Produced by Frank van Drogen and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
| |
| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven |
| als _cursief_. |
| |
| In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. |
| De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als |
| »aanhalingstekens". De enkele aanhalingstekens zijn als |
| >aanhalingstekens< aangegeven. |
| |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
+----------------------------------------------------------------+
DE RIDDERROMANTIEK
DER
FRANSE EN DUITSE MIDDELEEUWEN
_Schrijver en Vertaler wensen de lezers op te doen
merken, dat de in deze bewerking te vinden afwijkingen
van het origineel aan gemeen overleg te danken zijn._
KULTUUR-HISTORISCHE BIBLIOTHEEK
VALDEMAR VEDEL
DE RIDDERROMANTIEK
DER
FRANSE EN DUITSE MIDDELEEUWEN
GEAUTORISEERDE BEWERKING
NAAR HET DEENS DOOR
H. LOGEMAN
UTRECHT--H. HONIG--1919
BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN
INLEIDING.
Meer dan eens heeft de vorige eeuw getracht de Ridderromantiek der
Middeleeuwen weer tot een kunstmatig leven op te wekken. Eerst de Duitse
romantici met hun Heinrich von Offerdingen en Barbarossa, de Genoveva
van Tieck en de Tempeliers van Werner; daarna Walter Scott met zijn
Ivanhoe en Victor Hugo met zijn Burggraven; gelijk in Denemarken
Ingemann met zijn Otto en Jonkvrouw Inge. Nadat toen een paar geslachten
zich aan de schildering der werkelikheid en kritiek van de maatschappij
hadden overgegeven, ontwaakte de heerlikheid van Koning Arthur en zijn
Graal wederom in de dromende ridders van Burne Jones en Rossetti en de
smachtende jonkvrouwen van Tennyson. In de toondichten van een Wagner
weerklonk opnieuw de horen van de Zwaanridder, het lokkend spel uit de
Venusberg en Parsifal's Graal-verlangens. En in de toren-kamer en de
burchtgangen van Maeterlinck tastte de kinderachtige Blanchefleur-liefde
hulpeloos rond in het afschrikkende donker der Middeleeuwse mystiek.
Zeldzaam moderne incarnaties van de Middeleeuwen zijn het allemaal--de
edele Sir Galahad en de liefdezieke Lady Elaine, zo goed als de
Kristelik-Schopenhauerse Graalheld bij Wagner en de »fin-de-siècle"
Pelléas en Mélisande; in 't algemeen staan ze daar nog verder van af
dan Ridder von Trautwegen en jonkvrouw Inge van de flinke Ridders en
schelmse dames van de oude Meester Chrétien de Troyes of van Wolfram
von Eschenbach's kernachtige maar naieve Parsifal.
Maar er was nog wel iets meer in de volksboeken gebleven van de
sentimentaliteit en het sprookjeselement dier oude romans--denk aan
Vigoleis met 't Gouden wiel, de schoone Magelone of Alexander de
Grote--die nog voor een paar generaties menige boerenjongen allerlei
grillen in het hoofd zetten en menig boerenmeisje zilte tranen deden
storten. Ofschoon ook deze volkslektuur niet veel meer van de geur en
de ziel der oude Romantiek bewaard had, dan voor zover de houtsneden
en het papier van de cents-prenten aan de oude, sierlike geïllumineerde
handschriften herinnerden, of voor zover het tegenwoordig publiek denken
deed aan de bloem van de adel in de tijd van Lodewijk de Heilige.
Maar noch deze vergroeide spruiten, noch ginds kunstmatig doen herleven
van 't voorheen, is het wat feitelik van onze tegenwoordige kultuur
naar de Ridderromantiek terug leidt. De verbinding is dieper en meer
vertakt. De moderne Franse roman,--of die nu het moderne Parijs
schildert, of zich verdiept in de psychologie van de liefde,--kan
met de nodige schakels direkt op de dertiende-eeuwse Franse romans
teruggevoerd worden, evenzeer als de stamboom van de moderne Engelse
roman, van het spannende, excentriese genre, ons terug brengt tot de
ingewikkelde mystieke verhalen van de Arthurcyclus. De gehele moderne
liefde-lyriek--Lamartine, Heine, zowel als bij ons in Denemarken
Christian Winther--leeft van motieven en zingt in een toon die
de troubadours en de minnezangers het eerst ontwikkeld hebben. En
afgezien van het puur-literaire, zijn het de gehele moderne vormen der
samenleving zowel als veel van de moderne sentimentaliteitskultuur die
op de tijden van toernooien terug gaan en op die waarin dames er hun
apart hof op na hielden. Onze begrippen over een »gentleman" en een
»lady", over ridderlikheid en vrouwelikheid, over liefde en eer, over
goede zeden en nette manieren, dat alles heeft zich ontwikkeld uit de
idealen die zevenhonderd jaar geleden ontstonden aan de hoven van de
landgraven van Thuringen of die van Provence en Champagne.
Wat dus hier onder de naam van Ridderromantiek der Middeleeuwen
samengevat is, die Franse en Duitse kultuur der 12de en 13de eeuwen,
aristokraties, sosiaal en romanties, betekent daarom de studie in
oorsprong en in een hele ontwikkelingsfase van de moderne dichtkunst
en zelfs van de moderne maatschappij.
I.
VAN BARON-BURCHT TOT RIDDERHOF.
Ons uitgangspunt zal de anarchie van de adel zijn die in het 11de eeuwse
Frankrijk en Duitsland haar toppunt bereikte. Door het eentonige
monnikenlatijn van de kronieken heen, komt ons het lawaai en de
verwarring tegemoet van het onophoudelik gekrakeel der grote
Heren,--door dat van een Raoul Glabers van Cluny, de abt Guibert van
Nogent, Ordericus Vitalis in zijn Normandies klooster, zo wel als de
Beierse abt Ekkehard of de Sassenbisschop Tietmar. De kroonvazallen
heersen zo goed als geheel onafhankelik, elk in zijn eigen landje; in
Frankrijk onder de zwakke Capetingers, in Duitsland onder de alles
onderste boven werpende strijd der Saksiese keizers met de Pausen.
