Bertran de Born, heer van Hautefort in Périgord, was de eerste, de

voornaamste man van de politieke »Sirventes". Gelijk de Arabiese zonen

der woestijn, of de jambici der Griekse eilanden of de oude sagahelden

van IJsland was hij, in één persoon verenigd, een strijder met het

zwaard en met het woord; het is Eris, de strijd zelf, die tot gedicht

wordt als bij Amrilkais of Gunlaug Ormstunge of Archilochos. Bertran en

zijn broeder bezaten te samen een klein familiegoed, maar zij hadden het

voortdurend met elkaar aan de stok; eerst was Bertran een tijdlang door

zijn broer weggejaagd, maar had toen op zijn beurt hem verdreven en de

burcht dapper tegen een groot vijandelik leger verdedigd. Onverstoord

zong hij onderwijl door: »Nu brandt en verwoest men mijn land, kapt men

mijn bos en mengt mijn zaad met stroo; al mijn vijanden grijpen mij aan,

als ik twist tussen de baronnen zaaien kan, zal ik ze ook wel weer bij

elkaar kunnen brengen." Met vurige strijdlust mengt hij zich in het

oproer der Aquitaanse baronnen tegen Richard Leeuwenhart, die toen als

prins de stadhouder van de Engelse koning in Zuid-West-Frankrijk was.

Bertran blijft onvermoeid de jongere broer Hendrik en de vazallen tegen

»die schrok-op uit Poitou" op zetten, »Richard ja-en-neen", zoals hij

hem noemt, en hij belooft zelf onder de muren van Perigueux te komen

waar Richard toen resideerde en zijn hersens in te slaan, als hij zich

durft vertonen. Hij hoont de lafaards maar spreekt degenen moed in die

een hartig woordje helpen kan, de een houdt hij voor de gek als hij een

vernedering ondergaan heeft, een ander weet hij te bewerken door zijn

afgunst op te wekken, komt met hatelike toespelingen aan, geeft de

mensen allerlei bijnamen en is al even erg als Loki wanneer het er op

aan komt de mensen te plagen en tegen elkaar op te zetten. Talairand is

een echte »Lombard",--als andere woedend opspringen, rekt hij zich even

uit en gaapt... »Willem van Gordon, jou mag ik wel, jij hebt ten minste

een tong in je mond, maar de twee burggraven beschouw ik als gekken en

deugnieten... Aan het slot van Clairvaux hebben ze een nieuw gedeelte

gebouwd, dat de nieuwe koning zeker niet behagen zal, als hij het ziet;

maar het schittert zo heerlijk dat hij het zeker in 't oog zal krijgen."

Hij eet zich op van gramschap wanneer hij bemerkt hoe hij zijn sporen

voor niets verslijt,--»wat zijn ze allemaal laf, die baronnen, ze

moesten allemaal zich maar de kruin laten scheren of zich aan handen en

voeten laten beslaan als een paard." Maar het jubelt in hem wanneer hij

de baronnen zich ziet wapenen en burgers zich gaan verschansen en het

wapengekletter dus weldra over de vlakte te horen zal zijn... Intussen

was de jonge prins Hendrik gestorven en had Bertran hem een groot

rhetoriese elegie gewijd, geheel en al in de pompeuse hoogdravende stijl

van de Latijnse »planctus" die abten en bisschoppen bij de dood der

vorsten op bestelling schreven. Hij verzoende zich met Richard maar

kreeg niet minder stof voor zijn Sirventes in de twisten tussen de

Engelse koningen en Philip Augustus van Frankrijk,--hij doet wat hij kan

om de vorsten tegen elkaar op te zetten en tegelijk had hij nog even

voor eigen rekening een twistgeschrijf op rijm met koning Alphons van

Aragon.

