troubadours nu dit schoonheidsideaal van de vrouw dat de gehele volgende
Ridderromantiek eigelik niet anders doet dan variëren of uitwerken.
Zekere trekken kunnen aan Ovidius ontleend zijn of aan andere antieke
kunst, andere aan de Byzantijnse Madonnabeelden, andere duiken misschien
reeds bij de oudere Latijnse dichters der middeleeuwen op, maar veel
is toch van de troubadours zelf. Het lichtgouden, gekrulde of golvende
haar, de fijne, liefst donkere, van elkaar afgescheiden wenkbrauwen,
de kleine mond met kristallen of ivoren tandjes, regelmatig en vlak
op elkaar,--dat zijn de gewone trekken reeds in de Latijnse gedichten
van de 11de eeuw. Maar de troubadours leggen meer de nadruk op de ogen
en de blik, op de glimlach en het teint--de schilderachtig-gracieuse
en erotiese zieleschoonheid. De kleine, smalle ogen worden meer naar
de uitdrukking dan naar de kleur beoordeeld; die moeten stralen als
sterren, ze moeten lachend zijn, zacht, vol liefde en lust,--een Latijns
dichter van de 12de eeuw spreekt van de ogen als: ridentes, blandientes,
innuentes, laquentes, offerentes, expetentes, attrahentes, capientes. De
mond heeft »zwellende" lippen die kussen uitlokken (küssenlîch, noemt
Wolfram het), die glimlacht zoet, lacht liefelik--mollia spondens risus
noemt 't reeds een geestelike dichter van ongeveer 1100. Maar vooral
prijst men de kleur der huid,--de stralende glans er van: clara
clartatz, wit als het wit van de hagedoorn of het ivoor, of gelijk
een wilde roos, wanneer het wit zwak met rood gemengd is. Heel wat
barbaarser heet het in de Noord-Franse romans dat het voorhoofd als in
hout of steen of ivoor gevormd is, en dat het rood of het wit van de
huid afsteekt gelijk vermilioen op het zilver van een wapenschild.
Dan komt de beurt aan de slanke, witte hals,--de huid is zo
teder--beweert een Duits dichter--dat, als zij drinkt, men de wijn
blozend door haar keelgat kan zien stromen. De kleine stevige borstjes
zijn als twee noten,--zo klein dat men ze met de hand gemakkelik
omvatten kan, of als kegels gedraaid. De schouders zijn recht en
buigzaam als het riet. De lange armen, de mooie blanke handen met de
fijne gladde vingers, de nagels als een spiegel zo schitterend. Het
middeltje dun, de buik rond, iets of wat vooruitstaand, de heupen breed.
In Wolfram's gemaniëreerde taal is Antikonie zo slank als een haas, die
op het spit uitgestrekt is; haar mierentaille (wij spreken nog van een
wespentaille) wekt de begeerte der mannen op. Gewoonlik wordt echter
meer in het algemeen de figuur geprezen als »ben estans" (Duits: wol
getan) of »covinens" d. w. z. welgeproportioneerd. Zeer bizonder houdt
men van wat slank en fijngebouwd is; »graile" (gracil) en »delgat"
(delicat) zijn veel voorkomende termen. De kleeren moeten goed zitten,
maar, zo schrijft een troubadour aan zijn dame, uw figuur is zo wel
gevormd dat zelfs het slechtste snit nog goed aan u zou staan en al de
kleermakers uit Katalonje, van Parijs en Keulen zouden er niets aan te
verbeteren hebben. Maar ook verder vertellen de troubadours nog veel er
over, hoe levendig, vrolik, lenig, gracieus en behagelik het lichaam van
de aangebedene is; daar hebben ze een massa woorden voor: gais, cortes,
avinens, plasens, coinde, isneus, die de zinnelike liefde schilderen en
die men bij de Duitse minnezangers veel minder sterk aantreft. »Haar
ledematen zijn zo zacht", heet het, »als verder alleen konijnen zijn".
Het lichaam is zo blank, fris, zacht, glad, als ametyst; het is
»amoros"--»minneclich"--»plaisant"--en vraagt omhelsd te worden. Ook
haar naar honig riekende adem en de zoete melklucht van de huid worden
later veel geroemd.--In poëtiese wendingen wordt de algemene indruk van
haar optreden aangegeven. Schoner dan de Maartse zon, of regen in April,
en de schaduw in de zomer,--zingt een Provençaals dichter. Als een
waslicht is zij tussen vetkaarsen,--heet het in 't Noord-Frans, de glans
van haar schoonheid verlichtte het gehele slot met haar klaarte; haar te
zien is als te luisteren naar muziek.--In haar tegenwoordigheid--zegt
een Duits dichter--vergeet men alles wat het gemoed bezwaart.
