hoofd te laten
hangen, moet men de schone aan het verstand brengen dat men van verdriet
verkwijnt; met sprekende blikken en heimelike brieven moet men haar
belegeren--de Liefde is een soort oorlog en men moet vol weten te houden
en geen moeite schuwen. Men moet haar luimen volgen, tot alle diensten
bereid zijn, haar schoenen uit willen trekken, of een spiegel voor
haar ophouden; alle moeite, alle gevaren, alle uitstel moet men als
kruiderijen beschouwen die, wanneer het eindelik komt, het genot van het
bezit slechts verhogen. En men moet er zich in schikken haar gunst met
andere te delen en het oog sluiten voor wat men vlak voor zijn neus ziet
gebeuren; alleen kan het zo nu en dan zijn nut hebben zelf eens de
schijn van trouweloosheid op zich te laden, om haar ijverzucht op te
wekken.
Maar ook de Romeinse vrouw krijgt dergelijke voorschriften van
Ovidius te horen: hoe zij de zorgvuldigste bewaking kan ontduiken...
hoe zij moet zorgen er knap uit te zien... hoe zij door allerlei
kleine koketterietjes de man tot zich moet trekken en daarna door
een glimlachje of een knikje of een handdruk het vuurtje moet laten
gloeien, maar haar aanbidder toch zo lang mogelik op een afstand moet
houden--haar waar op prijs moet stellen en de waarde van haar liefde
moet verhogen door zich te laten smeken, hoe zij moeilikheden op moet
werpen en de minnaar steeds angst voor haar man moet laten voelen,
altijd moet trachten uit te stellen en hoe zij, zelfs als zij zich
overgeeft, op het ogenblik zelf dat zij zich laat omhelzen, dit niet
moet doen zonder een schijn van weigeren en van tegenspartelen.
En al die geraffineerd-verderfelike opvattingen goten zich in de
liefdeleer der troubadours uit,--in de onschuld huns harten namen zij
die wijsheid van de oude klerk Ovidius als een boek van wereldlike
sermoenen in zich op. Veel van al dat verderfelike werd bijna weer rein
en onschuldig toen zij het in hun naïef, rein gemoed opnamen; maar van
meet af werd de erotiese troubadour-poëzie en de ridderromantiek toch
gemengd met een niet geringe dosis van Ovidiaans Epikurisme en cynisme.
Bij alle troubadours, zelfs bij zulk een weinig geleerd man als
Guillaume van Poitou, treft men talrijke reminiscenties van Ovidius.
De lezer van wat voorafgaat heeft vele trekjes in de liederen der
troubadours kunnen herkennen als aan de »Ars Amandi" van Ovidius
ontleend: Bernard de Ventadour, zagen wij, wilde op zijn blote knieën de
schoen van zijn dame uit mogen trekken, Peire Rogier de misstappen van
de zijne niet geloven, al zag hij het met zijn eigen ogen. Terwijl het
voor Ovidius nog maar een verleidings-kunstgreepje was om er bleek
en uitgeteerd uit te zien, werd het voor de troubadours een kwestie
van geloof: de ware minnaar ziet er bleek en slecht uit, en hij die
ongelukkig een rode gelaatskleur heeft, maakt allerlei excuses en
verklaart dat de gloed die onder de as smeult het sterkst brandt. Van
nog groter belang was het dogma dat de liefde geheim gehouden moet
worden, niet alleen wegens de echtgenoot, maar ook met het oog op de
lasteraars en ook omdat--zo als Salomo leert--»de gesloten wateren zijn
zoet en 't verborgen brood is liefelijk." Wij hebben samenspraken--op
het voetspoor van Ovidius--tussen de troubadour en de dienstmaagd van de
schone en het meisje raadt hem aan, ook als in Ovidius, zich in al haar
grillen te schikken. Plichtschuldig passen de troubadours ook nu en dan
het keukenmiddeltje van Ovidius toe, om zich trouweloos voor te doen
ten einde de schone jaloers te maken; maar daarbij verrekenen zij zich
tegenover de hoge dames en ze moeten er hard voor boeten: slechts op het
aandringen van andere dames werd Pons da Capdueil weer door de Vrouwe
van Mercoeur in genade aangenomen, en van Guillem van Balaun verlangde
de vertoornde schone dat hij de diepte van zijn gevoel zou tonen door
de nagel van een zijner vingers te snijden en haar die met een passend
huldegedicht aan te bieden.--Zulke regelen voor de koketterie vatten de
dames vromelik op als een uitdrukking van de fijnste, meest echte
vrouwelikheid.
De minnekunst van Ovidius was nog meer geraffineerd en gesubtiliseerd
geworden in de erotiese literatuur van de uitloopers der antieken. Bij
de Sofisten en in de scholen der rhetoren werden alle kentekenen en de
werking der liefde spitsvondig besproken--hoe de echte minnaar zich
in die en die situatie gedraagt--aan welke van de twee geliefden de
voorkeur te geven is, enz. In de Griekse romans van het einde der
oudheid trof men dergelijke subtiele discussies ook weer aan. En door
de gehele middeleeuwen heen kunnen wij ze volgen als tema voor de
gesprekken in alle geestelike kringen. Nu komen ze weer in de tenzonen
der troubadours te voorschijn. Een van hun twistpunten, n.l. welke van
haar aanbidders een vrouw het meeste heeft begunstigd: hem die zij een
blik heeft toegeworpen, een ander die zij op de voet heeft getrapt of
een derde wie zij haar hand heeft gegeven,--is reeds in een Griekse
roman gevonden, en de verhandeling van een Latijns rhetor, evenals een
passage in het 6de hoofdstuk der Spreuken van Salomo door een foutieve
lezing ook een bijdrage heeft geleverd.