Hij kon mooi schaatsenrijden, veel mooier, dan men van zoo'n

dikken man verwacht zou hebben. Als hij goed aan het zwieren was,

had hij aan de breede baan niet genoeg, neen, dan gebruikte hij

wel de halve breedte van het kanaal. En 't was grappig om te zien,

als Jan achter hem aanzwierde. Dik had altoos een ijsstok bij zich,

met aan elk einde een knop. Soms hield Dik het eene einde onder den

arm, en Jan het andere, en dan zwierden zij samen zoo kolossaal,

dat de menschen bleven staan om er naar te kijken. En 't was een

grappig gezicht, dien dikken Dik en dien mageren Jan samen aan den

stok te zien zwieren. Iedereen lachte er om, en Dik zelf ook.... Ha,

wat was Jantje dan grootsch. Dan reed hij zoo prachtig beentje-over,

dat Karel van Dril er jaloersch op was.

Het drukste punt van de geheele ijsbaan was, waar de tent van Mietje

stond. Karel en Jan zagen met onbeschrijflijk veel genoegen, dat hare

tent nooit leeg was. Altijd zaten er menschen op de stoelen of banken,

om uit te rusten, en iedereen gebruikte wat bij haar. De koek was om

drie uur al uitverkocht, maar melk had zij in overvloed. Haar zak

was zwaar van de centen, die zij ontvangen had, en steeds kwam er

meer bij. Iedereen wilde haar helpen in den nood. Alleen de andere

tenters waren er een beetje boos om, maar toch niet heel erg, want

het was zóó druk op de baan, dat ook zij een heel goeden dag maakten.

Frans Thor en Klaas Zwart waren ook aan het schaatsenrijden, maar de

andere jongens ontweken hen zooveel mogelijk. Zij wilden 't liefst

niet met hen te maken hebben.

Eindelijk begon de schemering te vallen, en de drukte op het ijs

verminderde gaandeweg. Vele boerenjongens en -meisjes moesten naar

huis, om de koeien te melken en het vee te voederen, en langzamerhand

zakten ook de anderen op huis af. Jan en Karel waren onder de laatsten,

die vertrokken.

"Kunnen we je helpen, om een en ander naar huis te brengen,

Mietje?" vroegen zij. Want zij hadden zich nu eenmaal voorgenomen,

Mietje zooveel zij konden terzijde te staan.

"Neen, jongens, dank je vriendelijk," was het antwoord. "De kopjes

en schoteltjes doe ik in een sleetje en neem ik meê naar huis. Maar

den vuurpot en den ketel laat ik van nacht hier maar staan. Dat wordt

anders maar heen- en weer sjouwen voor niemendal."

"En heb-je goede zaken gemaakt?" vroegen de jongens blij, want zij

wisten wel, hoe het antwoord zou zijn.

"Goede zaken?"--Of ik!" zei Mietje, en zij klopte met hare hand

op den zak, die onder haar boezelaar hing. De jongens hoorden een

rinkelend geluid.

"Allemaal centen, Mietje!" plaagde Jan. "Dat beschiet niet veel."

"Allemaal centen?" herhaalde Mietje, terwijl zij een flinken

greep in den zak deed, en den inhoud van hare hand op de tafel

uitstortte. "Allemaal centen? Kijk eens, een dubbeltje, weer een, hier

nog een, een kwartje, nog een kwartje, daar nog een dubbeltje,--neen,

neen, als het nog een paar dagen mag blijven vriezen, ga ik den winter

zonder zorg tegemoet.--En dat heb ik alles aan jelui te danken,--en

aan je vader, Jan."

Zij deed het geld weer in den zak, pakte alles wat meegenomen moest

worden, in de slede, schoof de tafels en stoelen zooveel mogelijk in

elkaar en ging naar huis.

"Zeg aan je vader, dat ik vanavond met hem kom afrekenen," zei ze

nog tegen Jan. "Ik heb vandaag wel zooveel verdiend, dat ik mezelf

verder redden kan. 't Is een pak van m'n hart, jongens."

Jan en Karel gingen recht vergenoegd naar huis. De lucht zag er wel

naar uit, dat het weer geducht vriezen zou.