Al die polemiese geschriften zijn eigelik maar half poëzie,--het zijn

onze krantenartikelen,--een oproep, een opruiing, of een uitdaging. Maar

er is iets bepaald demonies bij Bertran, wanneer hij zingt: »Al is er

overal om mij heen vrede,--een duim breed grond is mij genoeg om te

vechten... Mij is de vrede gehaat, tot strijd alleen mijn zin nu staat;

mijn hart is aan strijd alleen gewijd", of wanneer hij als dronken is

van verlangen naar het voorjaar, niet wegens het nieuwe groen of het

gezang der vogelen, maar eerder wegens de mannen en paarden die hij dan

ten kamp bereid zich zal zien opstellen, mensen en beesten die hij zal

zien vluchten, muren die kraken en de paarden der gevallenen die over de

velden snellen: »eten noch drinken noch slaap verkwikt mij zo zeer als

wanneer ik de kreet »Vooruit!" hoor, en de paarden hinniken, en er

hulpgeroep weerklinkt en de gevallenen daar liggen met de bewimpelde

speren nog in hun zijde." En zijn haat van edelman tot boer en burger

breekt in hevig leedvermaak uit, »het doet mij goed wanneer ik die

ellendige geldmannen die met de adel twisten, in het ongeluk zie...

wanneer ik ze naakt zie lopen bedelen... Een boer is een zwijn, als hij

rijk wordt, verliest hij zijn verstand; daarom moeten wij zijn trog

steeds leeg trachten te houden. Hij die er zijn boer niet onder houdt,

versterkt hem in zijn slechtheid... Niemand moet hem beklagen als men

hem zijn arm of been ziet breken of wanneer hij aan het noodzakelikste

gebrek heeft... Dat overmoedige gespuis is niet te verdragen. God zende

hun alle ongeluk!"

Een andere soort van »Sirventes" is de moraliserende. De grote man

daarvoor is Peire Cardenal. Van voorname geboorte, »vrolik, schoon en

jong", maar bezield door een levendig gevoel van recht dat onder leugen

en onrecht leed, maakte hij zich tot een soort van Don Quichot van het

recht, en zijn kunst tot een ridderdegen die tegen alles en een ieder

gericht was. Dan eens zijn het de geesteliken daar hij het op voorzien

heeft: dat zijn gieren en roofvogels die rot vlees ruiken en op allen

aanvliegen die op 't punt staan te sterven om hun een testament af te

persen; het zijn de Isengrims die zich in een schapenvacht hullen. Dan

weer zijn het de grote Heren: Waar een machtig man op straat loopt,

wordt hij door kwaadaardigheid en hebzucht vergezeld, daar draagt het

onrecht de banier en hoogmoed loopt vooraan... Indien men een baron

alles gaf, van Turkije tot Normandië toe, zou men toch geen vrede met

hem krijgen... Indien men in zulk een machtig man op een stuk of twee,

drie plaatsen een gaatje prikte, zou er toch niets anders dan een stroom

leugens gelijk een waterval uit zijn hart komen storten. Dan is het de

beurt van de vrouwen: als men een vrouw een daalder in de hand stopt

voor de waarheid en een cent voor de leugen, dan wint de cent het.

Of wel moeten alle mensen tegelijk het ontgelden: die zijn als de

muntstukken waar een kruis en de lelies buiten op staan, maar waar geen

zilver in zit als men het smelt; hun goedheid is van dien aard dat,

indien stenen brood waren en water wijn en de bergen zijden spek, dan

gaven ze toch nog niets weg; op een smal reepje leder--de helft van de

duim van mijn handschoen--zou ik alle rechtvaardigheid kunnen schrijven

die in de wereld is. Op die wijze brengt ook bij hem de hartstocht

altijd weer nieuwe grille beelden voort--als bij Dante--en houden nieuwe

burleske invallen de toehoorders in spanning, als bij de bedelmonniken.

En ten slotte treedt onze Paladijn onversaagd tegen God zelf op en

klaagt dat die zijn macht niet gebruikt heeft om de duivel en het kwade

te verpletteren, maar nu de mensheid met de hel straft voor het kwaad

dat zij bedreven hebben waar God zelve de oorzaak van is. »Welk een

machtig heerser God ook is, toch zal hij van al dat onrecht rekenschap

af moeten leggen."

