Met eerbied zagen de jonge halfbarbaarse volkeren van Europa naar

dat oude keizerrijk in het Oosten op. Er waren altijd door talrijke

verbindingen, en de macht en het aanzien van Byzantium waren over heel

Europa groot. Over Zuid-Italië en de Noord-Italiaanse steden ging er een

voortdurende stroom van handelswaren van de Bosporus naar West-Europa;

over en weer zond men gezantschappen, Griekse prinsessen trouwden in de

West-Europese vorstenhuizen en uit West- en Noord-Europa trok menigeen

daar als koopman heen of om in de keizerlike lijfgarde dienst te

nemen; velen werden ook als slaven naar 't Oosten verkocht. Het waren

machtige, bonte indrukken van een alles overtreffende beschaving, die

de westerlingen op die wijze ontving. Veel van de Byzantijnse bouwkunst

en dekoratie ging op de Romaanse kerken over en de Byzantijnse mozaïek,

de geweven tapijten, het Byzantijnse email en ivoor, verblindden niet

alleen door het kostbare materiaal of de schitterende kleuren, maar

werden ook gevoeld als de openbaring van een fijnere, hogere kultuur

van schoonheid. Men denke b.v. aan al die kleine ivoren beeldjes die

van de werkplaatsen in Konstantinopel over Europa verspreid werden:

deksels en banden voor de evangelies, kleine wassen schrijf-tafels,

kistjes voor juweelen of toilet-benoodigheden, allemaal uitgesneden

met figuren in ornamentale omlijsting. Er was een stijlgevoel in die

kleine kunstwerken, een fijnheid en een scherpte van lijn en omtrek, een

eenvoudige rytmiek in die eenheid van lijnen, die direkt van de oudheid

stamde en die de blik dier barbaren met een gevoel van godsvrucht gevuld

moet hebben. Daar stond de aartsengel Gabriël met zijn kruis-staf en

met zijn lange vleugels recht naar beneden, of de maagd Maria in haar

vrouwenkleed gehuld, met voorover gebogen hoofd en de hand als tot een

klacht opgeheven,--slanke tengere figuren in stijf-ceremonieele maar

toch gracieus elegante houding, de gehele lichaamshouding als gedragen

door een stille innerlike muziek en met een hoogheid en een fijnheid

over zich, als hoorden zij tot een oud vorstengeslacht en als hadden zij

zich aldoor in die verstijfde vormen van het hofleven bewogen. Die dunne

zijden kleeren met het fijne spel der plooien en de geborduurde randen

vergrootten nog de indruk van voornaamheid. Ogen, die gewoon waren een

gespierde baronnenfiguur of een gezette adellike jonkvrouw als typen

van alle schoonheid te beschouwen, gingen hier nu voor een fijner,

geesteliker lichaamsideaal open en voor een manier om zich voor te doen

en het uiterlik van uit zijn innerlik te beheersen, waar ze te voren

geen idee van gehad hadden.

Pelgrims en handelslieden die uit Byzantium kwamen, hadden nog veel meer

te vertellen over de schoonheid van het leven en de elegance die er in

de huizen der rijken aan de Bosporus gevonden werden. Binnenplaatsen met

fonteinen, muren van marmer en mozaïek-vloeren, meubelen van ebbenhout

en ivoor, zijden kleden en Oosterse tapijten, tafelserviezen en kostbare

metalen. Dan die fraaie kleederdrachten en de fijne manieren. Naast de

dikbuikige, onbeholpen Franken, schijnen de gracieuse Grieken in hun

nauwsluitende lichte zijden gewaden vlug en behendig als gymnasten,

zoals een Franse kroniekschrijver zich uitdrukt. Met bewondering kijken

de Franken naar de beleefde en ceremoniele manieren van hun gastheren,

met enig wantrouwen horen zij hun vleiende beleefdheidsformules aan;