's Avonds kwam Mietje inderdaad met Dik afrekenen en zij deelde hem

mede, dat zij wel meer dan twintig gulden had verdiend. Dik was er

recht blijde om, en hij gaf Jan een knipoogje, of hij zeggen wilde:

"Zie je, Jan, dat is het werk van jou en je vriend. Je hebt eene

goede daad gedaan."

Vol vreugde keerde Mietje naar haar hutje terug. Klaas en zijne vrouw

hadden zich in langen tijd niet zoo gelukkig gevoeld.

Helaas, de blijdschap van Mietje zou al spoedig in verdriet

veranderen. Toen zij den volgenden morgen in de tent kwam, om alles

voor den middag in orde te brengen, want het had weer sterk gevroren,

bemerkte zij tot haar grooten schrik, dat de ijzeren pot, dien zij

van Van Dril te leen had gekregen, en de mooie koperen ketel, dien

De Vries, de kastelein, haar ten gebruike had afgestaan, verdwenen

waren. Eerst meende zij nog, dat de andere tenters een grapje hadden

willen hebben en een en ander hadden weggehaald, maar dat bleek niet

zoo te zijn. Die menschen vermisten ook voorwerpen, die zij in de

tenten hadden achtergelaten, en zij waren erg boos en terneergeslagen.

"'t Is eene schande," zei er een. "Ik dacht zóó, dat de diefstallen

ten einde waren, en nu komen zij ons armoedje nog wegstelen."

"Ja, 't is eene schande," zei een ander. "De politie doet hier ook

niets. Maar ik ga naar den burgemeester om mij te beklagen. 't Is

verregaand, dat er niets meer veilig is op 't dorp."

"Ik ga meê," riep een derde.

"En ik! En ik," zeiden de anderen.

En te zamen verlieten zij het ijs, om naar den burgemeester te gaan

en hem te zeggen, dat er verschillende voorwerpen uit de tenten

ontvreemd waren.

Mietje kreeg de tranen in de oogen. Al hare verdiensten waren weer

weg, want zij moest de gestolen voorwerpen natuurlijk vergoeden, dat

begreep zij zeer goed. Allereerst ging zij naar Van Dril, om hem te

zeggen, wat er gebeurd was.

"Dat is verregaand!" riep hij uit. "'t Wordt hoog tijd, dat de dieven

gesnapt worden, want zóó kan het niet langer. Maar jij, arme ziel,

behoeft de schade niet te lijden. Hier staat nog een andere pot met

toebehooren. Gebruik dien maar, doch laat hem 's nachts niet meer op

het ijs staan. Alles, wat je in de tent gebruikt, moet je vanavond

opbergen. Anders heb je kans, dat morgen alles weer verdwenen is."

Mietje bedankte van Dril voor zijn goedheid, en begaf zich dadelijk

naar de Vries. Maar deze was lang zoo vriendelijk niet als de smid. Hij

werd zelfs onbillijk.

"Daar heb je 't al," riep hij uit, toen Mietje hem het gebeurde had

verteld. "Dan leen je aan zulk volk je beste spullen, en in plaats,

dat zij er dankbaar voor zijn en er goed op passen, maken ze, dat

je ze nooit terugziet. Maar je zult me den ketel betalen, wat ik

je zeg! 't Was een beste, koperen ketel, een zware koperen ketel,

en ik laat hem maar niet goedschiks verdonkeremanen! Wie weet, wat

je er mêe uitgevoerd hebt."

"Ik? Er mêe uitgevoerd?" zei Mietje schreiend. "Ach, wat heb ik er een

spijt van, dat ik hem niet meegenomen heb naar huis, gisterenavond,

maar de andere tenters lieten hun boeltje ook in de tent achter,

net zoo goed als ik. Wie kon ook denken, dat de menschen zoo slecht

zouden zijn, om ons armoedje weg te stelen."

"Alles goed en wel, maar ik moet den ketel terughebben, of je zult

mij de schade vergoeden. Met minder dan vijf gulden ben ik niet

tevreden. 't Was een dure ketel, en nog zoo goed als nieuw!"

"Vijf gulden?" stamelde Mietje verschrikt. "Vijf gulden, zegt u?"

"Ja, vijf gulden minstens," was het antwoord. "Koper is duur."

Verdrietig keerde Mietje naar de tent terug. Zij wist geen raad om

zich te helpen.

