Naast de Antieken en Germanen met hun robuste Heersersmoraal was het

Kristendom gekomen en had zijn moraal aan de zwakken verkondigd en de

dienstbaren en de ongelukkigen; onder de Slaven had het dan ook reeds

vroeg de meeste proselyten en de meeste martelaars gemaakt. Voor de

Romeinse patriciërs zo wel als voor de Frankiese baronnen had het de

moeilike deugden van de ootmoed en de zelfverlochening, gepreekt en

even onbekend voor Romein als voor Germaan was het bewustzijn van de

zonde dat het Kristendom tracht te wekken en dat het aan het gehele

menselike leven te gronde wil leggen. Uit het Oosten druppelde meer en

meer ascesis en zelfkastijding het Kristendom binnen; in de wildernissen

van Aegypte en Syrië trachtten kristen-kluizenaars elkaar in harde

ontberingen en gruwelike pijnigingen de loef af te steken, en sedert

dien bracht het monnikswezen in andere vormen de gehele zijde van de

zelfverlochening van het Kristendom in systeem. Nu in de 11de eeuw was

de kristelike sentimentaliteit, die zich over de landen verspreidde,

vermengd met veel van de zwarte bitterheid der ascese.

Vrees, angst voor de zonde en voor het verlies van de ziel, dat is wat

de ware Kristen in zijn gemoed moet voelen,--leert men. »Een bedroefde,

naar de aarde gerichte blik, een verwaarloosd uiterlik, ongekamd haar en

vuile kleeren",--zo moet de Kristen er uit zien. Bevend gaat hij door

het leven. Alle geluk en vreugde zijn valstrikken van den duivel en

staan in de soldij van de Dood; smart daarentegen en ongeluk zijn de

voorschool van de Deugd, een beloning die God de uitverkorenen ten deel

doet worden, een pand voor het loon hiernamaals. Men moet dezer wereld

sterven. En afstand doen van geld en goederen,--leerde Kristus niet dat

er geen goud of zilver in ulieder gordels zijn moet en dat gijlieden

heen moet gaan en alles verkopen wat gij bezit? En alle macht en eer

opgeven--alle wereldlike macht is slechts diefstal, alle wereldlike eer

is slechts ijdelheid, leert Augustinus. Van kennis en wetenschap,--»de

wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God," zegt Paulus. Geeft uw

familie, ouders en kinderen op, »indien iemand tot mij komt en niet haat

zijnen vader en moeder, en vrouw en kinderen en broeders en zusters,

die kan mijn discipel niet zijn," zegt Kristus. Men moet het vlees

doden,--was het niet gulzigheid die er onze voorouders in het paradijs

toe bracht van de vrucht te eten? zegt Paus Leo. Men moet zich

vernederen,--»die zich vernedert, zal verhoogd worden". Men moet

geduldig zijn in het ongeluk, zachtmoedig tegenover het onrecht. Men

moet uit zich zelf tot hen gaan die lijden en zich in tranen baden over

de smart van anderen, zelf verdriet gevoelen bij dat van anderen, »wenen

met de wenenden en klagen met de klagenden."

Ook voor deze zijde van het Kristendom stond er een hele kristelike

dichtkunst ter beschikking, die op de fantasie en het gevoel van de

lekenwereld werken kon en een grote massa sombere en droeve legenden,

uit het Latijn en Grieks vertaald, vlogen in de 11de eeuw de wereld door

en sloegen in het menselik gemoed neer. Schilderingen van de pijnigingen

der martelaren en de zelfkwellingen der kluizenaars,--van gevallen

vrouwen zoals Thais en Maria Aegyptiaca, die in hun wroeging allerlei

ootmoedigende en vernederende boetedoeningen voor zich bedenken...