In Frankrijk zijn het hertogen als die van Normandië, Bourgondië,
Aquitanië, graven, als die van Vlaanderen, Poitou of Toulouse. In
Duitsland de hertogen van Beieren, Zwaben, Saksen, de markgraven van
Babensberg in Oostenrijk, de Paltsgraven van Wittelsbach en de
landgraven van Thuringen. En onder hen weer een hele massa van kleine
burchtheren en gewone baronnen die het met elkaar en met hun leenheren
even dikwels aan de stok hebben als de laatsten met de Koningsmacht. Elk
voorjaar trekken de Heren met hun volgelingen te velde, om hun buurman
een stuk grond te ontnemen; en naar aanleiding van de ene of andere
belediging, uit bloedwraak of uit tijdverdrijf, om de boerenhofsteden en
de kooplieden langs de openbare weg te plunderen of steden en kloosters
te brandschatten. In Anjou raast de zwarte graaf Foulques als een
wild beest, in Normandië staan de boeren in hun wanhoop tegen hun
onderdrukkers op, maar worden weer ten ondergebracht, met een wreedheid,
wier bizonderheden de kronieken koelbloedig uitvoerig vermelden, te
Brugge vermoorden de samengezworen baronnen de »goede" graaf Karel
midden in de kerk en gebruiken daarna deze laatste als vesting tegen de
Koning en de burgers. Bij Guibert kan men lezen hoe de intrigante gravin
van Namen, Enguerrand de Coucy en diens bloeddorstige zoon Thomas de
Marle, jaren lang de omstreken van Laon in een eeuwige onrust hielden.
En over de wijze waarop menig Hendrik van de Welfen en menig Frederik
van de Staufen in Frankenland en in Zwaben huis wisten te houden, daar
weten de Duitse kronieken genoeg van te verhalen.
Wat zijn ze ruw en plomp, al die »barones" en »milites"; met een robust
geweten en een vrolik gemoed slaan ze hun medemensen dood, hebzuchtig
als de gieren strijken ze op goederen en vee neer en als dolle stieren
op de vrouwen. Even uiterlik als hun verhouding is tot wet en recht, zo
is die tot het Kristendom. Steeds is hun weer ingestampt, dat men, om
zalig te worden, gedoopt moet worden, de mis moet bijwonen, moet vasten,
te communie gaan en dat doen ze dan ook, maar meer laten ze zich door
geen enkele kerkelike band in hun vrijheid beperken. Integendeel,--als
rebellen staan de baronnen in hun anarchie tegenover de Kerk, gelijk ze
het recht trotseren en de maatschappij. Het is niet alleen wetteloosheid
die er heerst, maar een gewilde teugelloosheid, de baronnen zijn niet
alleen zonder moraal, er zit een godvergeten woestheid in hen, die aan
het Titaniese herinnert uit de tijd der Italiaanse renaissance. Een
hunner heeft er plezier in zijn biechtvader op Goede Vrijdag op een
kolossaal banket te nodigen en hem zijn dikke buik te wijzen, »vol van
de eere Gods"; een ander houdt er een hele harem, d. w. z. bordeel op
na, voor het uiterlik een nonnenklooster. De ene vrouw na de andere
laat men lopen, rooft die van zijn buurman en dwingt de kerk om zowel
de scheiding met de ene, als het huwelik met de volgende te wettigen.
Een baron laat zijn gevangenen bij de geslachtsdelen ophangen of bij de
duimen en hangt er zware stenen aan, om het gewicht te vermeerderen. Een
ander die het met zijn leenheer te kwaad heeft gehad en hem eindelik
in zijn macht heeft gekregen, werpt hem in de gevangenis, maar laat
hem 's winters in een nat hemd voor een open venster in de gevangentoren
plaatsen, totdat het hemd door de ijzige wind bevriest. Een Normandies
ridder en zijn vrouw laten een onneembare toren bouwen en wanneer die
gereed is, laat de burchtvrouwe de bouwer doden, om zeker te zijn dat
hij voor de buren niet ook zulk een toren zet. Niet lang daarna jaagt
zij haar man ook weg, zij wenst alleen te zijn; hij ziet echter kans
weer binnen te komen en dan laat hij haar om 't leven brengen.
Over deze en dergelijke dingen kan de kroniekschrijver een »ach"
en »wee" laten horen en er de vloek der kerk over inroepen. Maar
toch, in al die bandeloosheid schuilen krachten, waarvan de ogen der
geestelikheid alleen de slechte kant gezien hebben. De ideale kant,
de idealen zelf en de aspiraties welke in hun beste ogenblikken die
anarchie van de adel bezield heeft, die ontrolt zich voor ons in
de nationale heldendichten, die op de grondslag van oude sages en
overleveringen door 't vlees en 't bloed van de adel geschapen zijn. In
Frankrijk hebben wij die nog vrij zuiver in het »Chanson de Roland" en
nog een paar anderen van de oudere »Chansons de geste", in Duitsland
is die in het Nibelungenlied en »Goedroen" overstreken met een laagje
ridderromantiek dat er eerst afgeschrapt moet worden. Maar door het
woeste en het ruwe in deze gedichten, schijnt een noblesse en een
krijgsgeest van hoge menselike waarde.
Neem b.v. de wanhopige heldenstrijd van Roland en zijn wapengenoten bij
Ronceval tegen de scharen der Saracenen of Ogier li Danois die geheel
alleen zijn burcht tegen het leger van Karel de Grote verdedigt. Of wel
de geschiedenis van Siegfried die Brynhilde wil trouwen, en het bloedbad
der Nibelungen in Huneland op de tochten der Vikingen en de hevige
zeeslagen in »Goedroen". Dat zijn beelden van een machtig spel van
het noodlot waar het om leven en dood gaat, krachtige majeur tonen en
hartverscheurend tragies. Verheerliking van de man en het mannelike,
verheerliking van kamp en strijd. Die heldendichten verkondigen ook de
moraal van een elementaire oorlogseer, ze bezingen wat Roland en Olivier
samenbindt, en Hagen en Volker en schilderen het opperhoofd en zijn
getrouwen, Karel de Grote en zijn twaalf pairs, Didrik van Bern met zijn
twaalf »Recken". Het grote ideale beeld van de krijgskoning en zijn adel
is Karel de Grote op zijn »faldestueil" in de koningshal te Aken, in de
Raad met zijn baronnen of op de morgen van de slag aan het hoofd van
zijn leger.