Nog meer dan het uiterlik van de vrouw is haar innerlik wezen en haar
aantrekkelikheid die door de troubadours verheerlikt wordt. Haar
geestige antwoorden en haar schone zang; zij kent de kunst van spreken
en zich aangenaam voor te doen--van »plazers far e dir";--zij is
aangenaam gezelschap--»d'avinen companha", zij is beminnelik in haar
optreden--amorosa en totz son semblans; zelfs bij de besten wekt zij een
duizendvoudig behagen. Een hele rij leerdichten wijden de troubadours
ook aan de maatschappelike opvoeding der vrouw. Een voorname dame had
de adellike Garin le Brun verzocht zulk een leerdicht voor haar te
schrijven en zo ontwikkelt de troubadour dan ook in zijn verzen,
alle regels voor de echte vrouw van de wereld: Hoe zij altijd schoon
linnengoed aan moet hebben, kleine schoenen aan moet trekken, opdat haar
voet zelf klein zal schijnen, en hoe zij met kleine stapjes de kerk in
moet treden. Hoe zij bij haar thuis ontvangen moet: de verschillende
mensen wel is waar naar hun rang en stand behandelen, maar toch tegen
een ieder beleefd zijn--hoe zij een gesprek netjes moet kunnen afbreken,
als het haar niet bevalt, maar zonder boos te antwoorden--zich aan de
omgeving aan te kunnen passen, maar niet al te intiem met vreemden
worden. Verder, hoe zij in haar kleeren en manieren die zekere drang om
te behagen ten toon mag spreiden die het wezen der koketterie uitmaakt:
de rokken netjes opnemen, zodat men het voetje te voorschijn ziet komen,
de schouders gracieus, bij het gaan, bewegen, het kleed nauw laten
sluiten, zodat dit het lichaam niet als in een zak verbergt, maar dat de
lijnen te zien zijn, en als zij een fraaie hals heeft, een uitgesneden
kleed moet dragen. Heel naief zijn hieronder die aanwijzingen waar de
voorname dame zich aan houden moet, ook overgenomen uit de »Ars Amandi"
van de »Klerk" Ovidius en die geschreven waren om de geblaseerde viveurs
van Rome weer wat appetit in de dames van de demi-monde te geven.
En rondom deze dames fladderen nu de troubadours met hun erotiese
verlangens. Zij kregen rijkelik hun deel in het losse en niet altijd
binnen de perken blijvende minne-leven van de Zuid-Franse hoven, waar de
oude biografen der troubadours van weten te vertellen en hun Canzonen
van zingen, in allerlei soorten en toon der liefde, van de grove
gevoelens der jonkers tot een vluchtige koketterie of schuchtere
dweperij van een knaap.
Bernart de Ventadour--uit de stand der horigen, opgevoed tot troubadour
bij de genadige burchtheer--is de zanger van de bescheiden page-liefde.
Hij bezong en prees de gemalin van zijn weldoener, werd door haar
voornaamheid verblind, en, zo als het bij zijn leeftijd paste op
haar glimlach verliefd, maar schijnt toch ook de gunst van zijn
»schoon-te-schouwen" verworven te hebben (onder dat pseudonym
verheerlikte hij haar), in elk geval genoeg om het de burggraaf
bedenkelik te doen voorkomen, zodat de zanger vertrekken moest...
waarna hij de andere hoven afreisde en andere voorname schoonheden
aanbad--vooral Koningin Eleonora, aan wier hof in Normandië hij zich
een tijd lang ophield,--maar nu en dan zond hij uit de verte liederen
naar zijn »Bel Vezer"... totdat hij op zijn oude dag, zo als zo veel van
zijn kunstbroeders, troost zocht in een klooster.
Hij weet wel--zingt hij--dat zijn aangebedene Heerseres hem genadig is.