"Wie zal mij weer een ketel leenen?" vroeg zij droevig.

"Dat zal ik doen," zei Anneke. "Je kunt mijn ketel gebruiken, Mietje,

als je er maar voor zorgt, dat hij elken avond bij mij binnengebracht

wordt."

"O, dat zal ik zeker," zei Mietje. "Een ezel zelfs stoot zich geen

tweemaal aan denzelfden steen."

't Ging als een loopend vuurtje door het dorp, dat de dief weer aan

den gang was geweest. En de burgemeester vond, dat er hoog noodig

een einde aan moest komen. Zoodra hij het gebeurde vernomen had,

liet hij dadelijk Flipsen bij zich ontbieden. Deze kwam direct, en

onderweg vernam hij al, wat er aan de hand was. Maar de burgemeester

vertelde het hem nog eens dunnetjes over. Flipsen hoorde hem zwijgend

aan; er speelde een bijna onmerkbaar glimlachje om zijne lippen. Hij

meende te weten, waar hij thans zoeken moest.

"Je moet bij de tenters eerst gaan onderzoeken, welke voorwerpen door

hen worden vermist, en dan zoek je maar net zoo lang, tot je den dief

gevonden hebt," besloot de burgemeester.

"Laat het maar aan mij over, burgemeester," zei Flipsen met een hooge

borst. "Ik zal het zaakje wel afwikkelen."

Hij stapte op het ijs, en begaf zich met een zakboekje in de linker

en een potlood in de rechterhand van de eene tent naar de andere,

en overal vroeg hij, welke voorwerpen gestolen waren. Het bleek hem,

dat alle tenters hun ijzeren pot en grooten ketel hadden achtergelaten,

en dat die nu vermist werden.

De tenters waren er bitter slecht over te spreken, en Flipsen moest

menig onaangenaam woord hooren.

"Waarom heb je niet beter uitgekeken?" vroeg er een. "Je doet ook

niet veel voor den kost, Flipsen."

En een ander merkte op:

"Of wij politie op het dorp hebben of geen politie, dat komt op

hetzelfde neer. De dieven doen toch maar, wat ze willen."

"'t Is jullie eigen schuld," gaf Flipsen ten antwoord. "Wie laat

zulke dingen bij nacht en ontijd ook buiten staan? Je bent te lui om

voor je spullen te zorgen, en als ze dan gestolen worden, krijgt de

politie de schuld. Zoo is het altijd. 't Is het oude liedje en anders

niet. Doch heb maar geduld. Dezen keer zul-je eens zien, dat Flipsen

wèl uit zijne oogen gekeken heeft, en terdege ook. Eer we een halven

dag verder zijn, heb ik de dieven gesnapt, want er is er niet één,

maar er zijn er twee."

De menschen keken hem ongeloovig aan.

"Twee?" vroegen ze. "Zijn er twee? Weet je dan, wie de daders zijn?"

"Ik weet, wat ik weet," gaf Flipsen gewichtig ten antwoord. "En ik

zeg, hebt maar geduld. Je zult je verloren zaakjes spoedig genoeg

terug hebben, veel vlugger zelfs, dan je denkt."

Flipsen keerde zich om en begaf zich regelrecht op weg naar--den

pottenschipper. De menschen zagen dat tot hunne verbazing, en ook zij

begaven zich naar de hun welbekende schuit, die niet ver van de tent

van Mietje aan den wal lag. Dat was hare vaste plaats. Een plank

lag van de schuit naar den walkant om te maken, dat de bezoekers

gemakkelijk op de schuit konden komen.

Flipsen liep de plank over en deed het deurtje van de kajuit open,

die den pottenschipper tot woonvertrek diende. Eene warme lucht kwam

den veldwachter tegemoet. Hij zag dadelijk, dat de pottenschipper bij

een klein tafeltje zat met een pijpje in den mond. De rook dwarrelde

door het geopende deurtje naar buiten.

"Goeden dag," zei Flipsen binnentredende. Zijne oogen dwaalden

onderzoekend in het kleine vertrekje rond.

"Dag Flipsen," was het antwoord. "Kom binnen. Wat is er van je dienst?"

"Dat zal ik je zeggen. Er zijn ijzeren potten en verscheidene ketels

gestolen uit de tenten, die op het ijs staan."

