zullen--meestal uit vreemde landen, uit die ontzachelike bonte massa
van motieven die door het reizen en trekken, in het dooréénmengen der
volkeren en de uitwisseling van ideeën, in de tijd der kruistochten
in omloop kwamen. Maar de drang tot vertellen en de vertelkunst zijn
produkten van het gezellige maatschappelike leven en het letterkundige
genre--de geversificeerde vertelling, zo wel het korte »Conte" als de
lange »Roman"--dat uit die gezellige bijeenkomsten geboren wordt en zelf
de stof daarvoor uit moet maken, staat, èn in vorm en stijl, èn in geest
en wijze van voorstelling geheel onder de invloed van die oorsprong en
bestemming. De oude »Chansons de geste" die bestemd waren om in een
zaal, onder begeleiding van muziek, half gezongen, half gereciteerd
te worden, voor een groot gezelschap en bij feestelike gelegenheden,
rollen voort, deftig en zwaar en stijf, in lange regels van 10 of 12
lettergrepen: »Carles li Reis nostre Emperere magne--sept ans tuz pleins
ad estet en Espagne". En in brede trekken wordt ons alles geschilderd,
met onvermengde, sterke kleuren, in grote, aanschouwelike scènes wordt
het verhaal ingedeeld en schrijdt met dramatiese stoten en in vlug tempo
voort: de toon is opgewekt en verheven en zo gaat het zonder grote
veranderingen tot het einde. Maar de nieuwe vertellingspoëzie moet
in de plaats van de conversatie in die kringen komen en moet in het
vrouwenvertrek of bij de maaltijd een gezelschap van heren en dames
onderhouden door gewoon en natuurlik een historie te vertellen.
Daarom loopt de taal daarvan als een rustige vlugge stroom, als
een gezellig babbeltje in versregels van acht voeten: »Chrestien
commance son conte--si comme l'histoire nous raconte--qui traite
d'un empereur--puissant de richesse et d'honneur--" En de toon en de
voorstelling verandert als in de levende gesproken taal; nu eens vertelt
men haastig en vlug, dan weer wijdt men bij een beschrijving wat uit,
het verhaal slaat in een levendig gesprek over, maar verliest zich dan
weer in allerlei beschouwingen, de toon is rustig en blijft zich gelijk,
zonder grote sprongen, maar met vele kleine veranderingen--medelijdend
zuchten, schertsende ironie. En het verhaal schrijdt steeds kalm door,
begint bij het begin, springt niets over, vat de geschiedenis niet in
dramatiese scènes samen, maar houdt steeds de belangstelling gaande. Het
is de stijl en de toon van de moderne roman en novelle die men hier ziet
ontstaan. En het was ook de geest van het Hofleven zelf die de nieuwe
vertelkunst zou bezielen niettegenstaande de vreemde van alle kanten
opgenomen stof; wat die kenmerkt is de licht-gewekte zo al niet
diepe sympatie met het geluk en het ongeluk der mensen, de sceptiese
mensenkennis en de fijne blik op het leven dat alles zoals wij gezien
hebben, karakteristiek was voor de mensen uit die kringen. Wat wij reeds
in het Frankrijk van de 12de en 13de eeuw in dat sosiale leven geboren
zien worden, is de Conte van de 19de eeuw, geestig als bij Voltaire, en
sentimenteel als bij Musset.
Een andere manier waarop de gasten onderhouden werden, was zang en spel
en dans. Wanneer de vrouwen bij elkaar zitten te naaien of te spinnen,
begint één er van een lied en heffen de anderen het refrein aan; na
tafel wanneer de mannen en vrouwen samen aangezeten hebben, geeft een
der vrouwen ook een lied ten beste en wordt het refrein door de overigen
gezongen; of wel moet ieder der aanwezigen om de beurt een lied zingen.
Naast de viool en de harp die men van oudsher kende, komt nu de luit van
de Arabieren, wier hoven in Andalusië van muziek en gezang weerklonken.