En het rumoer van die Sirventes klinkt veelstemmig over geheel

Zuid-Frankrijk. Krasse kruistochtliederen en even krasse liederen tegen

Rome en de geestelikheid. Liederen als van een hoveling bij de dood van

vorsten met lofgezangen over de afgestorvene en schimpwoorden over zijn

vijanden. Troubadours die elkaar niet in hun gedichten ontzien, waarin

dikwels kritiek over alle kollega's voorkomt: het zou beter zijn als

hij met een psalmboek liep in plaats van de liefde te bezingen; wat hij

dicht, klinkt zo somber als de woorden van een oude waterdraagster en

zelf lijkt hij wel een gedroogde lederen waterzak. Marcabrun, een

vondeling uit Gascogne heeft tot specialiteit uit pure nijdasserigheid

alle vreugde en liefde belachelik te maken en cynies te vertellen hoe

hij zich door alle omstandigheden des levens heen weet te draaien,

altijd op zijn eigen voordeel uit is, het spesiale terrein van anderen

af te jagen en zich altijd een achterdeurtje open weet te houden,--wat

toch niet heeft kunnen verhinderen, dat hij door een edelman gedood

werd wegens zijn giftige lastertong. Amusanter is de Monnik van

Montaudon,--de humorist onder de dichters der Sirventes. Van voorname

geboorte, was hij reeds heel jong in de monnikspij gestoken, maar liep

uit het klooster weg en kreeg, zo als beweerd wordt, de permissie

van zijn supérieuren om als troubadour de wereld door te trekken, op

voorwaarde dat hij een deel van zijn verdiensten aan het klooster

afstond. Zijn jolige gedichten noemen alles op waar hij van houdt,--een

lekkere zalm bij het noenmaal, of op een weide naar het gezang der

vogels te liggen luisteren en in 't geheim een bezoek van zijn geliefde

te krijgen; zowel als alles wat hem tegen staat--een echtgenoot die zijn

vrouw al te zeer bemint, of een ridder die voor de wereld veel drukte

maakt, maar thuis peper maalt. De vrouwen vervolgt hij met geestig

sarkasme,--hoe vlijtig zij de »schilder"-kunst verstaan, zodat de

kleuren op hun wangen de schilderijen der kapel in de schaduw stellen en

hoe de safraan enorm in prijs gestegen is; en in gezellige samenspraken

disputeert hij met God over de ondeugden der vrouwen en hoe die het best

te kureren zijn en God verwijt hem dat hij weer in 't klooster gegaan

is: hij amuseerde èn de mensen èn God toch veel meer toen hij als

troubadour rondtrok!

Een heel bizondere arena voor de strijdlust der troubadours was een

soort versduellen die men tenzonen noemt. Het is een zeer oude populaire

dichtsoort; zo wel de Tyrolers (»schnadahüpferl") als de Noorse

boeren kennen die, evenals de Toskaanse en Siciliaanse herders.

