Maar zij deden toch ook iets anders dan twisten. Bij alle hoven, de

grote en de kleine, tussen alle ridderburchten en kastelen ontwikkelt

zich een levendig maatschappelik verkeer. Dat is altijd het sterke punt

van de Zuid-Fransen geweest en de stedelike kultuur der oudheid zat,

zoals wij gezien hebben, overal in het land vast in 't zadel. De

vazallen kwamen veelal binnen de muren van de seigneur wonen, in

een spesiaal voor hen daar gebouwd huis; wanneer de burcht van de

seigneur in een stad lag, vormde die dikwels met de omliggende huizen

der vazallen een heel ingesloten kwartier. Hier ontstonden dan

maatschappelike centra, de rijke burgers kregen toegang tot de kringen

van de adel en zij treden behoorlik, zelfs met elegance op, zegt een

troubadour, en hebben evenveel verstand van omgang met de vrouwen als

de ridders, zowel als van dans en het krijgsspel. In het begin van de

12de eeuw is men daar heel wat verder met de goede manieren gekomen

dan in het arme onbeschaafde Noord-Frankrijk, om van Duitsland niet

eens te spreken. Die mensen uit het Noorden--zo spot men in

Zuid-Frankrijk--denken alleen maar aan eten en drinken en zij kunnen

niet vrolik worden en zingen voor ze hun buik vol hebben en dronken

zijn en de Duitsers met hun plompe manieren en hun »hondengeblaf" horen

nu aan een hof helemaal niet thuis. Het woord »cortes", Noordfrans

»courtois", waar wij al van hoorden, is dan ook het eerst in

Zuid-Frankrijk gebruikt voor wat in fatsoenlik gezelschap past. Hier

spelen de betrekkingen met de Arabieren in Spanje en vooral met Italië

en het Zuid-Italiaanse Griekse element een grote rol. B.v. het hof van

graaf Raimond V op zijn slot te Narbonnes bij Toulouse en de residenties

van Willem IX te Poitou en Bordeaux, die van de graven van Provence te

Aix, van Hendrik II van Engeland en zijn gemalin, Koningin Eleonora te

Limoges en Beaucaire; daarnaast nog het hof van Alfons II te Barcelona

en van de Markgraaf Bonifacio van Montferrat. Het hof te Barcelona staat

ver bovenaan wat betreft de weelderige levenswijze; wanneer Bertrand de

Born de zuster van Richard Leeuwenhart, Mathilde, prijzen wil omdat zij

hem zo vriendelik toegesproken heeft en hem naast haar »op een keizerlik

kussen" een plaats heeft aangeboden, dan zegt hij: »Uit Catalonje scheen

zij mij te komen, door haar groet en harer woorden lichte spel."

Talrijke kleinere hoven willen met de groten meedoen; trots richt het

slot Baux der vorsten van Oranje zich bij de monding van de Rhône in de

hoogte, als uit de rots gehouwen, aan de voet van de Pyreneeën ligt het

grafelik hof van Foix, bij Carcassonne dat van de burggraaf Roger II; te

Narbonne troonde de burggravin Ermengarde, door velen omringd,--volgens

de Orkneyssaga bezocht Ragnvald Jarl op zijn kruistocht haar op haar hof

en herinnerde zich later steeds die vrolike dagen. Aldoor worden er over

en weer bezoeken afgelegd, de families trouwen onder elkaar, gronden en

kastelen worden verkocht of uitgewisseld en de arme ridders zonder land

of met niet meer dan een achtste deeltje in een familieslot als erfenis,

trekken van het ene kasteel naar het andere rond. En zo wordt de

levensatmosfeer er daar één van voortdurend vrolik samenzijn, wat zij,

die daar eenmaal aan gewend waren, niet meer kunnen ontberen. Een

troubadour die naar Italië heeft moeten vluchten, gaat naar Genua en

voelt zich weldadig verkwikt door elk windje dat van uit zijn land naar

hem toe waait; onvermoeid blijft hij de mensen uitvragen en laat zijn

oor strelen door elk woord van lof: »zulk een heerlik land kent niemand

als dat tussen Rhône ligt en Vence, tussen de zee en Durance, niemand

heeft zulk een heerlik leven als daar. Daar heb ik mijn goed humeur

achtergelaten."

