Maar den volgenden morgen merkten zij al dadelijk, dat het niet

kon. 't Had namelijk dien nacht verbazend hard gevroren, en 't

was daardoor onmogelijk geworden sneeuwballen te maken. De sneeuw

wilde niet pakken. Zij vonden dat wel erg jammer, maar daarentegen

verheugden zij er zich weer in, dat het zoo hard gevroren had, en

zij hoopten, dat het ijs spoedig sterk zou worden. De twee kanalen,

die in het hart van het dorp elkander kruisten, lagen al dicht. De

jongens wierpen er steentjes op, om te zien, of zij er doorheen konden

gooien, maar dat konden zij niet. Alleen klinkers gingen er ongeveer

voor de helft doorheen.

Zij vermaakten zich nu met glijbanen te maken en daar in lange risten

overheen te glijden. De grond werd hier en daar spiegelglad. Opeens

bedachten zij, dat het nu prachtig zou glijden langs de helling

buiten het dorp, bij het fort, waar Jan met zijn automobile den

veldwachter bij ongeluk van de been gereden had. En nauwelijks hadden

zij dat bedacht, of zij snelden er heen. Ha ja, ze hadden zich niet

bedrogen. De helling was er prachtig voor geschikt, en er lag dik

sneeuw. Spoedig was het er zoo glad, dat men er haast niet op de beenen

kon blijven staan, en als de jongens eenmaal op de helling waren,

mòèsten zij verder, of zij wilden of niet. Zij vonden het meer dan

verrukkelijk, en wisten van geen ophouden. 't Was een koddig gezicht,

als een van hen het ongeluk had te vallen. Dan buitelden allen, die

achter hem kwamen aanglijden, hals over kop over hem heen, en werd

het een levende berg van jongens.

Menigeen riep dan au, au! en sommigen kwamen erg in de verdrukking,

maar daarom werd niet getreurd. Een volgend oogenblik gleed de geheele

rij weer met statie verder, en 't ging vliegensvlug.

't Was al laat, eer de jongens thuiskwamen, en voordat zij de deur

instapten, wierpen zij eerst nog een blik op het hemelgewelf om

te zien, of de lucht naar vorst stond. En dat deed ze gelukkig. De

sterretjes fonkelden aan den hemel, en er was geen wolkje aan te zien.

Dien nacht vroor het kolossaal! Toen Jan 's morgens zijn neus buiten

de bedgordijnen stak, zag hij al dadelijk, dat de bloemen dik op de

ruiten stonden.

"De pomp is bevroren!" riep zijn vader van uit de keuken. "Jongen,

jongen, wat een vorst. 't Is buitengewoon! Zeg Jan, nog één nachtje

zoo, en we kunnen schaatsenrijden. Dan is het kanaal sterk genoeg. Maar

vandaag nog voorzichtig wezen, hoor, 't kan nog niet vertrouwd zijn."

"Ja Vader," zei Jan.

Hij was van nature geen waaghals. Niet, dat hij bang was, in het

geheel niet, maar hij vond het dwaasheid zijn leven roekeloos in

gevaar te stellen. Toch waren er wel jongens, die zich al op het kanaal

waagden. Voorzichtig, voetje voor voetje, liepen zij het ijs op, dat

door een sterk gekraak waarschuwde om terug te gaan. De waaghalzen

hoorden het wel, en als het heel erg kraakte, bleven zij even

stilstaan, maar spoedig gingen zij weer verder. Tines Wobbe bereikte

zelfs de overzijde van het kanaal, waar hij niet weinig trotsch op was.

's Middags na schooltijd liep Jan met zijn vriend Karel van Dril het

dorp in, en kwam bij de drie bruggen. Zij zagen, dat het water daar

nog open lag. Dat was bijna altoos zoo in den winter. Alleen als het

lang bleef vriezen, werd het daar ook sterk genoeg, om er over te

loopen. Zij stonden er een poosje naar te kijken, toen plotseling

hunne aandacht werd getrokken door Frans Thor, die een vuilen hond

vervolgde. Hij wierp het beest met steenen. 't Was een broodmager

beest, dat er vreeselijk vervuild uitzag. De jongens herkenden dadelijk

Fik in hem, den hond van den orgeldraaier Klaas Touw.