Ouderwetse moralisten ijveren tegen al dat gezang en spel in gezelschap;
dat verwekelikt maar en leidt tot wellust zeggen ze. En nog meer is de
dans hun een reden tot ergernis, als zijnde een uitvinding des duivels.
Bijna bij alle feestelike bijeenkomsten wordt er aan de hoven gedanst,
en er komen massa's nieuwe dansen op waarvan enkele, naar de namen te
oordeelen, uit Griekenland schijnen te stammen. Het zijn kettingdansen,
rondedansen, dansen door vrouwen alleen of door mannen en vrouwen,--maar
de meesten zijn zeker begeleid geworden door gezang.
En die liederen zijn het andere genre dat uit dat hogere sosiale leven
geboren wordt. Niet spesiaal uit dat aan de hoven; men kan ze tot in
de eerste tijden der middeleeuwen vervolgen, in alle maatschappelike
klassen horen ze thuis, maar wel worden ze bij de hoven meer in 't
bizonder gekultiveerd en krijgen ze daar kleur en vorm.
Velen van die dansliederen, zoals die omstreeks het jaar 1100 op de
ridderkastelen gezongen werden, schijnen van de oude lentefeesten te
stammen, die uit de grijze voortijd in alle landen gevierd werden. In de
heidense tijd vermoedt men dat die Mei of April feesten in 't bizonder
aan de godin der liefde gewijd waren en de vrouwen hebben er de hoofdrol
bij gespeeld; het moeten een soort »vrouwelike Saturnalia" geweest zijn,
waarbij zij zich nu eens van de voogdij van man of broeder mochten
emanciperen, of in elk geval in wilde dansen en liederen zich allerlei
grappen veroorloofden. Die oorsprong verklaart het gewone begin van
die liederen; de lof en prijs van 't voorjaar en 't nieuwe jaar dat
in die tijd met het voorjaar begon en het zijn steeds vrouwen die het
woord voeren en die elkaar aanzetten om tegen hun mannen of moeders
in opstand te komen en van hun jeugd te genieten. In een liedje uit
Limousin van ongeveer 1100 zingt een van de dansende meisjes, die tot
»April-Koningin" gekozen was, aldus de lof van de lente: »Nu eindelik
de heerlike tijd gekomen is, zal de vreugde een aanvang nemen, de
ijverzuchtigen zich ergeren en daarom zal de koningin eens laten zien
hoe vol liefde zij is," en de meisjes vallen in: »Weg, uit den weg,
gij ijverzuchtigen!--laat ons dansen, laat ons dansen met elkaar!"
Overal--gaan ze door--heeft zij laten weten: alle meisjes en jongens
mogen komen dansen. Maar nu komt ook de koning, om het dansfeest te
verhinderen, hij is bang dat men hem zijn April-Koningin ontroven zal.
Maar zij wil van de oude niets weten, zij wil liever een jonge kerel
hebben die weet hoe een mooi meisje behandeld moet worden. En hij die
haar zag, zoals zij zich daar bij het dansen vertoonde, die kan zeggen
dat de vrolike koningin haars gelijke in de wereld niet heeft... »A
la vi', a la vie, jalous,--lassaz nous, lassaz nous--ballar entre nos,
entre nos." Een dergelijke half-conventionele wildheid kenmerkt andere
oude Noord-Franse of Duitse dansliederen. »De gehele wereld zal mij
niet verhinderen mij een »ami" te kiezen," zingt een meisje uit
Noord-Frankrijk; openlik verklaart zij aan haar moeder: »Ma mère, je
veux Robin"; de moeder dreigt haar met een stok en wil haar met haar
spinnewiel opsluiten, maar het meisje belooft zich zelf dat zij haar
geliefde toch wel zal krijgen: »Les mammelettes me poignent, je ferai
novel ami", zo zingt zij haar liefdeverlangens uit. En een Duitsch
meisje zingt: »ik zal mijn zorgen laten lopen en met mijn vriendinnen de
weide ingaan," en dan roept zij haar »Mei-geliefde": »zoete Rozenmond,
kom, kus mij gezond." In haar klooster klaagt de non; zij wil er vandoor
en zich met haar geliefde amuseren: »S'irons à Paris, mener bonne
vie,--car il est jolis et je suis jeunette," en liefde-smachtend luidt
haar refrein: »Je sens les douls mals leis ma seinturete--malois
sois de Deu ki fist nonnette!"--»ik voel de zoete smarten onder mijn
lendenen--vervloekt door God zij hij die mij een non deed worden!"
