dat oude keizerrijk in het Oosten op. Er waren altijd door talrijke
verbindingen, en de macht en het aanzien van Byzantium waren over heel
Europa groot. Over Zuid-Italië en de Noord-Italiaanse steden ging er een
voortdurende stroom van handelswaren van de Bosporus naar West-Europa;
over en weer zond men gezantschappen, Griekse prinsessen trouwden in de
West-Europese vorstenhuizen en uit West- en Noord-Europa trok menigeen
daar als koopman heen of om in de keizerlike lijfgarde dienst te
nemen; velen werden ook als slaven naar 't Oosten verkocht. Het waren
machtige, bonte indrukken van een alles overtreffende beschaving, die
de westerlingen op die wijze ontving. Veel van de Byzantijnse bouwkunst
en dekoratie ging op de Romaanse kerken over en de Byzantijnse mozaïek,
de geweven tapijten, het Byzantijnse email en ivoor, verblindden niet
alleen door het kostbare materiaal of de schitterende kleuren, maar
werden ook gevoeld als de openbaring van een fijnere, hogere kultuur
van schoonheid. Men denke b.v. aan al die kleine ivoren beeldjes die
van de werkplaatsen in Konstantinopel over Europa verspreid werden:
deksels en banden voor de evangelies, kleine wassen schrijf-tafels,
kistjes voor juweelen of toilet-benoodigheden, allemaal uitgesneden
met figuren in ornamentale omlijsting. Er was een stijlgevoel in die
kleine kunstwerken, een fijnheid en een scherpte van lijn en omtrek, een
eenvoudige rytmiek in die eenheid van lijnen, die direkt van de oudheid
stamde en die de blik dier barbaren met een gevoel van godsvrucht gevuld
moet hebben. Daar stond de aartsengel Gabriël met zijn kruis-staf en
met zijn lange vleugels recht naar beneden, of de maagd Maria in haar
vrouwenkleed gehuld, met voorover gebogen hoofd en de hand als tot een
klacht opgeheven,--slanke tengere figuren in stijf-ceremonieele maar
toch gracieus elegante houding, de gehele lichaamshouding als gedragen
door een stille innerlike muziek en met een hoogheid en een fijnheid
over zich, als hoorden zij tot een oud vorstengeslacht en als hadden zij
zich aldoor in die verstijfde vormen van het hofleven bewogen. Die dunne
zijden kleeren met het fijne spel der plooien en de geborduurde randen
vergrootten nog de indruk van voornaamheid. Ogen, die gewoon waren een
gespierde baronnenfiguur of een gezette adellike jonkvrouw als typen
van alle schoonheid te beschouwen, gingen hier nu voor een fijner,
geesteliker lichaamsideaal open en voor een manier om zich voor te doen
en het uiterlik van uit zijn innerlik te beheersen, waar ze te voren
geen idee van gehad hadden.
Pelgrims en handelslieden die uit Byzantium kwamen, hadden nog veel meer
te vertellen over de schoonheid van het leven en de elegance die er in
de huizen der rijken aan de Bosporus gevonden werden. Binnenplaatsen met
fonteinen, muren van marmer en mozaïek-vloeren, meubelen van ebbenhout
en ivoor, zijden kleden en Oosterse tapijten, tafelserviezen en kostbare
metalen. Dan die fraaie kleederdrachten en de fijne manieren. Naast de
dikbuikige, onbeholpen Franken, schijnen de gracieuse Grieken in hun
nauwsluitende lichte zijden gewaden vlug en behendig als gymnasten,
zoals een Franse kroniekschrijver zich uitdrukt. Met bewondering kijken
de Franken naar de beleefde en ceremoniele manieren van hun gastheren,
met enig wantrouwen horen zij hun vleiende beleefdheidsformules aan;
»indien de elegantie van houding en beweging, de vriendelikheid van de
blik en de lieve woorden," zegt die zelfde kroniekschrijver, »altijd
onthulde wat het harte dacht, dan zou men aan de hartelikste gevoelens
dier Grieken niet kunnen twijfelen." Vergeefs proberen de Franse
gezanten gelijk de Weringen, de Scandinaven in dienst van de Griekse
keizer, zich onverschillig voor al die pracht en praal voor te
doen, die er aan het keizerlike hof ten toon gesteld werd om hen te
verblinden,--hele theatrale opvoeringen die de ceremoniemeesters bij
de audiënties der keizers arrangeerden om de Barbaren te imponeren. De
beschrijvingen van West-Europeërs van de tuinen en het hippodroom, van