"Houdt hem! Houdt hem!" riep Frans hun toe.

"Een heldendaad van Frans," zei Jan tot Karel. "Hij kan geen hond

met rust laten."

"Houdt hem! Houdt hem!" riep Frans nog eens.

De hond was nu op het midden van de brug. Jan en Karel deden, of zij

Frans niet hoorden. Maar juist kwam Klaas Zwart van den anderen kant

de brug op.

"Houd hem, Klaas!" riep Frans zijn vriend toe. "Jaag hem op!"

"Ja,--ja!" was het antwoord. En met zijn armen zwaaiende en onder

een luid geschreeuw joeg hij het verhongerde beest terug.

Spoedig kwam Fik nu Frans weer tegen, en deze joeg hem ook terug. De

dierenkwellers hadden braaf schik in den angst van den hond, die,

naarmate de jongens elkander naderden, meer in het nauw gedreven

werd. Eindelijk wist het arme dier geen raad meer, en toen het

probeerde om langs de beenen van Frans te ontsnappen, op gevaar af

een schop van dien jongen te krijgen, gaf deze hem een duw, waardoor

hij van de brug af in het water viel.

Wat hadden Frans en Klaas een pret. En hoe vermaakten zij zich met

de wanhopige pogingen van het dier om zich te redden.

De lantaarnopsteker, die op zijn laddertje stond, om de lantaren schoon

te maken en de peer van de lamp te vullen, was er verontwaardigd over,

en hij riep de jongens toe, dat zij zich schamen moesten. Hij klom

naar beneden en zag, hoe het beest tevergeefs poogde zich te redden.

"'t Is meer dan schandelijk!" riep de man nog eens. "'t Beest is

onherroepelijk verloren. Wie zal het wagen, het te redden? Wie het

doet, loopt groot gevaar om zelf te verdrinken. Zulke dierenbeulen!"

Ook Jan en Karel zagen met smart de pogingen van den armen hond, om

zich te redden, 't Was duidelijk, dat het beest verdrinken moest. Eene

hevige verontwaardiging maakte zich van Jan meester, en ook Karel

vond het eene schandelijke daad.

Fik zwom in het breede wak rond, nu hier, dan daar pogingen doende,

om op het ijs te klimmen. Maar dit was te glad. Telkens gleden zijn

pootjes uit en zakte hij in het water terug.

Jan kon het niet langer aanzien.

"Mag ik dat laddertje gebruiken?" vroeg hij aan den

lantaarnopsteker. Zonder antwoord af te wachten, lichtte hij de haken

los, waarmede het aan den paal bevestigd was, en liep er mede naar

den kanaalkant.

"Niet doen, Jan, niet doen!" riep Karel hem toe.

Maar Jan antwoordde niet.

"Dàn zal ik je helpen!" hernam Karel, en hij voegde zich bij zijn

vriend. Maar deze stond al op het ijs.

"Blijf daar, Karel, ik ben lichter," zei Jan kortaf.

Hij schoof het laddertje voor zich uit en naderde behoedzaam het

wak. Al was Jan nòg zoo mager, en al woog zijn lichaampje nòg zoo

licht, toch liet het ijs, dat bij de brug erg dun was, een dreigend

gekraak hooren. Jan liet er zich echter niet door weerhouden. Bedaard

ging hij verder, half steunende op het laddertje, dat hij met kleine

stootjes voortduwde.

"Fik! Fik!" riep hij den hond toe.

Het beest zag hem komen. Met verkleumde pooten zwom het in het

ijskoude water. Het jankte van vreugde.... Bijna kon het zich niet

meer bewegen. Het uiterste einde van het laddertje had het begin van

het wak bereikt.

Vele menschen verzamelden zich langs de brugleuning, en met angstige

spanning volgden zij de bewegingen van den knaap. Ook Jan's vader

was op de brug. Zijne oogen waren geen seconde van zijn dapperen

jongen af. Ha, hoe verheugde hij zich over deze kranige daad van zijn

kind. Hij was trotsch op hem!

Jan keek op noch om. Al zijne gedachten waren op één punt gericht,

namelijk, dat het zijn plicht was den armen hond te redden. Op handen

en knieën kroop hij behoedzaam verder.