Natuurlik genoeg werd dit dichtgenre, zo uitnemend passend in de

gezellige samenkomsten in Provence, aan een artistieke behandeling

onderworpen. Oorspronkelik is het zeker wel werkelik een twistpunt

geweest tussen twee personen dat op die manier op staande voet door de

zangers in zulk een verskamp werd beslecht. Maar hoe meer gewicht er

langzamerhand aan de vorm gehecht werd, des te minder kon er sprake

zijn van improvisatie en zo volgde de eene strofe de andere met een

tussenruimte op. En zo werd het langzamerhand ook niet altijd een

persoonlike kwestie die berijmd werd; dikwels was het de een of andere

algemene vraag die bedebatteerd werd. Wanneer in een gezelschap een

zeker punt aangeroerd was dat tot meningsverschil aanleiding had gegeven

in de loop van het gesprek, dan kon het gebeuren dat een dame twee

aanwezige troubadours uitnodigde, zich tot de voorvechter van een der

twee tegenovergestelde opvattingen te maken, of wel nodigde de een zijn

kollega uit een der twee opvattingen te verdedigen, terwijl hij dan de

andere tot de zijne maakte en bij de volgende samenkomst kwamen zij dan

goed voorbereid en »voerden de liederen-kamp op." En het gebeurde dan

veelal dat men de beslissing overliet aan degene die de vraag aanhangig

had gemaakt of wel werd er door vrije keuze een jury gekozen b.v. van

voorname dames. Veel zeer mooie gedichten van dien aard zijn bewaard,

ofschoon, misschien, in vele gevallen feitelik die beide rollen door een

en dezelfde troubadour gedicht zijn. Men disputeert b.v. over de goede

eigenschappen der verschillende volkeren. Of men het recht heeft de

liefde ener vrouw te weigeren, alleen omdat zij oud wordt. Of een dame

de edelste of de voornaamste van haar aanbidders de voorkeur moet

schenken,--de Dauphin van Auvergne houdt zich grootmoedig aan het

eerste, zijn burgerlike tegenstander bescheiden aan het laatste. Wat of

erger is: schuld te hebben zonder die te kunnen betalen of te beminnen

zonder wederliefde te krijgen;--Eble verklaart dat met alle respect voor

ongelukkige liefde is het toch erger wanneer men door zijn krediteuren

vervolgd wordt en zich niet in zijn mooie kleeren op de markt durft

vertonen; waarop Guillem Gasmer opmerkt dat men zijn schuldeiser met

fraaie woorden kan paaien, maar dat men van liefdesmart niet zo gauw

afkomt.

Dergelijke wedstrijden hebben aan vele hoven gebloeid. Maar eigenaardig

voor de Zuid-Franse hoven is de in 't oogvallende plaats die kwesties

van de Liefde in deze debatten innemen. Niet alleen dat de dichters

der Sirventes de groten »tot hoge daden" aan moeten sporen, »de kwaden

moeten beschamen" en zonder vreze »herauten der waarheid moeten

zijn", zowel als, waar ze zeer trots op zijn, door hun lied de roem van

hun weldoeners het eeuwige leven schenken,--als dichters van Canzonen

hebben de Troubadours een niet minder hoge roeping--de verkondiging van

de religie der Vreugde, van een gelukkig samenleven en van de Liefde.

* * * * *

In het element der vreugde leef ik gelijk de vis in het water, zingt

Arnaut de Maruelh; elke keer dat de zoete lentelucht weer mijn hart tot

nieuw leven wekt, voel ik, dat ik tot vreugde geboren ben. Ik verheug

mij over het gezang der vogels en over de bloemen--jubelt Bernart de

Ventadour--over mij zelf, maar nog meer over mijn Vrouwe, aan alle

kanten ben ik door vreugde omgeven, maar deze overtreft alle anderen.

Veel meer dan de vogels heb ik reden om te zingen, ik die alle dagen

slechts voor zang en vreugde leef en aan niets anders denk. »Joi" en

»Gaug" (vreugde), »Joi e deport", die woorden gaan als leitmotif door

de gehele dichtkunst der troubadours. In scherpe tegenstelling met het

tragiese patos der heldendichten en de sombere plechtigheid van de kerk,

komt nu het nieuwe jolige lied met zijn koloratuur en zijn trillers.

»Joi e deport" betekent dat gevoel van de edelman die zich »vrij weet

van materiele en geestelike beslommeringen" en dat heerlike gevoel

moet de troubadour opwekken en levendig houden. Een vrij geboren

natuur--zingen ze--kan niet in droefenis in beslommering leven, hij moet

alles liefhebben wat heerlik is en schoon--schone wapenen, een vrolik

tijdsverdrijf, hoofse gezelligheid; niets van dit alles is uit den boze

en dat zal ook niet door God gestraft worden, gelijk diegenen geloven

die jeugd en vreugde in miskrediet willen brengen omdat ze zelf niet

weten wat vreugde en milddadigheid betekenen (Guiraut de Bornelh). De

vreugde is de wortel van alle goeds, »se (zonder) joi non e valors", de

vreugde maakt de mens dapper, goed, beminnelik en bemind. Het is die

opgewekte stemming bij de hogere klassen, Euphorie, welke de Duitse

troubadours »hohe muot" noemen of »riche muot"; »geen enkele keer heb

ik hem in treurige stemming gezien" leest men in een lofzang over een

gestorven vorst.

