en daar waren kleine, vierkante bijtjes gehakt. Een schots lag er
naast, om de schaatsenrijders te waarschuwen.
"Dat zijn bijtjes van de visschers," zei Jan. "Die brengen er hunne
netten door onder het ijs. Ik wed, dat ze heel wat vangen."
"Dat denk ik ook," zei Karel. "Als je nagaat, wat wij al hebben,
kun-je wel begrijpen, wat zij moeten vangen."
Jan had het druk om de palingen naar beneden te duwen, die telkens
opnieuw uit het emmertje wilden kruipen.
"Heidaar, blijven waar je bent!" zei hij tegen een dikkerd, die
nieuwsgierig over den rand keek. "Bij je kameraden blijven!"
Bij een van de visschersbijtjes deden de jongens eene gelukkige
vondst. In het riet namelijk zagen zij een groot stuk net liggen,
dat zeker door de visschers weggeworpen was. Karel zag het het eerst.
"Kijk eens, Jan,--dáár," zei hij. "Daar ligt een groot stuk net. Laten
wij daar de palingen in doen, dan kunnen zij niet ontsnappen en hebben
wij er geen last meer van."
"Daar zeg je zoo wat," zei Jan.
De jongens haalden het net uit het riet. Zij zagen, dat het een
palingfuik wast geweest. Op verschillende plaatsen was het stuk.
"De visschers hebben het zeker weggegooid," zei Jan. "En ons komt
het mooi te pas."
Zij deden de palingen in het net en bonden het dicht met een touwtje,
dat Jan in den zak had.
"Zie zoo, nu zitten ze goed bewaard," zei Jan.
"Ja,--lekker warm. Ze zullen nu geen last meer van de kou hebben.--Zeg,
wat hebben we er al veel, hè?"
"Ja, heel wat. Mij dunkt, dat we er al meer hebben, dan we
oplusten. Willen we nu weer naar huis gaan?"
"Goed," zei Karel. "Het begint mij zoetjes-aan te vervelen ook. Zullen
we vanmiddag gaan schaatsenrijden?"
"Ja,--dat is afgesproken."
Karel had de sikkels en de bijlen op den schouder, en Jan droeg het
net met de paling. Zoo kuierden zij samen naar het dorp terug.
Toen zij dicht bij het fort gekomen waren, en dus het dorp bijna
hadden bereikt, hoorden zij achter zich het krassen van schaatsen
op het ijs, en het schuifelen van een slede. Omziende zagen zij,
dat het twee visschers waren, die eene slede voortduwden. Zij kenden
de mannen niet. 't Waren zeker lieden van een ander dorp. Zoodra die
menschen hen bereikt hadden, hielden zij stil.
"Hola, jongens, wacht eens even," riep een van hen hun toe.
Zij bleven staan, en de twee mannen kwamen met groote schreden op
hen af.
"Zie je wel?" zei de een tegen den ander. "Daar heb je de dieven al."
"Ja," was het antwoord van den tweede.
Deze greep het net en rukte het Jan driftig uit de hand.
"Hoe kom jij aan dat net?" vroeg hij op barschen toon.
"Ja, hoe kom jij aan dat net, kleine dief!" zei de andere visscherman.
"Dat hebben wij gevonden, ginds in het riet," zei Jan. "Hoe zouden
wij er anders aankomen?"
"En die paling dan?" vroeg een der visschers smalend. "Die heb je
zeker ook gevonden, hè kereltje?"
"Neen," zei Jan, "die hebben we gevangen."
"Juist, die hebben we gevangen," zei ook Karel.
"In dit net zeker, hè, en dit net heb je onder het ijs gevonden,
hè? Ja, ja, eerlijk gevonden, hè?"
"Eerlijk gestolen," zei de andere visscher. "Houdt je maar niet van den
domme, want dat baat je niemendal. Dit net is van òns, en jullie hebt
onze fuiken gelicht. Maar dat zal je berouwen, wat ik je zeg. Vooruit,
kereltjes, gaat maar eens mee naar den burgemeester."
"Ik zeg, dat het niet waar is!" riep Jan de visschers driftig toe,
en hij werd rood van kwaadheid. "Wij zijn geen dieven, en dat net
hebben we eerlijk gevonden. 't Is op verschillende plaatsen stuk,
en 't lag in 't riet. Daarom meenden we, dat het door de visschers
weggegooid was, daar het toch niet meer gebruikt kon worden. Wij
hebben het niet gestolen."