Het ijs boog door. Er kwam water op. De ladder werd nat. Maar Jan

keerde niet terug. Hij zag, dat de hond op 't punt was van verdrinken.

Nog een sport,--daarna nog een....

Hij legde zich lang-uit op de ladder. Zijne kleêren werden nat. Toen

strekte hij den arm uit, en met een krachtigen greep trok hij den

hond uit het wak. Verkleumd bleef het dier liggen.

Jan durfde zich niet omkeeren. Hij wist bijna zeker, dat het ijs

dan breken zou. Zoo voorzichtig mogelijk kroop hij achteruit,

langzaam--langzaam verder. Den hond trok hij meê.

Eindelijk had hij het achtereinde van het laddertje bereikt en moest

hij op het ijs stappen. Maar daar was het niet zoo erg zwak meer. De

hond kwam eenigszins tot zichzelven. Bevend op zijne pooten liep het

dier naar den walkant. Daar hielp Karel het omhoog, tegen den walkant

op. Eindelijk had ook Jan den oever bereikt....

En op 't zelfde oogenblik klonk een daverend handgeklap hem in

de ooren. De menschen, die gezien hadden, welk heldenstuk hij had

verricht, verbraken de stilte en juichten hem toe. Jan kreeg er een

kleur van. En zijn vader drong door het volk heen en drukte hem in

zijn armen. Hij had er zoowaar tranen van in de oogen.

"Ben je erg nat?" vroeg Dik.

"Haast niet, Vader," zei Jan. "Ik ga met Karel den hond even

thuisbrengen, want hij kan bijna niet loopen."

"Goed, goed," zei Dik, "maar dan direct droog goed aantrekken."

Jan en Karel vertrokken met den verkleumden hond, en de menschen

vervolgden hun weg. Met lof werd over Jan gesproken. Iedereen had er

den mond vol van. Maar de dierenbeulen Frans en Klaas waren stilletjes

afgedropen.

Het huisje van Klaas Touw, den orgeldraaier, stond een weinigje

achteraf, aan een achterweg. De jongens hadden het spoedig bereikt. Zij

deden de deur van het armoedig hutje open en traden binnen.

Mietje zat bij de tafel. Zij zag er bleek en mager uit, en hare oogen

keken de jongens droevig aan. De bedsteêdeuren aan den achterkant

van het kamertje stonden open, en de jongens zagen, dat Klaas Touw

te bed lag. Hij was ziek.

"Hier is uw hond, Mietje," zei Jan, die den hond in de kamer liet

loopen. "We hebben hem uit het water gehaald. Hij lag in het wak bij

de brug."

"Neen, _wij_ niet, maar Jan heeft hem er uitgehaald," zei Karel,

die zijn vriend om diens heldendaad bewonderde. "Met levensgevaar

heeft hij hem gered."

"Zoo,--arme Fik," zei Mietje. "Was hij maar verdronken."

"Waarom?" vroegen de jongens als uit één mond. Zij waren niet weinig

verwonderd over die woorden.

"Waarom? Wel, dan was hij meteen uit zijn lijden. Klaas is ziek,

en hij zal wel zoo gauw niet beter wezen, zegt de dokter. We hebben

zelf niet eens te eten, hoe zal ik dan voor den hond zorgen?"

De jongens keken de vrouw zwijgend aan. En hun blik dwaalde door

het armoedige vertrek en naar het bed van den zieke. Zij zagen ook,

dat er geen vuur was in de oude kachel, en dat de bloemen dik op de

ruiten stonden.

"En uw orgel dan?" vroeg Jan na een poosje.

"Dat is weggehaald, omdat wij de huur ervan niet betalen konden,"

zei Mietje, en zij kreeg de oogen vol tranen. "Wij lijden armoê,

jongens, erger dan ik het zeggen kan."

De jongens wisten niet veel te zeggen, maar zij kregen diep medelijden

met die arme menschen.

"Weet je wat, Mietje," zei Jan. "Morgen is het ijs wel sterk. Ga dan

met een tentje op het ijs staan, om melk en koek te verkoopen."

Vrouw Touw lachte droevig.

"Hoe moet ik aan melk komen?" zei ze met een zucht. "En aan chocolade

en suiker en koek? Wie zal mij dat alles borgen?"

"Mijn vader wel," zei Jan beslist. "Ik ga het hem vragen. Ga je mee,

Karel?"