"Is het waar?" vroeg de pottenschipper. En hij liet er op volgen:

"Wat zijn die menschen onvoorzichtig, om zulke dingen 's nachts te

laten staan. 't Is meer dan dom."

"Dat is het," zei Flipsen.

"Maar ik begrijp niet, wat _ik_ daarmede te maken heb," hernam de

schipper. "_Ik_ ben gelukkig geen dief, en heb ze niet gestolen."

"Zoo--ja, dat kan wel," zei Flipsen, die wel een beetje in de

war raakte, toen hij den schipper zoo kalm zag zitten. De man was

blijkbaar in 't geheel niet geschrokken door zijn bezoek, wat Flipsen

toch stellig verwacht had.

"Zoo--ja, dat kan wel," herhaalde hij. "En dat wil ik wel gelooven ook,

maar ik dacht, de pottenschipper is iemand, die vodden, beenen, oud

ijzer en dergelijke dingen opkoopt. Misschien kan hij me inlichtingen

geven, die me een beetje op weg helpen. Want die dieven moeten gevonden

worden, dat spreekt van zelf."

"Juist, hoe gauwer, hoe beter," zei de pottenschipper. "Ik heb,

zooals je weet, heel wat potten en pannen boven op mijn schuit staan,

en ik houd mijn hart in mijn lijf vast, dat de dieven daar ook een

bezoek zullen brengen. Wat zou ik lachen, als je ze snappen kon,

Flipsen; 't is meer dan tijd. Maar inlichtingen,--neen, die kan ik

niet geven. Ik heb van niets gemerkt."

"En is u niets van dien aard te koop aangeboden ook?" vroeg Flipsen,

terwijl hij zijn oogen strak op die van den schipper gevestigd hield.

"Nu nog mooier!" riep deze uit. "Ze moesten het eens wagen met

gestolen goed bij me aan te komen! Wat zouden ze gauw mijne schuit

uit zijn. Neen man, voor zoo iets zijn ze bij mij aan het verkeerde

kantoor. Daar moet ik niets,--niemendal van hebben. Dank je hartelijk!"

De veldwachter stond op. Hij begreep thans zeer goed, dat de

pottenschipper òf totaal onschuldig was, òf dat deze te slim was om

zich te laten uithooren. Hij zeide dus:

"'t Spijt me, dat u me geen inlichtingen kan geven. Mag ik nu de

schuit nog even van binnen bekijken?"

"Wel, nu nog mooier!" riep de schipper boos uit. "Wou je mijn schuit

doorzoeken? 't Is fraai, dat moet ik zeggen. En met welk doel, als

ik vragen mag?"

"Louter uit nieuwsgierigheid," zei Flipsen. Hij klom op het dek

en begaf zich naar de voorzijde van de schuit. Hij wist, dat daar

de ingang was van het ruim, waar de schipper zijne meeste goederen

bewaarde. Deze volgde hem onwillig, en hij deed niets dan mopperen

over de onbeschaamdheid van Flipsen.

"'t Is een schande, om een fatsoenlijk mensch van diefstal te

verdenken," zei hij. "Welke reden heb je daarvoor? Wie heeft er iets

op mij aan te merken?"

Flipsen zei niets. Hij ging het ruim binnen en keek onderzoekend

rond. Maar hij zag niets dan steenen voorwerpen voor huishoudelijk

gebruik, en alles fonkelnieuw. Achter in het ruim, in een donkeren

hoek, vond hij ook nog een hoop vodden, beenen en oud-roest. Hij

was er te vies van, om het met zijne handen aan te raken. Daarom

trok hij zijn sabel en wroette in den hoop rond. Maar hij ontdekte

niets verdachts, wat hem geducht tegenviel, want hij had er stellig

op gerekend, de gestolen voorwerpen hier aan te treffen. Er bleef

geen gaatje ondoorzocht, en eindelijk verliet hij de schuit, zonder

iets wijzer geworden te zijn.