Had zij hem niet onlangs nog, toen hij een tijdje op reis ging, gezegd
dat zijn zang haar behaagde? Als hij er nu aan denkt, dan schijnt de
zoete lucht die hem uit de plaats waar zij woont, tegemoet waait, als
een vleugje uit het Paradijs;--moge elke ziel in de Kristenheid zulk een
grote vreugde voelen als die nu mijn is!--Als hij haar nu toch maar eens
alleen kon treffen, terwijl zij sliep,--of deed alsof zij sliep--dan
zou hij pas goed van haar schoonheid kunnen genieten--haar »bel cors ab
fresca color" bewonderen en die kus van haar mond stelen, waar hij niet
om durft vragen, dan zou hij die mond kussen zo dat men de sporen nog
lang zou kunnen zien.
Maar nu--jubelt hij--nu heeft zij mij een kus geschonken, mij met
haar mond gewond, zo dat slechts nòg een kus mij kan genezen,
evenals--volgens Ovidius--hij die door de lans van Peleus gewond is,
slechts door nog een steek er van genezen kan worden. En zo vol is zijn
hart van jubel dat hij bijna bezwijmt--midden in de natte wintersneeuw
ziet hij bloemen en groene weiden, in zijn groot gevoel van liefdegeluk
zou hij midden in de winterwind in zijn hemd kunnen lopen.
Maar--bescheiden en diskreet moet hij zijn, dat weet hij. Als hij alle
mensen die hen beiden gadeslaan maar betoveren kon... ze tot kinderen
maken, zo dat hij zonder hun ogen te vrezen, zo vertrouwelik met zijn
aangebedene om kon gaan als hij maar wenste. Of als zij een geheime taal
uitvonden die de anderen niet verstonden? In elk geval kan zij verzekerd
zijn dat hij niet kinderachtig-pochend het zalige geheim er uit zal
flappen, maar de kunst verstaat om te liegen en zich anders voor te doen
dan hij is. En hij zal zich ook met weinig tevreden stellen. Wat zou hij
niet gaarne 's nachts als een zwaluw haar kamer binnen zweven! hoe graag
zou hij er niet bij zijn wanneer zij zich uitkleedt! demoedig knielende
haar schoen uittrekken, indien zij zich verwaardigen zou haar voetje uit
te steken.--Zelfs haar gunst met anderen te deelen, moet hij zich laten
aanleunen. Hij weet nu eenmaal dat zij anderen liefheeft, soms twijfelt
hij wel eens in hoever hij moet doen alsof hij niets merkt, of dat hij
haar dienst moet verlaten. Maar het is toch beter met de helft van haar
liefde genoegen te nemen, dan niets te krijgen. Als zij toch maar niet
zo wispelturig was. Gelijk de tak zich naar de wind buigt, zo is hij
bereid al haar bevelen te gehoorzamen. Maar hij voelt dat haar schone
ogen en vriendelike blik hem toch voor den gek houden. Gelijk een schip
op de golven, wordt hij tussen hoop en vrees geslingerd. Soms tracht
hij zich dan ook opeens uit die onbeloonde liefde los te scheuren. De
bladeren die in de herfst van de bomen vallen, doen hem op zulk een
ogenblik behagelik aan, het komt zo geheel met zijn stemming overeen.
Zij die vroeger zo vriendelik tegen hem was, laat hem nu niet meer
roepen, »het harte barst van smart,--er blijft niets anders over dan te
sterven." Geheel mijn hart, geheel mijn eigen zelf bezat zij. Nu moet ik
verwelken, gelijk Narcissus van Ovidius bij de bron, ik wil niets meer
met vrouwen te doen hebben, ze nooit meer vertrouwen, ik zal wegtrekken
in den vreemde, ik weet zelf niet waarheen.