De jongens liepen op een drafje naar huis. En toen Jan verteld had,

hoe het met den orgeldraaier en diens vrouw gesteld was, zei Dik:

"Zeker wil ik helpen, jongen! Ga maar aan Mietje zeggen, dat ik haar

alles wil voorschieten, wat zij noodig heeft."

"Hoera!" riep Jan. "Wat is u toch goed, Vader. En mogen ze een paar

oude stoelen hebben, en wat palen en een paar banken?"

"Ja," zei Dik lachend, want het verheugde hem, dat Jan en Karel zich

zoo druk maakten om een paar arme menschen te helpen, die in nood

verkeerden. "Maar weet je, wat in de eerste plaats noodig is? De

stakkers hebben niets in huis, zelfs geen brandstof om de kachel

te stoken. Span je bok voor den wagen, en breng er dadelijk flink

wat turven naar toe. Ik zal dan meteen een en ander uit den winkel

inpakken, zoodat ze van avond wat te eten hebben ook."

"Ja, ja,--ik met den bokkenwagen, en Karel met de automobiel! Dat

zal leuk wezen."

't Was intusschen al donker geworden, en de sterretjes begonnen al

weder aan het hemelgewelf te flonkeren.

Jan en Karel hadden het druk, want zij maakten van Dik's mildheid

een ruim gebruik. De automobile werd volgestapeld met turven en

kachelblokjes, en in het bakje van den bokkenwagen kwamen verscheidene

zakjes met levensmiddelen. Dik wist wel, wat het meest noodig was.

Toen de jongens wegreden, keken Dik en Anneke hen lachend na, en Dik

herinnerde zich op dat oogenblik weer levendig, hoe hij zich als kind

op een donkeren avond geheel alleen op weg begeven had, om aan de

heks op den achterweg, die ook in nood verkeerde, levensmiddelen te

brengen. En hij voelde zich gelukkig, dat hij zulk een goed kind had.

In het hutje van de twee arme menschen heerschte dien avond groote

blijdschap. Jan en Karel werden hartelijk door den orgeldraaier en

diens vrouw bedankt.

"Morgen zullen we een tent voor u bouwen, Mietje," zei Jan. "En Vader

wil u al het noodige voorschieten, om alles te kunnen inslaan. Wacht

maar, u zal eens zien, hoe 'n mooie tent wij zullen maken."

De jongens keerden naar huis terug. De bok liep met opgetrokken

pooten, want hij vond de bevroren sneeuw erg koud, en hij was

er slecht over gestemd, dat hij zijn warm plaatsje bij den hit

had moeten verlaten. Karel draaide lustig aan het wiel van de

automobile. "Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf klonk het achter den bokkenwagen. De

beide lantarens gaven een helder licht, en de jongens vonden het een

prettig tochtje. Zij spraken af, den volgenden morgen vroeg op te

staan en dan ijverig te gaan bouwen aan de tent. Met een prettig

gevoel in hun borst keerden zij in huis terug. Zij voelden zich

tevreden en gelukkig.

Twaalfde Hoofdstuk.

Een goede daad, een vroolijke dag en een treurige morgen.

Wat was Jan Trom vroeg wakker. 't Was nog maar kwart over zessen,

toen hij uit zijn bed stapte. Zijn vader werd er wakker van, toen

Jan de luiken opende.

"Wie is daar?" vroeg Dik.

"Ik Vader," zei Jan. "Weet u niet meer, dat we eene tent zouden bouwen

voor Mietje van Klaas Touw. De bloemen staan weer dik op de ruiten. 't

Heeft bepaald erg hard gevroren."

"Zeker wel," zei Dik.

Jan was spoedig aangekleed. Hij opende de provisiekast en nam er een

paar sneden brood uit, die hij gebruikte met een glas melk. Daarna

verliet hij het huis, om zijn vriend te gaan wekken. Nauwelijks was

hij vertrokken, of ook Dik stapte zijn bed uit. Hij was bang, dat het

bouwen van een ijstent de krachten der jongens te boven zou gaan, en

daarom wilde hij gereed zijn om zoo noodig een handje te kunnen helpen.

Karel van Dril was al op, toen Jan hem kwam roepen.

"Wat is het koud, hè?" zei Karel huiverend.