Vooral klinken van alle kanten de protesten van de getrouwde vrouwen:
»Mijn man heeft mij overdag,--mijn vriend de korte nacht... Loop heen,
gij lelike bochel! bij God, ik zal u horens laten dragen; want nu is de
zoete tijd gekomen dat de weiden groenen. Nu zullen wij, mijn vriend en
ik, de nieuwe bloempjes gaan plukken (»bloemen plukken" betekent in deze
liedjes altijd zich aan de liefde overgeven). Waarom slaat mijn man mij?
Ik heb immers nooit iets anders gedaan dan mijn vriend beminnen. En gunt
hij mij _dat_ plezier niet eens meer, dan zal ik mij nog meer op hem
wreken." En de jonge Provençaalse zingt: »Wat zal ik u zeggen waarom ik
zo vol liefde ben,"--en zij zelf en haar vriendinnen vallen haar in de
rede: »Coindetta sui..." »Knap ben ik, maar ik heb verdriet over mijn
man, ik wil niets van hem weten--want ik ben maar klein en jong en een
maagd, ik moest een man hebben waar ik plezier in kon hebben... Maar
God weet dat ik geen smaak heb in mijn echtgenoot, als ik hem zie, wens
ik slechts dat de dood hem van mij wegneemt. Maar één ding heb ik wel
gemerkt en dat zal ik u zeggen: mijn vriend heeft mij reeds lang bemind
en hem zal ik mijn liefde schenken... En het lied dat ik hier op deze
melodie dicht, dat moet--vraag ik--wijd en zijd door alle vrouwen
gezongen worden, over mijn vriend dien ik bemin en naar wien ik zo
verlang." »Coindetta sui... Aardig ben ik" enz., zingt het koor daar
dan weer tussen in.
Dat zijn oude conventionele volksliederen-motieven in de ridder- en
hofkringen in voorname vorm gegoten. Andere dansliedjes, eveneens
door vrouwen gezongen en oorspronkelik ook wel door haar gedicht,
zijn romanceachtig vertellend. Het zijn kleine liefde-episodes of
liefdegeschiedenissen, slechts met een paar losse lijnen opgetrokken,
in een paar trekken te voorschijn getoverd... alsof men in de muziek
maar even het tema aangeeft, maar de uitwerking aan de fantasie van
de hoorders overlaat... dikwels half dramaties in de gesprekvorm, maar
oorspronkelik altijd met een refrein dat de grondgedachte aangeeft...
de stemming waar de kleine »historie" uit ontkiemd is en die alleen
gebruikt zal worden om de toehoorders mee in slaap te wiegen. Dat zijn
de romancen waar onze Scandinaviese volksliederen ook meê samen hangen.
»Aalis main se leva--bon jor ait, qui mon cuer a... Alis stond 's
morgens op--geluk voor hem die mijn hart bezit--zij kleedde zich en
maakte zich mooi onder een elseboom--geluk voor hem die mijn hart
bezit,--het is niet langer mijn." Meer hebben wij van dit liedje niet.
Kompleet hebben wij daarentegen het lied van Gaiete en Oriour, twee
zusters die een Zaterdag naar de beek gingen om te baden. »De lucht
trilt en de takken wiegelen; mogen zij die minnen zoet slapen!"
luidt het refrein als van een wiegelied. De jonge Gerard komt van
wapenoefeningen terug, ziet Gaiete aan de beek en neemt haar in zijn
armen. »Als je nu water geput hebt, Oriour," zegt zij tegen haar kleine
zuster, »ga dan naar de stad terug, ik blijf bij Gerard." Oriour gaat
naar huis, maar weent haar beide oogen uit en zucht uit het diepst van
haar hart, omdat haar zuster niet met haar mede gaat. Maar Gerard en
Gaiete gaan terstond direct naar de stad en daar troost Gerard haar.