Er hadden zich heel wat menschen op den kanaalkant verzameld,

om den afloop van Flipsen's onderzoek af te wachten. Maar zij

zagen al dadelijk aan zijn gezicht, dat hij niets gevonden had. De

pottenschipper beklaagde zich met luider stem tegen de menschen

over de schande, die Flipsen hem had aangedaan, en zijn toehoorders

vonden, dat hij wel een beetje gelijk had. Ook Frans Thor en Klaas

Zwart bevonden zich onder de toeschouwers. Zij zeiden niets, en Klaas

Zwart zag zelfs een beetje bleek. De pottenschipper zag hen staan,

en hij zeide zoo luid tegen Flipsen, dat iedereen het hooren kon:

"Als er nu weer eens wat vermist wordt, hoop ik van je vereerend

verzoek verschoond te blijven, Flipsen. Je weet nu eenmaal, dat ik

part noch deel aan de zaak heb. Ik ben een eerlijk koopman, en houd

mij met slechte practijken niet op."

Een zucht van verlichting ontsnapte bij die woorden aan de borst

der beide jongens, en onmerkbaar stootten zij elkander met den

elleboog aan.

Flipsen was erg teleurgesteld. Hij begreep, dat hij het spoor van

den dief weer geheel bijster was, en hij wist niet, wáár thans te

zoeken. Toch gaf hij het nog niet op. Regelrecht ging hij naar de

woning van Klaas Zwart, en ook daar doorzocht hij het heele huis en de

schuur. Maar alweer tevergeefs. Daarna begaf hij zich naar 't huis van

Thor, den oud-gediende uit Indië. Deze ontving hem ver van vriendelijk,

maar daar stoorde Flipsen zich niet aan. Hij doorsnuffelde ook diens

woning van boven tot beneden, echter zonder het gewenschte gevolg. Hij

kwam tot de conclusie, dat hij zich totaal vergist had. En toch stond

het bij hem vast, dat de dief op het dorp woonde.

Dertiende Hoofdstuk.

Hoe Jantje op een gelukkig idée kwam.

Er werd 's avonds, toen de lampen opgestoken waren en de menschen

gezellig in de kamer rondom de kachels zaten, heel veel over het

gebeurde gesproken. Zoo ook bij Dik Trom. Jan Vos en Piet van Dril

waren bij hem op visite, en Anneke had anijsmelk gekookt, tot groote

vreugde van Jan, die zijn vriendje Karel ook bij zich mocht hebben,

en bizonder veel van anijsmelk hield.

't Was een recht prettige avond, want de drie oude vrienden zaten te

praten over hunne kinderjaren, en de twee jongens luisterden met open

mond naar hetgeen er verteld werd. Eindelijk kwam het gesprek ook

op den gepleegden diefstal, en algemeen waren zij het er over eens,

dat het een laaghartige daad was. Ja, vroeger was er ook meermalen

gestolen, maar nu had de dief zelfs de laagheid gehad de spulletjes

weg te stelen van de armsten onder de armen. 't Was wel zoo erg,

als het maar wezen kon.

"En Flipsen was de plank heelemaal mis," zei Dik. "Hoe kwam hij er

ook toe, den pottenscihpper van den diefstal te verdenken? Die man

komt zelden of nooit zijne schuit uit."

"Dat is wel mogelijk," zei Jan Vos, "maar vroeger moet hij een echte

deugniet geweest zijn, heb ik wel eens gehoord."

"O, vroeger!"--meende Piet van Dril, "vroeger, dat is nù niet. Een

mensch kan zich beteren."

"Dat is waar," zei Dik. "Ik geloof er trouwens ook niets van, dat hij

er aan schuldig is. Maar 't is toch wonderlijk, dat de dief zoo lang

met zijne diefstallen kan doorgaan, zonder betrapt te worden. Flipsen

loert avond aan avond op hem, en hij is waarlijk toch niet voor

de poes."

"Neen, dat geloof ik ook!" zei Piet van Dril lachend. "Daar weten wij

van mêe te praten, hè?--Denk nog maar eens aan een zeker avondje in

den tuin van den burgemeester...!"

Allen schoten in den lach.

"Ja, maar toen waren wij hem toch te knap af!" zei Dik.

Zoo zaten zij nog lang te praten, tot Jan Vos opeens zeide: "Als het

zoo blijft voortvriezen, zal de visch het gauw benauwd krijgen onder

het ijs. Morgen moet ik toch eens probeeren, of ik niet een lekker

maaltje paling kan vangen."