de troonzaal, de optochten die ze daar te zien kregen, tonen duidelik
aan hoe zeer ze daarvan onder de indruk waren, de Griekse historici
beweerden dat de Barbaren als die aan het hof kwamen, meenden dat ze in
het Paradijs waren. En vervolgens die ganse ingewikkelde hofstoet, de
Rangorde! Titels, privileges die de oorzaak waren van eeuwige afgunst en
voortdurende intriges. De hoofd-kamerheer met zijn staf van kamerheren,
de meester van de garderobe, de protostator die de strijder op
zijn paard helpt, de Proto à secretis of de eerste secretaris, de
silentiarii--zij die 't stilzwijgen opleggen--de referendarii die
smeekschriften in ontvangst nemen,--tot aan de Sebastokrator en de
Pan-hypersebastos. Elke rangklasse met zijn titulatuur: Nobilissimi,
spectabiles, clarissimi; elk met zijn uitsluitende rechten; zij die op
groene laarzen mogen lopen, (de keizer alleen mag rode laarzen dragen),
zij die met groene inkt mogen schrijven, (de keizer alleen en zijn
voogden mogen met rode inkt schrijven). Voor de Franse baronnen die uit
hun gewone patriarchale burcht-leven kwamen, was dat de openbaring ener
verfijning en aristocratisering van het maatschappelik leven die zij wel
moesten trachten na te bootsen.
* * * * *
Nog op een derde wijze kwamen de baronnen in aanraking met een vreemde
kultuur, waar tegenover zij zich niet anders dan als arme duivels en
naïeve barbaren konden voelen. Ginds in de steden van Spanje kwamen
de bewoners van Zuid-Frankrijk geregeld in vrede en vriendschap met de
Arabieren samen, te Palermo woonden de Franse Noormannen om zo te zeggen
vlak naast hen en koning Roger had vele Muzelmannen aan zijn hof en in
't verre Syrië profiteerden pelgrims of handelslieden dikwels van de
gastvrijheid der ongelovigen. En zelfs bij een vluchtig bezoek moet
die vreemdsoortige schoonheid en rijkdom, de fijne omgangsvormen en de
atmosfeer van Oosterse genotzucht en een rijk Arabies milieu, op een
Fransman van de 11de eeuw als een sprookje en een droom gewerkt hebben.
Over een met marmer geplaveide binnenplaats waar de waterstralen uit
leeuwen-bekken in marmeren vazen plassen, wordt hij--te Sevilla,
Palermo of Damascus--in vertrekken binnengeleid met muren van wit
pleisterwerk en met zolderingen van verguld mozaïek. Op de grond golven
dikke tapijten, voor de deur en de ramen hangen zware zijden gordijnen
met opgenaaide gouden arabesken; op consoles staan overal lakwerk en
Chinese vazen; aan de zoldering hangen lampen. Langs de muren staan
divans en ligbanken, in wierookvaten brandt aloe en sandelhout. Naar
binnen komen die vertrekken uit op een zuilengang om een tuin met
zeldzame planten en vruchten. Onze Frank weet niet of hij wel op de
tapijten durft treden en zich op de divan zetten... hij voelt zich als
dronken door de geur en verblind door het goud en de kleuren.
Hier wordt hij door zijn gastheer ontvangen. Die is in een lange,
safraangele zijden kaftan gekleed met een violetten sjerp, en op het
hoofd een tulband met een witte sluier er over heen, een teken dat hij
tot de stand der geleerden hoort. Vol welriekende olieën zit hij sorbet
te slurpen door een lang strootje, terwijl hij schaak speelt met zijn
lievelingsslaaf. Maar nu staat hij dadelik op en gaat zijn gast te
gemoet--hoe ver, dat is nauwkeurig bepaald in overeenstemming met diens
stand--heet hem in Allah's naam welkom en wijst hem de ereplaats aan
in het hoekje van de divan terwijl de slaaf op een wenk van de meester
de gast sorbet brengt. Met een »God schenke U een lang leven" begint
de gastheer zich met hem te onderhouden: in bloemrijke woorden en
beeldspraak prijst hij de dapperheid der Franse ridders en hult zijn
komplimenten in sierlike woord-boeketten, met lichte gratie leidt
hij het gesprek op allerlei onderwerpen, en het wordt voortdurend met
woordspelingen en treffende uitdrukkingen gekruid. Wat voelt onze Frank
zich plomp en onhandig bij al die ceremoniële beminnelikheid en al die
schitterende, bloeiende konversatie-kunst!