Maar »joi" is ook nog iets anders, het zwelgen van de lyricus in zijn

gevoelens, zijn roes over de innerlike rijkdom van zijn ziel. Het

zelfde sentimentalisme dat bij St. Bernhard in het gevoelskristendom

en het entoesiasme voor de kruistochten uitsloeg,--dat is het wat bij de

troubadours tot de gevoelens van gelukzaligheid wordt en tot hun eroties

dwepen. Tegenover de baronnen die slechts aan hun goederen denken en

strijd, en aan alles wat ze op kunnen nemen en aanraken, verkondigt de

troubadour paradoxaal de vrijheid en rijkdom van het innerlike leven:

daar buiten is het najaar en alles verwelkt, daar is het winter en alles

bevriest, maar in mij staat de lente in de knop en bloeit het als in de

zomer. Eén glimlach van mijn geliefde is mij meer waard dan al het goud

van Arabië, in mijn liefdesgeluk zou ik met de koning van Engeland

niet willen ruilen. Maar daar staat tegenover als een niet minder

merkwaardige paradoks, dat ongelukkige liefde erger is dan tandpijn en

onaangenamer dan schulden te hebben. En toch--toch is de ontbering van

een teleurgesteld minnaar de dichter dierbaarder dan het ruwe toegeven

aan de zinnen, wat de meesten onder liefde verstaan.

De lente is de tijd van de vreugde en het sentimentele dwepen.

De liederen van Bernart de Ventadour zijn verliefde hymnen aan de

lente,--wanneer het vlas op de velden groent, de viooltjes onder

de struiken te voorschijn kijken en de beekjes helder over het zand

kabbelen, wanneer blad en bloem op alle takken knop zetten en nacht en

dag de vogel zijn gezang laat horen. Het zoet gezang van de nachtegaal

houdt hem in minnegedachten wakker en als de leeuwerik zijn vleugels 's

morgens naar de zonne uitslaat, zodat hij zich geheel vergeet en door al

't zoete dat hij voelt de aarde nader komt, dan is het hem als zou zijn

eigen hart van zoet verlangen barsten... Gelijk men niet nalaten kan de

tong tegen een holle kies te drukken--zingt Guiraut de Bornelh--zo kan

hij ook niet anders dan zijn hart naar de jonge bloemen wenden, wanneer

hij de takjes bloeien ziet en de zoete stem der vogels liefdedronken in

de struiken hoort. En is in 't eind van Maart de sneeuw gesmolten en de

warmte weer teruggekeerd, de weide groen, terwijl de vogels dan weer

zingen, dan wordt hij uitgelaten als een wild dier en licht ter been

gelijk de ree. De weiden en de heldere beekjes, de hagedoorn en de wilde

roos, de leeuwerik en de nachtegaal--dat is de stralende, vriendelike

lenteschoonheid die de troubadour liefheeft, en gewoonlik verleggen ze

dan ook hun scène's naar die soort tuinen, waar de ridderkastelen nu

veelal van omgeven zijn. De dichter siddert als een blad, is blij als

een vogel, en hij wordt door de blik van de geliefde verwarmd, gelijk de

natuur door de stralen van de zon.

De lente is de bevrijding na de koude donkere winter, wanneer de wegen

onbegaanbaar zijn en men in de sombere, kille kamers met stenen vloeren

zit te rillen of door de rook verstikt. Nu kunnen de ridder en de

troubadour weer de wijde wereld intrekken. Een verlangen naar vrijheid

en een drang naar buiten weerklinken in hun liederen. »Het leek hem

onaangenaam, lang op één plaats te blijven," heet het over één, en dat

geldt van velen. Bij alle weer, onder moeite en gevaren, rijdt hij

te paard overal heen--zo als Raimbaut de Vaqueiras het in een gedicht

schildert--met de bossen en de wegen als herberg. En onderweg dicht

hij: »Ik wil een gedicht maken over niets," begint hij, »het is gedicht

terwijl ik te paard zat te slapen," hij voelt zich behekst, weet niet of

hij waakt of droomt; zijn hart is op 't punt van verlangen te barsten,

maar daar geeft hij geen sikkepitje om; wie zijn geliefde is, weet hij

niet, maar toch bemint hij haar zéér, maar toch kent hij er een die

schoner is, alleen weet hij maar niet waar hij haar vinden kan... In

zulk een stemming van opgeruimde onverschilligheid en vage verliefdheid

dwaalt de zanger om van het ene hof naar het ander. Zijn hart verheft

zich (zoals het bij de Duitse minnezangers heet) naar het licht, gelijk

de valk in zijn vlucht, of de arend zwevend in de lucht, het is hem

alsof hij over de wereld vloog en alles bezat, alsof hij gelijk het

wilde dier in de grote bossen kon rondspringen. Alles wat er aan vreugde

in hem woont, dat ontkiemt, groeit en groent; »zijn hart schiet blad en

bloem en houdt zich groen, geheel het jaar."

