waar men zich te voren geen idee van gevormd had. Geesteliken die als
huiskapellanen of als opvoeders voor de zonen der adelliken aan de hoven
vertoefden, trachten de jongelui iets van de tucht en fatsoenlike
manieren aan de maaltijden bij te brengen, die volgens de oude
reglementen in de refectoria der kloosters in gebruik waren. Uit de
Talmud en van de Arabieren uit Spanje had de gekerstende Spaanse Jood
Petrus Alphonsus dergelike regels voor tafelmanieren opgesteld in zijn
»Disciplina Clericalis", geliefkoosde lectuur in de 12de en 13de eeuw.
En kon men niet bij Ovidius lezen dat men niet schrokken moest, maar het
eten netjes met de hand naar de mond moest brengen en zijn gezicht niet
mocht volsmeren? Indien Helena schrokkerig gegeten had en zich bemorst
had, dan zou Paris niets met haar te maken hebben willen hebben. Of was
er in de wijsheid van Jezus Sirach niet eigelik een heel Leerboek voor
tafelmanieren in den dop te vinden,--dat men niet met een »hemel, wat
een hoop eten!" er het eerst bij moest trachten te komen, dat men zijn
maag niet mocht overladen, en indien men daar toch door de tafelgenoten
toe mocht zijn verleid, dat men zich dan onopgemerkt even van tafel
moest verwijderen om het »overvloedige" kwijt te raken? Al dergelijke
nuttige voorschriften leerden de Ridders en hunne dames, dat men
geen grote brokken in de mond mocht nemen, niet met eten in de mond
mocht spreken, niet met de hand in de algemene schotel mocht roeren
of er afgekloven benen weer in leggen, zorgen dat er geen vetrandje
aan de beker achterbleef waaruit men gedronken had en de buurman nu
weer uit drinken moest, en ook de mond niet mocht afvegen met het
tafellaken--laat staan natuurlik er zijn neus in snuiten.
In het algemeen is het de gehele dagelikse omgang die nu het voorwerp
van een cultivering en regulering wordt van het oogpunt van reinheid
uit, van het algemeen gemak en van de schoonheid. Het is het samenleven
der hogere kringen dat uit zich zelf, hier als overal, de manieren
der mensen verfijnt en polijst. De hoven worden nu een school der
beleefdheid, waarin de grote Heren van buiten wat worden gevijld
en geschaafd. Maar evenals de nieuwe lukse en de verfijning van de
uiterlike levensvormen dikwels slechts iets geweest zijn dat er buiten
op zat,--het rijke zijden dek verborg soms een bed van stroo, en in
plaats van de geraffineerde feestgerechten kwam er gewoonlik slechts
spek en worst op tafel--zo blijkt het maar al te dikwels dat al die
regels over de vormen van het hof niet natuurlik ontstaan zijn, en als
gewoonte tot ontwikkeling gekomen, maar dat die er van buiten af kant
en klaar in gebracht zijn en, als nieuwe kunstmatige modevoorschriften,
van buiten geleerd. In de 11de, 12de en 13de eeuw ontstaat er een hele
literatuur door klerken, die aan het hof leven, geschreven, eerst in 't
Latijn, later in Franse en Duitse verzen en die ten doel heeft regelen
voor de goede manieren en de goede toon op te stellen voor alle
mogelike levensomstandigheden. De enige leermeester tot wien men zich
wendt is de oudheid. Bij Ovidius, bij Cicero en bij Seneca en in de
verschillende verzamelingen van spreuken die in de middeleeuwen onder de
naam gaan van Publius Syrus, Cato en Seneca, vindt men regels over hoe
men zijn tanden en nagels schoon kan houden, hoe men niet te luid of
te veel moet spreken, hoe men niet te hard of te veel mag lachen en
dergelijke dingen meer die allen onder het »decorum" te rangschikken
zijn. Maar in het bizonder had de Kerk langzamerhand als een schakel in
de kristelike moraal een verfijnde opvoedingsleer ontwikkeld. In een
Grieksch geschrift van Clemens van Alexandrië (ongeveer 200 n. C), de
»Paedagoog", vindt men een massa zulke voorschriften: men mag zijn neus
niet snuiten, of niet niezen met al te veel lawaai, bij het drinken het
hoofd niet te veel naar achteren werpen, enz. En dit alles--leert die
Kerkvader--zijn geen bagatellen, want »wij moeten altijd leven alsof
wij in de tegenwoordigheid van God leefden." Dat was het juist wat
de heilige kluizenaars deden. Daden van kristelike ootmoed en liefde
waren voor hen niet iets wat alleen de grote handelingen betrof; die
moesten integendeel het dagelikse leven tot in de kleinste kleinigheden
doordringen, alles zou bij het opmaken van de rekening meetellen. Liefde
wordt in de dagelikse omgang tot een meest delikaat in acht nemen van
vormen en respekt, ootmoed tot de meest geraffineerde bescheidenheid.