Maar dit hoort eigelik bij de oudere lagen der Heldendichten, de
inspiratie uit het meer oorspronkelike stadium in de maatschappij van
de _clans_. Gedurende het uitéénvallen van het oude soldatenkoningschap
en de anarchie der baronnen, ging de belangstelling der heldendichten
over op de Vazallen en de Baronnen en schilderen zij nu de krijgsadel in
zijn geweldige worsteling met de onbekwame en despotiese vorsten--het
rebelliese zich zelf op de voorgrond zetten van de Franse Heemskinderen
of de Duitse Hertog Ernst--en de veten der baronnen onder elkaar,
dezelfden waarvan de kronieken _hun_ beeld gaven. Maar Begon, de
»oorlogsdemon" en Raoul de Cambray uit de chansons de geste of Hagen en
Krimhilde van het Nibelungenlied, die hebben ook een soort Idealiteit;
wat laten die zich niet met geniale kracht op hun »baronscap" of hun
»Reckenthum" voorstaan als adelmensen die ver boven monnikskappen en
kramers en de verachtelike menigte verheven zijn, zij, Heer over hun
eigen wil en aan geen andere wet gehoorzamende van mensen nòch van God,
dan die welke zij zich zelf voorschrijven.
Dat is, gezien in de dubbele spiegel van kroniek en heldendicht, de
adelsanarchie in Frankrijk en Duitsland. Maar er voltrekt zich in
de 11de en 12de eeuw--voorlopig handelen wij hier voornamelik over
Frankrijk--een ontwikkeling die in het een zoowel als in het andere
genre al in de kiem te vinden is en die ten slotte verder voert dan
baronnen-werkelikheid en baronnen-idealen.
Uit die anarchie rijst weer een maatschappelike orde op. De kastelen
die de baronnen overal in het land gebouwd hebben ter bescherming van
hun eigenmachtig optreden, zijn feitelik de cellen voor een nieuwe
maatschappij geworden. Achter de muren en grachten wordt er op die
burchten een leven van tot zekere hoogte veilige voorspoed geleid;
de familie en het gezin worden door het samenleven als één, vooral de
eenzame winteravonden, wanneer het met de oorlog en de jacht gedaan
is; in de gedichten zien wij de baron bij de haard zitten met zijn
echtgenote, haar innig kussen en zich verheugen over het spelen van een
paar flinke jongens, of wel hij zit in de hal met zijn mannen en hoort
een zanger de heldendichten voordragen. Als er niets anders te doen
is, houdt men wapenoefeningen of men speelt met de teerling of er wordt
gedanst. Ook begint men het huis te verfraaien; de balken worden fraai
uitgesneden en met ornamenten versierd, ook de muren worden geschilderd
of bekleed met geborduurde behangsels. Er komt gezelligheid en gevoel in
het leven der baronnen, een zekere schoonheid en een drang naar
geestelik verkeer.
Aan de voet van de burcht ontstaat een kleine maatschappij, die zich
onder de bescherming van de burchtheer stelt, opdat hij op zijn beurt
hen beschutte tegen de andere baronnen en de struikrovers zal laten
ophangen. En hoe volkomen willekeurig de baron zich ook tegen zijn
boeren en dienstmannen moge gedragen, toch komt er een zeker gevoel
bij hem op van zijn plichten als beschermheer en ontstaat er een
landsvaderlike verhouding van hem tot zijn »serfs". De burchtvrouwe
begeeft zich naar 't dorpje en zorgt voor de zieken en de armen en
wanneer de heer weduwnaar mocht worden zonder kinderen, dan komen de
kleine burgers en vragen hem om toch vooral weer te trouwen opdat zij na
zijn dood niet zonder heer zullen achterblijven.
Ondertussen zijn ook de kleinere burchtheren door de desorganisatie
van het leenstelsel steeds afhankeliker van de vorsten geworden en
langzamerhand bouwt zich dat trapsgewijze op: Seigneur, Vicomte,
Graaf en Hertog; meer en meer beginnen geschreven kontrakten en een
gedétailleerd gewoonterecht de onderlinge rechten en plichten tot in de
kleinste kleinigheden te regelen. Stukken welke uit die tijd stammen,
tonen heel duidelik hoe hoog ontwikkeld het feodale geweten is en zelfs
in woeste heldendichten vertoont de kleine vazal dikwels onkreukbare
trouw jegens zijn leenheer, maar hij zegt hem zijn manschap ook zonder
gewetenswroegingen op, wanneer de leenheer _zijn_ plichten niet nakomt.
Onder deze omstandigheden ontwikkelen graafschappen en hertogdommen zich
meer en meer tot werkelike rijken, onder vaste vorstendynastiën, en de
kleine vorsten verbieden »les guerres privées", trekken rond en breken
de »chateaux forts" af, stellen baljuws aan en richten rechtbanken op;
meer en meer van de eigendommen der baronnen komen in hun eigen handen,
terwijl zij de baronnen om zich heen verzamelen bij hun hof, waar ze de
hoge plaatsen innemen en deel uitmaken van de raadgevende vergaderingen.
Op die wijze verzamelt de Vlaamse adel zich aan de grafelike hoven van
Ardres, St. Pol, Boulogne of aan het hof van den leenheer te Atrecht of
Brugge, de adel van Champagne aan het hof te Troyes, in Provence, te
Brienne of Bar; de adel van Languedoc aan de hoven te Toulouse, Narbonne
en Beziers. In plaats van de treurige, armoedige burchten overal in 't
land verspreid, waar een zeer beperkte kring een vrij eentonig leven
geleid had in tamelik primitieve toestanden, en om zo te zeggen, onder
voortdurende dreigementen van vijandig-gezinde buren, daar komen nu die
vorstenhoven op als de middelpunten van de adel en met een sosiaal leven
onder veel gunstiger en vreedzamer omstandigheden.
In 't algemeen kan men zeggen, dat de adel zijn levenswijze en zijn
wijze van denken aristokratiseert, terwijl die zich aldus om de vorsten
heen organiseert. Het is dan ook in deze tijd dat de standen zich meer
van elkaar gaan onderscheiden. Door de strijd om de investituur, de
invoering van het celibaat en de ontwikkeling der monniksorden, neemt
de geestelikheid een geheel aparte plaats naast de burgermaatschappij
en de staatsorganisatie in, en wordt onder de leiding der pausen tot
een Europese, internationale grootmacht. Ondertussen verzamelen de
handwerkers zich in hun gilden en gemeenten, kooplieden werken zich
op tot rijkdom en verkrijgen privileges en de grote steden beginnen
in het Noorden zowel als het Zuiden van Frankrijk, door hun uitdagende
houding, ekonomiese zowel als politiese vrijheid te verwerven. Zowel de
geestelikheid als de burgerij stellen door allerlei machtsmiddelen paal
en perk aan het vrije optreden van de adel en de kloosters scheppen
zich een eigen opbouwende, stichtelike literatuur, evenals de burgerlike
geest zich weldra zelfstandig uit in een humoristiese vertellingtrant en
didaktiese dichtkunst. Maar daarentegen verschanst de adel zich des te
exclusiever tegenover de klerken en de kramers achter zijn macht en zijn
privileges en leeft zijn eigen afgesloten leven in een maatschappij, die
door heel haar wijze van zijn zich als een hogere stand en een
soldatenkaste wil doen gelden en zich weldra ook een heel wat
karakteristieker _adellike_ dichtkunst vormt dan de nationale
heldendichten geweest waren.