»indien de elegantie van houding en beweging, de vriendelikheid van de

blik en de lieve woorden," zegt die zelfde kroniekschrijver, »altijd

onthulde wat het harte dacht, dan zou men aan de hartelikste gevoelens

dier Grieken niet kunnen twijfelen." Vergeefs proberen de Franse

gezanten gelijk de Weringen, de Scandinaven in dienst van de Griekse

keizer, zich onverschillig voor al die pracht en praal voor te

doen, die er aan het keizerlike hof ten toon gesteld werd om hen te

verblinden,--hele theatrale opvoeringen die de ceremoniemeesters bij

de audiënties der keizers arrangeerden om de Barbaren te imponeren. De

beschrijvingen van West-Europeërs van de tuinen en het hippodroom, van

de troonzaal, de optochten die ze daar te zien kregen, tonen duidelik

aan hoe zeer ze daarvan onder de indruk waren, de Griekse historici

beweerden dat de Barbaren als die aan het hof kwamen, meenden dat ze in

het Paradijs waren. En vervolgens die ganse ingewikkelde hofstoet, de

Rangorde! Titels, privileges die de oorzaak waren van eeuwige afgunst en

voortdurende intriges. De hoofd-kamerheer met zijn staf van kamerheren,

de meester van de garderobe, de protostator die de strijder op

zijn paard helpt, de Proto à secretis of de eerste secretaris, de

silentiarii--zij die 't stilzwijgen opleggen--de referendarii die

smeekschriften in ontvangst nemen,--tot aan de Sebastokrator en de

Pan-hypersebastos. Elke rangklasse met zijn titulatuur: Nobilissimi,

spectabiles, clarissimi; elk met zijn uitsluitende rechten; zij die op

groene laarzen mogen lopen, (de keizer alleen mag rode laarzen dragen),

zij die met groene inkt mogen schrijven, (de keizer alleen en zijn

voogden mogen met rode inkt schrijven). Voor de Franse baronnen die uit

hun gewone patriarchale burcht-leven kwamen, was dat de openbaring ener

verfijning en aristocratisering van het maatschappelik leven die zij wel

moesten trachten na te bootsen.

* * * * *

Nog op een derde wijze kwamen de baronnen in aanraking met een vreemde

kultuur, waar tegenover zij zich niet anders dan als arme duivels en

naïeve barbaren konden voelen. Ginds in de steden van Spanje kwamen

de bewoners van Zuid-Frankrijk geregeld in vrede en vriendschap met de

Arabieren samen, te Palermo woonden de Franse Noormannen om zo te zeggen

vlak naast hen en koning Roger had vele Muzelmannen aan zijn hof en in

't verre Syrië profiteerden pelgrims of handelslieden dikwels van de

gastvrijheid der ongelovigen. En zelfs bij een vluchtig bezoek moet

die vreemdsoortige schoonheid en rijkdom, de fijne omgangsvormen en de

atmosfeer van Oosterse genotzucht en een rijk Arabies milieu, op een

Fransman van de 11de eeuw als een sprookje en een droom gewerkt hebben.

Over een met marmer geplaveide binnenplaats waar de waterstralen uit

leeuwen-bekken in marmeren vazen plassen, wordt hij--te Sevilla,

Palermo of Damascus--in vertrekken binnengeleid met muren van wit

pleisterwerk en met zolderingen van verguld mozaïek. Op de grond golven

dikke tapijten, voor de deur en de ramen hangen zware zijden gordijnen

met opgenaaide gouden arabesken; op consoles staan overal lakwerk en

Chinese vazen; aan de zoldering hangen lampen. Langs de muren staan

divans en ligbanken, in wierookvaten brandt aloe en sandelhout. Naar

binnen komen die vertrekken uit op een zuilengang om een tuin met

zeldzame planten en vruchten. Onze Frank weet niet of hij wel op de

tapijten durft treden en zich op de divan zetten... hij voelt zich als

dronken door de geur en verblind door het goud en de kleuren.

Hier wordt hij door zijn gastheer ontvangen. Die is in een lange,

safraangele zijden kaftan gekleed met een violetten sjerp, en op het

hoofd een tulband met een witte sluier er over heen, een teken dat hij

tot de stand der geleerden hoort. Vol welriekende olieën zit hij sorbet

te slurpen door een lang strootje, terwijl hij schaak speelt met zijn

lievelingsslaaf. Maar nu staat hij dadelik op en gaat zijn gast te

gemoet--hoe ver, dat is nauwkeurig bepaald in overeenstemming met diens

stand--heet hem in Allah's naam welkom en wijst hem de ereplaats aan

in het hoekje van de divan terwijl de slaaf op een wenk van de meester

de gast sorbet brengt. Met een »God schenke U een lang leven" begint

de gastheer zich met hem te onderhouden: in bloemrijke woorden en

beeldspraak prijst hij de dapperheid der Franse ridders en hult zijn

komplimenten in sierlike woord-boeketten, met lichte gratie leidt

hij het gesprek op allerlei onderwerpen, en het wordt voortdurend met

woordspelingen en treffende uitdrukkingen gekruid. Wat voelt onze Frank

zich plomp en onhandig bij al die ceremoniële beminnelikheid en al die

schitterende, bloeiende konversatie-kunst!