Twist en het gezellige leven,--het een is even karakteristiek voor de

Provençaalse wereld als het andere. Het zijn geboren individualisten,

deze ridders--zonder gevoel voor wat samenbindt en samenhoudt; zij waren

het niet, maar de Noord-Fransen die de Saracenen op hun veroveringstocht

te Tours terugsloegen; en zij waren het ook niet, maar het Noorden,

dat de politieke leiding nam en het Franse koningsschap schiep. En het

zijn geboren lyrici, die Zuid-Fransen; vol vuur gaan ze in de stemming

van het ogenblik op, met de grootste bewegelikheid laten ze die ook

weer los,--òntladen worden ze even gemakkelik als geladen. Van de

Romeinse dekadentenkultuur zit er per slot van rekening een aesteties

intellektualisme in, niet diep of krachtig maar spiritueel; genotzuchtig

en genietende, fijn en krities, met levende gevoeligheid en smijdig van

vorm, uitnemend geschikt voor een leven met anderen. Individualisme,

lyriek, aesteties intellektualisme,--zie daar de hoofdtrekken van het

Provençaalse geestesleven.

Die kentekenen ook het religieuse leven en de beweging voor de

kruistochten in Zuid-Frankrijk. Aanvallen van lyries entoesiasme

wisselen af met wereldlike scepsis en strijdlustige weerspannigheid.

In de 11de eeuw kwamen er talrijke extravagante »bekeringen" en

voorbeelden van grote ascetiese krachtsinspanning voor in de Zuid-Franse

wereld; het was ook in Aquitanie en Provence dat de entoesiaste

vredesbewegingen kwamen en zich verspreidden. En toen Urbanus II het

wachtwoord voor de kruistocht had laten horen, was de Zuid-Franse

ridderschap de eerste om aan die roepstem gehoor te geven. De

hebzuchtige Raimon van Toulouse schonk terstond hele sommen aan kerken

en kloosters, nam zijn vrouw en zijn jongste zoon mede, rustte een

groot leger uit en zette het beeld der Madonna op zijn banier. Op de

hele tocht waren de Provençalen het meest fanatiek; alle visioenen

en mirakelen pakken die zuidelingen heel wat sterker aan dan de

Noord-Fransen en wanneer het hun voorkomt dat de leiders wat al te

lang ergens blijven hangen, dan steken ze eenvoudig het kamp en de

levensmiddelen in brand om ze op die manier te dwingen verder te

trekken. Thuis weerklonk Provence van de vurige kruisliederen der

troubadours. »Baron Jezus zendt ons allen een boodschap... Wij moeten

de schande wreken die Kristus moest ondergaan toen hij aan het kruis

genageld werd... Wij moeten de ongelovigen rekenschap vragen van de

smaad die hem om onzentwil overkomen is... Hier is een wasbekken dat ons

allen door de Hemelse Koning en Heer aangeboden is. Hebt gij lieden er

een idee van hoe rein zij worden zullen, die zich in dat bekken wassen?

Zij zullen schoner worden dan de sterren die de schepen leiden."