Maar het waren niet alleen die andere standen die de adel in 't gedrang
zouden brengen. Van het jaar 1100 af blijft het daarvóór zo diep
gezonken koningschap langzaam maar voortdurend in macht toenemen. Van
Lodewijk de Dikke tot Lodewijk de Heilige groeien de koninklike domeinen
stukje voor stukje aan: van Ile de France breidt het land in direkt
koninklik bezit zich langzamerhand over het grootste gedeelte van
Noord-Frankrijk en grote stukken van het land zuidelik van de Loire uit,
en waar Lodewijk de zesde in 't jaar 1100 nog in eindeloze veten lag
met de kleine rebelliese burchtheren bij de Seine, kan Philip Auguste
in 1214 de verenigde legers verslaan die de Engelse koning, de Duitse
keizer, de graaf van Vlaanderen en andere rebelliese leenmannen tegen
hem aan hadden gevoerd. De geestelikheid staat met de machtige abt Suger
de St. Dénis en later bisschop Guillaume van Parijs steeds aan de kant
van het koningschap en de staatsautoriteit, en aan de Universiteit
werden de docenten van het Romeinse recht de beste steunpilaren van de
kroon; als koninklike baljuws en drossaten, werden ze uitgezonden om,
ten koste van het feodale lokale bestuur, de rijksadministratie en
wetgeving meer en meer te centraliseren.
Maar het gevolg van die innerlike organisatie en de uiterlike
beperking van de adel is nog bovendien dit--een andere zijde van de
ontwikkeling--dat een groot deel van de krijgshaftige teugelloosheid van
de wereld der baronnen onschadelik gemaakt moet worden, omdat die in de
nieuwe maatschappij geen plaats kunnen vinden, niet in de nieuwe vormen
»in-getemd" kunnen worden. Er zijn jongere zonen, die, al naarmate
het eerstgeboorte recht bij de leenssuccessie toegepast wordt, zich
van hun erfdeel beroofd zien en die daardoor tot een afhankelik hofleven
bij de oudere broeder gedwongen worden; er zijn burchtheren, wier
»chateau-fort" door de leenheer tegen den grond gegooid is of die arm
geworden zijn omdat het volkje aan de voet van de burcht een charter had
weten te verkrijgen en weigerden belastingen te betalen en de verplichte
arbeid uit te voeren; bovendien nog al die onrustige elementen die zich
niet in een meer geordende maatschappij vinden kunnen. Uit deze adel
zonder land die niets heeft om voor eigen rekening om te vechten, worden
de »chevaliers errants" gerekruteerd, die ridders die rondtrokken en hun
armen en hun zwaard verhuurden als soldeniers--soldaten--aan de een of
andere vorst, of die op avontuur uittrokken en zo dikwels genoeg in hun
verval als struikrovers eindigden of zich bij de benden van Navarrezen,
Brabanders en andere »routiers" aansloten die het Frankrijk van de 12de
eeuw onveilig maakten. Een surrogaat voor de vroegere »guerres privées"
werden ook voor velen de toernooien, die--oorspronkelik de oudste soort
wapenoefeningen--in deze tijden meer en meer tot een feest werden,
waarmede de vorsten in vredestijd de onrustige, oorlogszuchtige ridders
bezighielden. Lang trachtte de geestelikheid die te verhinderen, maar ze
bleken een zeer doelmatige veiligheidsklep voor de maatschappelike orde
te zijn en de afstammelingen van de altijd kibbelende baronnen vonden er
behagen in, de gehele zomer door, van 't ene toernooi bij de vorstelike
hoven naar het andere te trekken. En 's winters vond men weer een
ander surrogaat voor het vrije leven van strijd in het voordragen van
heldendichten, wat nu in de mode kwam. Want het was nu eerst dat het
grootste deel van de heldengedichten geredigeerd werd waarin wij de
ideale zijde van de geest der baronnen uitgedrukt zagen en dat zij
algemeen op de burchten gelezen werden; het »vertel, vertel!" dat men
in de 12de eeuw over heel Frankrijk horen kon, is niet anders dan een
uitdrukking er voor dat zekere krachten die in de werkelikheid geen vrij
spel meer hebben, nu dit plezier op 't gebied van de fantasie moeten
zien over te brengen. Maar ten slotte vond de maatschappij nog een
veiligheidsklep in de krijgstochten en emigraties die gedurende de
hele 11de en 12de eeuw de Franse adel aderlaten en daardoor een grote
hoeveelheid van gistende stoffen verwijderen. Onder aanvoering, zeer
natuurlik, van de Noormannen--de laatst er bij gekomenen van de
Germaanse soldatenvolkeren--staken de mannen van Anjou, Bourgondië en
Vlaanderen over naar Engeland onder Willem de Veroveraar en schiepen het
machtige Engels-Normandiese rijk; andere Noormannen hadden zich kort
daarvoor in Zuid-Italië vastgezet en daar te Napels en op Sicilië een
Frans rijk gegrondvest; op het Pyrenése schiereiland steunden Franse
baronnen Aragon tegen de Arabieren en een Bourgondise hertogszoon
richtte een koninkrijk in Portugal op. En nu kwam Paus Urbanus en sprak
te Clermont de verstandige woorden tot de adel: »Het land dat gij
bewoont is te klein voor uw aantal, het heeft geen levensmiddelen genoeg
om U allen te voeden. Daarom verscheurt gij elkander en eet gijlieden
elkaar op. Sluit liever vrede en volgt mij op mijn kruistocht." Met
entoesiasme greep de Franse adel deze oplossing aan en een hele eeuw
lang werd het Oosten nu de plaats waar het instinkt van de vagebond en
de grootspreker, waar eergierigheid en lust tot avonturen uiting en
bevrediging konden vinden, alle gevoelens waarvoor er geen plaats was in
het Frankrijk dat zich nu vormde.