Fladderen, omhelzen, zingen en liefhebben,--dat is het levensprogramma

van de rondtrekkende zangers. Vrij leven en laten leven is het wat zijn

lied aanprijst. In de ruwe en sombere wereld der baronnen en monniken

brengt hij licht en warmte. Indien hij altijd milddadigheid als

hoofddeugd voorop zet, is het zeker dat hij in de eerste plaats voor

zich zelf pleit; zijn lied is dikwels niets dan een bedelpartij en

afzetterij en de Seigneur die door hem als een Alexander geprezen wil

worden--Alexander de Grote is altijd het toonbeeld van mildheid--moet

niet spaarzaam zijn met paarden en kleeren voor zijn zangers, en open

tafel houden »zonder portier". Maar larguezza--»milte" heet het in het

Duits--was werkelik het voornaamste en meest tastbare bewijs, dat de

bekrompen ziel van de edelman week was geworden en zich om andere dingen

bekommerde. De begerige klauw die altijd gereed stond om te grijpen,

moest nu leren zich te openen en te geven. Hier gaat tot zekere hoogte

de dichtkunst der troubadours met de kerk in dezelfde richting; ook voor

de kerk kwam het er op aan--en niet alleen uit egoïsme--om de geest van

hebzucht en eigenbelang uit de harten te verbannen, ze van de aarde en

mammon los te maken. »Donar"--te geven, met geld te strooien, te leven

en te laten leven--daaruit bestaat voor de troubadour het leven der

Ridders; of dat geld aan prachtige kleeren en vrolike feesten gaat of

aan weldadigheid, dat is hem hetzelfde. Hij prijst de oorlog omdat die

dwingt de hand te openen, de groten noodzaakt niet alleen te nemen maar

ook te geven. In een tenzone verdedigt een roofridder er zich mede dat

hij niet neemt om schatten op te hopen, maar om voor anderen uit te

strooien. De moralisten der kerk herinneren daarentegen aan Cicero's

waarschuwingen tegen die soort van mildheid, die neemt wat men geeft en

geselt de ridders die uit ijdelheid alles wat zij bezitten weggeven, en

gochelaars en jongleurs met mantels en sieraden overstelpen, terwijl

de armen buiten het kasteel van kou sterven en de portier ze als vee

wegjaagt met een »scheer je weg, slungel, mijn Heer wil naar de zangers

luisteren!" Maar de troubadours prijzen daarentegen de ridder die in

1174 bij Beaucaire 30.000 sous het venster uit liet werpen en 30 paarden

liet verbranden, alleen om zijn »larguezza" te tonen of Robert Kortbroek

die alles aan gochelaars en de een of andere slet weggaf, zodat men hem

eens op een morgen zo van alles beroofd vond liggen, dat hij alleen nog

maar een hemd aan had en zo niet naar de kerk kon. »Liever ja zeggen,

dan neen!"--dat is de formule, waarin de troubadour in 't kort de

royaliteit van de ridders samenvat.