Maar al dat entoesiasme en die aestetiese geestvervoering der ridders

voor de zaak van Kristus, sloeg heel gauw om. Het ongelukkige resultaat

der kruistochten werd opgevat als een godsoordeel, dat God het met de

ongelovigen hield. En de terugslag van dat fiasco werd bij menigeen een

verbitterde ketterse stemming. »Helaas!" klaagt een poëtiese Tempelheer

na de val van Caesarea, »indien God, wien dit alles moest mishagen, het

goedkeurt, dan moeten wij tevreden zijn. Gewoon een dwaas is hij, die

nu nog strijd met de Turken wenst, nu God hun immers alles gunt. God,

die vroeger waakte, slaapt nu, maar Mohammed ontplooit al zijn kracht

en laat zijne dienaren zegepralend heersen." En met spot en scherpe

hatelikheden vallen de Troubadours de paus aan, de kerk en de

geestelikheid. Heel spoedig hadden ook de »ketterse", half onkristelike

godsdienstige secten hun weg naar Zuid-Frankrijk gevonden en verstandige

ontwikkelde geesteliken zetten in Provence en Lausanne bewegingen op

touw om het »bijgeloof" van de sacramenten, relikwieën en heiligen

bij de Kristenen uit te roeien. Maar vooral breidde zich een religieus

indifferentisme uit, dat voedsel kreeg door het voortdurende verkeer met

Spaanse Joden en Spaanse Muzelmannen. Reeds in de 13de eeuw klagen de

mannen der kerk er over hoe ze overal in Languedoc veracht worden, hoe

weinig er voor de tienden binnenkomt, hoe de godsdienst zonder enig

respekt bespot wordt en hoe dikwels de geesteliken zelf persoonlike

overlast te verduren hebben. Lyries entoesiasme en strijdbare ketterij,

aestetiese religiositeit en Latijns rationalisme--dat is de houding van

de wereld der troubadours tegenover het Kristendom.

Die zelfde lichte ontvlambaarheid en weerspannigheid vindt men overal in

het maatschappelik verkeer terug. Die Zuid-Franse ridders vechten niet

alleen met het zwaard en om grondbezit, maar ook met woord en pen, met

spot en kritiek, met intriges en chicanes om duizenderlei dingen van

niets, twistpunten die overal met de wapenen des geestes uitgevochten

worden. De bisschop van Clermont valt met een schimpdicht op de Dauphin

van Auvergne aan omdat diens slotvoogd een dame, die iemand daar

spek had laten halen, om eieren in te bakken, met een half schijfje

afscheept,--en die dame was nog wel de aangebedene van de Dauphin. Deze

laatste antwoordt met allerlei beschuldigingen tegen de Bisschop. Een

andere pennevete had die zelfde Dauphin met de baljuw van de burggraaf

van Turenne. De Dauphin had de dochter van de burggraaf lief en kwam

daarom dikwels aan het hof op bezoek, maar nam die gelegenheid dan

veelal waar om geld van de baljuw te lenen en toen die hem nu daarover

lastig begon te vallen, hield de Dauphin, in plaats van te betalen, met

zijn bezoeken op, waarom zijn schuldeiser hem nu in schimpdichten

verweet dat zijn liefde zo snel vervloog.

En het maatschappelik leven is al even vol van liefdesintriges als van

onderlinge twisten. Hoe sterk juist die dingen zijn, daar weten de

kroniekschrijvers heel wat van te vertellen,--over de bijzitten der

baronnen of de »vrienden" van de getrouwde vrouwen of van de ruwe,

gruwelike wraak van een echtgenoot of jaloerse vrouw. Maar de liaisons

in Zuid-Frankrijk hebben toch nog een geheel ander karakter dan b.v. de

grove wellust der Noord-Franse baronnen, of de bloedige hartstocht der

Italianen, meestal is het een gezellig flirten geweest, waarin sympatie

en zucht om te behagen meer te zeggen hebben gehad dan de zinnen,--een

literair gekleurde schoonheidskultus of een artistiek spelen met

gevoelens en gemoedsbewegingen, die onwillekeurig uit elke verhouding

munt voor een »roman" slaat. De koketterie der dames en de galanterie

der Ridders zowel als het gehele maatschappelike leven ontwikkelen

die fijnere soort van het spel der liefde, waarbij een glimlach,

een handdruk of een vriendelik woord het middelpunt uitmaken van

verwikkelingen en intriges, aanleiding geven tot een »scene", de

gemoedsbeweging opwekken en de twee partijen in spanning houden, en het

genot van zulk een verhouding wordt op die manier over allerlei kleine

nietsjes verdeeld, maar die elk op zichzelf die fijner besnaarde mensen

evenveel zielsgenot verschaffen als het meest massieve liefdesgenot de

grove Noordeling geeft.