"Ja, doe dat maar," zei zijne vrouw, die intusschen druk met de andere

vrouwen had zitten praten. "Overmorgen is het Zondag, en dan wil ik

wel graag een lekker maaltje hebben."

"Paling vangen? Hoe doet u dat dan?" vroeg Jan nieuwsgierig.

"Wel jongen, als 't ijs erg dik is, krijgt de paling het er benauwd

onder en begeeft zich naar de bijten en wakken, waar open water

is. Met een sikkel, die aan een langen stok bevestigd is, kun-je ze

gemakkelijk uit het water op het ijs wippen. Dat vereischt alleen

maar wat behendigheid."

"Zwemmen ze dan niet weg?" vroeg Karel.

"Neen jongens," zei Dik. "Of het van de koû komt, of van wat anders,

dat weet ik niet, maar zij zijn bij sterk ijs min of meer suf. Je

kunt ze dan vrij gemakkelijk vangen."

"Willen wij dat morgen ook eens gaan doen?" vroeg Karel aan Jan. "Wij

hebben dan toch den heelen dag vrij."

"Ik vind het best," zei Jan. "Graag zelfs. Van Dril, heeft u voor

ons elk ook een sikkel? Dan gaan wij morgen op de vangst."

"Zeker wel, jongens, er liggen oude sikkels genoeg in de smederij. Als

je er zelf dan maar een langer handvat aan maakt, want het gewone

handvat is voor dat werk te kort. Je moet er een stok aan doen,

ongeveer zoo lang als je arm."

"Een gewone lat is wel goed," zei Dik.

Jan en Karel spraken af, dat zij er na het ontbijt samen op uit zouden

trekken. De sikkels zouden spoedig genoeg in orde zijn, daar waren

zij het over eens.

En zoo gebeurde het ook. Toen Jan ontbeten had, ging hij naar Karel,

die al twee goede sikkels had opgezocht. Zij haalden de handvatten er

af, en deden er langere voor in de plaats. In een kwartiertje waren zij

daarmede klaar. Karel nam een emmertje meê, om er de visch in te doen,

en zoo trokken zij er samen op uit. Ook namen zij elk een bijl mede,

om hier en daar een gat te hakken. 't Eerst gingen zij naar de bijt,

die voor het huis van Dik Trom gehakt was. Het ijs van den laatsten

nacht lag er nog in. Zij hakten het los en trokken de schotsen op

het ijs. Toen keken zij in de bijt, en waarlijk, heel rustig lag daar

een dikke paling op den bodem.

"Kijk, kijk, daar ligt er een," zei Jan, die hem het eerst zag.

Hij stak den sikkel voorzichtig onder het beest door en wipte hem met

een snelle beweging omhoog. Daar spartelde de paling op het ijs. Ha,

wat kronkelde hij zich! De jongens sprongen beiden op hem toe, want

hij lag dicht bij den rand van de bijt.

"Grijp hem, grijp hem!" riep Jan zijn vriend toe, want deze was het

dichtst bij hem. Maar Karel kwam te laat. Wel gelukte het hem nog

den paling te grijpen, maar deze kronkelde zich om zijn arm heen,

en dat vond Kareltje zoo'n eng gevoel, dat hij het beest met een

rilling over de leden losliet. Op 't volgende oogenblik verdween de

paling in de bijt, en de jongens hadden nakijk.

"Hè, wat is dat jammer!" riep Jan spijtig uit. "Hoe dom ook van je,

om hem weer los te laten, toen je hem zoo mooi vast hadt."

"Hu, wat glibberig was hij, en wat kronkelde hij akelig om mijn

arm heen," zei Karel, wien opnieuw eene huivering over den rug

ging. "Precies een slang."

"Dat zal jij wel weten," zei Jan. "Je hebt nog nooit een slang gezien."

"Genoeg,--meer dan jij," meende Karel. "In Artis."

"O, in Artis. Daar liggen ze achter glas.--Nu, deze is in elk geval

weg, en wij zullen hem wel nooit terugzien. Wat was het een dikkerd."

"Of hij dik was," zei Karel. "Akelig dik."

"In deze bijt is niets meer te zien. Willen we naar die van den

burgemeester gaan aan den overkant? Dat is ook eene groote bijt."