Nu wordt er een gedekte tafel binnengebracht met eten en drinken. Eerst
wast men zijn handen, de handen worden geparfumeerd door ze over een
wierookvat te houden en voor men begint te eten zegt de gastheer: »In
Allah's naam!" Ook de gerechten en het servies wekken de bewondering van
de Kristen op. De dadelwijn wordt in een bokaal van onyx geschonken en
de kippenpastei opgediend op Chinees porcelein. En nieuw is het ook voor
hem dat de gastheer na de maaltijd hem een »Wel moge 't u bekomen"
toeroept.
Zulke indrukken werden dieper en kompleter wanneer men gedurig met
hen omging b.v. in Andalusië. Wel lag er dikwijls een grote mate van
berekening aan ten grondslag en werd er heel wat Oosterse wreedheid
onder dat alles verborgen, maar de façade, wat de vreemdeling zag, was
schitterend en nam ieder voor zich in. Reeds in de oorlog verblindden
de Saracenen hun tegenstanders door hun elegante vormen en houding; in
prachtige wapenrustingen op volbloed paarden en waar de gelegenheid
het medebracht, met een ridderlikheid tegenover de vijand die iets
van kokette galanterie over zich kon krijgen,--b.v. wanneer zij in de
slag met de vijandelikheden ophielden, bij de val van de kristelike
bevelhebber, of wanneer zij bij een overwinning alle oude mannen
spaarden en alle vrouwen en kinderen. Bij de dagelikse omgang in
vredestijd konden duizende kleine trekjes van grote delikatesse en
fijngevoeligheid de Franken de hoger ontwikkelde kultuur der Saracenen
tonen: de hoffelikheid b.v. waarmede hij een geschenk aannam, zelfs als
hij er niet op gesteld was, de delikatesse waarmede hij die beleefdheid
wist te vergelden of de schuchterheid waarmede hij zich ontzien zou
de dienstwilligheid van een vriend te misbruiken. Dat waren allen
raffinementen waar de Franse baronnen nog niet zeer bekend mee waren.
Aan alle kleine vorstelike hoven zagen ze bovendien schitterende
ridderspelen en de atmosfeer van het hof was vol van feesten, muziek en
gezang. Het volk dat zo zeer op muziek gesteld was, bezat instrumenten
die heel wat hoger stonden dan in Europa en hun melodieuse taal werd
door hoog en laag tot verzen gesmeed en ontwikkeld. Allen schreven
verzen, de boer achter de ploeg, de vrouwen in de Harem, op muren en
om zuilen maakten versregels het hoofdsieraad uit. Van hof tot hof
trokken de zangers rond en zongen hun gedichten op muziek. Het waren
hyperboliese lofzangen over de vorsten: »Uw grootmoedigheid, o Heer,
beschaamt der wolken vochtigheid... Uwe paarden, Heer! vliegen vlugger
dan de bliksemschicht en de sterre vermoeit zich in haar pogingen om
die bij te houden!" Of het waren gedichten van lof en hulde voor de
vrouwen--de gesluierde Andalusiese schonen, van wier heerlikheid men
slechts in de Moskee of achter een betralied raam een idee krijgen
kon, en wier afgezonderd leven en wier verhoogde vrouwelikheid een
eigenaardige romantiese kleur aan de liefde bijzette. »Afgunstig
wordt de wijn rood bij de blos op uwe lippen, de volle maan verbergt
zich wanneer uw aangezicht zich vertoont, uw haar is gelijk donker
myrthenloof, uw oog is smachtend als van de narcis, de gang van de
gazelle is niet zo licht als de uwe. Ik ben dronken, niet van wijn, maar
van verlangen en ontberen; met een tranenvolle blik roep ik uw naam aan,
gelijk een monnik zijn heiligenbeeld!"--aldus klonken de liederen der
Andalusiese troubadours, door de mandoline begeleid.