"Jongen, jij kunt liegen, of het gedrukt is," zei een der
visschers. "Maar ons zul-je er niet meê bedriegen. Jelui hebt onze
fuiken gelicht, en dat is strafbaar..."
"Niet zoo'n beetje ook!" viel de andere visscher zijn kameraad
in de rede. "En dat is maar goed ook. Is 't geen schande, onze
netten te verscheuren, en onze visch te stelen? Maar het zal je
berouwen. Vooruit, zeg ik je, naar den burgemeester!"
"Dat doe ik niet!" zei Jan driftig. "Wij zijn geen dieven."
"Je praat dom, jongen, want de bewijzen droeg je in de handen."
"Ja," zei de ander, "je bent er gloeiend bij!"
"Vooruit, jongens, en als je niet goedschiks gaat, dan moet het
maar kwaadschiks gebeuren. Vooruit, zeg ik je, en een beetje vlug,
asjeblieft!"
De jongens begrepen, dat er niet veel anders opzat dan te
gehoorzamen. Met hun vieren vervolgden zij hun tocht naar het dorp.
Eerst was Jan meer dan kwaad, maar dat bedaarde langzamerhand,
en eindelijk vond hij het wel goed, dat zij naar den burgemeester
gingen. Deze zou wel dadelijk begrijpen, dat zij onschuldig waren.
Maar dat was niet zoo. De burgemeester was bijzonder slecht gehumeurd,
omdat het Flipsen nog niet gelukt was, de dieven te ontdekken. Zoodra
nu de visschers, die hem tot hun genoegen thuis getroffen hadden, hem
vertelden, wat er aan de hand was, geloofde de burgemeester stellig,
dat hij de dieven thans op het spoor was, en hij besloot de jongens
scherp te ondervragen.
Jan en Karel betuigden echter hunne onschuld. Zij vertelden dat zij
de palingen gevangen en het net gevonden hadden. Maar de visschers
lachten om die verklaring.
"Dat zou al heel toevallig zijn, burgemeester," zei een van hen. "De
jongens kwamen uit de richting van onze vischbijtjes, en zij hadden
het net in de hand, met een flink zoodje paling daarbij. 't Lijdt geen
twijfel, of zij hebben onze netten gelicht en de brutaliteit gehad,
een van de netten zelfs stuk te maken en meê te nemen."
"'t Is niet waar!" riep Jan den spreker toe.
"Houd je mond verder maar, jongen," gebood de burgemeester kortaf. "De
bewijzen zijn tegen jullie, en 't staat bij mij vast, dat jullie en
niemand anders de daders zijt. En wie weet, aan welke diefstallen je
meer schuldig bent. Ik zou dat nooit, nooit, zeg ik, van je gedacht
hebben. Twee jongens van zulke brave ouders. 't Is een schande!
Vertel me nu meteen maar, waar de potten en ketels uit de ijstenten
gebleven zijn, want daar zul-je ook wel meer van weten."
"Wij weten nergens van, burgemeester," zei Jan,
"Neen, nergens van," zei Karel. "Wij hebben ze niet weggenomen."
"Dat zeg je van dit net en deze visch ook, en toch liep je er mede
in je handen," sprak de burgemeester streng, en hij keek de jongens
beurtelings doordringend aan. "Komaan, spreek de waarheid maar,
dat is in allen gevalle het beste voor je. Beken het maar..."
"Ik heb niets te bekennen," zei Jan.
"Ik ook niet," zei Karel.
"Zoo, zoo," hernam de burgemeester. "Dan zal ik je tijd geven, om er
eens ernstig over na te denken."
Hij vroeg de namen der visschers en schreef die op. Daarna sprak hij
tot de beide mannen:
"U kunt nu wel gaan. Neemt mede, wat je eigendom is. Met deze jongens
zal ik wel afrekenen."
De visschers namen het net en de palingen, groetten den burgemeester
en verlieten het vertrek. Jan en Karel moesten blijven. Met leede
oogen zagen zij de visschers met hunne palingen heengaan, en Jan
sprongen van spijt de tranen in de oogen.