Nu wordt er een gedekte tafel binnengebracht met eten en drinken. Eerst

wast men zijn handen, de handen worden geparfumeerd door ze over een

wierookvat te houden en voor men begint te eten zegt de gastheer: »In

Allah's naam!" Ook de gerechten en het servies wekken de bewondering van

de Kristen op. De dadelwijn wordt in een bokaal van onyx geschonken en

de kippenpastei opgediend op Chinees porcelein. En nieuw is het ook voor

hem dat de gastheer na de maaltijd hem een »Wel moge 't u bekomen"

toeroept.

Zulke indrukken werden dieper en kompleter wanneer men gedurig met

hen omging b.v. in Andalusië. Wel lag er dikwijls een grote mate van

berekening aan ten grondslag en werd er heel wat Oosterse wreedheid

onder dat alles verborgen, maar de façade, wat de vreemdeling zag, was

schitterend en nam ieder voor zich in. Reeds in de oorlog verblindden

de Saracenen hun tegenstanders door hun elegante vormen en houding; in

prachtige wapenrustingen op volbloed paarden en waar de gelegenheid

het medebracht, met een ridderlikheid tegenover de vijand die iets

van kokette galanterie over zich kon krijgen,--b.v. wanneer zij in de

slag met de vijandelikheden ophielden, bij de val van de kristelike

bevelhebber, of wanneer zij bij een overwinning alle oude mannen

spaarden en alle vrouwen en kinderen. Bij de dagelikse omgang in

vredestijd konden duizende kleine trekjes van grote delikatesse en

fijngevoeligheid de Franken de hoger ontwikkelde kultuur der Saracenen

tonen: de hoffelikheid b.v. waarmede hij een geschenk aannam, zelfs als

hij er niet op gesteld was, de delikatesse waarmede hij die beleefdheid

wist te vergelden of de schuchterheid waarmede hij zich ontzien zou

de dienstwilligheid van een vriend te misbruiken. Dat waren allen

raffinementen waar de Franse baronnen nog niet zeer bekend mee waren.

Aan alle kleine vorstelike hoven zagen ze bovendien schitterende

ridderspelen en de atmosfeer van het hof was vol van feesten, muziek en

gezang. Het volk dat zo zeer op muziek gesteld was, bezat instrumenten

die heel wat hoger stonden dan in Europa en hun melodieuse taal werd

door hoog en laag tot verzen gesmeed en ontwikkeld. Allen schreven

verzen, de boer achter de ploeg, de vrouwen in de Harem, op muren en

om zuilen maakten versregels het hoofdsieraad uit. Van hof tot hof

trokken de zangers rond en zongen hun gedichten op muziek. Het waren

hyperboliese lofzangen over de vorsten: »Uw grootmoedigheid, o Heer,

beschaamt der wolken vochtigheid... Uwe paarden, Heer! vliegen vlugger

dan de bliksemschicht en de sterre vermoeit zich in haar pogingen om

die bij te houden!" Of het waren gedichten van lof en hulde voor de

vrouwen--de gesluierde Andalusiese schonen, van wier heerlikheid men

slechts in de Moskee of achter een betralied raam een idee krijgen

kon, en wier afgezonderd leven en wier verhoogde vrouwelikheid een

eigenaardige romantiese kleur aan de liefde bijzette. »Afgunstig

wordt de wijn rood bij de blos op uwe lippen, de volle maan verbergt

zich wanneer uw aangezicht zich vertoont, uw haar is gelijk donker

myrthenloof, uw oog is smachtend als van de narcis, de gang van de

gazelle is niet zo licht als de uwe. Ik ben dronken, niet van wijn, maar

van verlangen en ontberen; met een tranenvolle blik roep ik uw naam aan,

gelijk een monnik zijn heiligenbeeld!"--aldus klonken de liederen der

Andalusiese troubadours, door de mandoline begeleid.