"Mij goed," zei Karel. "Maar ik pak ze vast niet meer met mijne handen

beet. Hu, wat een akelige beesten."

"Je bent een bangerd, hoor!" spotte Jan.

"Jij bent een held!" zei Karel. "Dat weet ik wel."

"In elk geval zou ik hem niet loslaten, als ik hem eenmaal te pakken

had," zei Jan.

Zij liepen het kanaal over, en kwamen bij de bijt van den

burgemeester. Hun eerste werk was ook hier het ijs van den laatsten

nacht los te hakken en de schotsen op het ijs te trekken. Toen dat

gebeurd was, keken zij in het water.

"Ik zie er een," zei Karel.

"Ik ook,--wel twee," zei Jan.

Zij brachten de sikkels in het water, en op 't volgende oogenblik

spartelden twee palinkjes op het ijs. Jan wierp er een van in

het emmertje, maar Karel was niet te bewegen, den tweeden aan te

grijpen. Jan moest er om lachen.

"Help, help, hier is er een," schreeuwde Karel, die moeite had om

het beest met zijn sikkel van de bijt weg te houden. 't Beest wilde

met alle geweld weer in 't water.

"Pak hem dan!" riep Jan hem lachend toe.

"Ik dank je,--ik moet er niets van hebben. Toe dan, Jan, grijp hem,

of we zijn hem kwijt."

Jan kwam zijn vriend te hulp, en spoedig was ook de tweede paling in

het emmertje opgeborgen. Maar van den derden was, toen zij weer in

de bijt keken, geen spoor meer te vinden. De jongens hadden hem wat

al te veel lawaai gemaakt naar zijn zin, zoodat hij het verstandig

geoordeeld had, zich wat uit hunne nabijheid te verwijderen. Maar Jan

en Karel waren toch wat in hun schik met hunne vangst, en zij begaven

zich van de eene bijt naar de andere. De voorraad in hun emmertje

werd steeds grooter, en zij twijfelden niet, of zij zouden wel een

flink maal bij elkander krijgen.

Lachend zei Karel tot Jan:

"Als Vos op de vangst gaat, zooals zijn plan was, zal hij niet erg

veel meer vangen. Wij hebben zoetjes-aan alle bijten van het dorp

afgevischt."

Jan lachte ook.

"Dan vischt hij achter het net," zei hij. "Kijk, ginds gaan Frans

Thor en Klaas Zwart. Zij hebben ook bijlen bij zich. Ik denk, dat

zij ook op de vangst uitgaan."

"Laat hen maar vooruitgaan," zei Karel. "Wij zijn op hun gezelschap

niet gesteld. Willen wij nu buiten het dorp gaan, voorbij het

fort? Daar zijn wel geen bijten, maar vader zegt, dat de visch zich

aan de kanten van het kanaal ophoudt, zeker om beter lucht te kunnen

krijgen. Dan hakken wij hier en daar eene schots los."

"Mij goed,--best zelfs," zei Jan.

De jongens gingen langs het fort en deden als gezegd is. En 't was

inderdaad een prettig werkje voor hen, want zij vingen veel meer,

dan zij verwacht hadden. Er waren palingen bij, wel zoo dik als hun

pols. De jongens hadden de grootste moeite, om die dikke beesten in

het emmertje te houden. Telkens keken de koppen boven den rand uit,

en eens, toen het Karels beurt was om den emmer te dragen, kronkelde

plotseling alweer zoo'n dier tegen zijn arm op. 't Gebeurde zoo

onverwachts, dat hij er hevig van schrikte. Met een gil liet hij den

emmer op het ijs vallen, en alle palingen kronkelden in het rond.

"Jou ezel!" riep Jan uit. Maar veel tijd tot praten had hij niet, want

hij moest dadelijk aan het vangen. En 't ging lang niet gemakkelijk,

om de dieren weer in den emmer te krijgen, vooral nu hij alles alleen

moest doen. Karel was niet te bewegen eene hand uit te steken. Hij

vond de beesten zóó eng, dat hij ze niet durfde aanraken. Eindelijk

had Jan ze alle weer verzameld.

"Geef mij den emmer maar," zei hij. "Anders ligt het heele zaakje

aanstonds weer op het ijs. Draag jij dan de bijlen."

De Zoon van Dik Trom · 第 9 / 11 段