De burgemeester liet zijn blik nog een poosje op de jongens rusten,
en zei toen ernstig:
"Ontkennen baat niet langer, jongens. Je hebt je aan een ernstig
vergrijp schuldig gemaakt en..."
"Maar we hebben het niet gedaan," riep Jan uit.
"Zwijg jongen, en lieg niet langer. Je hebt het wèl gedaan, en dat
spijt me heel erg. Zeg me nu ook maar, waar je die andere voorwerpen
gelaten hebt, die den laatsten tijd verdwenen zijn. Als je me eerlijk
de waarheid zegt, zal ik zien, wat ik in de gegeven omstandigheden
nog voor je doen kan."
"'t Baat niet, of wij al zeggen, dat wij onschuldig zijn," sprak
Jan. "U gelooft ons toch niet."
"Neen, dat doe ik ook niet. Enfin, als je dan niet hooren wilt,
moet je maar voelen. Ik zal je tijd geven om je te bedenken."
Hij ging aan zijne schrijftafel zitten en schreef het volgende briefje:
_Flipsen_!
Ik geloof, dat ik de daders van de gepleegde diefstallen op het
spoor ben. Sluit deze twee jongens elk in eene afzonderlijke
cel, dan hebben zij gelegenheid om eens goed na te denken
en kunnen geen afspraakjes maken. Tegen den avond zal ik hen
opnieuw verhooren.
De Burgemeester.
Hij vouwde den brief dicht en deed hem in eene enveloppe, die hij
zorgvuldig toelakte.
"Ziedaar," sprak hij. "Breng dezen brief voor mij aan Flipsen. Hij
is in het raadhuis. Je kunt gaan."
De jongens gingen heen. Wat er in den brief stond, wisten zij
natuurlijk niet. Zij keken tamelijk bedrukt, toen zij de deur
uitstapten, maar toen zij op den weg gekomen waren, ontsnapte een
zucht van verlichting aan de borst van Karel.
"Hè, hè, dat was een benauwd half-elfje," zei hij. "Daar zaten wij
er geducht tusschen, maar 't is bij slot van rekening toch nog al
goed afgeloopen. We zijn alleen onze palingen kwijt."
"En dit briefje dan?" vroeg Jan. "Ik vertrouw dit papiertje geen
zier. Waarom zei de burgemeester dan telkens, dat hij ons gelegenheid
zou geven, om eens goed na te denken?"
Langzaam liepen zij verder, met de bijlen en de sikkels over den
schouder. Karel hernam na een poosje:
"Dat briefje heeft niets met ons te maken, en wij niets met dat
briefje. We moeten het alleen even bij Flipsen brengen, anders
niet. Neen, ik zeg, dat wij er goed afgekomen zijn. 't Had veel
leelijker kunnen uitpakken.--Kijk, daar komen Frans en Klaas ook
van de vischvangst terug."
Dat was zoo. Die twee jongens hadden hen spoedig ingehaald. Samen
droegen zij een emmertje, dat blijkbaar nog al zwaar was.
"Zeg," riep Frans hun toe, "komen jullie platzak thuis?'
"Ja!" zei Jan kortaf. Hij had niet veel lust tot spreken.
"Wij niet!" zei Frans. "Kijk maar eens hier, wat een paling we
hebben. De emmer is bijna vol."
De jongens stonden stil en keken in den emmer, 't Was inderdaad een
kolossale voorraad, dien zij gevangen hadden.
Frans en Klaas hadden er pret in. Zij deden niet anders dan elkaar
aanstooten en lachen.
"Zoo knap zijn jullie niet, hè? Maar zeg, weet je, wat we gedaan
hebben? Een kwartiertje voorbij het fort hebben we stilletjes een net
van de visschers opgehaald. Jongens, wat zat daar een paling in. Niet
oververtellen, hoor! Slim hè?"
Jan en Karel keken Frans met open mond aan.
"Hebben jullie dat net gelicht en stuk gemaakt?" vroeg Jan. "Wij
hebben het ... tusschen het riet zien liggen."
"Ja," lachte Frans. "Wij konden het niet goed meer onder het ijs
krijgen, en hebben het toen maar in het riet gegooid. Wat zullen die
visschers leelijk op hun neus gekeken hebben, toen zij bij hun bijt
kwamen. Ha-ha-ha, wat eene leuke grap, hè?"