Wanneer de heilige Paulus bij de heilige Antonius op bezoek is, trachten
zij elkaar in damesachtig-fraaie beleefdheidjes te overtreffen en
parlementeren er een langen tijd over wie het eerst van het brood
zal nemen, enz. Later heeft het kloosterleven een heel sisteem van de
regelen der etikette bij de dagelikse omgang ontwikkeld--de regel van
de H. Benedictus bevat een massa van dergelike voorschriften--hoe de
monniken elkander of hun Abt zullen moeten begroeten of toespreken en er
bestaan strenge straffen voor wie onder het zingen der psalmen hoest of
wie bij het drinken met zijn tanden tegen de altaarkelk stoot, enz. Wij
hebben uit het jaar 1000 ongeveer, verschillende leefregels voor jonge
geesteliken en nonnen, door geesteliken geschreven. Zo is er b.v. één,
waarin Bernhard van Clairvaux de jonge man inprent hoe hij zich gedragen
moet, spreken, de mensen moet aankijken, enz. Zulke leraars zijn het die
de klerken naar de adel op de kastelen sturen voor hun zoons. En het
doet werkelik goed te zien welke drang naar goede manieren de ridders
nu tot de leerlingen van klerken en Joden maakt, van de Muzelmannen en
de oude klassieken,--en de energie die ze er aan besteden om zich die
lessen ten nutte te maken. Zo leren ze b.v. om altijd te kloppen als ze
een kamer binnen willen. »U" te zeggen tot hun gelijken en de hogeren
in rang. »Heer", »Vrouw" en »Jonkvrouw" te zeggen--men zegt dat de
meervoudsvorm »U" reeds in de tijd van Caesar in gebruik kwam als
men iemand aansprak,--bij het binnentreden iemand met een »God zegene
U" te begroeten, te bedanken als men iets krijgt, niet te hevig te
gestikuleren bij het spreken, de hand niet op het hoofd of op de
schouder te leggen van een persoon die men aanspreekt, hem van wie men
afscheid neemt Gode te bevelen... alles kleinigheden, maar die te zamen
het sisteem vormden dat de tijd op zou bouwen.