En bij die liefhebbende en twistende mensen ontstaat nu een dichtkunst

en gezang over twist en liefde. Daar staat een schare van dichters op,

die niet alleen aan de in die hogere kringen uit het volkslied geboren

dichtkunst een artistieke vorm geven,--dansballaden en romancen, alba's

en pastoralen--maar ook een hoger en meer persoonlike kunst scheppen

om aan alle gevoelens die dat leven wekt, uitdrukking te geven. En van

al de maatschappelike standen die daar te Toulouse of te Aix de toon

aangaven, heeft de ene al evenveel tot die zwerm dichters bij gedragen

als de andere. Wel is waar zijn de meeste troubadours arme zonen van

ridders en kleine heren, maar er lopen toch ook wel zonen van de

burgerklasse onder, ja zelfs wel eens een enkele keer een van de

bij uitstek begaafden onder de dienende klasse, die er ingeslaagd is

de slotskringen binnen te dringen; er zijn geesteliken bij, die het

klooster uitgelopen zijn, maar ook rijke baronnen en hoge vorsten; de

oudste die men kent is graaf Guillaume van Poitou, die omstreeks het

jaar 1100 dichtte. Velen van hen hebben niet eens zelf kunnen schrijven,

maar een zekere geleerde opvoeding hebben ze toch bepaald gehad; van

één lezen wij uitdrukkelik dat hij 's winters op school ging en er

zijn duidelike sporen in hun werk op te merken van kennis der Latijnse

kerkpoëzie en nu en dan van de literatuur en mythologie der Latijnse

oudheid. Velen van hen dragen zelf hun gedichten voor, maar naast hen

vindt men in den regel »jongleurs" die met hen rondtrokken en hun

gedichten voor hen accompagneerden en opzegden.

VII.

DE KUNST DER TROUBADOURS.

L'Art de Trobar werd gevoeld als een kunst en was dat dan ook, die

uitgevonden was door mannen van kennis, die door studie aangeleerd kon

worden en beoefend moest worden met zorg en verstand. Reeds de oudste

troubadour van wie wij liederen hebben, spreekt van zijn werkplaats,

beroemt er zich op zijn handwerk te verstaan en alle troubadours spreken

van het smeden en vijlen of van het optimmeren van hun gedichten. Van

het begin af was het al een sisteem van regels die gevolgd moesten

worden om goed te »trobar", door die regels komt de kunst hoe langer

hoe meer in het nauw, totdat de gedichten er in verstikken. Naast de

volks-poëzie en de salon-poëzie die allen kunnen verstaan en bijna een

elk kan maken, komt de troubadourkunst te staan als iets dat slechts

de uitverkorenen kunnen hanteren en dat zich slechts tot een zeer enge

kring van kenners richt, dat slechts wil »grat de las melhors" en zich

absoluut niet bekommert om bijval van de »desconnoissedors".--Maar die

kunst is in voortdurende ontwikkeling en het komt er voor elke dichter

op aan tot haar vervolmaking het zijne bij te dragen. »Trobar" is

uitvinden en in tegenstelling met de »jongleurs" die overal de gedichten

van anderen komen voordragen, of die, waar zij zelf dichten, dit anoniem

en onpersoonlik doen, geheel in de oude sporen, laat de troubadour er

zich op voorstaan zelfstandig op te treden en trots tekent hij zijn

gedichten met zijn naam. Nieuwe melodieën, nieuwe versvormen, een nieuwe

inhoud moet elke troubadour op de been brengen. Het is dit streven naar

orginaliteit dat de poëzie steeds meer gekunsteld maakt. »Ik wil een

nieuw lied zingen," begint er een troubadour, »met grote moeite, opdat

het op geen ander lijke, want een lied dat aan andere doet denken is

niet goed en niet schoon." En een ander: »Ik vind het altijd vervelend

te vertellen dat ik ween en van liefde zucht, want dat liedje kent de

hele wereld van buiten. Ik wil nieuwe verzen schrijven met lieflike

melodieën, maar wat kan ik nu nog bedenken dat niet reeds gezegd is?