Bij een Arabies kroniekschrijver kan men een merkwaardige schets van

een graaf uit Zuid-Frankrijk vinden, die zich in de woning van de

Saraceense gouverneur had ingericht toen de stad door de Spanjaarden

op de Muzelmannen veroverd was geworden. Die had de kleederdrachten van

de vorige eigenaars aan, en diens harem overgenomen en leefde nu geheel

op zijn Oosters. Een Joodse koopman die hem kwam bezoeken, vertelt hoe

de graaf op zijn divan liggende en het Arabies vreselik radbrakende,

een der jonge vrouwen riep en haar beval voor hem bij de luit te

zingen; terwijl de tranen langs haar wangen stroomden, stemde zij haar

instrument en zong zij haar liederen, die noch de gast noch de gastheer

verstond, terwijl toch de laatste al drinkend met groot animo

applaudiseerde.

De begeerte naar de schatkamers der Saracenen en de tuinen van Armida

hebben er het hunne toe bijgedragen om de baronnen aan de kruistochten

te doen deelnemen, zo wel als al de fantastiese verhalen over de

heerlikheden van Byzantium en het verlangen naar de landen der ouden

om de Middellandse Zee. En de kruistochten openden pas de vreemde

kultuurwerelden voorgoed,--zetten de deuren van West-Europa pas

wagenwijd open voor 't Oosten en Arabië, Byzantium en de Griekse

kultuur, en langs die weg ook voor buitengewoon veel van de klassieke

kultuur. De invloed van deze vreemde beschavingen is, tegelijk met eigen

innerlike ontwikkeling van het Ridderwezen en de kristelike sentimentele

stromingen der 11de en 12de eeuw, wat het ontstaan der Ridderromantiek

verklaart en mogelik maakt.

IV.

HOFKULTUUR.

Het leven der edelen concentreert zich, zoals wij zagen, in de 12de

en 13de eeuw op de kastelen der rijke graven en hertogen; de kleinere

adel, in elk geval de zoons, komen van de verspreid liggende sloten

der baronnen meer en meer naar de residenties der Leenheren. Hier

ontwikkelt zich een sosiaal samenleven en een daaraan beantwoordende

kultuur.

Het zijn eerst en vooral nog maar vestingen, deze vorstelike

kastelen--Narbonnes van de graven van Toulouse, de burchten van de

hertogen van Champagne in Provence, die van de graven van Guines in

Ardres of de Wartburg van de landgraven van Thuringen, het slot der

Wellen te Dankwarderode--akelig somber zijn ze om aan te zien en

moeilik toegankelik, en ook van binnen beantwoorden zij met hun kleine

binnenplaatsen en nauwe wenteltrappen en vele kleine vertrekken slechts

weinig aan de moderne opvatting van wat zulk een slot moet zijn. En

toch--vergeleken met de kleine kastelen der baronnen--is er alles heel

wat groter, en vindt men er meer rijkdom en groter veiligheid en reeds

hebben allerlei vreemde kultuurinvloeden een zekere luxe--soms er nog

zeer bovenop--verspreid over de nog altijd vrij primitieve toestanden.

Er is meer plaats binnen de wallen, en de veiligheid is ook groter omdat

de vestingwerken, vroeger dikwels van hout, nu altijd van steen zijn

en nu meer als zelfstandige uitbouwen met soliede verdedigingswerken

gemaakt zijn, gelijk ze dat op de eerste kruistocht bij de Arabiese

vestingen, om Jeruzalem en Antiochië, gezien hadden. En zo krijgt men nu

een gelegenheid om rondom de eigelike burcht tuinen aan te leggen--met

rozen en lelies, rozemarijn en heliotroop, met genezende kruiden voor

de huisapotheek en met alle soorten van vruchtbomen, zelfs met een

paviljoen waar de Landheer zich 's zomers ophoudt. Van de geheel vrij in

't midden staande, bijna onneembare toren (donjon, bergfried), waar men

hoogst bekrompen woonde, is de woning nu gebracht naar een zelfstandig

langwerpig stenen gebouw, dat de van de Romeinse Keizertijd stammende

naam van »paleis" draagt. Vrije stenen trappen voeren naar de belétage

op en langs de façade daarvan, een open korridor, een »loggia" of

»laube", op de open trap zowel als op die loggia houdt men zich dikwels

bij goed weer op. De grote zaal zowel als de kleine kamers hebben nu ook

veel meer vensters zodat er ook beter licht en lucht in komt,--door het

naar buiten schuiven van de vestingwerken is nu ook het gevaar voor het

vijandelik geschut geweken,--al meer en meer bouwt men de vensters nu in

Romaanse stijl, rhytmies gegroepeerd,--twee of drie te samen bij elkaar

gehouden en omgeven door arkaden en boogfriezen. Bij wijze van bizondere

luxe ziet men in navolging van de kerkbouw, hier en daar glazen ruiten.