Hield de burchtvrouwe van Ventadour haar zanger aan het lijntje door
hem zo nu en dan eens een kus te geven--meer zal het wel niet geweest
zijn--de toewijding van Peire Rogier voor de hoog ontwikkelde Burggravin
Ermengarde van Narbonne was met nog minder tevreden. Een jonge knappe
kanunnik was hij, maar hij was troubadour geworden en had zich lang
aan het hof van Ermengarde opgehouden. Hij vertelde dat hij volkomen
tevreden is met haar grappen en haar glimlach, meer komt hem niet toe,
nooit heeft hij ook »facta" van zijn meesteres gevraagd, maar alleen
haar te aanschouwen, maakt hem rijk en gelukkig. »Zo zal ik beminnen wat
ik niet bezit, en ik heb er zo veel eer en plezier van, alsof dat waar
was, wat het in werkelikheid niet is." En heel vriendelik en onderdanig
leert hij de mensen (naar de Ars Amandi van Ovidius) dat zij nooit aan
kwaadsprekerij moeten geloven, en zelfs wanneer zij met hun eigen ogen
hun geliefde een fout zien begaan, moeten zij zonder aarzelen niet hun
ogen, maar wel haar woord geloven. Een even ootmoedige maar gloeiender
onderdanigheid ligt er in de liefde van de burgerlike troubadour Peire
Raimon voor een onvermurwbare adellike dame te Toulouse. »Op mijn knieën
zal ik tot haar gaan," zingt hij, »en wenend haar genade vragen; als zij
mij slechts de eer wou aandoen mij knielend haar welgevormde, gracieuse
gestalte te laten beschouwen." Maar dikwels slaat de demoedige
platoniese hulde van de arme zanger, waar de gelegenheid zich biedt,
in de hartstochtelikste wensen over. De arme klerk Arnaut de Maruelh
verklaart wel is waar in zijn liederen dat de vrolike beminnelikheid
van de gravin en »de liefelike woorden waarmede zij mijn harte vult"
hem genoeg zijn en dat hij zich tevreden stelt met haar in zijn dromen
te kussen en te omhelzen, een liefdegenot dat geen echtgenoot hem kan
weigeren, maar nu en dan waagt hij het toch zuchtend te wensen dat zij
hem een kus moge schenken en »andere beloningen late volgen" en spreekt
stoutmoedig de hoop uit dat hij haar eens 's nachts in zijn armen zal
mogen sluiten en haar ogen en mond kussen, »zodat honderd kussen er
voor ons tot één worden." En andere troubadours wensen haar, in de
duidelijkste woorden, »zonder hemd" te omhelzen, beiden onder één deken.
Een heel wat vrijer karakter en meer jonkerachtig, heeft de liefdelyriek
bij een vorstelik amateur-troubadour als graaf Guillaume de Poitou,
hertog van Aquitanië. Elegant en vrolik, beroemd wegens zijn
liefdesavonturen en zijn kunst om de mensen te onderhouden, maar ook
wegens een zeer lichtzinnige kruistocht, die een heel treurige afloop
had,--wat hij later in vrolike liedjes op alle kastelen ging bezingen.
Beminnelik geeft hij op van wat hij kan,--hij weet wat dapperheid is,
eer, poëzie, weet het onderscheid tussen dwaasheid en verstand, en
wanneer men in een gezelschap hem in een liefdetwist vraagt als
scheidsrechter op te treden, dan weet hij altijd het juiste oordeel
te vellen; zelf verstaat hij de kunst om met de vrouwen allerlei soort
spelletjes te doen,--wat hij dan in grove dubbelzinnigheden uitwerkt,
terwijl hij God, St. Julianus en zijn opvoeders voor alle goede gaven
dankt die hij gekregen heeft.--In een ander gedicht, bijna een kleine
novelle van Boccacio, vertelt hij van een even amusant als onfatsoenlik
avontuurtje dat hij met twee burgervrouwtjes gehad heeft die hij in de
bergen van Auvergne ontmoette.--Met een echte huzarenhumor vraagt hij
een vriend hem raad te willen geven: hij bezit twee edele paarden, als
hij die nu maar flink kon dresseren, zou niemand beter bereden zijn
dan hij; maar hij kan ze niet aan elkander wennen, en nu moet hij
kiezen,--natuurlijk meent hij vrouwen. En nu vertelt hij van hun beider
eigenschappen, en vraagt of hij Agnes of Arsène moet houden. Nu zijn
dergelijke gedichten niet zeer troubadour-achtig. Maar in andere komt de
verliefdheid van de ziel meer op de voorgrond, in overeenstemming met
de lente en het jong genot, met het schoonheidsgevoel en sympatieke
liefdegevoelens: In de zoete dagen van de lente, wanneer de bomen
groenen en de vogelen zingen, toen ging het met onze liefde als met de
knoppen van de hagedoorn, die in de regenachtige koude nacht nog dicht
waren, maar door de zonnestralen openspringen,--evenals in Heine's »Im
wunderschönen Monat Mai..." Nog herinner ik mij de morgenstond toen wij
een eind maakten aan de twist, en zij mij haar liefde schonk en haar
ring; God late mij zo lang leven dat ik mijn handen onder haar kleed
moge steken... Ik zal een nieuw lied zingen vóór de wind komt en de
regen en de koude. Mijn dame wil mij op de proef stellen, maar hoe meer
zij mij tegenwerkt, des te meer krijgt zij mij in haar macht; Gij moet
niet denken dat ik dronken ben of gek, maar ik kan zonder mijn lieve
dame niet leven. Bij St. Joris! Ik moet sterven als zij mij niet in haar
kamer of onder de groene takken kussen wil. Maar welk genot, schone
dame, kan het ook voor u zijn mij uw liefde te onthouden? Waarom wilt
gij u tot non maken? Wat zou het u baten als ik in het klooster ging?