onschuldige maagden, die door woestelingen vervolgd worden... zwarte

misdaden die de straf des hemels over zich halen... moeders, die zich

van hun kinderen losmaken of de H. Alexis die zijn bejaarde ouders en

zijn bruid verlaat, ze aan verdriet en wanhoop overgeeft en die als

bedelaar rond gaat trekken; zonder dat men hem herkent komt hij terug en

woont jaren lang bij hen zonder zich bekend te maken, ofschoon hij ziet

dat zij van smart sterven... alle menselike gevoelens worden getrapt,

alle natuurlike banden verscheurd. Die legenden willen tranen zelfs uit

de meest gevoellozen persen, zelfs de hardste harten tot bloeden brengen

en het zijn dikwels feitelik al heel kleine romans die direkt de

overgang vormen tot de sentimentele richting in de ridderromantiek.

De zelfzuchtige hardheid der baronnen vermurwen, en in liefde

veranderen,--de stijve halzen dier Heren in ootmoedige zelfverlochening

doen buigen--dat is het waar de kristelike gevoelsrichting in de 11de

en 12de eeuw op aan stuurt. In tegenstelling met de beweging der

bedelmonniken in de volgende eeuwen, tracht de Kerk zich voorlopig meest

tot de andere maatschappelike lagen te richten en werkt dan ook het

meeste onder hen uit. De religieuse herleving van de adel wordt goed

geïnkarneerd in de twee grote kerkelike figuren uit het begin van de

12de eeuw. De een is Norbert van Xanten, een voornaam en rijk edelman,

een bloedverwant van keizer Hendrik V. Eens op een dag dat hij in een

prachtig zijden wambuis gekleed, door een wapendrager vergezeld, over de

Rijn reed, werd hij door een bliksemschicht getroffen en bewusteloos ter

aarde geworpen. Daardoor werd hij tot een godsdienstig leven gebracht,

hij verzaakte zijn positie en zijn goederen, gaf zich aan zulk een hard

asceties leven over, dat hij er door op het ziekbed werd geworpen en

werd de stichter van de strenge orde der Premonstratensen, aan het

hoofd waarvan hij stond als een streng niets-ontziend meester. Van meer

betekenis nog was Bernard van Clairvaux. Zijn vader en zijn broeder

dienden als ridders de Hertog van Bourgondië, maar Bernhard zelf was

door zijn moeder een sterk religieus gevoel ingeprent en hij werd

monnik. Hij begon met in heilige geestdrift zich zelf zo te kastijden

dat zijn gezondheid er bij in schoot en daarna maakte hij de

Cisterciensers tot een zeer streng-ascetiese orde; maar zijn ascetisme

viel samen met een mystiese, sentimentele dweperij, die hij van uit zijn

kloostercel aan grote kringen van de Franse adel wist mede te delen,

door preken, traktaten, een uitgestrekte briefwisseling, niet het minst

juist door die heerlik gevoelvolle brieven, bijna in de trant der Duitse

piëtisten, aan de vorstinnen van Lotharingen en Bretagne. Liefde, leert

hij, is het binnenste in de ziel; het komt er op aan het ijs in zich

te smelten en herboren te worden tot de mildheid en klaarheid van het

geestelike voorjaar; zelfzucht in een zee van liefde te verdrinken,

waarin men samenvloeit met het oneindige; wanneer de drang tot die

liefde door het lichaam schijnt, gelijk de lamp door het scherm, dan is

de ziel »huweliks-bereid", bereid tot het geestelike huwelik met het

Woord Gods. En Bernhard vertaalt de gloeiende Liefdes uitingen van het

Hooglied en verklaart die gelijk een mysties-religieus dwepen; in schone

hymnen schildert hij het kindeke Jezus als een minnaar en huldigt de

Maagd Maria met de geestdrift van een troubadour.