De ridder is het type van den adel in de 12de en 13de eeuw, gelijk de
baron het was in de 11de eeuw; waren toen de verspreid liggende kleine
kastelen de centra van het adelsleven, nu worden het de grote grafelike
en hertogelike hoven en die roepen tot ridderspel op en kruistocht,
waar de adel alom aan mededoet. In de 12de en 13de eeuw is »Ridder" de
aanduiding van de kleine adel, die slechts weinig grond bezit, zo al
iets, maar die in dienst staat bij de grote seigneurs of die dan eens
hier dan eens daar verblijf houden en die in bizondere mate de
krijgsdienst en hofdienst tot hun levenstaak gemaakt hebben. De grote
baronnen die hun goederen besturen moeten, hebben dikwels noch lust om
zich op toernooien en in oorlogen in de wapenen te oefenen, noch om aan
de hoven te dienen, dikwels laten zij zich dan ook helemaal niet tot
ridder slaan. Aan de andere kant vindt men vele edellieden die te arm
zijn om zich de dure wapenrusting aan te schaffen of het strijdros en
de wapenen waar een ridder van voorzien moet zijn; die blijven geheel
hun leven »equyers". Maar er zijn jongere zonen van goede familie of
kinderen uit de verarmde adel die aan het hof van een vorst aangenomen
worden en daar opgevoed; daar worden ze dan in de wapenhandel geoefend
en leren er allerlei hofdiensten; wanneer ze òf de heer die ze dienen òf
hun familie er toe kunnen brengen hun een wapenrusting of een paard ten
geschenke te geven, dan worden ze bij het bereiken van de mannelijke
leeftijd »adoubé", met het zwaard omgord, en ontvangen ze de »colée",
de ridderslag met verschillende ceremonieën, en dan moeten ze voortaan
hun »chevalerie" hoog houden, door zich zelf te voorzien, of zich
door anderen te laten voorzien van ridderwapens en paard en door zich
vlijtig in de wapenen te blijven oefenen. De ridders zijn daarom,
niettegenstaande het feit dat zij dikwels onvermogend zijn, tot zekere
hoogte een adel in de adel, zij zijn het die bij de hoven een opvoeding
hebben gehad, het meest met hun stand overeenkomende en die door hun
wapenen de oude eer van het vroegere werken van de adel ophouden. Het
is een zeer individuele adel, niet erfelik en niet geërfd, maar door de
enkeling verkregen, door zijn persoonlike verdienste en door zijn gehele
wijze van leven opgehouden, bovendien ook een zeer ideële adel, noch aan
grondbezit, noch aan bepaalde leenstoestanden gebonden, maar door de
traditionele woorden tot de jonge ridder: »Sois preux!" aan het adelike
krijgsmansideaal gewijd, dat zich langzamerhand gevormd had. En het is
deze élite-adel, zeer individueel en ideël die in de 12de en 13de eeuw
de drager wordt van de adelkultuur...
Op het baronnenleven en de baronnenpoëzie volgt een ridderlike
hofkultuur en een ridderlike, avontuurlike poëzie...
II.
KRISTELIKE GEVOELSKULTUUR.
»Zalig zijn de zachtmoedigen... zalig zijn de barmhartigen... zalig zijn
de vreedzamen... hebt uwe vijanden lief; zegent ze die u vervloeken."
Kan men zich een groter tegenstelling denken met de krijgsmoraal die
de baronnen in hun geweten gegrift vonden, dan zulke woorden die de
huiskapelaans en biechtvaders overal de baronnen en hunne volgelingen
lieten horen? »Zalig zijn die treuren... het is lichter dat een kamel
ga door het oog van een naald, dan dat een rijke inga in het koninkrijk
Gods... Gij lieden moet den boze niet wederstaan... zoo iemand achter
mij wil komen, die verloochene zich zelven en neme zijn kruis op en
volge mij!" Wat zal deze monnikenleer niet vreemd die Seigneurs met hun
heersersmoraal in de oren geklonken hebben! En toch was die kristelike
levensopvatting door vele eeuwen heen offisieel aangenomen en het in
alle lagen der maatschappij bekende geloof geweest, van kindsbeen af
was elke baronnenzoon in zijn kristendom opgevoed geworden; met de
stille stem van de biechtstoel had dat tot het geweten gesproken,
op de hoogtijden der kerk was het door de priesters verkondigd en nu,
in de 11de eeuw stond een machtige Europese kerk in de dienst van dat
geloof en een talrijk leger van geesteliken streden in scholen, bij de
kommuniegang en bij het ziekbed voor de zaak van Kristus.
Zekere kanten en vormen van het Kristendom waren altijd verenigbaar
geweest met de levensopvatting der baronnen. Reeds van de tijd der
Roomse keizers en de frankiese koningen af, had de kerk zich veelal aan
de zijde van de Groten en de Heersers geschaard en getracht ze er van
boven af voor te winnen de lagere volksklassen te kerstenen. »Geef
Caesar wat Caesar's is... zo onderwerpt u dan Gode", heet het in de
schrift en de kerk zalfde de koning, verklaarde zijn persoon heilig en
onschendbaar en steunde de vorsten tegen hun onderdanen. Evenals de kerk
zich zelf monarchisties organiseerde onder de paus, tracht die overal
een daarmee overeenkomende hierarchiese indeling van de maatschappij
in te voeren en te steunen. Gelijk de heerscharen der engelen in negen
rangklassen ingedeeld waren, van de seraphine tot de laagste gewone
»boodschappers", of gelijk de goddelike openbaring zich in de
geschiedenis trapsgewijze voltrok door zeven wereldtijdperken heen,--zo
was ook de sosiale standenindeling een goddelike instelling.
De natuurlike deugden van de adel kwamen bovendien dikwels vrijwel
overeen met die welke het Kristendom inprentte. Hoe dikwijls vond de
kerk niet bij de besten der edellieden een drang om de zwakken te
beschutten, een mildheid tegenover de armen en een trotse hoogmoedigheid
tegenover de overwonnenen die men zonder aarzeling tot kristelike
deugden zou kunnen stempelen? En het gevoel dat de baronnen als »mensen"
tegenover hun leenheer stonden--hoe gemakkelik liet zich dat niet
verklaren tot trouw jegens den Hemelheer? Reeds de oud Angelsaksiese
en Nedersaksiese dichters zongen van Kristus als de volksleider, de
zegevorst die met zijn twaalf getrouwe »mannen", of »Recken", om trok,
totdat een van hen tot verrader werd en zijn Meester in de handen van de
vijand overleverde. En nu in de 11de eeuw, houdt de stervende Roeland
zijn God de handschoen voor, gelijk een vazal zijn handschoen uit doet
wanneer hij in de tegenwoordigheid van zijn leenheer komt. Menig bejaard
ridder ging in zijn oude dagen in een klooster--gelijk van vele helden
uit de gedichten verteld wordt--en diende trouw zijn hemelse heer,
wanneer hij niet langer de macht had om zijn aardse heer te dienen.