»Vante l'ore et li raim crollent,--ki s'antraimment, soweif dorment."
Men ziet bijna de dansenden de kleine geschiedenis mimies voorstellen.
Minder bij de dans dan bij het werk in het vrouwenvertrek zijn die
oude romances gezongen geworden, die de adellike dame of jonkvrouw in
haar stille liefdedromen schilderen, in de smart of het geluk van haar
ootmoedige liefde. Daar zit de schone Dolette bij het venster en leest
in een boek, maar haar gedachten zijn er niet bij, zij denkt aan haar
Doon die ver weg getrokken is, naar 't een of ander toernooi. En nu komt
juist het bericht dat hij gevallen is; zij neemt terstond het boetekleed
aan en wijdt zich aan het nonnenleven.
Zo zit ook de schone jonkvrouw Yolande in haar vertrek een fluwelen
wambuis te maken voor haar vriend die ver weg is. Zuchtend zegt zij:
»God, wat is de naam der liefde zoet. Nooit had ik gedacht dat ik daar
smarte bij zou voelen," en zij bidt God medelijden met haar te hebben.
Maar op het zelfde ogenblik komt haar lieve vriend de kamer binnen. Zij
ziet hem, buigt haar hoofd en kan geen woord uitbrengen. »Mijn lieve
dame, hebt gij mij heel vergeten?" vraagt hij. Maar nu lacht zij en
strekt zuchtend de schone armen naar hem uit. »Schone vriend, ik kan u
niet bedriegen. Met geheel mijn hart bemin ik u. Zo veel als gij wilt,
moogt gij mij kussen." Zij neemt haar vriend in haar armen. Zij zetten
zich op een mooi bed en daar omhelzen zij elkaar. »God! wat is de naam
der liefde zoet. Nooit had ik gedacht, dat ik daar smarte bij zou
voelen."
Boven in het vrouwenvertrek is het ook dat de koningsdochter Erembourc
zit te borduren en zij door een torenvenster ziet dat haar vroegere
vriend, Graaf Raymond, de binnenplaats op rijdt; nu komt hij in de lente
thuis maar hij heft het hoofd niet meer op naar haar kamer als vroeger.
Maar zij roept hem, hij mag haar de belediging toch niet aandoen niet
eens meer even met haar te komen spreken. »Gij hebt niet goed gehandeld,
koningsdochter! Gij hebt een ander liefgehad, om hem hebt gij mij
vergeten", roept hij naar boven. Maar zij zweert van niet; met haar
dames en maagden is zij bereid een eed af te leggen dat zij onschuldig
is. En dan komt hij bij haar binnen--breed van schouders, smal van
middel--blond, met gekrulde haren; een knapper jongeling was niet te
vinden. Hij gaat op het geborduurde kussen zitten, zij zit naast hem;
»de joste lui se siet bele Erembors,--lors recomencent leurs premières
amors..." Het gehele kalme vrouwenleven in die torenkamers hangt als een
atmosfeer om de weinige woorden van die liederen,--in een vaag onbewust
verlangen naar vrijheid en een bereidwillige onderwerping aan de
heerschappij van de mannen. Het is alsof men de eenvoudige woorden hoort
zingen met begeleiding der akkoorden van een tedere guitaar.