Gezelliger en gemakkeliker voor een verblijf zijn ook de verschillende

vertrekken geworden. De haardsteden zijn nu niet meer geheel open maar

van een schoorsteen voorzien. Naast de ouderwetse vaste muurbanken in

de ridderzaal, duiken er langzamerhand andere meubels op: veldstoelen

en taboeretten, kleine kleedjes en kussens die op de grond liggen om op

te zitten; ook vindt men een soort ligbank met matrassen er in, die 's

nachts als bed gebruikt wordt, maar waarop overdag de gast uitgenodigd

wordt naast de gastheer of gastvrouw plaats te nemen. Veel van deze

gemakken komen zeker uit het Oosten; een woord als »matras" is Arabies

van oorsprong, een »tapijt" stamt uit Byzantium. De verlichting is ook

al heel wat meer ontwikkeld dan in de tijd van de pikfakkels of een

enkel licht hier en daar; ook alweer onder invloed van de Kerk ziet

men overal kandelaars die aan de muur vastgemaakt zijn en kronen aan

de zoldering. In de vertrekken, altans in de grote zaal, vindt men nu

allerlei ornamenten, en schone kleuren. In plaats van een open dakstoel

krijgt men beschoten zolderingen of zelfs gewelven als in de Romaanse

kerken. De gepleisterde muren en zolderingen worden met levendige

kleuren versierd: een blauwe grond met gouden sterren of overal bloemen

en gestileerde takken en vogels--meestal geel en roodbruin op witte

grond--of afbeeldingen van bijbelse of historiese tafrelen of uit een

roman; op deze wijze waren ook vroeger de paleizen van een Theoderik of

Karel de Grote met historiese muurschilderingen naar de overlevering

der antieken versierd geweest. Veel nieuwe kleurstoffen worden nu uit

het Oosten bekend (indigo-blauw, damast-rood en safraan-geel) nieuwe

kleurnamen worden uit het Arabies ontleend (karmozijn, oranje, azuur);

zelfs de ornamenten hebben hun naam en dikwels de motieven van de

moskeeën en de huizen der Arabieren (arabesken). Bij feestelike

gelegenheden worden de muren nog bizonder, spesiaal met geborduurd

linnen bedekt--soms een hele beeldenreeks als bij het enorme tapijt

van Bayeux, waar de gehele slag bij Hastings in geborduurd is,--of met

tapijten die eerst uit Syrië en Perzië kwamen--waar dan fantasties

gestileerde Oosterse planten en dieren in geweven waren--en die later in

Vlaanderen gemaakt werden. Ook de vloer werd in stenen vakken ingedeeld

als de ruiten van een schaakbord of met ornamenten; bij feesten werden

daar levende bloemen over gestrooid.

De edelen zelf begonnen het lichaam beter dan vroeger te verzorgen,

om welke reden de moralisten van de tijd hen verwekelikt en verwijfd

noemen. Uit de termen van Byzantium en de badgelegenheden van de

Mohamedanen komen de warme baden en dampbaden overal in West-Europa in

zwang; het baden is blijkbaar niet alleen een noodzaak geweest--vooral

groot in een tijd dat er geen linnen gedragen werd en men het lichaam

zo buitengewoon sterk inspande--maar moet ook als een wellustig genot

beschouwd zijn geworden, waar velen een overdadig gebruik van maakten.