"Ja, erg koud," zei Jan. "Maar wij zullen ons wel warm werken. Om

negen uur moet de tent klaar zijn, want dan gaat de school aan en

moeten wij binnen zijn."

"Ja," zei Karel. "Ik ben klaar, Jan. Zullen we gaan?"

"Goed."

De jongens gingen naar buiten. Lange, dunne palen namen zij op de

schouders en droegen die naar het ijs. Het kanaal was dicht bij hun

huis. Zij hadden den weg maar over te steken om het te bereiken. Een

goed plaatsje was spoedig gevonden. Zij besloten de tent te bouwen

vlak voor den winkel van Dik Trom. Een paar malen liepen zij heen en

weer om alles te halen, wat zij noodig hadden.

Daarna gingen zij aan het werk.

Eerst moesten er met een bijl gaten in het ijs worden gemaakt. Jan

begon te hakken. O, wat was het ijs hard. De splinters spatten hem

bij elken hak om de ooren, en rinkelend vlogen zij een eind ver over

de gladde ijsvlakte.

't Was een zwaar werkje. Al spoedig had Jan geen last meer van de koû,

en hij merkte, dat het niet gemakkelijk zou gaan, een gat in het ijs

te hakken. Hij zuchtte zoo hard, dat Karel er om lachen moest.

"Toe maar, hak maar raak," zei hij. "Ik zal wel voor je zuchten."

Jan begon te wanhopen, of hij er wel mee klaar zou komen. Maar

eindelijk toch zakte zijn bijl door het ijs. Het water drong er

doorheen. Nog een paar slagen, en het schotsje was los. Met de bijl

wipte hij het stuk ijs omhoog.

"Zie zoo, dat is er één," zei hij. "Nu den paal er in."

"Doe jij dat maar, dan zal ik intusschen het tweede gat hakken,"

zei Karel. Hij nam de bijl, en trok aan 't werk. Op dit oogenblik

kwam Dik Trom aanstappen. Hij kwam eens kijken, of de jongens het

klaar zouden spelen.

"Gaat het goed?" vroeg hij.

"Best, Vader," zei Jan. "O, maar wat is dat ijs hard. Ik kan er bijna

niet doorheen slaan met de bijl."

"Ja, dat dacht ik wel. Daarom kwam ik juist even kijken. Maar ik zie

wel, dat mijn hulp niet noodig is. Hoeveel palen moeten er in?"

"Wij dachten van zeven," zei Karel. "'t Zou met minder kunnen, maar

als het dan wat hard gaat waaien, is de tent niet sterk genoeg."

"Je hebt gelijk," zei Dik. "Wel, wel, wat is dat ijs gl...."

"Glad," wilde hij zeggen, maar zoover kwam hij niet, want plotseling

gleden zijne beenen onder hem weg, en viel de dikke Dik met een

geweldigen bom op het ijs. Het ging zoo snel en onverwachts, dat hij

eerst niet wist, wat er gebeurde. Het ijs kraakte niet zoo'n beetje,

en er kwam een groote ster in.

Gelukkig bezeerde Dik zich niet, en de jongens konden er dus naar

hartelust om lachen. Doch zij gunden zich daar niet veel tijd toe,

want zij moesten hard werken om op tijd klaar te komen. Om de beurt

hakten zij een gat in het ijs, en toen Dik koud werd, hakte hij er

ook een. De tent schoot flink op. Aan drie kanten werden er zeilen

aan de palen bevestigd, en de vierde kant bleef natuurlijk open. Om

acht uur waren zij met hun arbeid gereed. Toen repten zij zich naar

huis, om een oude tafel, wat afgedankte stoelen en een paar banken te

halen. Ook namen zij ieder eene vlag mêe, en die werden aan de twee

voorste palen bevestigd. Om half negen was de tent kant en klaar. Dik

was al lang naar huis, want hij zag, dat de jongens zijne hulp best

konden ontberen, en hij vond het een prettiger idee voor hen, dat

zij de tent geheel alleen bouwden. Toen om half negen Mietje op het

ijs verscheen, sloeg zij van verbazing de handen in elkaar, en zij

was wat grootsch op de mooie tent, die de jongens voor haar hadden

gemaakt. En alles was gereed. Zij had er om zoo te zeggen zóó maar

in te stappen. Alleen moest zij nog melk koken en de noodige koeken

bij den bakker bestellen. De arme ziel wist geen woorden te vinden,

om de jongens te bedanken voor alles, wat zij voor haar en haar zieken

man hadden gedaan.