Dat vond Jan ook, en hij knipoogde Karel toe, dat hij niets moest
zeggen. Hij had een mooi plannetje.
"En voor die leuke grap hebben wij voor den burgemeester moeten
verschijnen," zei Jan tot de twee jongens. "Wij hadden het net
opgeraapt en er onze paling ingedaan. Maar even later kwamen de
visschers, en die hebben ons om zoo te zeggen opgebracht. Noem jij
het maar een leuke grap!"
"Ja," zei Karel. "Ik zie er het leuke niet van in."
Frans en Klaas moesten er smakelijk om lachen.
"Nu wordt de grap nog leuker!" zei Frans.
"Ja, maar ik laat het er niet bij zitten," zei Jan. "Ik ga dadelijk
naar den burgemeester terug, om hem te zeggen, dat julie het gedaan
hebt..."
"Je zult wel wijzer wezen!" zei Frans, die nu in 't geheel niet meer
lachen moest. "Als je nog voor den burgemeester verschijnen moest,
o ja, dan was het een ander geval. Dan zou ik het in jouw plaats ook
zeggen. Maar nu je het standje van den burgemeester al achter den
rug hebt, zou het een leelijke streek wezen. Dan speelde je gewoonweg
voor verklikker!"
"Ja, voor verklikker!" beaamde Klaas Zwart.
"Dat kan me niet schelen," zei Jan, "ik zeg het tòch. 't Is me ook wat
moois, om voor jullie pleizier een uitbrander van den burgemeester
op te loopen, en een ander met je paling weg te zien gaan. Ik laat
me dat maar niet welgevallen."
Hij keerde zich om en deed net, of hij naar den burgemeester wilde
gaan. Maar Frans en Klaas hielden hem tegen.
"Je kunt wel de helft van onze paling krijgen," zei Frans. "Toe Jan,
vertel het nu niet aan den burgemeester. Daar worden jullie toch
niets beter van. En je krijgt de helft van..."
"Je gestolen paling wil ik niet eens hebben," zei Jan. "Maar 't is
goed. Ik zal niet naar den burgemeester gaan, onder één voorwaarde..."
"Welke?" vroegen de twee jongens tegelijk.
"Een, die gemakkelijk te vervullen is," zei Jan. "Zie je dezen
brief? Dien moesten wij naar Flipsen brengen, in het raadhuis. Jullie
moet er toch voorbij. Als jij nu die boodschap voor mij doet, zal ik
er verder geen werk van maken."
"Och, is 't anders niet?" vroeg Frans. "Geef hem maar hier, dan zullen
wij hem wel even aanreiken."
"Wel zeker, met alle pleizier," zei Klaas.
Jan gaf den brief over, en Klaas en Frans begaven zich regelrecht naar
het raadhuis. Zij stapten het gebouw binnen en gaven den brief aan
Flipsen, die in de vestibule stond te praten met een rijksveldwachter.
"Zoo jongens, dank-je!" zei Flipsen. "Wacht maar even."
"Wij behoeven niet te wachten," zei Frans.
"Als ik zeg, dat je wachten moet, dan doe je dat!" zei Flipsen.
Hij brak den brief open en las hem vlug door.
"Ha zoo," zei hij, "zoo! Dat is goed. Gaat maar even meê, jongens,
hier, de gang door."
Frans en Klaas keken elkander vragend aan, maar durfden niet
weigeren. Zwijgend volgden zij Flipsen, die een sleutelring uit zijn
zak haalde en een sleutel uitzocht.
"Mooi zoo. Nu dit trapje af.--Goed zoo."
Hij stak den sleutel in het slot en draaide hem om. De deur ging open.
"Maar Flipsen," zei Frans met schrik. "Wat gaat u doen? Dat is
een cel!"
"Ha ha!" lachte Flipsen, terwijl hij Frans bij den schouder pakte en
hem naar binnen duwde. "Dàt ga ik doen."
Flap! De deur ging dicht en op slot.
Klaas werd bleek van den schrik. Hij begon te beven over al zijne
leden, en het angstzweet brak hem uit.
Hij hoorde Frans schreeuwen.