Wat moet ik dan doen? Ik zal de oude dingen op een nieuwe manier

moeten zeggen, zo zal mijn gedicht er uitzien alsof het nieuw was."

In tegenstelling dus met de traditionele en de volkspoëzie, stelt de

troubadourskunst--evenals de hofpoëzie der skalden in het Scandinaviese

Noorden--het aristokratiese en individuele op de voorgrond, dwingt de

kunst in conventionele, kunstige vormen, maar spoort binnen die perken

de enkelingen toch aan, hun eigenaardigheden niet te verbergen en te

trachten elkaar te overtreffen.

De poëzie der troubadours is nu in de eerste plaats een lied, begeleid

door de viool of de harp. »Een liedje zonder muziek is gelijk een molen

zonder water", heet het uitdrukkelik en de troubadours waren vooral

komponisten. In plaats van de eenvoudige, eentonige muziek van het

volkslied met zijn symmetriese herhalingen van de melodie, geven zij

er een dat veel kunstmatiger is, waarschijnlik onder invloed van de

kerkmuziek. Maar van die muziek der troubadours hebben wij eigelik niets

meer over dan de afspiegeling er van in hun verskunst. Als een stroom

van harmonie, een volheid van rijm en rhythme is die verskunst aan komen

storten en heeft een ieder met zich medegesleept. Het rhytme, meestal

levendig jambies, laat niet, gelijk de volkspoëzie, versregels van de

zelfde soort, regel aan regel op elkaar volgen, maar laat lange en korte

afwisselen, en geeft strofen van zeer verschillende lengte en bouw. Met

versregels van 2 à 3 lettergrepen tot 10 à 12, met strofen van 3 à 4

regels tot 20 toe, gaf de troubadour-poëzie het aanschijn aan zulk een

enorme massa combinaties, dat die na de eentonige rhytmiek van het

kerkgezang en de volkspoëzie, werken moest als de openbaring van een

geheel nieuwe tonen-schoonheid. Misschien bestaat er verband tussen

deze strofenbouw en die der Oudheid en der Arabieren, maar in elk geval

betekende de kunst der troubadours een hele revolutie in de uiterlike

vormen der Europese poëzie en werd het uitgangspunt van de rijkdom in

versvormen der gehele moderne lyriek.

Maar nog meer werd de welluidendheid een geliefkoosd hulpmiddel voor

de Provençaalse kunst. De natuur had die taal in dit opzicht goed

bedeeld: de brede open vokalen hadden het een zekere volheid gegeven,

de konsonanten, zo krachtig in vergelijking met Frans en Italiaans, en

de harde konsonantengroepen (tg, tz, rn, enz.) verleenden het ook veel

karakter. En bovendien heeft de taal een grote rijkdom aan rijmen,

aangezien zo veel verschillende Latijnse uitgangen in het Provençaals

zijn samengevallen,--amati, amatis, amatus,--dit is alles tot amatz

geworden. Van deze natuurlike rijkdom aan rijmen van de taal, heeft de

troubadourskunst alle mogelike voordeel getrokken. De volkspoëzie had

zich vroeger tevreden moeten stellen met vokaalrijmen, assonance; maar

de kunstlyriek eist volle rijmen en voert die nu in om door de gehele

latere Europese dichtkunst gevolgd te worden. En er komen nog meer

gekunstelde rijmen op,--de zogenaamde »rimes riches" worden ingevoerd,

waar dezelfde klankkombinatie, maar met verschillende betekenis (art

= kunst en = brandt) op elkaar rijmen, zo wel als moeilike, zeldzame

rijmen, of rijmen bestaande uit vele lettergrepen of zelfs vele woorden;