Tot die hoofse vormen en gebruiken hoorde natuurlik nog in de eerste
plaats vaardigheid in het hanteren van de wapenen en in het paardrijden;
die worden tot ridderlike deugden met allerlei regels en steeds groter
raffinement. Van de kinderjaren af worden de jongens daar reeds in
geoefend en in vredestijd blijft men zich oefenen door toernooien
en andere sport. Het fokken van paarden en hoe ze te verzorgen, de
versierselen op de wapenrusting, de heraldiek, de schermkunst of hoe
een lans te breken,--dit alles en dergelike dingen werden bij de hoven
voorwerpen van grote zorg. Hoe zeer de wapens en de paarden bij de
ridders geëerd en geliefd waren en hun altijd voor de geest stonden, dat
tonen al de beelden en vergelijkingen uit die gedachtesferen waar de
ridderpoëzie van doortrokken is. En het zelfde geldt van de jacht,--de
hoofdpassie der ridders, behalve toernooien. Dan eens vergelijkt de
dichter zijn verliefd hart met een teugelloos paard, dan met een havik,
die zijn prooi in 't oog krijgt, de welopgevoede ridder wordt vergeleken
met de welgedresseerde jachtvalk en de ongelukkige minnaar met een vogel
in de ruitijd. Er zijn reeds vroeg leerboeken--veelal naar het Arabies
bewerkt--voor alle mysteriën van de jacht-wetenschap, en een valk te
kunnen dresseren, of de buit volgens de ware regels te kunnen verdelen,
waren kunsten waar men de gunst van vorsten zo wel als dames mede kon
winnen, als men zich daar een meester in toonde. Maar als gewichtige
elementen in de hoofse vormen kwamen er bij die lichaamssport nog
allerlei gezelschapskunsten. De jongelui van beider kunne worden in het
teerlingspel onderwezen, in het schaken en de dans; het een of ander
instrument te kunnen bespelen en de kunst van lezen en schrijven kwam
er naderhand bij, altans voor vorstenkinderen. Voor deze laatsten hield
men er veelal een »Paedagogus",--een »maistre"--een »zuchtmeister" of
»meisterinne" bij het hof op na; vooral de meisjes uit de voorname
families leerden niet alleen lezen en schrijven maar ook zingen en
spelen.
Zelfs de innerlike habitus der mensen komt onder de invloed van dit
leven der hogere klassen en het sosiale leven op het adellik slot en
aan het hof--in hoofdzaak juist in die zelfde mate als dat het geval is
waar dit elders in de geschiedenis voorkomt,--aan de Indiese en Perziese
hoven, die van de Italiaanse renaissance of bij het leven te Versailles.
Het gezelschap bestaat in de eerste plaats uit de Seigneur en zijn
familie--daaronder vele behoeftige mannelike en vrouwelike verwanten
die op het kasteel genadebrood eten;--daarnevens een heel garnizoen van
ridders die een soort lijfgarde van de Seigneur vormen. Verder zijn daar
een hele schare van jonge edellieden die naar het hof gezonden worden om
zich daar in de wapenen te oefenen en de ridderlike tucht te leren, zulk
een vorstenhof is feitelik een soort Ridderakademie. Die jonge lui doen
eerst dienst als pages en als fakkeldragers of boodschappers, zorgen
voor de valken op de jacht en het aankleden en ontkleden hunner heren;
later worden zij schildknapen en de armen onder hen brengen het veelal
niet verder; de rijken daarentegen, of zij die hun wapenrusting en
riddertooi door een ander kunnen laten bekostigen, worden tot ridder
geslagen en trekken dan weg. Vervolgens heeft men de arme »Chevaliers
sans terre" die op het ene hof voor, het andere na, gastvrijheid komen
vragen, ook zelfs edelen in goeden doen die ergens hun eigen goed en
burcht hebben, maar die er de voorkeur aan geven aan het hof van de
leenheer hun leven te slijten. En verder een heel stel hofambtenaren,
de seneschalk, de keukenmeester, de keldermeester, de intendant en
de maarschalk. De burchtvrouw en haar dochters hebben--evenals de
vorst--ook hun suite van arme tantes, nichtjes en andere adellike
dames die op het kasteel wonen als dames van gezelschap of kameniers en
evenals hun broeders worden de adellike jonge meisjes voor hun opvoeding
daar heen gezonden, om daar dienst te doen en liefst ook te trouwen.
Wanneer daar nu nog een heel dienstpersoneel bij komt, dan begrijpt men
dat de burcht in de regel niet het hele hof kon bergen, vooral niet bij
feestelike gelegenheden, wanneer de adel uit de buurt ook nog aan kwam
zetten; dan moesten velen bij de gegoede burgers hun intrek nemen, de
residentie lag ook bijna altijd in of bij een stad.