Bernard werd dan ook de voornaamste prediker der kruistochten van zijn

tijd. En al waren het ook--zoals wij gezien hebben--in overwegende mate

wereldlike redenen die de meesten edellieden aan de kruistochten mede

deden doen, toch had de gehele godsdienstige herleving dier dagen

er een wezenlik deel aan. De kruistochten betekenen de officiele

Heiligprediking van de oorlog door de kerk. In plaats van de »Gods

vrede" waar men zich zo moeilik aan houden kon, proklameerde nu de Kerk

een »Gods Oorlog", waar men heel wat meer voor voelde. Zo als een der

kroniekschrijvers 't heeft; »God heeft in onze tijd de heilige oorlogen

ingesteld om de Ridders nieuwe middelen tot redding te geven, opdat zij

niet verder genoodzaakt zullen zijn zich aan een monniksleven te wijden

om zich te kunnen bekeren, maar dat zij met hun gewone leven en werken,

tot zekere hoogte altans, zich de genade Gods zullen kunnen verwerven."

De baronnen beschouwen zich nu als de Vazallen Gods: de Koning van het

Paradijs--zeggen zij in een gedicht over de kruistochten van de 12de

eeuw,--heeft zijn getrouwe Franse baronnen ter hulp geroepen »por Dame

Dieu vengier" en om van de heidenen het rijk te heroveren, dat »de

droite Antiquité" aan Kristus toekomt; zij zijn het, verklaren ze, »cil

qui Damedieu servant d'un loyal cuer entier." En de drang der ridders

om zich uit de maatschappij los te maken en op eigen hand eer te

behalen en op avontuur uit te gaan,--die ging om zo te zeggen bij de

kruistochten een kompagnieschap aan met het individualisme van het

Kristendom en werd daardoor geheiligd. In het Kristendom is er toch

reeds van huis uit een tendens die de banden der maatschappij en van

de familie losser maakt; die tendens wees de enkeling op zich zelf aan

en leerde hem dat de zaligheid van zijn eigen ziel het enige is dat

hij steeds voor ogen moet hebben, en dat hij zich alleen door eigen

verdienste kan verwerven. Gelijk de vromen die in het klooster gingen,

alle banden van het familieleven doorsneden en alle burgerlike

verplichtingen van zich afwierpen, zo konden nu de ridders op de

kruistochten het als heilig en verdienstelik beschouwen zich van alle

maatschappelike plichten los te maken en hun lust tot doden op eigen

hand bot te vieren. Maar ongetwijfeld is ook een zuiver godsdienstige

geestvervoering een machtige hefboom geweest voor die beweging. En door

Franse en Provençaalse kruisliederen, gelijk door het lied van de

Duitsche kruisvaarder Ezzo, over »de wonderen van Kristus" klinkt er een

dwepend verlangen naar het graf van Kristus en het Hemelrijk, en velen

waren er die werkelik voelden--gelijk een der kroniekschrijvers van de

eerste kruistocht het uitdrukt--dat »de tijd nu gekomen was waar het

woord van Kristus op doelde: »Zo iemand achter mij wil komen, die neme

zijn kruis op en volge mij.""

III.

WERELDLIKE KULTUUR.

Naast de kristelik-sentimentele beweging was er ook een soort

wereldlike, humane kultuur die zich in de 11de eeuw aan de horizon

begon te vertonen en die niet zonder opvoedende kracht zou blijken.