Bij een Arabies kroniekschrijver kan men een merkwaardige schets van
een graaf uit Zuid-Frankrijk vinden, die zich in de woning van de
Saraceense gouverneur had ingericht toen de stad door de Spanjaarden
op de Muzelmannen veroverd was geworden. Die had de kleederdrachten van
de vorige eigenaars aan, en diens harem overgenomen en leefde nu geheel
op zijn Oosters. Een Joodse koopman die hem kwam bezoeken, vertelt hoe
de graaf op zijn divan liggende en het Arabies vreselik radbrakende,
een der jonge vrouwen riep en haar beval voor hem bij de luit te
zingen; terwijl de tranen langs haar wangen stroomden, stemde zij haar
instrument en zong zij haar liederen, die noch de gast noch de gastheer
verstond, terwijl toch de laatste al drinkend met groot animo
applaudiseerde.
De begeerte naar de schatkamers der Saracenen en de tuinen van Armida
hebben er het hunne toe bijgedragen om de baronnen aan de kruistochten
te doen deelnemen, zo wel als al de fantastiese verhalen over de
heerlikheden van Byzantium en het verlangen naar de landen der ouden
om de Middellandse Zee. En de kruistochten openden pas de vreemde
kultuurwerelden voorgoed,--zetten de deuren van West-Europa pas
wagenwijd open voor 't Oosten en Arabië, Byzantium en de Griekse
kultuur, en langs die weg ook voor buitengewoon veel van de klassieke
kultuur. De invloed van deze vreemde beschavingen is, tegelijk met eigen
innerlike ontwikkeling van het Ridderwezen en de kristelike sentimentele
stromingen der 11de en 12de eeuw, wat het ontstaan der Ridderromantiek
verklaart en mogelik maakt.
IV.
HOFKULTUUR.
Het leven der edelen concentreert zich, zoals wij zagen, in de 12de
en 13de eeuw op de kastelen der rijke graven en hertogen; de kleinere
adel, in elk geval de zoons, komen van de verspreid liggende sloten
der baronnen meer en meer naar de residenties der Leenheren. Hier
ontwikkelt zich een sosiaal samenleven en een daaraan beantwoordende
kultuur.
Het zijn eerst en vooral nog maar vestingen, deze vorstelike
kastelen--Narbonnes van de graven van Toulouse, de burchten van de
hertogen van Champagne in Provence, die van de graven van Guines in
Ardres of de Wartburg van de landgraven van Thuringen, het slot der
Wellen te Dankwarderode--akelig somber zijn ze om aan te zien en
moeilik toegankelik, en ook van binnen beantwoorden zij met hun kleine
binnenplaatsen en nauwe wenteltrappen en vele kleine vertrekken slechts
weinig aan de moderne opvatting van wat zulk een slot moet zijn. En
toch--vergeleken met de kleine kastelen der baronnen--is er alles heel
wat groter, en vindt men er meer rijkdom en groter veiligheid en reeds
hebben allerlei vreemde kultuurinvloeden een zekere luxe--soms er nog
zeer bovenop--verspreid over de nog altijd vrij primitieve toestanden.
Er is meer plaats binnen de wallen, en de veiligheid is ook groter omdat
de vestingwerken, vroeger dikwels van hout, nu altijd van steen zijn
en nu meer als zelfstandige uitbouwen met soliede verdedigingswerken
gemaakt zijn, gelijk ze dat op de eerste kruistocht bij de Arabiese
vestingen, om Jeruzalem en Antiochië, gezien hadden. En zo krijgt men nu
een gelegenheid om rondom de eigelike burcht tuinen aan te leggen--met
rozen en lelies, rozemarijn en heliotroop, met genezende kruiden voor
de huisapotheek en met alle soorten van vruchtbomen, zelfs met een
paviljoen waar de Landheer zich 's zomers ophoudt. Van de geheel vrij in
't midden staande, bijna onneembare toren (donjon, bergfried), waar men
hoogst bekrompen woonde, is de woning nu gebracht naar een zelfstandig
langwerpig stenen gebouw, dat de van de Romeinse Keizertijd stammende
naam van »paleis" draagt. Vrije stenen trappen voeren naar de belétage
op en langs de façade daarvan, een open korridor, een »loggia" of
»laube", op de open trap zowel als op die loggia houdt men zich dikwels
bij goed weer op. De grote zaal zowel als de kleine kamers hebben nu ook
veel meer vensters zodat er ook beter licht en lucht in komt,--door het
naar buiten schuiven van de vestingwerken is nu ook het gevaar voor het
vijandelik geschut geweken,--al meer en meer bouwt men de vensters nu in
Romaanse stijl, rhytmies gegroepeerd,--twee of drie te samen bij elkaar
gehouden en omgeven door arkaden en boogfriezen. Bij wijze van bizondere
luxe ziet men in navolging van de kerkbouw, hier en daar glazen ruiten.