Hier wordt er het leven van de grote Heren geleid. Alle werk voor
het dageliks brood is onterend. Is er eens een edelman die zich in 't
geheim met de schaapsteelt afgeeft, dan voelt hij zich diep beschaamd
wanneer het aan den dag komt. Handel is een zaak voor kramers en Joden.
Alle »gaigneurs" worden veracht,--zij die hun brood moeten verdienen
en alleen des Zondags vrij hebben. Zelfs van die zaken welke de
administratie der goederen medebrengt, wil men niets weten. Het jonge
geslacht stelt de aanvaarding van de erfenis zolang mogelik uit, zij
blijven liever bij het hof dan zich daarmee druk te maken. Wanneer er
recht gesproken zal worden en er plotseling bezoek komt, dan laten de
jongelui zowel als de baronnen alle rechtspleging in de steek en haasten
zich volgens de verhalen in de romans, de gasten te ontvangen. En gelijk
de zaken op de schouders hunner beambten geschoven worden, zijn ook
zorgen en bekommeringen iets waar een edelman zich boven moet weten te
verheffen. In de oude heldengedichten zag men zelfs de hoogststaanden
tranen storten, maar nu heet het--gelijk dikwijls in de romans
voorkomt--: »Laat de mindere man verdriet hebben, die is er aan
gewoon,--maar dat past niet bij een vorst of een voorname dame." Vooral
van de bezittingen moet men zich nooit iets aantrekken of er een traan
voor laten, wanneer men het hart van een baron in zich heeft. »De
vreugde te beminnen"--joye aimer--is ridderplicht, en »jeunesse" wordt
als een van de ridderdeugden voorgesteld. Het is een van de eisen der
hogere kringen dat men rijk moet zijn, niets te doen moet hebben, vrolik
zijn en jong,--gelijk naderhand in de salons der 18de eeuw.
Het leven is een en al gezelligheid,--een leven van uiterlikheden, vóor
en met anderen. Slechts in de eenzaamheid of in kleine kring kan een
intiem innerlik leven ontstaan, een warm gemoedsleven, een dieper
denken, gaan met de gezelligheid niet samen. Het is een leven van
ogenblikken, van op zich zelf staande momenten, op de omgeving
gericht. Zulke mensen zijn licht bewogen gevoelsmensen: zij zijn
nerveus-ontvankelik voor de stemmingen van hun omgeving, zij nemen
gretig deel, ofschoon misschien niet diep, aan het wel en wee van
anderen; zelf zijn zij expansief in hun gevoelens en hebben er behoefte
aan bij anderen sympatie te vinden; beminnelikheid en behaagzucht,
koketterie en ijdelheid, sympatie en fijngevoeligheid zijn eigenschappen
die dat leven ontwikkelen. Maar geen sterke passie zal licht gelegenheid
krijgen om bij zulk een versnippering van het gevoelsleven tot volle
groei te komen, die zou ook een einde maken aan het sosiale leven
en aan het intieme huweliksleven, en het familieleven begint onder de
ontwikkeling van het sosiale leven te kwijnen; aan de hoven der 13de
eeuw gelijk in de salons der 18de; glijden man en vrouw van elkander,
zij hebben geen tijd en gelegenheid om voor elkaar te leven, men moet
zich grotendeels aan het leven geven. Zelfs komt het huwelijk in
miskrediet, als het gezellige sosiale leven in de weg staande; in een
Duitse roman verklaart Gawein dat voor Iwein: wat zijn er niet een
menigte echtgenoten die zich met hun vrouw opsluiten, alle riddervreugd
er aan geven, zich in de gewoonste kledij steken, ongesoigneerd er uit
zien en een hoogst onaangenaam leven leiden, het hoofd vol van huiselike
beslommeringen.