Het werd al meer en meer duidelik, dat er ook buiten het Kristendom

een beschavingswereld te vinden was,--een beschaving van de manieren en

zeden, intellektueel zowel als aesteties--waar men zijn deel van krijgen

moest op poene van een barbaar te blijven. Geesteliken, die als kleine

jongens in de Latijnsche school het Latijn ingestampt was geworden door

middel van de klassieke schrijvers, konden midden in een scholastiese

discussie op eens een paar citaten uit Virgilius in de mond krijgen,

die hen plotseling vreemde rijken van schoonheid deed vermoeden, en

in uitverkoren kringen dier klerken begon men zich in die antieke

literatuur in te leven en zich te laten doortrekken van, al was het

een zwakke dosis, aesteties humanisme. En ridders die in Spanje geweest

waren en daar gastvrijheid genoten hadden bij de ongelovige muzelmannen,

of kooplieden die in Byzantium vertoefd hadden en een klein idee

gekregen hadden van wat de beschaving daar betekende, die kwamen naar

huis en vonden het leven lelik en vulgair, de zeden plomp en naief,

zelfs in de kastelen van de machtigste baronnen. In de bovenste lagen

der bevolking ontwaakten er toen vage voorstellingen van een hogere,

zuiver wereldlike kultuur--een kultuur, zelfs ongelovig en heidens--en

jeugdige verlangens om daar in door te dringen.

De antieke kultuur was ook nooit in de middeleeuwen geheel afgestorven;

hoe beter men kijkt, des te duideliker ziet men dat de samenhang

ongebroken is, zelfs in de donkerste eeuwen. Als taal der kerk was het

Latijn immers de basis van alle geestesleven der klerken. Het was het

hoofdvak op school, de taal van de godsdienst, in 't Latijn werd de

bijbel gelezen en alle kerkvaders, in 't Latijn disputeerden alle

scholastici en werden alle kronieken en traktaten geschreven. En voor

het onderwijs werden de heidense klassieken gebruikt, in elk geval in

proza-uittreksels en bloemlezingen uit de laatste perioden der oudheid;

in de kloosters werden de oude manuscripten bewaard en afgeschreven, en

al waren er ook strenge richtingen in de kerk die de lektuur van al die

heidense onzin verboden, er zaten toch overal monniken in hun scriptoria

en bisschoppen in de biblioteken der kathedralen die hun otium wijdden

aan de studie van Virgilius of Lucanus, Seneca of Cicero. Had niet

Augustinus zelf de kinderen de lektuur van Virgilius aangeraden »opdat

deze grote, beroemde en uitstekende dichter niet zo licht uit hun

herinnering zal verdwijnen?" En waren de geschriften der kerkvaders niet

gespekt met citaten uit deze heidenen? Ze konden b.v. niet van de goede

rover vertellen die van het kruis naar Kristus op ziet of het vers van

Virgilius liep hen in de pen over de gevangen Cassandra, die haar blik

omhoog hief: »de blik alleen, de magere handen bonden de boeien."

Zo volkomen was feitelik de kristelike leer der kerkvaders en

daarmede die van de gehele middeleeuwen--b.v. die van de moraal

der mensenliefde--van het materiaal der antieken doortrokken, dat,

wanneer de klerken in 't geheim de geschriften der heidenen inkeken,

ze elk ogenblik weer de waarheid zouden ondervinden van de woorden der

kerkvaders dat het niet alleen de Joodse profeten geweest waren, maar

ook veel geesten van het heidendom, die het licht van het Evangelie

reeds te voren hadden zien gloren. Wanneer b.v. Cicero sprak van de

»caritas generis humani" en de plicht in 't algemeen om zijn medemensen

te helpen. Wanneer Lucanus voorspelde dat de volkeren eens hunne wapenen

weg zouden werpen en elkander liefhebben. Of wanneer Seneca ontwikkelde

hoe wij allen ledematen van een lichaam zijn. En was het geschrift van

Ambrosius over de plichten niet slechts een bewerking met een licht

kristelik kleurtje van »De Officiis" van Cicero--evenals men in het

begin van de 12de eeuw de Engelse abt Aelred van Riedval de »Lelius"

van Cicero ten grond kon leggen aan zijn dialogen over »de geestelike

vriendschap"?