Duideliker spreken de gevoelens der geliefden zich in liederen uit,
die het afscheid schilderen van ridders en hun dames. Dit zijn ook
oorspronkelik meestal liederen van vrouwen of altans is de vrouw degene
die vooral het woord voert en de warm liefhebbende is, terwijl de man
er de rol van koelbloedige meerdere speelt. Wij hebben Duitse liederen
van dit genre over of altans fragmenten er van. De vrouw klaagt en hij
belooft haar niet te vergeten, of zij smeekt hem bij haar te blijven,
maar hij antwoordt lichtzinnig of, als om te tonen dat hij een man is,
dat hij zich niet eeuwig en altijd door een vrouw kan laten binden; soms
is zij een vorstin en eist dat hij haar beminnen zal of hij moet het
land verlaten, maar de ridder laat zijn paard zadelen, hij wil liever
vertrekken dan zich door een vrouw te laten dwingen. Of de vrouw is
verlaten achtergebleven en klaagt dat nu de lindebomen kaal zijn, dat
haar geliefde, een onervaren jongen, in het net van andere vrouwen
verward is geraakt, ofschoon God weet dat zij--dat »ich im diu holdeste
bin". Zij staat op de tinnen van het kasteel en kijkt hem achterna nu
hij wegrijdt; de valk die zij voor hem had afgericht, is nu ook van haar
weggevlogen. God »brenge hen samen die gaarne samen willen zijn." Of zij
verlangt naar hem in de verte. »Es stuont eine Frouwe alleine unt warte
über Heide." »Wanneer ik alleen sta in mijn hemd en aan u denk, mijn
Ridder, dan gloei ik als een roos en is mijn hart vol droefenis."
Dikwels is het op een kruistocht dat de ridder moet gaan en roept zijn
kristelik en militair plichtsgevoel hem weg, over zee en land, terwijl
haar liefde hem terug wil houden. Allerliefst is zo bijvoorbeeld een
Provençaalse romance waar het adelike meisje een schonen zomerdag onder
een bloeiende vruchtboom in de tuin zit en tot Jezus klaagt dat haar
geliefde voor Hem naar het heilige land getrokken is en haar verlaten
heeft. De dichter tracht haar te troosten met de hoop op de hemel,
maar zij laat zich met het hiernamaals niet afschepen »wanneer God mij
ondertussen hier op aarde hem ontrooft die mijn vreugde was, hem die ik
nog maar zoo kort had, maar die nu zo ver weg is."
»Liebesgrüsse", »saluts d'amour" zendt de verlatene haar geliefde in de
verte achterna. »Zoveel bladen, zoveel grassprietjes, zoveel bloemen als
er zijn, zend hem zo veel liefdegroeten van mij." Dikwels is het een
valk of een zwaluw wier vrije vlucht zij benijdt en aan welke zij haar
groeten medegeeft,--een overal in het volkslied geliefd motief. Later
zendt hij dan ook op zijn beurt haar groeten door vogels. »Weg vliegt de
montere vogel,"--heet het in een »salut d'amour", uit Provence--»recht
daar heen waar zij woont en slaat zich zonder angst neer, en wanneer de
schone zich vertoont, begint het vriendelike vogeltje een zoet gezang te
laten horen, zo als hij die tegen de avond ten beste pleegt te geven,
dan zwijgt hij en bedenkt hoe hij het beste zeggen zal wat zij genadig
horen wil." Dan zingt hij menig vleiend woord tot haar over haar
geliefde, zij hoort dat aan en zendt de gevleugelde boodschapper met
vele schone liefdewoorden terug.
Een heel bizondere dichtsoort ontwikkelde zich langzamerhand door
mannelike kunstdichters uit het oude motief van »Het afscheid der
geliefden". De situatie van die twee die een nacht van liefdegenot
te samen doorgebracht hebben maar nu, om niet ontdekt te worden,
voor dageraad moeten scheiden, is er een die steeds overal in de
volksliederen te vinden is, algemeen menselik en poëties vruchtbaar
als die is. De geliefden hebben samen buiten op de weide of in bosjes
geslapen, en worden nu door het gezang der vogels of door de dageraad
gewekt; onder hevige klachten en verwensingen over die noodzaak moet de
vrouw zelf de man tot haast aanzetten; of wel zij tracht hem nog terug
te houden: neen, het is het daglicht niet, maar maneschijn, het is de
leeuwerik niet, maar de nachtegaal, zegt zij. Intussen verstomt de
twijfel spoedig; hij moet weg. Met dit volkslied-motief zijn bij de
kunstdichters literaire herinneringen samen gesmolten. Aan de ene kant
van de oud kerkelike hymnen aan de dageraad,--van de hoogdravende Hymne
aan het Licht van Prudentius af (Aeterne rerum conditor) tot de meer
moderne, als die welke men uit het jaar 1000 kent, in 't Latijn met
Provençaalse refreinen, waarin de wachter de Slapenden wekt, om dat »het
Morgenrood de zon reeds achter de natte zee opheft." Aan de andere kant
misschien ook van de antieke poëzie b.v. van Leander's brief aan Hero in
de »Heroides", waar de twee zich na een nacht van liefdegeneuchten onder
klachten uit hun omhelzingen los moeten scheuren, omdat de morgenster
Aurora de weg wijst en de trouwe bewaakster, de oude min van het meisje,
ze tot scheiden maant. De min van de antieke poëzie en de wachter van de
kristelike hymne worden bij de ridderlike dichters tot de torenwacht die
van de toren de dageraad ziet verschijnen en die daardoor als vanzelf
de vertrouwde der geliefden geworden is en de waarschuwende rol van de
leeuwerik over heeft genomen. Als zodanig is hij de derde persoon van
het drama. In een tuin, onder de meidoorn, ligt een vrouw met haar
vriend in haar armen, totdat de wachter roept dat hij de dageraad ziet.