De kerk stond dan ook nooit goed gezind tegenover die nieuwe manier

om aan de zinnen toe te geven. Ook het haar en de huid begon men te

verzorgen. Uit Byzantium kreeg men fijn gesneden ivoren kammen en

weelderige spiegeltjes met deksels van ivoor, uit het Oosten welriekende

oliën: rozenolie, amber en balsem. Het haar werd gevlochten en met

krulijzers gekroesd, zo wel bij mannen als bij vrouwen; de vrouwen

wisten het haar te verven zo wel als vals haar te gebruiken, en

verstonden de kunst om zich te blanketten en dikwels droegen ze

sluiers--op de wijze der Oosterlingen. Vooral waren het juist de stoffen

uit het Oosten en het Oosterse voorbeeld in het algemeen, die een

ongehoorde lukse van kleeren en versierselen in zwang brachten en dat

niettegenstaande alle gepreek van de familievaders en van de Kerk. Over

de handelscentra van Italië stroomde dat alles Europa binnen--zijde uit

Tyrus, Arabië en van de »Hindoe koesj", »de Indiese Kaukasus", satijn

en fluweel van Alexandrië, damast van Damascus, »baldakijn" van Bagdad,

mouseline van de stad Musul aan de Tigris, »Sindu-wol" uit Indië. Van

de kledij der Byzantijnen, zo als men die, in mozaiek gereproduceerd,

in ivoor uitgesneden kon vinden en van de burnu's en de kaftans der

Arabieren kwam de nieuwe mode in de klederdrachten: de korte kiel van

de mannen en hun mantel gaan nu tot aan de enkels; ook de vrouwen

dragen lange gewaden van lichte, fijne stoffen met wijde mouwen en

een sleep. In de »visioenen" van een monnik uit die tijden lijdt

keizerin Theophano, een Griekse prinses, alle pijnen der hel, omdat

zij de weelderige Byzantijnse modes in de vrouwelike klederdracht naar

Duitsland en Frankrijk overgebracht heeft. De namen van klederen, als

b.v. »Jupe" en »hoqueton" zijn Arabies. Maar die kleeren van de ridders

en hun vrouwen zijn heel wat bonter geweest dan die van hun voorbeelden;

met een naïeve opvatting van kleuren hebben ze de meest schreeuwende

daarvan te samen gebracht; het is niet zeldzaam dat men een dame

hoort prijzen omdat haar kleeren aan een papegaai doen denken, en de

»mi-parti" klederdrachten der mannen en het dragen van bellen er op,

zijn zeker Europese uitvindingen. Borduursels in en op de stof, gespen

en spelden, ringen en kettingen voltooiden de feestkleedij. Een bedorven

jeugd--zo klaagt een kroniekschrijver--is meer en meer verwijfd

geworden; ze dragen lang, sierlik gekapt haar, ze werpen stof op door

hun lange mantels en bemoeiliken zich alle handbewegingen door hun

lange, wijde mouwen; ze dragen lange baarden, als van de bok, (dat komt

ook uit het Oosten) en lopen met een kaproen op het hoofd en lange

puntschoenen.

Ook de maaltijden worden meer en meer uitgebreid en fijner. Uit het

Oosten krijgen ze pasteien en taarten, peper, muskaat, meloenen en

sinaasappelen, hete wijnen--van Cyprus en Malvezij--en ook limonaden.

En het eten werd ook al wat schoner en netter opgediend. Wel is waar

nog altijd alles in één pot, en worden de vingers als vorken gebruikt

en hebben elke twee personen samen maar één bord en één beker, maar

er wordt toch iets meer dan vroeger acht geslagen op wat de reinheid

en de schoonheid eisten. Byzantium en de Arabieren waren steeds

de voorbeelden; het gouden of zilveren servies voor de vorstelike

feest-maaltijden was meestal Grieks werk; er zijn drinkbekers bewaard

gebleven van émail en in goud gevat kristal en door de Byzantijnse

kunstenaar met Grieks mytologiese voorstellingen versierd. Woorden als

»tasse" en »karaf" zijn Arabies. Voor de maaltijd de handen te wassen

was iets wat men bij een bezoek in het eerste het beste Saraceense huis

kon leren, een wasbekken, dat nog uit een der ridderkastelen stamt,

noemt zich dan ook »vervaardigd door Mohammed, de zoon van Abzeny", maar

die gewoonte kan ook uit de Kerk overgenomen zijn, waar de priester van

ouds de handen wies, vóór hij bij de mis de Heilige Voorwerpen aanraakte

en uit de altaar-kelk dronk,--het zijn dan ook kerkelike Aquamanilen (de

schaal, in de vorm van draken en leeuwen, waarin de priester zijn handen

wast) die zich later tot wereldlike kannen voor het wassen der handen

ontwikkelden.

De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen · 第 3 / 36 段