"Flipsen! Maar Flipsen!" jammerde Klaas. "Dat is eene vergissing,
geloof me. U moet ons niet opsluiten, want..."
Klaas bleef midden in zijne redevoering steken, want Flipsen had
de tweede deur geopend en duwde Klaas naar binnen. Op 't volgende
oogenblik was ook deze deur gesloten.
"Ja, ja, net zooals ik dacht," mompelde Flipsen. "Die twee jongens
zijn de dieven, en wij zullen ze wel aan het praten krijgen. Als ze
hier eerst maar een paar uurtjes opgesloten gezeten hebben, zullen
ze wel makker geworden zijn."
Hij ging naar zijn confrater terug en vertelde hem het geval. "Grappig,
dat die twee jongens zelf niet wisten, wat zij hier zouden
ondervinden," zei hij. "Zij liepen dood-gemoedereerd met mij mee,
en kregen er pas erg in, toen de deur open stond. Je hadt ze moeten
zien kijken!"
Intusschen waren Jan en Karel de richting ingeslagen van hun huis. Zij
staken schuin het ijs over. 't Was nog vroeg, nog geen elf uur. En
voor twaalven aten zij niet.
"Hè," zei Jan, "wat heb ik een spijt, als ik aan onze paling denk,
die de visschers hebben meegenomen. Zoo'n prachtigen voorraad te
hebben en dan toch nog platzak thuis te komen. 't Is onuitstaanbaar!"
"Ja," zei Karel, "dat zeg ik ook. Kijk de pottenschipper eens aan
't hakken geweest zijn. Zijn schuit ligt rondom in 't open water."
"Ja, anders vriest ze stuk," zei Jan. "Willen wij daar nog even kijken,
of we wat vangen kunnen?"
"Goed," zei Karel.
Zij legden hunne bijlen op het ijs, en gingen met den sikkel in de
hand naar de schuit. Opmerkzaam tuurden zij in de diepte.
"Daar zie ik er een," zei Karel
"Wip hem er dan uit!" riep Jan. "Zeg, misschien komen we toch niet
platzak thuis."
"Daar is hij!" riep Karel. En Jan schoot hem te hulp want de paling
lag dicht bij het open water.
Spoedig was hij in het emmertje overgebracht, en de jongens liepen
voorzichtig langs de schuit verder. Opeens hoorden zij zich toeroepen:
"Wat moeten jullie daar? Wil je wel eens maken, dat je wegkomt!"
't Was de pottenschipper, die zijne kajuit verlaten had en hun dit
toeriep.
"We kijken maar even, of er paling zit!" riep Jan terug.
"Dat wil ik niet hebben!" hernam de pottenschipper. Hij klom op de
schuit en stak dreigend de vuist op.
Maar Jan zei tegen Karel:
"Wij doen hier volstrekt geen kwaad. Laat hem maar praten."
Zij stoorden zich verder aan den schipper niet en keken in de
diepte. Zij waren nu dicht bij het roer gekomen.
"Kijk, daar zit er weer een!" zei Jan.
Hij stak zijn sikkel onder water, en wilde hem met een ruk bovenhalen,
doch dat gelukte hem niet. De sikkel bleef ergens aan vastzitten.
De pottenschipper nam een langen stok, en schreeuwde den jongens toe:
"Als je niet weggaat, sla ik er op! Vooruit, kwâjongens, je hebt hier
geen boodschap."
Jan trok zoo hard hij kon aan den sikkel, om hem los te krijgen,
maar dat ging niet. Er zat iets zwaars aan.
"Help me even!" riep hij Karel toe. En tot den boozen schipper
zeide hij:
"Wij gaan dadelijk heen. Maar eerst moet ik mijn sikkel losmaken."
"Vooruit, zeg ik je!"--schreeuwde de schipper. "Allo, marsch!"
De twee jongens trokken, wat zij konden.
Zij voelden, dat er iets zwaars naar boven kwam. De pottenschipper werd
hoe langer hoe boozer. Hij schreeuwde zóó hard, dat de voorbijgangers
op den weg bleven staan.
Maar Jan en Karel waren niet van plan hun sikkel in den steek te
laten. Zij spanden al hunne krachten in.
Ha, daar stak iets boven water uit. Jan bukte zich, en pakte het beet.