»Ach God, ach God, wat komt de dageraad spoedig! Gave God, dat die
nacht nooit een einde nam, en dat mijn geliefde nooit van mij weg moest
trekken, en de wachter nooit de dag zou zien en de dageraad... Lieve,
zoete vriend, laat ons elkaar blijven kussen, gij en ik, hier op de
weide, waar de vogels zingen, tot op 't ogenblik dat de wachter op zijn
schalmei blaast." Schoon en lief is de vrouw en velen kijken naar haar
wegens haar schoonheid, maar zij is trouw aan de liefde in haar hart.
»Oi deus, oi deus! de l'alba, tan tost ve!"
Bij Walter von der Vogelweide is het in een kamer dat het zonnelicht
de geliefden treft en de situatie ontwikkelt zich hier tot een hele
dialoog, een heel drama. De ridder ziet het daglicht, wekt het meisje en
wil weg, maar zij noodzaakt hem om te blijven. Ridderlik geeft hij toe,
niettegenstaande het gevaar en zegt: »Welaan, dan blijf ik hier," totdat
zij nu zelf het gevaar bemerkt en hem tot vertrekken aanspoort... maar
dan, zelf niet wetende wat zij wil, vraagt zij hem toch nog éen ogenblik
te blijven: »Nooit hadden zij het zo goed als nu." Maar... nu _moet_ hij
toch weg: »Ik doe het voor uw eer, het morgenlied van de wachter heeft
al weerklonken." En wenend blijft zij alleen achter: »nû lige ich
liebes âne--reht als ein senede wip." In de Albas uit Provence--_alba_:
morgenrood heet die dichtsoort in Zuid-Frankrijk--komt die wachter
langzamerhand meer en meer op de voorgrond, hij wordt in het vertrouwen
der geliefden genomen en zo wordt het niet meer zijn geroep als zodanig
dat hen waarschuwt, hij wekt die twee met opzet en raadt ze aan te
scheiden. In een der schoonsten dier Alba's is het een vriend die in de
tuin op wacht staat en die God bidt om hem zijn kameraad ongedeerd terug
te geven en hij roept de kamer in: »Beste vriend, slaap niet langer, in
het Oosten is de morgenster opgekomen, ik heb die duidelik gezien en nu
is het weldra morgen. Beste vriend, met mijn lied wek ik u, ik hoor de
vogelen zingen en ik vrees voor de jaloerse echtgenoot, nu is het weldra
morgen."--»Waarde, goede vriend--komt ten slotte het antwoord--ik zwelg
in een zodanig geluk dat ik wenste dat het nooit dag zou worden, want ik
houd de heerlikste van alle vrouwen ter wereld in mijn armen, en ik geef
niets om echtgenoot of dageraad." Hier is het nu, zo als men ziet, niet
langer de vrouw, maar de man die de nacht van liefde verheerlikt en
in zijn geluk alle voorzichtigheid over boord werpt. Het allerverst
uitgewerkt vindt men het motief bij Wolfram von Eschenbach in wiens
»dageliederen" de wachter zowel als de vriend die in het geheim is,
tot hoofdpersoon worden, en zijn waarschuwingen, de hevige passie der
geliefden die nog onder de hoge druk van 't geraas toeneemt, haar tranen
en zijn ridderlike onverschrokkenheid, vallen samen in een pateties
dramaties trio, dat bijna tot een simbool wordt van »de zaligheid van
gestolen liefde en al de bitterheid die daar onafscheidelik van is."