En daarenboven: mensen van de wereld leren de kunst van observatie, in
elk geval leren ze de kleinigheden en uiterlikheden opmerken, en de
eigenaardigheden der verschillende mensen kennen, nauwkeurig de omslag
in de conversatie volgen, het verholen spel van het eigenbelang en der
ijdelheidjes fijn doorzien, snel te begrijpen, gewillig zich aan het
nieuwe aan te passen, zonder aarzelen anderen na te volgen; zij worden
gevat en vindingrijk, mededeelzaam en onderhoudend en weten aan hun
innerlik vorm en uitdrukking te geven die hun uitwerking niet missen.
Maar bij al dat heldere vernuft en dat veelzijdige aanpassingsvermogen,
al die improviserende »Esprit" en die handige vorm-kunst, blijft er geen
plaats over voor diepe oorspronkelikheid, voor eigelike geestelike
productiviteit. Aan de hoven der 13de eeuw wordt de persoonlikheid als
in de salons der 18de uitgewist, de scheppingskracht vermindert en daar
kan het geestesleven wel vrijheid en veelzijdigheid ontvouwen, maar
diepte en grootheid zijn er niet in te vinden.
Ontwikkelen nu de mensen zich in dit maatschappelike leven als van zelf
in de genoemde richtingen, de druk dier maatschappij geeft de enkeling
in een dubbel opzicht zijn vorm. Aan de ene kant slijpt dat n.l. alle
hoekjes en kantjes bij hem af, vormt hem naar één model, stemt hem in
de heersende toon en dwingt hem tot een zeker jargon. Alles wat één
enkele doet is »onopgevoed"--»doet men niet--dat lijkt op niets, zò
doet men, dat is zoals het hoort." Curialis, courtois, dat betekent het
conventionele begrip, voor wat aan de curia, de cour, past, wat hoffelik
is. Maar toch, binnen de perken van de mode en de goede toon, stelt
men, tot zekere hoogte altans, het individuele op prijs. Een ieder moet
trachten uit te steken, zich niet in het gezelschap op de achtergrond
houden, ieder moet zijn loodje bijdragen, zijn talent voor de anderen
nuttig maken. Allen moeten proberen hun natuurlike goede eigenschappen
tot hun recht te laten komen, moeten trachten in of met iets uit te
blinken--in de ontvangstzaal zal b.v. de ene dame de gelegenheid
aangrijpen om haar mooie handen te laten zien, de ander glimlachen om
haar frisse tanden te vertonen, de een schittert door haar vernuft, de
ander door haar gevoeligheid. En men tracht elkaar steeds de loef af te
steken in elegantie, in hoofse vormen; de grote kwestie is een nieuwe
mode in te voeren of nieuwe paragrafen bij het Wetboek van de goede toon
te voegen.
Wat ook tot de vrijheid en vernieuwing bijdraagt is, dat er in de 12de
en 13de eeuw, èn in Frankrijk èn in Duitsland, zo veel van die hoven
zijn met hun intellectuele feesten en partijen, en dat er een intens
verkeer daar tussen plaats vindt. Een hoofdstad is er nog niet en ook
geen koninklik of keizerlik hof dat een werkelik toonaangevend centrum
uitmaakt. De ridders trekken over en weer naar de hoven van Ardres,
Boulogne en St. Pol, men ziet elkaar bij toernooien en feesten, en als
er een te Atrecht gegeven is, geeft een ander er een even groot, of
groter, te Brugge. Evenals in het oude Griekenland, in het Italië der
renaissance, of het Duitsland der 18de eeuw, blijken ook hier die vele
kleine centra die in zulk een levendig verkeer met elkander staan, op de
ontwikkeling van het geestesleven een zeer gunstige invloed te oefenen.
De mode regeert, maar er komen steeds nieuwe modes op, de goede toon
»stemt" de anderen wel, maar wordt toch weer op zijn beurt opnieuw
»bestemd" door hem, die de nieuwe toon aangeeft. Op die wijze werkt
dit maatschappelijke leven tegelijkertijd nivellerend en toch ook
voortdurend variërend.