"Een ketel!" riep hij uit. "En daar zit er nog een aan vast. Een
pot! Help Karel,--hier zijn, geloof ik, de gestolen voorwerpen uit
de tenten..."
't Was werkelijk zoo. De jongens haalden verscheidene dingen op
het ijs, en zij herkenden ook den koperen ketel van Mietje. Tot
hun groote verbazing bemerkten zij, dat al die voorwerpen met een
koperdraad aan elkander verbonden waren, en dat het einde van dat
draad een paar centimeter onder water aan het roer bevestigd was.
De jongens werden verbazend opgewonden, en zij riepen den menschen
op den weg luidkeels toe, dat zij de gestolen voorwerpen gevonden
hadden. In minder dan geen tijd waren zij door een groot aantal
menschen omringd, die luide hunne verbazing te kennen gaven.
"Dat moet de burgemeester weten!" riep er een uit, en hij ijlde naar
de woning, die Jan en Karel nog maar kort geleden verlaten hadden.
't Leek wel, of de menschen konden ruiken, dat er iets bizonders aan
de hand was. Van alle kanten kwamen zij toeloopen, en de kring om de
schuit van den pottenschipper werd bij de minuut grooter. Het ijs,
al was het nog zoo sterk, kon de samengepakte menschenmassa bijna
niet dragen. De ijsvloer boog sterk door, en er kwam veel water op.
De pottenschipper zei niets meer. Hij stond op zijne schuit, en hield
de oogen op de gevonden voorwerpen gericht, maar af en toe keek hij
de twee jongens aan, en dan zag hij er alles behalve vriendelijk uit.
"Wat is daar te doen?" riep eene stem.
Opziende zag Jan zijn vader, die met den hit en den wagen van 't
venten terugkeerde. Jan zwaaide met beide armen, en riep:
"O Vader, we hebben de gestolen potten en ketels gevonden. Kom maar
gauw kijken. Hier liggen ze!"
In een oogenblik was Dik van den wagen gesprongen. Hij wierp de
leidsels op den rug van den hit en snelde het ijs op.
Och, och, wat een drukte hadden de menschen.
"Of de pottenschipper er dan toch van wist!" riep de een.
"Zoo komen zijne schelmerijen aan het licht," zei een tweede.
"Hij zal nu zijn gerechte straf niet ontloopen," profeteerde een derde.
Iedereen had wat te zeggen, en velen beweerden, dat zij het altijd
wel van den pottenschipper gedacht hadden.
Opeens kwam er stilte onder den drom en eerbiedig week men op zijde,
om den burgemeester door te laten. Weldra had hij de schuit bereikt
en zag hij de gevonden voorwerpen op het ijs liggen.
"Wie heeft die dingen opgehaald?" vroeg hij. Jan en Karel namen hunne
petten af, en zeiden:
"Wij waren hier aan het paling vangen, burgemeester, en toen bleef een
van de sikkels er aan vastzitten. Kijk, ze zijn met een koperdraad aan
elkander verbonden, en het einde daarvan is aan het roer bevestigd."
"Ja, ja," zei de burgemeester, die de jongens met de grootste verbazing
aanstaarde. "Maar hoe heb ik het nu? Heb ik jullie dan niet opgedragen,
een briefje voor mij aan Flipsen te brengen in het raadhuis? En hoe
kom je dan hier? Daar begrijp ik niets van!"
Jan nam zijn pet nu geheel af, en zeide:
"Dat is waar, burgemeester, maar ik vertrouwde dat briefje niet. Ik
geloofde stellig, dat Flipsen ons moest opsluiten..."
"Dat was ook zoo," viel de burgemeester driftig in. "En waarom heeft
hij dat niet gedaan?"
"Wij waren onschuldig, burgemeester," zei Jan.
"Die praatjes kennen wij, en zij doen ook niets ter zake. In dien
brief gaf ik Flipsen last, jullie op te sluiten,--en nu sta je alle
twee hier? Hoe komt dat?"
"Burgemeester," zei Jan, "wij hadden het niet gedaan, maar twee andere
jongens waren de schuldigen. Toen wij op weg waren naar het raadhuis,
hebben die twee ons zelf verteld dat zij het uit de grap gedaan hadden,
en ziet u..."