Ten slotte vormde de hofpoëzie van het volkslied de Pastorale. Reeds
vroeg hebben tweespraken een deel uitgemaakt van volksfeesten en
volksdansen. Bij 't Meifeest kwamen zomer en winter op en kregen het met
elkaar in schone verzen aan de stok totdat de winter het op moest geven;
of twee meisjes stonden in verzen te disputeren over de vraag of een
klerk of een ridder de beste geliefde was. Bij de dansen hebben zeker
ook samenspraken gehoord tussen de man die het meisje wil omhelzen en
het laatste dat zich met schelmse spot terug trekt en hem ontwijkt,
misschien ook nog wel een derde--een mededinger die het meisje ook ten
dans nodigt--totdat zij zich ten slotte aan een van tweeën overgeeft.
Dergelijke disputen en liefdegesprekken op rijm, gaan in verband met
landelike feesten helemaal op het volksleven der oudheid terug; zij
hebben de literaire weerklank daarvan in de idyllen van Theocritus en
Virgilius; reminiscenties aan die schrijvers, die in de middeleeuwen
zoveel zijn nagebootst, hebben misschien enkele der dichters van de
ridderpoëzie voorgezweefd. Onder de latijnse liederen der vagantes vindt
men een andere soort gedichten die op _hun_ wijze aan één zijde der
pastorale beantwoorden: het zijn liedjes waarin zulk een rondtrekkend
scholier luchtigjes vertelt van een avontuurtje dat hij gehad heeft of
waar hij pocht op een »bonne fortune" die hem ten deel gevallen is,--hoe
hij de tegenstand van het schuchtere meisje wist te overwinnen, hoe
hij het herderinnetje dat hij ergens buiten tegen kwam gevraagd had de
ziekte te genezen waar hij aan leed, hoe zij eerst niet durfde voor
haar vader, maar toch gauw genoeg bezweek, of hoe hij de dansende
herderinnetjes aangeboden had gratis de declinatio en de conjugatio te
leren of hoe hij een gesprek over de liefde tussen twee meisjes had
afgeluisterd.
De ridderlike pastorale die zich misschien oorspronkelik van
Noord-Frankrijk naar Provence verplantte en naar Duitsland, vertoont
een vermenging van die twee typen. De inleiding schildert een dichter,
een ridder en een stadsbewoner die over de velden lopen of rijden en òf
een gesprek tussen de herders en herderinnetjes afluisteren--Robin die
Marot om haar liefde vraagt, terwijl zij hem met Gueneviere plaagt, die
zij hem gisteren heeft zien kussen,--of boeren feestdansen, kibbelarijen
en vechtpartijen, of zij beginnen zelf een gesprek met de landmeisjes
en dan krijgen ze die tot hun wil of wel worden ze door de landelike
schonen weggezonden. Het is van boven af dat men al die landelikheid te
zien krijgt en de versvorm is licht, dansend, spelend; het boerenleven
en het herdersleven worden in hun vrolike natuurlikheid geschilderd,
onschuldig naief en komiek plomp; het zijn fijne beelden uit het
volksleven van Nederlandse schilders, in de Franse lyriek, evenals later
in de Duitse van Nidhardt. Pochend en met de nodige bluf vertelt de
zanger hoe hij het meisje tot zijn wil gekregen heeft of met goedmoedige
zelfbespotting hoe lelik hij van zijn vrijage af is gekomen; in beide
gevallen wordt het avontuurtje als een bagatel behandeld; zoo'n
veehoedstertje en haar liefde,--dat betekent namelik niet veel!