gedaan had. Hij schoot er telkens opnieuw over in een lach, en ook
Grootvader en Grootmoeder moesten het dadelijk vernemen, toen zij
even bij Dik en Anneke kwamen aanloopen.
De oude Trom vond het blijkbaar een verbazend scherpzinnigen zet van
Jantje. Hij trok een poosje aan zijn bakkebaardjes en zei toen:
"Ja, Dik, zie-je, ik heb het altoos wel gezegd: Jan is ook een bizonder
kind, en dat is-ie."
Veertiende Hoofdstuk.
Besluit.
't Gebeurde werkelijk, zooals Flipsen voorspeld had. Niet zoodra
verscheen Klaas Zwart in de burgemeesterskamer, en zag hij daar den
pottenschipper staan naast de potten en ketels, die uit het water
waren opgevischt, of hij begon over al zijne leden te beven, en de
tranen sprongen hem in de oogen.
"Kom nader," gebood de burgemeester.
Klaas kwam tot vlak voor de tafel, waarachter het hoofd der gemeente
in een leuningstoel gezeten was. Deze keek hem doordringend aan,
maar zeide niets. Klaas sloeg de oogen naar den grond.
Eindelijk zei de burgemeester kortaf:
"Vertel mij alles, wat je daarvan weet. Maar vergeet niet, dat ik
enkel _waarheid_ wil hooren. Leugens zouden je trouwens niet meer
baten, want alles is ontdekt. Spreek op!"
Zweetdroppels parelden Klaas op het voorhoofd van angst.
Hij hief de samengevouwen handen op en zeide snikkend:
"O burgemeester, vergeef u het me voor dezen keer astublief. O,
ik heb er zoo'n spijt van."
"Waarvan?" vroeg de burgemeester gestreng. "Spreek op, jongen, wààr
heb je spijt van?"
"Dat ik gestolen heb," zei Klaas zacht.
"Die potten en ketels?"
"Ja burgemeester."
"En al die dingen, die bij de verschillende menschen op het dorp
worden vermist?"
"Ja burgemeester."
"Heb je dat alles alleen gedaan?"
"Neen, met Frans, burgemeester."
"Zoo, zoo.--'t Is wat fraais. En wie hebben dat net gelicht van
morgen?"
"Wij ook," zei Klaas.
"En waar liet je al die gestolen voorwerpen?" vroeg de burgemeester,
terwijl hij Klaas opnieuw doordringend aanzag.
"De pottenschipper kocht ze van ons."
"Maar ik wist niet, dat het gestolen goed was," viel de pottenschipper
in, die voelde, dat hij den grond onder zijne voeten thans geheel
verloor.
"Dat wist iedereen op het dorp, tot den kleinsten jongen toe,"
gaf de burgemeester op gestrengen toon ten antwoord. "Doe maar geen
moeite meer, om je baantje schoon te praten. 't Is een schande voor
een man op uw leeftijd! Eene dubbele schande, omdat je ook nog twee
jongens in je val meesleept. Jij en jij alleen hebt die kinderen in
het ongeluk gestort. 't Is diep treurig."
Even later werd Frans Thor binnengebracht. Deze was brutaler dan Klaas
Zwart, en hij meende den burgemeester eerst nog met allerlei praatjes
om den tuin te kunnen leiden. Maar toen hij vernam, dat Klaas reeds
eene volledige bekentenis had afgelegd, raakte hij geheel in de war
en in zijn eigen leugens verward. Het einde was, dat ook hij bekende
aan de gepleegde diefstallen schuldig te zijn.
De burgemeester maakte van alles proces-verbaal op, en toen hij
daarmede klaar was, zeide hij:
"Flipsen, doe de deur maar open. Zij kunnnen alle drie
vertrekken. Later zullen zij wel meer van de zaak hooren."
Zwijgend verlieten zij het raadhuis.