Overigens trekt die zelfde abt tegen zijn tijdgenoten onder de

geestelikheid te velde, die tegelijk met de Evangeliën de Bucolica

studeren, Horatius tegelijk met de Profeten en Tullius met Paulus. En in

de 11de en 12de eeuw had de sterke bloei der scholen--vooral in West-

en Zuid-Frankrijk zowel als Noord-Italië--ook daar vruchten gezet die

de ernstige kristenen wel moesten ergeren. Eén dier vruchten was de

vrije gedachte die overal, in Noord als in Zuid, tegen het juk van de

kerkelike autoriteit opstond, in de ketterijen van een Berengarius van

Tours, in de vrije opvattingen der ketters, in Roscelin en Abélard en de

ontluikende Parijse scholastiek. Van groter en direkter belang voor het

literaire leven waren toch voorlopig de geestelike kringen die hier en

daar opkwamen waar men zich niet afgaf met dogmatiese ketterijen, maar

con amore zich aan de profane studie der oudheid overgaf, en zo goed als

't kon, zich door de geest der oudheid liet doortrekken en ontwikkelen.

Het was vooral in de West-Franse provinciën in Touraine, Anjou en Maine,

dat de scholen bloeiden en dat de filosofiese vrije denkers en de

aestetiese humanisten onder de geestelikheid opkwamen.

Daar was Hildebert van Lavardin die eerst een school had te Le Mans, die

daar later bisschop werd en als aartsbisschop van Tours stierf. Hij nam

sterk deel aan de kerk-politiek van zijn tijd en hield zijn bisdom vrij

van de ketterse beweging, maar zoals men hem in zijn talrijke gedichten,

redevoeringen en brieven leert kennen, is hij toch eigelik een leerling

der oudheid. In zijn preken mengt hij voortdurend beelden en

uitdrukkingen van de klassieke dichters onder de bijbelse. In de brieven

die hij aan zijn biechtelingen schrijft, haalt hij dikwels zijn raad en

zijn troostgronden uit de filosofiese epistels van Seneca zonder van

kristelike argumenten gebruik te maken. Een massa wereldlike briefjes

vertonen elegante beleefdheidjes in de vorm van de antieke brievenstijl.

In hopen kleine latijnse gedichtjes proberen de poëten het met alle

mogelike antieke genres: gedichten in antitese-rijke taal, gewijd aan

Koningin Matilde van Engeland, grafverzen ter ere van een gravin van

Maine, verzen vol komplimentjes aan de literair-ontwikkelde gravin

Adèle van Blois, epigrammen en schuine erotiese versjes. Door Ovidius

geïnspireerd, dicht onze prelaat een klacht van Apollo over de dood van

Hyacinthus, pompeus bezingt hij de grootheid van het antieke Rome en

houdt volkomen onkristelike beschouwingen over het Rad der Fortuin.

Maar daar midden tussen in weer legenden en verzen, epigrammen over

kristelike dogmata, of een gedicht, vol woordspelingen over de

drieënigheid.--Wanneer zijn vorstelike of altans adellike biechtelingen

aanvechtingen krijgen om zich in 't klooster te begeven of op een

pelgrimage uit te trekken, verklaart de humanistiese bisschop dat men

alle overdrijvingen en opzienbarende boetedoeningen moet vermijden en

dat een graaf van Anjou werkelik gewichtiger plichten heeft dan als een

pelgrim de wereld rond te trekken. En wanneer zijn vorstelike vriendin,

de gravin van Blois op oudere leeftijd zich absoluut in het klooster wil

begeven, weet hij haar in elk geval in de moederschoot der Kerk over te

leveren met het meest elegante-hoffelike gedicht.