Gezelliger en gemakkeliker voor een verblijf zijn ook de verschillende
vertrekken geworden. De haardsteden zijn nu niet meer geheel open maar
van een schoorsteen voorzien. Naast de ouderwetse vaste muurbanken in
de ridderzaal, duiken er langzamerhand andere meubels op: veldstoelen
en taboeretten, kleine kleedjes en kussens die op de grond liggen om op
te zitten; ook vindt men een soort ligbank met matrassen er in, die 's
nachts als bed gebruikt wordt, maar waarop overdag de gast uitgenodigd
wordt naast de gastheer of gastvrouw plaats te nemen. Veel van deze
gemakken komen zeker uit het Oosten; een woord als »matras" is Arabies
van oorsprong, een »tapijt" stamt uit Byzantium. De verlichting is ook
al heel wat meer ontwikkeld dan in de tijd van de pikfakkels of een
enkel licht hier en daar; ook alweer onder invloed van de Kerk ziet
men overal kandelaars die aan de muur vastgemaakt zijn en kronen aan
de zoldering. In de vertrekken, altans in de grote zaal, vindt men nu
allerlei ornamenten, en schone kleuren. In plaats van een open dakstoel
krijgt men beschoten zolderingen of zelfs gewelven als in de Romaanse
kerken. De gepleisterde muren en zolderingen worden met levendige
kleuren versierd: een blauwe grond met gouden sterren of overal bloemen
en gestileerde takken en vogels--meestal geel en roodbruin op witte
grond--of afbeeldingen van bijbelse of historiese tafrelen of uit een
roman; op deze wijze waren ook vroeger de paleizen van een Theoderik of
Karel de Grote met historiese muurschilderingen naar de overlevering
der antieken versierd geweest. Veel nieuwe kleurstoffen worden nu uit
het Oosten bekend (indigo-blauw, damast-rood en safraan-geel) nieuwe
kleurnamen worden uit het Arabies ontleend (karmozijn, oranje, azuur);
zelfs de ornamenten hebben hun naam en dikwels de motieven van de
moskeeën en de huizen der Arabieren (arabesken). Bij feestelike
gelegenheden worden de muren nog bizonder, spesiaal met geborduurd
linnen bedekt--soms een hele beeldenreeks als bij het enorme tapijt
van Bayeux, waar de gehele slag bij Hastings in geborduurd is,--of met
tapijten die eerst uit Syrië en Perzië kwamen--waar dan fantasties
gestileerde Oosterse planten en dieren in geweven waren--en die later in
Vlaanderen gemaakt werden. Ook de vloer werd in stenen vakken ingedeeld
als de ruiten van een schaakbord of met ornamenten; bij feesten werden
daar levende bloemen over gestrooid.
De edelen zelf begonnen het lichaam beter dan vroeger te verzorgen,
om welke reden de moralisten van de tijd hen verwekelikt en verwijfd
noemen. Uit de termen van Byzantium en de badgelegenheden van de
Mohamedanen komen de warme baden en dampbaden overal in West-Europa in
zwang; het baden is blijkbaar niet alleen een noodzaak geweest--vooral
groot in een tijd dat er geen linnen gedragen werd en men het lichaam
zo buitengewoon sterk inspande--maar moet ook als een wellustig genot
beschouwd zijn geworden, waar velen een overdadig gebruik van maakten.