"Wat ... ziet u?" viel de burgemeester in, toen Jan een oogenblik
met zijn verhaal haperde.
"Toen dacht ik," vervolgde Jan, "dat het voor ons beter was, als _zij_
dat briefje maar aan Flipsen brachten, en vroeg ik hun, of zij het
even wilden aanreiken..."
"En toen?" vervolgde de burgemeester.
"Dat hebben zij gedaan," zei Jan.
"Maar dan zitten op 't oogenblik _die_ twee jongens onder het raadhuis
opgesloten, in plaats van jelui!" riep de burgemeester uit.
"Dat zal dan zoo wel wezen, burgemeester," zei Jan.
De menschen schoten in een onbedaarlijk gelach, want zij vonden de
geheele zaak verbazend grappig. Ook de burgemeester kon haast zijn
lachen niet bedwingen. En eindelijk gelukte hem dat in het geheel
niet meer. Hij proestte het opeens uit.
"Ha-ha-ha!" riep hij lachend uit, "wat is dat een grappige historie. En
hadden jullie dan echt die fuiken niet gelicht?"
"Neen burgemeester, dat hebben die twee jongens gedaan."
"Ha-ha-ha,--en wie zijn dat dan?"
"Frans Thor en Klaas Zwart, burgemeester," zei Jan.
Op dit oogenblik drong Flipsen tusschen het volk door. Hij kwam uit
het raadhuis en wilde zien, wat er aan de hand was. Nauwelijks zag
hij den burgemeester, of hij sloeg aan en zei:
"Uw bevel is uitgevoerd, burgemeester, de jongens zitten elk in
een cel. Ik geloof ook wel, dat wij de rechte personen op den kop
hebben getikt."
"Maar het zijn de verkeerde!" riep de burgemeester hem lachend
toe. "Deze twee had-je moeten hebben!"
Wat keek Flipsen verwonderd, en zijne verbazing nam nog toe, toen
hij de gevonden voorwerpen op het ijs zag liggen. De burgemeester
vertelde hem in korte woorden, wat er gebeurd was.
Flipsen lachte slim. Hij bekeek de potten en ketels met aandacht
en liet ook het koperdraad door zijne vingers glijden. Toen zag hij
meteen, dat dit aan het roer bevestigd was.
"Burgemeester," zei hij, "U zegt, dat wij de verkeerde jongens
opgesloten hebben, maar ik beweer, dat het, al is het dan ook bij
toeval, de goede zijn. Frans Thor en Klaas Zwart hebben deze dingen
gestolen, en ze hebben ze verkocht aan den pottenschipper, die ze
in het water heeft laten zinken om ze te verbergen. Hij is wèl slim
geweest maar toch niet slim genoeg."
"'t Is een grove leugen!" zei de pottenschipper. "Die jongens zullen
ze vermoedelijk zelf hier in het water hebben laten zakken, om de
verdenking op mij te schuiven."
"Zoo," zei Flipsen, "dan hebben ze zeker aan jou een stukje koperdraad
te leen gevraagd, niet waar? Want in je schuit heb ik precies zulk
koperdraad zien liggen."
De pottenschipper werd doodsbleek.
"Ga het halen, Flipsen," gebood de burgemeester.
Flipsen verdween in de schuit, en kwam weldra met een rol koperdraad
terug. Het bleek, dat het draad aan de ketels en potten daarmede
precies overeenstemde.
"Burgemeester," zei Flipsen, "de jongens, die op 't oogenblik onder
't raadhuis opgesloten zitten, zijn de stelers, en de pottenschipper
is de heler. Ondervraagt u de jongens maar één voor één, dan zal u
zien, hoe gauw zij door de mand vallen. Vooral Klaas Zwart."
"Zoo zal het gebeuren," zei de burgemeester. "Schipper, je gaat mede
naar het raadhuis, en Flipsen, neem jij die voorwerpen in beslag. Ik
houd mij overtuigd, dat wij de bende thans op het spoor zijn. En jelui,
jongens," vervolgde hij vriendelijk tot Jan en Karel, "zal ik het voor
dezen keer vergeven, dat je mijn bevel, om den brief bij Flipsen te
bezorgen, niet hebt uitgevoerd. Je bent een paar slimme rotten!"