Een andere korrespondent van die gravin Adèle was de abt Baudri de

Bourgueil. Van zijn hand heeft men kleine epigrammen om onder een

portret te zetten of in een exemplaar van Ovidius, gelegenheidsgedichten

op een roos of een gebroken grift, groeten op rijm en uitnodigingen of

antwoorden daarop. Met een zekere Jonkvrouw Agnes en een non Emma voert

die abt een correspondentie in verzen, hij onderwerpt zijn gedichten

aan hun oordeel, en bromt op een vriendin van hun beiden, omdat zij

niet aan die poëtiese oefeningen mede wil doen. In een lang gedicht aan

die gravin Adèle schildert hij haar woning, zoals hij zich die in zijn

fantasie voorstelt en beschrijft o.a. de wandtapijten met voorstellingen

uit de Griekse mythologie en de Romeinse historie. In Latijnse

hexameters schrijft Paris minnebrieven aan Helena en richt Florus

brieven van troost tot Ovidius in diens ballingschap.

Zulke beaux-esprits heeft de geestelikheid omstreeks 1100 zeker niet

weinige geteld en tussen het bisdom of een rijke abdij en het grafelike

hof in de buurt, heeft zich ongetwijfeld zeer dikwels een druk verkeer

ontwikkeld. De adellike dames stonden meestal zeer hoog in beschaving

en hadden veel meer geestelike belangen dan de ruwe baronnen, en

korrespondeerden druk met hun biechtvaders of met voorname nonnen in

de buurt. In dergelijke kringen trachtte men religieuse stichting met

literaire kultuur te verenigen. Men las de klassieken met elkander,

schreef brieven in den trant van Cicero, en legde zich op een wereldse

konversatietoon toe. De nonnen in het klooster Ronceras te Angers

schrijven nu en dan de zaakpapieren van het klooster in verzen en een

hunner kontrakten van overdracht begint aldus: »Kadmus, de wijze koning

van Thebe voerde volgens het bericht van Isidorus het gebruik van het

alfabet in Griekenland in, daar hij voorzag hoe noodzakelik dat in vele

gevallen zijn zou." Bij sommige gelegenheden heeft men in die literaire

abdijen eigengemaakte komedies opgevoerd in de trant van Terentius en

Plautus, soms met een kristelik morele tendens, gelijk die welke een

voorname Saksiese non, Hroswitha in het klooster te Gandersheim schreef,

soms zeer wereldse Amphitryon-intriges en verleidingsgeschiedenissen,

gelijk die welke aan een der klerken van Blois worden toegeschreven. In

een klooster zette men de minnedichten van Horatius op muziek, later

werd die melodie gebruikt voor een kerkelike hymne.

Een zekere mate van schertsende lichtvaardigheid en sentimentele

liefde-uitingen ontwikkelden zich natuurlik dikwels bij de vrije omgang

der twee geslachten onder de mantel der religie. Het is algemeen bekend

hoe het Abélard en Heloïse ging. Abélard was de leraar en vogue bij de

Kathedraalschool van de Notre Dame te Parijs, van hoge geboorte, schoon

en elegant, met een innemende stem, literair ontwikkeld en muzikaal.

Plato en Boethius, Virgilius en Lucanus lagen even vaak op zijn lippen

als de woorden van de Schrift en zijn minnezangen vlogen op lichte

populaire melodieën over het gehele »quartier Latin" te Parijs. Die

waren op Heloïse gemaakt die bij haar oom woonde, een kanunnik bij wie

meester Abélard in de kost gekomen was, o.a. op voorwaarde dat hij diens

nichtje dageliks zou onderwijzen. Hun verstandhouding leidde tot de

treurige resultaten die men kent, maar van uit hun respektieve kloosters

bleven zij regelmatig met elkaar korresponderen;--brieven in een pedant

Latijn geschreven, half moraliserend, half retories-hartstochtelik, met

citaten uit Seneca en Paulus, Salomon en de »ars amandi" door elkaar,

en met aangrijpende hartekreten te midden van opgeschroefde onnatuur...

Ook uit Beieren kent men uit de 11de en 12de eeuw Latijnse brieven

tussen geesteliken en nonnen of geleerde vrouwen gewisseld, met

sierlijke hofmakerijen en zoetsappige sentimentaliteit, in geestelike

bloementaal geschreven en met citaten uit Ovidius, maar die

langzamerhand van geestelike vriendschap eens biechtvaders overglijden

in de plompe eis van de man dat de vrouw »haar vertrouwen in daden zal

tonen",--waar de vrouw met duidelike woorden voor bedankt.