"Hoe is het met Klaas?" vroeg Jan.

"Nog hetzelfde," was het antwoord. "Hij ligt nu al vier weken te

bed, en ik zie niet den minsten vooruitgang. Maar hoe zou dat ook

kunnen? Wij zijn te arm, om de versterkende middelen te kunnen koopen,

die zijn verzwakt lichaam noodig heeft, want hij is door en door

verzwakt, zegt de dokter."

"Nu, wie weet, hoeveel u vandaag nog verdient," zei Karel. "En hoe

is het met Fik?"

"O, die is weer geheel en al in orde. Hij houdt den baas

gezelschap. Die moet natuurlijk den heelen middag alleen in huis

blijven. Maar hij zal zich wel redden. Ik zal de tafel bij zijn bed

schuiven en alles, wat hij noodig heeft, daarop klaar zetten. Vóór

twee uur van middag behoef ik niet in de tent te staan, en om vijf

uur kan ik wel al weer thuis zijn. Dan wordt het donker en gaan de

schaatsenrijders naar huis. Dus langer dan een uur of drie, vier is

hij niet aan zijn lot overgelaten. O jongens, wat redden jullie me

heerlijk uit den nood; je weet niet, hoe dankbaar ik ben."

"Dat is niet noodig, Mietje. We hopen, dat je vandaag nu maar

flink geld verdient. Maar 't wordt voor ons tijd om naar school te

gaan. Vanmiddag zullen we wel vacantie krijgen, denk ik, nu het zulk

mooi ijs is."

"'t Is te hopen," zei Karel. "Hè, wat heb ik een zin om te gaan

rijden."

"En ik!--Dag Mietje, tot vanmiddag!"

De jongens gingen naar huis. Het gebruikte gereedschap namen zij mee,

en eenige minuten later stapten zij de school binnen. Zij dachten

dien morgen meer aan het mooie ijs, dan aan de lessen.

Mietje was intusschen druk in de weer om alles voor den middag in

gereedheid te brengen. Bij den bakker bestelde zij een groot getal

ijskoeken, die ook wel dikke Pieten werden genoemd, eene lekkernij,

waar de jongens verzot op waren, en die de meisjes ook wel lustten. Dik

Trom had aan den bakker gezegd, dat hij voor de goede betaling borg

stond. Ook gaf Dik de noodige chocolade en suiker, en mocht zij bij

Wobbe op zijne rekening zooveel melk bestellen, als zij dacht noodig

te hebben. Mietje vloeide over van dankbaarheid.

"Zorg nu," zei Dik, "dat alles er netjes en zindelijk uitziet in je

tent, en maak de kopjes telkens schoon, als er uit gedronken is. De

menschen hebben een hekel aan vuile koppen en schotels."

Dik wist wel, dat Mietje niet aan overdreven zindelijkheid leed.

"Daar zal ik voor zorgen," zei Mietje.

Van een kastelein had zij de noodige koppen en schotels geleend. Zoo

werd Mietje door de hulp van verschillende menschen, die medelijden

met haar hadden, netjes ingespannen, en om één uur stond zij al in

hare tent, gereed om de gasten te ontvangen.

Jan en Karel hadden goed geraden. Dien middag kregen zij inderdaad

vacantie. Dat gaf eene vreugde. Onder een luid gejoel verlieten de

kinderen de school, om te gaan eten. Sommigen gunden zich daar haast

den tijd niet eens toe, zoo verlangden zij om op 't ijs te komen.