»Toen ik de eer had", zeide zulk een oude edelman in 't klooster, die
ootmoedig 't werk van een kaarsdrager op zich genomen had, »ridder
te zijn in de wereld en graaf, droeg ik gewillig de fakkel van een
sterfelik koning; zou ik dan nu niet des te gewilliger een kaars dragen
voor de hemelse keizer die ik nu dien?"
Het Kristendom zelf werd gekleurd door de aristokratie, eerst van
het Romeinse keizerdom en daarna van de feodale maatschappij. Op de
kristelike ootmoed en de drang om te knielen en te aanbidden, was
het algemene servilisme niet zonder invloed. Wanneer men de brieven
der geesteliken aan hun superieuren leest, of aan vorsten, of de
grafschriften over hen, dan ziet men pas goed, hoe de kruipende
beleefdheidsvormen van het Roomse keizerdom in het ootmoedige
ceremonieel der monniken en de onderdanige politiek der kerk overgegaan
zijn; terwijl de briefschrijver de geadresseerde overstroomt met titels
als »Uwe Voortreffelikheid", »Uwe Grootmoedigheid" en »Uwe Genade":
kruipt hij zelf in elkaar als »mea parvitas" en »mea humilitas". En
wanneer men de geestelike kronieken leest, ziet men overal de gebogen
nek van de monnik, die 't liefst zijn eigen mening onder stoelen en
banken steekt, of in elk geval slechts vage en voorzichtige woorden over
de machtigen op aarde uiten durft en van de panegyriën der antieke
rhetoren over hun keizer en Maecenas, heeft hij een hoogdravende en
opgemaakte stijl van zijn lofzanger geërfd, die 't eerst in de officiële
»Vitae" der heiligen aangewend werden, maar langzamerhand op de
wereldlike grote Hansen en mondaine onderwerpen overgebracht werd. Met
plompe hovelingen-vleierij en in een opgeschroefde, bombastiese stijl
vertelt hij van »de god-gewijde en om zijn vroomheid zo prijzenswaardige
Jarl Adgar en zijn voortreffelike zonen" of »Philip, 's konings zoon,
dewelke een liefelike bloem der jeugd is, die door de edele eenvoud van
zijn aangezicht en de schoonheid van zijn lichaam waardig geschenen
zou zijn over de gehele wereld te gebieden", en in de gezwollen stijl
van de heiligenlevens, met voortdurende paralellen uit de bijbelse
geschiedenis, wordt de nietswaardige Lodewijk de Vrome verheerlijkt,
of de moord op de »goede" graaf Karel geschilderd en bij de dood van
een der meest wereldlike en intrigante koninginnen, getuigt de kerk
dat zij over de gehele wereld straalde door de glans van haar koninklike
geboorte, zij smukte de adel van haar geslacht door haar eervol leven,
verrijkte die door haar reine zeden, versierde die door de bloemen
harer deugden en overtrof bijna alle andere wereldse vorstinnen, door
de roem harer onvergelijkelike rechtvaardigheid. Door de idealiserende
verheerliking der voornámen en hun leven konden zulke kronieken heel
dikwels de onmiddellike voorgangers zijn van de heldendichten der
baronnen en van de Ridderromans; evenals de kerk in het wereldlike leven
medehielp om het gebouw der feodale hiërarchie te bevestigen, door er de
stopverf der kristelike onderdanigheid bij te doen.
De verhouding van de kerk tot het krijgswezen was niet onverzoenliker
dan tot de adel. Natuurlik moest het Kristendom in theorie zowel als in
praktijk met afgrijzen voor het bloedvergieten terugdeinzen. Maar een
zeker militair element drong toch reeds vroeg in het Kristendom door.
De Schrift zelf schildert reeds de Kristelike loopbaan als de _strijd_
voor het Geloof. In de 2de en 3de eeuwen spreekt men van de _strijdende_
Kerk, de _strijders_ van Kristus; de doop wordt vergeleken met de eed
die de soldaat op het vaandel aflegt en de martelaren die hun geloof met
hun bloed bezegeld hebben, heten: »militum Christi cohors candida".
Spoedig zag de kerk ook al in dat de gewapende macht een noodzaak was en
trachtte de machtigen voor zich te winnen door hun de zege te beloven;
Constantijn de Grote, zowel als de Frankenkoning Chlodewig, moeten
beloofd hebben het Kristelike geloof aan te nemen indien Kristus hun
wapenen de zege wilde verlenen. En van nu af was dat de gewone toestand:
de soldaten zochten de hulp van Kristus en de kerk in de slag en de
kerk trachtte de arm der soldaten voor haar bescherming te winnen.
Constantijn zette het monogram van Kristus in zijn banier en een der
kruisnagels in zijn helm, een ander in zijn leidsels. Karel de Grote
had een zwaard dat hem door een engel uit de hemel gebracht was en zijn
lans was dezelfde die eens in het lichaam van Kristus gestoken was. De
ridders lieten relikwieën in de handvatsels van hun zwaarden zetten en
deden hun wapens en de uitrusting met wijwater besprenkelen. Daar staat
tegenover dat de kerk onder haar heiligen de Cappadociese ridder Joris
had die de draak doodde en de prinses redde--de oude draken-doder der
heldensagen die tot ridder geslagen is--en dezelfde H. Joris werd nu de
heilige der soldaten.