Dat hele zalvend zoete sentimentaliseren tussen mannen en vrouwen,

dat zo in de briefwisseling der geesteliken met vrouwen te voorschijn

komt--veel dergelijks vonden wij ook in de brieven van Bernhard van

Clairvaux aan zijn hoge kliënten--is niet zonder invloed, gelijk wij

zien zullen, in ridderkringen en dat is ook het geval met de manieren

en de spraak van de man van de wereld, waar men zich in die literaire

conventikels op toelegde.

In een lagere sfeer--de wereld der arme »rondtrekkende scholieren"--had

de klassieke opvoeding een nog profanerender uitwerking. In kroegen

en herbergen deden deze rondzwervende, halfgeleerde _Bohémiens_ hun

latijnse liederen horen, ter ere van Venus en Bacchus en ten spot van

de officieele kerk en de welgedane geestelikheid. Daar krijgt men

verheerliking van wijn en spel, gesprekken tussen die scholieren en hun

liefjes,--ondeugende minneliedjes, maar ook gezangen waarin liefde tot

het voorjaar en liefdedweperijen een heel schoon geheel vormen. De goden

der antieken worden aangeroepen: Paris en Helena en Aeneas en Dido zijn

de voorbeelden aller liefhebbende harten en reminiscenties aan Horatius,

Ovidius en Virgilius zijn overal in de liederen dezer _vagantes_ te

horen. Niettegenstaande de geestelike tucht van het Kristendom, waaraan

ze in hun school onderworpen waren geweest, waagden deze klerken het,

zich over het voorjaar te verheugen en de schoonheid der vrouw te

prijzen, de lusten der zinnen te bezingen en de verschrikkelikheden van

de kerk, en die met alle satyren der antieken te kastijden, gelijk niet

lang daarna de troubadours het in de volkstaal zouden doen.

* * * * *

Als erfgenaam van de antieke kultuur gold in de middeleeuwen het

Oost-Romeinse rijk. Terwijl de klassieken in West-Europa slechts

zo nu en dan eens bestudeerd werden, 't zij dan zonder medeweten

van de kerk of wel door haar beschermd, zaten de overleveringen der

oudheid daar ginds in Byzantium nog steeds officieel op de troon. Daar

heersten nog de opvolgers van de Romeinse imperatoren die zich nog

Caesar noemden en Augustus,--de taal van Aristoteles en ook van Cicero

leefde nog op de lippen der beschaafden, de gehele Staatsmachinerie

was die van het Romeinse keizerrijk en wat de klederdracht betreft,

zowel als in alle gewoonten en vormen des levens waren de klassieke

tradities merkbaar. De keizerlike biblioteek stelde al de schatten der

oude literatuur ter beschikking van een talrijke staf van professoren

die op de kateders der Universiteit filosofie doceerden en filologie

en de rechtsgeleerdheid en de werken der oudheid werden afgeschreven,

uitgegeven, bestudeerd en bekommentarieerd; in enorme verzamelwerken

zowel als in praktiese compendia werd de quintessens van de

gedachtenwereld der antieken neergelegd en onverflauwd trachtten

de strijders in rhetorica, geschiedschrijving en dichtkunst, op de

glorierijke banen der Griekse en Latijnse literatuur voort te schrijden.

Onafhankelik van de geestelikheid vond men daar--in tegenstelling

met West-Europa--voortdurend een zeer uitgebreide laag van zuivere

wereldlike beschaving, waartoe het gros van de ambtenaarswereld hoorde

en het hof; vele prinsen en prinsessen van het keizerlike huis waren

werkzaam op het gebied van de literatuur.

De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen · 第 2 / 36 段