De vreugde der gehele wereld is de onze, indien wij elkaar slechts
liefhebben... Indien zijn dame hem nu maar haar liefde wil schenken,
belooft hij dat hij diskreet zo wel als galant zal zijn, zeggen en doen
wat zij gebiedt, haar in hoge eer houden, haar wijd en zijd prijzen; en
dat wil hij wel zeggen dat hij, die liefheeft zich voor menigeen moet
weten te buigen, menige goede daad moet verrichten en op moet passen dat
hij aan het hof niet »onhoofs" en als een boer spreekt.
Werkt hier nu een frisse natuurlike verliefdheid opvoedend op een ruwe
jonker-natuur, omgekeerd breekt soms bij een ander vorstelik zanger
als graaf Rambaut van Oranje brutaal de hartstocht van de man door
de uiterlike »hoofse" galanterie heen, waar hij dageliks mede speelt.
Cynies vertelt die hoe men de vrouwen behandelen moet om zijn wil met
hen te krijgen, pochen en vleien, zelfs als het nodig is dreigen, en ze
met de vuist in het gezicht slaan; ofschoon hij beweert zelf dom genoeg
te zijn om altijd netjes en ridderlik tegen ze op te treden. Of Raimon
van Miraval, de altijd verliefde en altijd ongelukkige edelman, die de
wereld rondtrok en Loba van Pénautier bezong of Azalais van Lombres of
»de Schone Albigenserin" te Castres. Midden in zijn holle, hoffelike
frases komt opeens een stukje natuur doorbreken, wanneer hij brutaal een
vrouw die hem afgewezen heeft, met beschuldigingen overstroomt dat zij
zich voor geld gegeven heeft: »Ga uit, mijn lied, en zeg: hier is een
vrouw te koop." Elders vertelt hij waarom hij zich nu in de openbare
trouweloosheid van zijn dame schikt; hij rechtvaardigt zich door te
zeggen dat hij zich zelf ook vrijheden gepermitteerd heeft--en is zo
iets niet beter dan in boosheid van elkaar te gaan?--Zijn eigen vrouw,
die hij openlik veronachtzaamd heeft, wil hij echter zulk een »leer om
leer" niet toestaan. Zij deed ook aan de dichtkunst en hield er een
minnaar op na, maar dat vond manlief niet goed,--tot dat zijn kollega's
hem door hun hekeldichten dwongen zich op dat punt wat liberaal te
tonen.
Maar de vrolikste en grappigste van alle troubadours was Peire
Vidal--een bontwerkerszoon uit Toulouse, die half als hofdichter, half
als hofnar, van de ene plaats naar de andere toog, hongerende, zo als
hij 't zelf uitdrukt, naar strijd en toernooi gelijk een monnik naar
brood, maar vooral verlangende naar avontuurtjes met vrouwen. Met zijn
schone stem en zijn vindingrijke geest, heeft hij blijkbaar menige
conquête gemaakt en zijn gepoch is dan ook fantasties naief: »Dageliks
bereiken mij duizende groeten uit Katalonje en Lombardije en het scheelt
niet veel of de Koning sterft van afgunst over mijn geluk bij de
vrouwen. Honderden vrouwen ken ik, die mij graag zouden willen hebben,
als zij maar konden; ik poch niet, maar de vrouwen kus ik en de ridders
sla ik tegen de grond. Stoutmoedig ben ik als Roland, galant als
Montdidier; ik weet wat alles bij de kunst der liefde hoort en er leeft
geen man die beminneliker is in het vrouwenvertrek dan ik, wreder dan ik
onder het wapengekletter. Dikwels komen er boodschappen en groeten--met
witte linten, met gouden ringen en alle echtgenoten vrezen mij meer dan
vuur of ijzer."--In de regel zullen de vrouwen die dwaze druktemaker
wel voor den gek gehouden hebben. Dikwels klaagt hij er over dat zij
alleen maar met hem koketteren of hij stelt zich jubelend tevreden
met de gedachte dat hij een kus gestolen heeft, of dat de gravin met
toestemming van haar gemaal er hem een geschonken heeft. Eens liet een
gravin hem wegjagen omdat hij wat al te intiem wou worden, op een andere
plaats werd zijn tong doorboord omdat hij zich ten onrechte op de gunst
van een hooge dame had laten voorslaan. Naief, maar ook uiterst barok
was de vorm van zijn liefde-hulde. Zijn dame, zegt hij, was hem meer
waard dan honderd kamelen met goud beladen, zo wel als het hele rijk
van de Keizer te Byzantium. Ter ere van een dame te Carcassonne--die hij
onder de vrij compromiterende naam van wolvin, lupa, verheerlikte--moet
hij zich in een wolfshuid gekleed hebben en het bos zijn gaan bewonen;
de jagers hielden klopjacht op hem en brachten hem gewond naar het huis
van zijn aangebedene, waar men de nar uitlachte. Ten slotte trok Peire
Vidal op een kruistocht mede naar het Oosten en trouwde op Cyprus met
een Griekse van wie men hem wijs gemaakt had dat zij een nicht van de
Griekse Keizer was--naar aanleiding waarvan hij zich in keizerlike
pracht kleedde en aanspraak maakte op de kroon.--
VIII.