Van betekenis werd het ook dat de kerk langzamerhand iets bij de
ceremonieën van de ridderslag te zeggen kreeg. Reeds van het begin der
11de eeuw vindt men een kerkelik ceremonieel voor de »zegening van de
Ridder", maar in elk geval werd het op het einde van de eeuw gewoonte
dat de geestelikheid de wapenen van de jonge Ridder zegende, zelfs
dienaren hem die aangordden en zo kwam natuurlik de ridderschap de
plichten mede te brengen, ook in de kristelike deugden vooraan te staan
en het zwaard te wijden »ter bescherming van de kerk, der weduwen en
wezen en alle dienaren Gods." De gehele drang van het ridderwezen
tot daden, om alle krachten boven het gewone en het gemiddelde in te
spannen, om door zijn verdiensten roem en eer te verwerven--was dat
niet hetzelfde streven dat alle kluizenaars en monnik-asceten der kerk
bezielde? Hoe gemakkelik zou dat niet door de kerk van de wereldlike in
de geestelike sfeer overgebracht kunnen worden? Niet weinig eergierige
ridders zetten, wanneer een priester hen tot 't hart gesproken had, er
al hunne zinnen op tot een soort adel van de Maatschappij van Kristus
te worden en onder hen uit te blinken die 't hoogst op de ladder der
volmaaktheid gestegen waren. Daar had men b.v. zulk een figuur als de
gravenzoon Etienne d'Auvergne (11de eeuw) die op een mooie dag van heel
zijn erfenis afstand deed, en alles opgaf, alleen zijn zegelring aan de
vinger behield--het teken van zijn adelike geboorte--en naar een woeste
bergkloof in de buurt van Limoges trok waar hij zich plechtig aan God en
een asceties kluizenaarsleven wijdde.
Al deze aanrakingspunten hadden de baronnen met de kerk. En de meesten
der bisschoppen en abten van de 11de en 12de eeuw die ook zelf door
de goederen der kerk tot de feodale wereld hoorden, zelf leenheren en
vazallen waren, leefden in vrede en vriendschap met de baronnen. Het was
een aristokraties en zeer wereldlik Kristendom dat zij representeerden.
Suger, de abt van St. Denis, de aanzienlikste der prelaten uit die
tijd, leefde geheel en al gelijk een feodaal Seigneur; in zijn klooster
weerklonken de gangen van de gespoorde ridderlaarzen, in de kapittelzaal
onderhandelden advokaten over de geldzaken van het rijke klooster,
Suger gaf schitterende feesten en jachtpartijen voor de vazallen van
't klooster en als de koning uittrok om zijn baronnen te tuchtigen,
volgde de abt hem in volle wapenrusting, onze eigen Absolon gelijk, de
stichter van Kopenhagen, die Aartsbisschop van Lund was, maar tegelijk
de ziel van de krijgstochten tegen de Wenden. Over het klooster van
Cluny schrijft de H. Bernardus dat »spaarzaamheid wordt daar als
gierigheid beschouwd", soberheid als boersheid, stilzwijgendheid als
zwaarmoedigheid; teugelloosheid werd daarentegen als liberaliteit
beschouwd, verkwisting als vrijgevigheid, de praatjes der leeglopers
heten goede manieren, gelach en grapjes zijn vrolikheid.
Maar toch,--nooit kon het geheel verborgen blijven, dat de
levensbeschouwing en de moraliteit van het Kristendom in de grond van
die van de baronnen verschilden. En van 't eigen ogenblik af dat de
Frankiese krijgers de doop ontvangen hadden, had het Kristendom in
steeds toenemende mate als een religie van liefde en zelfverlochening
getracht, de verstokte harten der baronnen te vermurwen en hun stijve
nekken te buigen.
Aan de ene kant dus als de verkondiging van de liefde. De kerk trachtte
tegenstanders tot elkaar te brengen en op de kerkelike feestdagen
gelijk op zekere weekdagen, een Godsvrede uit te schrijven en die deed
altijd alles wat in haar macht stond om krijgsgevangenen los te kopen.
Tegenover het woeste optreden van echtgenoten en broeders, trachtte die
voor de vrouw op te komen, zij beschermde kinderen tegen het egoïsme
der ouders--eeuw in, eeuw uit vocht zij tegen kindermoord, tegen
het uitbesteden en de verkoop van kinderen; zij trachtte slaven en
dienstbaren te beschutten tegen de hardheid en ruwheid hunner meesters;
voor misdadigers die vol berouw de bescherming der kerk zochten, poogde
zij genade te verkrijgen. Bij de hebzuchtige baronnen bedelde zij geld
voor »Gods armen" en voor de bouw van hospitalen. Reeds midden in het
donkere tijdperk der Merovingiërs vond men ze overal als de apostels
van vrede en milddadigheid--een bisschop als de H. Germanus: een oude
levensbeschrijving vertelde hoe hij aalmoezen bij de banketten der
groten verzamelde en wanneer hij dan genoeg bijeen had om een slaaf los
te kopen, dan verdwenen de rimpels van zijn voorhoofd, dan straalde
zijn gezicht, dan liep hij met lichter schreden,--zijn spreken werd
opgewekter, zodat men zou menen dat hij door een ander los te kopen,
zich zelf bevrijd had van het »juk der slavernij";--of een abt als de H.
Wandrégisilus: de oude »vita" vertelt hoe hij eens op een dag toen hij
naar 't slot van Koning Dagobert moest, vlak voor de poort een arme man
zag wiens wagen omgevallen was; de aanzienliken gingen de poort uit en
in, niemand dacht er aan om de arme kerel te helpen, velen gaven hem
zelfs een schop of vertrapten hem. Maar de abt stapte terstond van zijn
paard en leende zelf de helpende hand om de wagen weer op te krijgen.
Een anekdote als deze brengt ons in al haar eenvoud en geloofwaardigheid
duidelik voor 't oog, hoe de kristelike geest in zijn meest gewone,
meest humane vorm tegenover de gevoelloosheid der barbaren optrad.
En nu, in de 11de en 12de eeuw, is dit ontluikend gevoel van liefde van
het Kristendom aangegroeid tot een dwepende sentimentaliteit die als
een warme golf over de harde, woeste wereld der baronnen heenspoelt.
Literair werkt die richting door vertalingen in de volkstaal en door
veel van de meest gevoelvolle poëzie van 't Kristendom in de gedichten
te geven, episoden uit de bijbel, van de oude poëtiese verhalen uit het
evangelie en van de overal welig opschietende Grieks-Latijnse legenden.
Wat werden de hoorders niet geroerd in burcht zowel als hut bij de
voordracht door kristelike zangers van de geschiedenis van Josef--de
uitvoerige schildering van de boze broeders en de hevige smart van de
vader, 's jongelings moeilikheden in Egypte, zijn herstel, de ontmoeting
met zijn broeders en ten slotte de tedere hereniging van vader en zoon.
Wat een allerliefste, treffende kleine idyllen wisten de evangeliese
verhalen niet te ontvouwen van de jeugd van Kristus en Maria: het
verdriet van Joachim en Anna over hun kinderloos huwelik, hun vreugd
toen zij eindelik Maria kregen--het opgroeien van 't meisje in de
tempel en dan de keuze van de oude Josef tot haar echtgenoot,--alle
omstandigheden bij de ontvangenis en de geboorte van Kristus--zijn
spelen met de andere knapen: de zonnestralen waar hij op treedt, en de
vogels van klei die hij 't leven geeft door in zijn handen te klappen.