En ten slotte: dat maatschappelik leven is een hofleven. Overal merkt
men een indeling in verschillende klassen, een rangorde, een soort
hiërarchie: van de Seigneur af, door heel zijn familie heen, van
de baronnen tot de ridders zonder iets toe, van de ridders tot de
schildknapen en pages, van de hofbeambten tot de laagste rangen van het
dienstpersoneel. Aan tafel zit men volgens zijn rang aan, in de Kapel
heeft een ieder zijn vaste plaats, er is verschil bij de titulatuur:
Heer, Jonker, Dame, Demoiselle en Pucelle. Bij het afscheid geeft
de Seigneur de baronnen zijn hand, maar de dienende ridder zegt hij
alleen maar goeden dag. Natuurlik zijn wij hier ver van de etikette
van Byzantium of van het hof van Lodewijk XIV, maar de vraag naar
geboorte en rang, »parage", speelt een steeds belangrijker rol.
»Mesure", »Maze" heeft in het bizonder de betekenis van de takt en het
berusten waarmee een ieder zich in die hiërarchie invoegt, met de hem
toebedeelde plaats tevreden is en voor een ieder het respekt heeft
dat hem wegens zijn rang en stand toekomt. En er ontwikkelt zich een
geest van onderdanigheid en een vleiende toon jegens de supérieuren,
een van hoogmoedige trots tegen de inférieuren die ten allen tijde
onafscheidelik van het hofleven geweest zijn. Ten eerste worden van die
kringen natuurlik alle »villains" uitgesloten; men houdt alleen rekening
met »gentilhommes". De fundamentele opvatting van die adelskultuur,--en
dit wordt steeds meer en meer emfaties door de gedichten gestaafd,--is
volkomen tegen de geest van het Kristendom in, dat de menselike natuur
bij de »geborenen" en »niet-geborenen" absoluut verschillend van aard
is, dat de »nourriture", de opvoeding, zo goed als niets betekent
tegenover de »nature"; de voornamen zijn van andere stof gemaakt of
altans in een andere vorm gegoten door de natuur, dan het volk. Maar
in de adel zelf is ook gelijkheid van geboorte een bijna noodzakelike
voorwaarde voor een huwelik. Een »vavassor" durft zijn ogen niet tot de
dochter van een baron opheffen, een baron niet tot een vorstendochter,
alhoewel het als een teken van een »verheven gemoed" geldt, wanneer men
tracht de maatschappelike ladder op te klimmen.
V.
DE »SALON-POËZIE" DER RIDDERKRINGEN.
Het oude nationale helden-epos had nog een ereplaats aan de nieuwe hoven
zo wel als op de oude kastelen der baronnen; aan de oorspronkelike
gedichten werd steeds bijgevoegd en veranderd en er ontstonden nieuwe
gedichten in de trant der ouden, uur aan uur hielden de zangers de
adellike heren en dames in spanning door hun voordrachten onder
begeleiding van muziek van de eindeloze gevechten met die »honden" van
Saracenen of tussen de krakélende baronnen. Maar in de 12de eeuw was
de produktieve tijd voorbij; de atmosfeer en het hofleven waren weinig
geschikt om tot heldendichten te inspireren. De helden-epiek was toch
een maatschappelike poëzie, ontstaan uit een levende algemeen nationale
sageschat en gaf uitdrukking aan een levende nationale of provinciale,
algemene geest. Maar de nieuwe ridderkringen hadden niets van die
maatschappelike geest, de laatste echo van de oude Germaanse stamgeest.