Om een uur krioelde het al van jongens en meisjes op de baan, en Mietje

kreeg het al aardig druk in hare tent. Jan en Karel waren er ook. Hun

eerste gang was naar Mietje, want zij wilden graag de eersten zijn,

die wat bij haar kochten. En Mietje zag er wat helder uit. Van Anneke

had zij een grooten huishoudboezelaar gekregen, die hare armoedige

plunje geheel bedekte. Ook de kopjes waren helder gewasschen, en

't zag er gezellig bij haar uit. Jan en Karel zagen met genoegen,

dat zij het verbazend druk kreeg. Dat was trouwens geen wonder, want

zij was de eenige, wier tent geheel klaar was. Er waren er nog wel

verscheidene in aanbouw, maar gereed was er nog maar een, en dat

was de hare. Wat hadden de twee jongens er een pret in. Vroolijk

zwierden zij op de baan heen en weer, want zij konden goed rijden,

vooral Jan. Die kon al zwieren als de beste. Dat had hij van zijn

vader geleerd die ook een groot liefhebber van het ijsvermaak was. En

als zij een poosje gereden hadden, gingen zij uitrusten in de tent

van Mietje, die er recht gelukkig en tevreden uitzag, want zij kon

wel aan het bedienen blijven.

"Dikke Pieten! Dikke Pieten!" riep Karel lachend zijne kameraden

toe. "Steekt er eens op, en legt er eens aan! Lekkere, versche dikke

Pieten! De mooiste ijskoeken van de wereld!"

De jongens en meisjes lachten er om, en toen zij hoorden, dat Mietje

het zoo erg arm had en dat haar man ziek was, en daarbij vernamen, dat

Karel en Jan samen die mooie tent voor haar hadden gebouwd, kijk,--toen

wilde iedereen ook een steentje bijdragen om den nood der arme menschen

te lenigen, en wie wat koopen wilde, deed het daarom bij Mietje.

Jan ging ook achter de tafel staan, en riep zoo hard hij kon:

"Heete melk en koude Jan,

Steekt er eens op en legt er eens an!"

De kinderen moesten er hartelijk om lachen, maar 't gevolg was toch,

dat de koeken als 't ware wegvlogen, en dat Mietje telkens een nieuwen

voorraad melk moest koken. Hare zaakjes gingen best, opperbest, en

zij ontving zooveel geld, als zij in haar heele leven nog niet bij

elkaar had gezien.

Later op den middag kreeg zij het nog drukker. Toen kwamen de groote

menschen op de baan. Ook Dik Trom stapte met zijn schaatsen onder

den arm het ijs op. En even later verschenen de twee mannen, met

wie hij al van zijne vroegste jeugd af trouwe vrienden was geweest,

namelijk Piet van Dril, de smid, en Jan Vos, de metselaar. In de

tent van Mietje bonden zij de schaatsen onder. Dik trakteerde eenige

jongens, die dicht in de nabijheid stonden, op dikke Pieten, en even

later zwierde het drietal lustig over de baan. Wat kreeg deze meer en

meer een vroolijk aanzien. De andere tenten waren nu langzamerhand ook

gereed gekomen, en de vlaggen wapperden vroolijk in den wind. En wat

kwamen er een menschen op het ijs! 't Werd er hoe langer hoe voller,

en soms, als de menschen erg dicht op een hoop stonden, gaf het ijs

een geweldigen krak, zoodat iedereen er van schrikte en men ijlings

uit elkander stoof.

De baanvegers hadden weinig te doen, want het ijs was spiegelglad. Des

te meer tijd hadden zij om geld op te halen.

"Een centje voor den baanveger!" klonk het hier. "Een centje voor den

baanveger," klonk het daar. 't Leek wel, of de baanvegers uit den bodem

van het kanaal opstegen, zooveel kwamen er. Maar de schaatsenrijders

genoten volop, en zij hadden een gulle bui. Dik Trom, wiens winkel

thans verreweg de grootste was van het geheele dorp, zoodat hij veel

geld verdiende en van nabij met den toestand der baanvegers bekend was,

liet menig dubbeltje in de handen der baanvegers overgaan. Hij was

niet gierig, en als hij wist, dat hier of daar armoede geleden werd,

was hij altoos bereid om te helpen. Hij was dan ook verbazend bemind

onder zijne dorpsgenooten. Iedereen had een vriendelijk woord voor

hem over, en niemand passeerde hem zonder een groet.

"Dag Dik!" werd er overal geroepen, waar hij voorbij reed. "Dag

Dik! Dat is nog eens een echt ouderwetsch dagje, hè?"

't Was vreemd, maar Dik werd op het dorp nog bijna door iedereen Dik

genoemd. Zelden zeide men Trom tegen hem.

De Zoon van Dik Trom · 第 8 / 11 段