Vervolgens al die hartverscheurende schilderingen van Jezus' dood en
lijden, de moeder die met het dode lichaam in haar armen klagend
rondloopt, zij kust hem op zijn ogen, wangen en neus, omhelst hem met
»al het zoete harer liefde", baadt zijn lichaam in tranen en smeekt
haar »filium dulcissimum" om een levensteken te geven. En eindelik al
die schone, sentimentele legenden,--over kluizenaars uit wier hand de
leeuwen der wildernis vruchten eten of die zij te hulp komen,... over
de H. Martinus die de helft van zijn mantel aan de bedelaar geeft, of
over Christophorus, ongemeen groot van gestalte, die het kind Jezus op
zijn schouders draagt... over de H. Margarethe, wier reinheidsstralen
haar in de gevangenis tegen de draken van de Duivel beschermen en op
wier schouders de hemelse witte duif nederfladdert. In al dergelijke
kristelike poëzie hoort men tonen die in de muziek der ridderromantiek
terug te vinden zijn.
Dat zijn de vrouwelike zijden van de menschelike natuur, waarvan het
Kristendom zich midden in de ruwe mannen-wereld tot verdediger opwerpt.
Reeds van de oudste dagen van het Kristendom af waren het de vrouwen
geweest die het eerst het Evangelie hadden aangegrepen, zich de
kristelike deugden het gemakkelikst eigen hadden gemaakt en de zaak van
de Kerk bij hun echtgenoten en broeders hadden bepleit. Vele kerkvaders
beweerden ook dat de vrouw vromer is dan de man. Reeds Augustinus leerde
dat zij minder deel aan de zondeval heeft dan Adam. Zij is dan ook van
een zuiverder stof gemaakt; terwijl hij van de dode klei gemaakt werd,
is zij uit het levende vlees gesneden; en zij werd geschapen, op
een voornamer en schoner plaats dan de man, nl. in het Paradijs en
»misschien omdat God de vrouwen zulk een grote eer aandeed, vereren zij
tot dank God hoger dan de mannen het doen." De vrouw--wordt er verder
gezegd--is het zachte, gemoedelike, gevoelige van de twee geslachten.
Daarin ligt een gevaar,--hoeveel vrouwen hebben niet mannen verleid en
week gemaakt? Samson en Salomon zowel als Hercules en Jupiter! (en een
vrouwenhatend monnikendom ontwikkelt dit punt steeds weer); maar de
mildere opvatting legt er meer de nadruk op hoe gemakkelik de vrouw
zich tot het goede laat brengen. Van 't begin af werkt de kerk er ook
energies aan de maatschappelike positie van de vrouw te verbeteren. De
vrouw is uit het dijbeen van de man geschapen--diens »zij-been"--en
behoort ook aan zijn zijde te staan. In schone woorden wordt er
verklaard dat man en vrouw samen in innige gemeenschap leven moeten, zij
moet zijn kameraad zijn en alles met hem delen. En met strengheid wordt
er een reinere geslachtsmoraal geëist die de vrouw tegen de
ongebondenheid van de man beschermd.
Maar daarentegen wordt de vrouw door de kerk meer dan ooit te voren in
haar vrouwelijkheid terug gedwongen; zij moet vrouw zijn, maar dan ook
niets dan vrouw. De geslachtseigenschappen zijn het die alleen haar
waarde bepalen, al haar deugden bloeien in haar geslachtseer. Ambrosius
wil ingetogenheid bij de opvoeding van de vrouw; ook moet er ook voor
gezorgd worden b.v. door een diëet, haar zinnen zo weinig mogelijk
te prikkelen en moet men haar lichaam in een zekere staat van tedere
zwakheid houden, om het jonkvrouwelike, koele, teruggetrokkene bij haar
te bewaren. De missie van de vrouwelijkheid is de begeerten van de man
te bedwingen, zijn woestheid te dwingen om te knielen en om de gunst van
de vrouw te _bedelen_. Maagden--schreef Hieronymus--zijn gelijk engelen.
»Wat anderen later in de hemel zullen worden, dat beginnen de maagden
reeds hier op aarde te zijn." Alle martelaressen hebben geleden voor hun
geslachtseer: de H. Agatha als de H. Lucia of Ursula en de 11000 maagden
te Keulen.
Het grote voorbeeld van de kristelike vrouwelikheid werd de persoon van
Maria. Elke eeuw vinden wij haar weer dichter bij de hemel gestegen,
totdat zij nu in de 11de en 12de eeuw bijna de troon met de Driëenheid
deelt. Op afbeeldingen, in hymnen, in legenden wordt zij als de
Maagd verheerlikt, het ideaal van de reine, jonge Ongereptheid en
tegelijkertijd de Moeder Gods, zij die geleden heeft en liefgehad als
geen ander en die nu de barmhartige pleitster bij Kristus is voor de
zondige mensheid. In de hymnen wordt de schoonheid der gehele schepping
haar als een krans om het hoofd gebonden; zij is de Roos en de Lelie
en de Sterre der Zee en de reine Parel en die aanbidding krijgt een
kleurtje van de meest dwepende liefde-hulde. »Het is voor U gelijk een
kus, Maagd!--zegt Bernard van Clairvaux--telkens wanneer gij het Ave der
Engelen hoort! Telkens wanneer men U ootmoedig met dat Ave groet, wordt
Gij, o Zaligste, gekust!" En de legenden worden niet moe te vertellen
hoe de Madonna de grootste zondaars voor straf behoedt, zoowel op aarde
als hiernamaals, wanneer ze maar ijverig tot haar gebeden hebben en haar
altaar met bloemen versierd.
Terwijl deze schone veilige sentimentaliteitsgolf over de wereld der
baronnen begon te spoelen en op zijn manier de ridder-romantiek
voorbereidde, was er ondertussen nog een andere kristelike gevoelsgolf,
somber en bitter en gloeiend, die zich met de andere vermengde,
maar toch ook duidelik in de latere ridder-romantiek onderscheiden
kan worden. Dat was de religie van de levensverzaking en de
levensverlochening die van uit het Oosten, en door de onderdrukking van
het Jodenvolk in de leer van Jezus gekomen was, en van daar weer over
Europa stroomde.