In feest en gezelligheid te leven, in een beminnelik, hoofs samenzijn

met zijns gelijken--dat was alles een soort sosiaal idealisme dat de

dichtkunst der troubadours tegen de ouderwetse baronnen opstelde, die

aan niets anders dachten dan vechten met hun buren, hun goederen af

te ronden, hun boeren uit te zuigen en zoveel mogelik land en vee te

verzamelen. De vaste kastelen--klagen de troubadours--met hun grachten

en muren zijn de haardsteden van onrecht en geweld, daar is slechts

plaats voor wapengekletter, niet voor feesten en milddadigheid. De ruwe

baronnen geven niets om zang of dans of spel, lente en bloemen laten ze

koud, als de moestuin maar goed vrucht levert. Overal, van het koninklik

hof af, wordt er alleen maar met goederen en vee gehandeld als bij

kooplieden. Zelfs een kemphaantje als Bertrand de Born beweert, dat

zulke Heren die alleen maar aan jacht denken en hoe ze hun mannen er

onder kunnen houden, en nooit aan vrolike feesten,--dat die geen begrip

hebben van ridderlikheid en een hof waar geen feesten of dames te vinden

zijn is toch maar niets dan--een paar baronnen bij elkaar! »Oorlog

en wapenspel--geld uitgeven en de vrouwen het hof maken"--assautz

e tornei--donar e domnei--al die dingen horen even goed bij het

ridderleven. En door didaktiese poëzie direkt (»ensenhament") zowel

als indirekt door alles wat zij verheerliken of veroordelen, maken de

troubadours zich tot de vertolkers van hofkultuur en »hoofsheid". Het

zijn niet alleen uiterlikheden als nette manieren, waar het op aankomt,

maar die kleinigheden bij de dagelikse omgang die wellevendheid heten

en beminnelikheid. De zachte blik, gracieuse manieren, de vriendelike

groet, een kwik antwoord of een geestigheid, dat zijn de dingen die de

troubadours bezingen bij hun seigneur of hun meesteres. En zij houden

hun hoorders vóór, dat vriendelike woorden en een beleefd antwoord geen

geld kosten en ze vrienden doet maken en dat die gift het beste is,

welke gegeven wordt zonder dat men er om vraagt, dat een beleefde leugen

honderd maal meer waard is dan een grove waarheid en dat men, evenals de

schilders, een fraai kleurtje mag zetten op wat men vertelt, zonder zich

al te veel van de waarheid te verwijderen.

* * * * *

Maar de hoogste potentie van die hoofsheid en gezelligheid en het

lyries-sentimentele dwepen is voor de troubadours de Min. »Moge ik

Gode nooit zo ongevallig worden," zingt Bernart de Ventadour, »dat hij

mij laat leven, een last voor allen, wanneer ik niet langer lief zal

hebben." Midden in de nacht wordt hij wakker, overweldigd door zijn

vreugde, geheel in dweepzieke overpeinzingen verzonken, maar moet op

eenmaal beginnen te dichten, ofschoon hij niet weet over wat en wien.

Het is hem alsof zijn hart van verlangen smelten zal, zijn ogen worden

nat, en nog nat van tranen schrijft hij honderden groeten de wereld in

aan de schoonste en de liefelikste. In zulk een jeugdig liefde-verlangen

verkeren de troubadours. »Vrouwenjagers" noemen de mannen van de kerk

hen. Toen de goede Koning Karel de Grote--zo heet het--over alles

heerste, toen deelde hij Provence, dat vol is van wijn, bos en vlietend

water, aan speellieden en minstreels uit, die zulk een los leven

leidden.

Dan eens hebben zij onderweg een avontuurtje met een herderinnetje en

dat wordt dan tot een pastorale, dan weer met een burgervrouw, bij wie

zij al hun galanterie ten toon spreiden, maar die--zo als er een in een

humoristies gedicht vertelt--daar niets van weten wil; maar heel sterk

ontvlamt het gemoed der troubadours door de schoonheden die zij aan de

hoven ontmoeten. »Menig oog heb ik gekust en menig oor," zingt er een

tot een dame, »alleen omdat zij uw oog en oor geleken." En wanneer een

ander door zijn aangebedene afgewezen is, zingt hij dat hij zich nu

natuurlik een andere vriendin aan moet schaffen, maar opdat zij niet

bij zijn eerste achter mag staan, moet hij bij haar de verschillende

eigenschappen terug vinden die hij bij zijn bekenden getroffen heeft en

zo vindt de zanger de gelegenheid om aan al die dames een komplimentje

te maken: haar frisse kleur en de zachte blik moet zij van u hebben, o

schone Sembeline en het is een heel ding dat ik van u niet alles neem,

want aan geen enkele goede gave hebt gij gebrek; Vrouwe Elise vraag ik

om haar vrolike opgewekte manier van spreken, dan wordt zo waar mijn

schone nòch dom nòch stom, de Burggravin van Montausier geve mij haar

hals en handen; naar Rochechouart rijd ik om het haar van Vrouwe Agnes,

zelfs Isolde had niet zulk prachtig haar; Vrouwe Audiartz zal haar

schone figuur en middeltje af moeten staan, enz. enz.

De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen · 第 8 / 36 段