Den Maandag daaropvolgende kwamen Frans en Klaas weer gewoon school,
maar zij waren nu nog meer afgezonderd van de overige jongens, dan
zij vroeger al geweest waren. Iedereen vermeed hun gezelschap. In
het midden van Februari bleven zij absent, en iedereen wist er
de reden van. Zij waren namelijk opgeroepen om voor de rechtbank
te verschijnen. Ook de pottenschipper moest daar verantwoording
afleggen van zijne daden. Hij kreeg eene geduchte betraffing, omdat
hij de beide jongens tot diefstal had overgehaald en hen daardoor
ongelukkig had gemaakt. Eene gevangenisstraf van eenige maanden was
zijn welverdiende loon.
De jongens werden niet veroordeeld, omdat zij nog zoo jong waren, maar
de rechtbank stelde hen tot hun achttiende jaar ter beschikking van
de regeering, om in een rijksopvoedingsgesticht geplaatst te worden.
Dat gebeurde evenwel niet dadelijk. Den volgenden dag zagen de
schooljongens hen opnieuw verschijnen, en zij hoorden er dagen en
weken lang niet meer van.
Zoo kwam de eenendertigste Maart, de laatste dag, dien Jan en Karel
op de school zouden doorbrengen. Karel zou bij zijn vader in de
smederij komen, en Jan kwam in den winkel. Dik kon alles onmogelijk
meer alleen af, want nog steeds nam het aantal zijner klanten toe,
en elken dag kreeg hij het drukker. Hij verdiende dan ook veel geld,
en was mooi op weg, om een rijk man te worden.
Frans en Klaas zaten ook voor de laatste maal op de schoolbanken. Niet
dat zij een vak gingen leeren. Daar kon geen sprake van zijn, omdat
zij toch den een of anderen dag weggevoerd zouden worden.
't Was in den middag. Het laatste schooluur was aangebroken. De leien,
boeken en schriften waren opgehaald en de onderwijzer maakte zich juist
gereed om een woord van afscheid te spreken tot de jongens en meisjes,
die de school voor goed verlieten, toen er aan de deur werd geklopt.
"Jan Trom, doe even open," zei de meester.
Jan deed het, en hij zag Flipsen en een rijksveldwachter in de
vestibule staan. Zij kwamen het lokaal binnen.
"Mijnheer," zei Flipsen, "wij hebben de opdracht Frans Thor en Klaas
Zwart meê te nemen."
't Was doodstil in de klasse.
Frans en Klaas werden doodsbleek, en niet zij alleen, neen,
verscheidene jongens en meisjes voelden zich eene rilling door de
leden gaan, en menig meisjesoog vulde zich met tranen.
"Zoo," zei de onderwijzer zacht, en zijn toon klonk droevig. De
kinderen konden het hem aanzien, dat ook hij ontroerd was. "Zoo, dat
is wel eene treurige opdracht, Flipsen.--Frans en Klaas, komt hier."
De jongens stapten de bank uit en kwamen voor de klasse. Beiden
barstten in tranen uit. De onderwijzer gaf hun de hand.
"Dag Frans,--dag Klaas," zei hij droevig. "Ik hoop je eenmaal terug
te zien als brave mannen, die voor niemand de oogen behoeven neer te
slaan. Beloof je me, dat je daartoe je best zult doen?"
De jongens konden niet antwoorden. Met gebogen hoofd verlieten zij
het lokaal, om weggebracht te worden ver van hunne ouders, naar een
vreemde plaats....
Hun vertrek maakte een diepen indruk op de achterblijvenden. De
onderwijzer had de gewoonte den laatsten schooldag eene vertelling te
doen. En dezen keer deed hij dat met meer gloed dan ooit te voren. Hij
deed een verhaal van schoolkameraden, waarvan er een goed oppaste en
tot een braaf man opgroeide, terwijl de andere door eigen schuld al
dieper en dieper zonk en eindelijk in de gevangenis terecht kwam. En
toen het verhaal uit was, drukte hij hun allen op het hart, toch
nooit den weg van eer en plicht te verlaten, maar steeds het goede
te doen en het kwade te haten.
Met deze wijze les verlieten Jan en Karel voor goed de school, en
zij vergaten haar hun leven lang niet.
EINDE.
End of Project Gutenberg's De Zoon van Dik Trom, by Cornelis Johannes Kieviet