De kerk stond dan ook nooit goed gezind tegenover die nieuwe manier
om aan de zinnen toe te geven. Ook het haar en de huid begon men te
verzorgen. Uit Byzantium kreeg men fijn gesneden ivoren kammen en
weelderige spiegeltjes met deksels van ivoor, uit het Oosten welriekende
oliën: rozenolie, amber en balsem. Het haar werd gevlochten en met
krulijzers gekroesd, zo wel bij mannen als bij vrouwen; de vrouwen
wisten het haar te verven zo wel als vals haar te gebruiken, en
verstonden de kunst om zich te blanketten en dikwels droegen ze
sluiers--op de wijze der Oosterlingen. Vooral waren het juist de stoffen
uit het Oosten en het Oosterse voorbeeld in het algemeen, die een
ongehoorde lukse van kleeren en versierselen in zwang brachten en dat
niettegenstaande alle gepreek van de familievaders en van de Kerk. Over
de handelscentra van Italië stroomde dat alles Europa binnen--zijde uit
Tyrus, Arabië en van de »Hindoe koesj", »de Indiese Kaukasus", satijn
en fluweel van Alexandrië, damast van Damascus, »baldakijn" van Bagdad,
mouseline van de stad Musul aan de Tigris, »Sindu-wol" uit Indië. Van
de kledij der Byzantijnen, zo als men die, in mozaiek gereproduceerd,
in ivoor uitgesneden kon vinden en van de burnu's en de kaftans der
Arabieren kwam de nieuwe mode in de klederdrachten: de korte kiel van
de mannen en hun mantel gaan nu tot aan de enkels; ook de vrouwen
dragen lange gewaden van lichte, fijne stoffen met wijde mouwen en
een sleep. In de »visioenen" van een monnik uit die tijden lijdt
keizerin Theophano, een Griekse prinses, alle pijnen der hel, omdat
zij de weelderige Byzantijnse modes in de vrouwelike klederdracht naar
Duitsland en Frankrijk overgebracht heeft. De namen van klederen, als
b.v. »Jupe" en »hoqueton" zijn Arabies. Maar die kleeren van de ridders
en hun vrouwen zijn heel wat bonter geweest dan die van hun voorbeelden;
met een naïeve opvatting van kleuren hebben ze de meest schreeuwende
daarvan te samen gebracht; het is niet zeldzaam dat men een dame
hoort prijzen omdat haar kleeren aan een papegaai doen denken, en de
»mi-parti" klederdrachten der mannen en het dragen van bellen er op,
zijn zeker Europese uitvindingen. Borduursels in en op de stof, gespen
en spelden, ringen en kettingen voltooiden de feestkleedij. Een bedorven
jeugd--zo klaagt een kroniekschrijver--is meer en meer verwijfd
geworden; ze dragen lang, sierlik gekapt haar, ze werpen stof op door
hun lange mantels en bemoeiliken zich alle handbewegingen door hun
lange, wijde mouwen; ze dragen lange baarden, als van de bok, (dat komt
ook uit het Oosten) en lopen met een kaproen op het hoofd en lange
puntschoenen.
Ook de maaltijden worden meer en meer uitgebreid en fijner. Uit het
Oosten krijgen ze pasteien en taarten, peper, muskaat, meloenen en
sinaasappelen, hete wijnen--van Cyprus en Malvezij--en ook limonaden.
En het eten werd ook al wat schoner en netter opgediend. Wel is waar
nog altijd alles in één pot, en worden de vingers als vorken gebruikt
en hebben elke twee personen samen maar één bord en één beker, maar
er wordt toch iets meer dan vroeger acht geslagen op wat de reinheid
en de schoonheid eisten. Byzantium en de Arabieren waren steeds
de voorbeelden; het gouden of zilveren servies voor de vorstelike
feest-maaltijden was meestal Grieks werk; er zijn drinkbekers bewaard
gebleven van émail en in goud gevat kristal en door de Byzantijnse
kunstenaar met Grieks mytologiese voorstellingen versierd. Woorden als
»tasse" en »karaf" zijn Arabies. Voor de maaltijd de handen te wassen
was iets wat men bij een bezoek in het eerste het beste Saraceense huis
kon leren, een wasbekken, dat nog uit een der ridderkastelen stamt,
noemt zich dan ook »vervaardigd door Mohammed, de zoon van Abzeny", maar
die gewoonte kan ook uit de Kerk overgenomen zijn, waar de priester van
ouds de handen wies, vóór hij bij de mis de Heilige Voorwerpen aanraakte
en uit de altaar-kelk dronk,--het zijn dan ook kerkelike Aquamanilen (de
schaal, in de vorm van draken en leeuwen, waarin de priester zijn handen
wast) die zich later tot wereldlike kannen voor het wassen der handen
ontwikkelden.