als spelend vormen zij rijmen van dezelfde eind-konsonanten, maar

verschillende daar aan voorafgaande vokalen (ars, urs, ors, ers) of uit

verschillende grammatiese vormen van hetzelfde woord bestaande. Of wel

worden de rijmen gekruist inplaats van op elkaar te volgen en worden ze

ver van elkaar af geplaatst; soms moet het oor dan 5 à 6 regels wachten

voor het komt. Op die wijze worden lange rijm- en rhytme-strofen gevormd

met grote afwisseling. Daar staat tegenover dat het oor ook voortdurend

gebombardeerd wordt met hetzelfde rijm, en dat de strofen rhytmies aan

elkaar gesmeed worden, doordat b.v. de rijmen van de ene strofe naar de

andere overgaan, door het hele gedicht heen, of doordat de nieuwe strofe

met het woord begint waarmede de vorige eindigde. Door zulk een kunst,

door zulke gekunsteldheidjes worden nieuwe dichtvormen verkregen.

En midden in de regels speelt men met woorden van dezelfde stam: »A

Lunel lutz una luna luzens", of met woorden van dezelfde klank maar

verschillende betekenis: »ongle--oncle". Men heeft ook oor er voor

om de vorm naar de inhoud te richten. Zo worden b.v. in een speciale

dichtvorm: »descort", het disharmoniese heen en weer geslingerd-worden

van een liefdeziek gemoed tussen zaligheid en wanhoop, door het steeds

veranderende rhythme der strofen getekend. Slechts bij uitzondering

horen wij een troubadour verklaren dat hij een vrolike melodie aanslaat,

»omdat anders niemand naar zijn lied luisteren zou, zo treurig is de

inhoud."

En evenals de versvorm zijn de taal zelf en de stijl het voorwerp van

een artistiek aristocratiseren. »In mijn hart draag ik de vijl," zingt

een troubadour, »waarmede ik schone woorden vijl en ik zet ze in schone

rijmen, omdat ik een schoon wezen bezing." Niet van alle landstreken

wordt het dialekt geaccepteerd als een »natural e drecha parladura": als

Frans goed is voor epiek en de pastorale, is het dialekt van Limousin

beter voor de lyriek. Niet alle woorden vallen in de smaak; onfijne,

platte woorden zijn uit hun poëzie verbannen, »want hij die bemint,

moet zijn goede opvoeding tonen niet alleen in handelingen maar ook in

woorden." Men gaat zich op de grammatiese korrektheid toeleggen en men

begint grammatica's te schrijven. Veelal verheft men bewust de stijl

boven de gewone prosa door de massa rethoriese en poëtiese figuren

die dikwels uit het Middeleeuws Latijn of de klassieken stammen of

uit de bijbel. Men heeft antitesen en metaforen, vergelijkingen en

personificaties in de antieke kunststijl: de pijlen en het vuur

der liefde, haar koude vlammen en zoete smart, de gepersonifieerde

Amor, of zinswendingen als: »Gelijk de magneet... aantrekt, zo..."

enz. Het is invloed van de bijbel wanneer een vorst »de ceder der

vrolikheid" genoemd wordt of een dame: »de toren der eer". De gehele

rhetoriese woordenvoorraad uit het Middeleeuws Latijn komt weer te

voorschijn: de roos der schoonheid, de lelie der reinheid, de bloem der

welvoegelikheid, der eren kroon, de spiegel der vreugde, de alsem der

bitterheid.