MINNEKUNST.
De minnelyriek was die kant van de troubadourspoëzie die de grootste
betekenis zou krijgen voor de ontwikkeling der ridder-romantiek en die
in andere talen het meest nagevolgd zou worden. En door hun leven, zowel
als door hun werken, traden de troubadours als leraars in een kunst der
Minne op, gelijk apostels voor een aparte religie. In de eigelike
typiese liefde der troubadours zijn verschillende elementen in een
merkwaardige mengeling bij elkaar te vinden.
In de eerste plaats was die grotendeels te beschouwen als een soort
hofdienst, en hun minneliederen een onderafdeling van de lofzangen die
het hun plicht en hun vak was te leveren. Evenals de hofdichter van alle
tijden had de troubadour in de eerste plaats er voor te zorgen dat de
feestzaal van de lof van de heer des huizes weergalmde en dat zijn roem
op de vleugelen van het gezang verbreid werd. En aan de Sirventes die
hij ter ere van de graaf dichtte, beantwoordden de Canzonen tot lof van
de gravin. Om haar roem bekend te maken--»son los enavantir"--is het dat
hij zingt, zoals hij dikwels ronduit verklaart; of wel zegt hij heel
naief dat »wanneer ik haar in mijn liederen prijs, doe ik dat niet uit
liefde, maar wegens de eer en de verdiensten die ik daardoor hopen
mag, gelijk de dichter dat nu eenmaal van een edele dame verwacht." De
»beloning" waar hij zijn dame om vraagt is heel dikwels volstrekt dat
niet wat wij nu zouden denken, maar een zeer tastbare beloning in de
vorm van paarden, wapenen, kleren, of een leen, of een plaats aan het
hof. En offisieel hield om zo te zeggen de dame er een troubadour op na,
opdat hij haar roem zou kunnen uitbazuinen. »Ik heb behoefte om bemind
te worden om daardoor lof en prijs te krijgen," zegt zij volgens de
biografie der troubadours tot een dichter, »en ik weet dat gij mij het
een zowel als het ander kunt verschaffen en ik ben iemand die de kunst
verstaat om te belonen." De »beloning" heeft echter zeker ook meer dan
eens een persoonlik karakter gedragen. Wij hebben voorbeelden van
gevallen dat een dame een troubadour overhaalt om haar zijn hulde te
bewijzen inplaats van aan een andere dame, door hem juist die »beloning"
te beloven welke de ander hem niet heeft willen gunnen. Van Raimon de
Miraval heet het dat »alle dames om strijd trachtten hem voor zich te
winnen, niemand verstond als hij de kunst hun roem te verschaffen;
niemand kon gezegd worden »in de mode" te zijn die de Miraval niet als
vriend had." Zo kwam de troubadour er niet zelden toe een rol te spelen
die men nu al licht met een zeer weinig vleiende naam bestempelen
zou. Dezelfde Raimon nodigt in zijn gedichten ter ere van Azalais van
Boissazon, gewoon de koning van Aragon en de graaf van Toulouse uit om
haar schoonheid te komen bewonderen; de eerste kwam op haar kasteel aan
en in de loop van vier en twintig uur, »kwam hij, zag en overwon".