Hier waren ridders bij elkaar die gewoon waren hun leven op eigen hand
te leven en zich neer te slaan, of in dienst te treden, dan hier en dan
daar; het gehele leenstelsel berustte op het vrije kontrakt; de nieuwe
maatschappij die zich vormen zou, wees vooruit en voelde zich zeer
weinig solidair met de overleveringen van het oude Frankrijk der
Karolingiërs en nog was het slechts een vrije, bewegelike gastvrijheid,
nog ver verwijderd van een nieuwe maatschappelike geest, die de
vele kleine centra geschapen hadden. De resonantiewand voor de
heldengedichten was weggenomen--de piëteit van het terugkijken op het
verleden, een organies gevoel van saamhorigheid, de bijna religieuze
stemming van een feest ter herinnering aan de voorvaderen.
Wat de gastvrijheid der ridders wenste, was een vrije
conversatie,--vrije geestesoefening, evenals men bij toernooien of op de
jacht het lichaam oefende. Terwijl de heldengedichten op geschiedenis
berustten, of op sagen die voor geschiedenis aangezien werden en als
geschiedenis werkten,--en terwijl de heldendichten uit een soort stam-
of provincie-patriotisme ontstonden en tot zekere hoogte een opbouwende,
opvoedende kracht bezaten,--emancipeert zich nu voor 't eerst de
aestetiese drang om histories te vertellen en te horen, zo wel van
historiese als van patriotiese belangen. In de grotere kringen wil men
eerst en vooral gesprekken hebben. Het begint tot de goede toon te horen
om te kunnen »bien parler", goed en flink te kunnen spreken; zo wel voor
ridders als voor de dames wordt dat als een bepaalde deugd beschouwd.
In de romans zien wij hoe men daar aan tafel zit te praten of de ridders
komen op bezoek in de vertrekken van de vrouwen, terwijl dezen daar met
hun naaiwerk zitten. Of wel komt men in het goede jaargetijde 's avonds
in de burchttuin onder een oude vruchtboom bij elkaar of wandelen
allen te zamen de tuin in. En dan wordt er gesproken over wapenen en
toernooien, over honden en vogels of over de liefde. Uit de romans kan
men ook zien dat men er altijd op uit was vlug en ad rem te antwoorden,
handig met een grap voor den dag te komen, met lichte toespelingen
of dubbelzinnigheden, en iemand te kunnen plagen of geestigheden ten
beste te geven op een elegante en onderhoudende manier. De Franse
conversatiekunst doet hier zijn eerste zwakke pogingen. Bovendien heeft
men allerlei soort gezelschapsspelletjes,--raadsels worden opgegeven, of
wel er wordt iemand tot Koning gekozen en allen moeten hem zelfs op de
meest intieme vragen antwoorden.
Maar de gesprekken bestonden toch in een mate waar men zich nu geen idee
van maken kan, in het vertellen van geschiedenissen. Iedereen kende er
en niemand werd ooit moe ze uur aan uur te horen vertellen. Men vertelde
elkaar geschiedenissen 's avonds in bed--Meriaduc stond erop met Tristan
in één kamer te slapen, omdat die hem altijd 's nachts zulke aardige
avonturen vertelde--men vertelde elkaar verhalen te paard bij de
lange vervelende dagreizen; op jacht verhalen de deelnemers elkander
merkwaardige jager-grappen waar niemand geloof aan slaat; bij de wijn,
na tafel, trachten de ridders elkaar in grootsprekerijen te overtreffen
over hun avonturen in de oorlog of met vrouwen; de ouden van dagen
vertellen van hun vrolike jeugd; en er zijn ook dames die een grote
kring om zich heen verzamelen omdat zij de reputatie hebben van vele
geschiedenissen te kunnen vertellen. En de geestelike die boeken gelezen
heeft, wordt overal waar hij als gast op de kastelen komt, als een
levende encyclopaedie beschouwd en moet niet alleen van de »Gesta
Romanorum" vertellen--over alles wat er ten tijde der oude Romeinen
gebeurd is--maar ook van alles wat er in de heilige Schrift te lezen
staat. En als een passende vergoeding voor de genoten gastvrijheid,
moeten alle reizigers alles opdissen wat zij gezien hebben of
ondervonden of in vreemde landen hebben hooren vertellen.