Velen onder de troubadours maken hun stijl met opzet donker en moeilik

te verstaan--wat vooral op te merken valt waar de poëzie zich boven

het gemeenzame verheffen wil: in de Alexandrijnse tijd zowel als in de

laat Romeinse Keizertijd, aan het Perziese hof zowel als bij de Noorse

Skalden. »Le trobar clus" (gesloten) is het aestetiese program voor

een bepaalde richting onder de troubadours. De geleerde Arnaut Daniel

imponeerde zijn tijdgenoten zowel als de nakomelingschap (b.v. nog

Dante) door zijn kunstige stijl, ofschoon er spotters waren die

beweerden dat niemand zijn poëzie begreep. Hij vormt nieuwe woorden,

bouwt lange, ingewikkelde zinnen, geeft omschrijvingen in raadselachtige

bewoordingen, en zit vol woordspelingen en geleerde toespelingen: »jaagt

hazen met ossen en zwemt tegen stroom in",--zoals hij zelf zegt over

zijn jacht op verrassende en ver gezochte beelden. Het is Latijnse

rhetorenstijl wanneer Spanje omschreven wordt »als het rijk dat de

Ebro doorstroomt", de meest onnodige onzer oude Scandinaviese poëtiese

omschrijvingen worden overtroffen wanneer een moeder met »de zuster van

mijn oom" werd aangegeven; en wanneer »de liefde die hem in het harte

regent, hem warm houdt, hoe zeer de winter ook buiten woedt", dan is dit

niet anders dan een proefje van Perziese hoflyriek. Een ander aanhanger

van deze »estilh clus", Guiraut de Bornelh, gaf dat later op en zeide

toen in een polemiek over die kwestie dat men volgens hem beter deed zo

te dichten dat men door een ieder verstaan kon worden; »per slot van

rekening is dat ook het moeilikste." Maar zijn tegenstander beweert:

»neen! dan zouden allen gelijk worden. Indien de dichtkunst tot een

ieder komt, vermindert die in waarde, gelijk alles wat binnen het bereik

van Jan en Alleman komt; goud is duurder dan zout, omdat het zoveel

zeldzamer is, en zo wordt ook die dichtkunst het hoogst geschat, die het

moeilikst toegankelik is."

* * * * *

Deze fijne kostbare kunst is het nu waar het Zuid-Franse adellik leven

zijn ziel in uitstort en waaraan het eigen vorm geeft. De troubadours

eindigen de meesten van hun gedichten met een »tornada"--een kleine

»staart"--cauda--die het rhythme en 't rijm van het gedicht nog eens

herhaalt als in een refrein en tegelijk de bedoeling in het kort

samenvat en aangeeft voor wie het bestemd is,--voor een bepaald persoon

of voor een hele klasse van hoorders. Feitelik is de poëzie der

troubadours oorspronkelik direkt uit het leven ontstaan en heeft dan

ook zijn bepaalde praktiese taak in dat leven, zij is gelegenheids-

en tendens-poëzie zo goed als enig andere. Al die schermutselingen

die vroeger met mond en zwaard of per brief tussen de baronnen en de

burchten plaats grepen of tussen de kerk en de wereldlike macht, alle

vleierijen van de Heer, of bespotting van zijn vijanden die in de

hal weerklonken hadden, alle woorden van liefde of laster die in de

binnenkamer gefluisterd waren,--dit alles zou nu de vleugelen van de

zang en de muziek te hulp roepen om zich beter te bewegen en verder

door te dringen. Wat vroeger in 't Latijn geschreven was, werd nu door

de troubadours in een lichte, populaire vorm gegoten. De Provençaalse

kunstpoëzie is veelal te beschouwen als een voortzetting van de Latijnse

lofzangen, of grafliederen die de geesteliken aan de hoven op hun hoge

meesters gedicht hadden, of van de strijdschriften die een notaris of

een kanselier in de dienst van hun Heren geschreven hadden, van de

preken ten gunste van de kruistochten van een Bernhard van Clairvaux of,

omgekeerd, van de Latijnse hekeldichten der vaganten tegen Rome en de

geestelikheid.

Een »Sirventes" betekent letterlik een dien-dicht (sirven = dienen,

servir), door een hofdichter tot lof van zijn heer of tot bespotting

van diens vijanden en in zijn politieke dienst geschreven, maar

langzamerhand is het in 't algemeen de vorm geworden voor alle

persoonlike religieuse en morele polemiek en vindt de gehele kritiese

en strijdlustige Zuid-Franse geest in het »sirventes" zijn uiting.

De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen · 第 7 / 36 段