En Jantje beloofde hem, dat hij het nooit, nooit weer doen zou. Dik

was er blij om toen hij hoorde, dat het Jantje's eerste strooptocht

geweest was, en hij vertrouwde er stellig op, dat het ook de laatste

zou geweest zijn.

Na dien dag keek Flipsen den zoon van Dik Trom nooit meer vriendelijk

aan. Hij had een hekel aan Dik gehad, zoolang hij hem had gekend, en

dat sloeg nu op Jantje over. Dat kon deze zeer goed merken. Als hij

met zijn bok uit rijden was en hier of daar even uitstapte, wat nog

al dikwijls gebeurde, zoodat zijn bok gelegenheid kreeg om wat gras

of klaver van den berm te eten, kwam Flipsen, zoodra hij dat zag,

op hem af, en gaf een geducht standje.

"Die bok màg daar niet loopen, en nog veel minder van dat gras

eten. Dat gras is immers niet van jou? Of heeft je vader misschien

den berm gepacht?"

"Neen Flipsen, dat geloof ik niet."

"Ik weet het zeker. Dat gras is van Geurs, en je bok moet er

afblijven. Als ik het weer zie gebeuren, zal ik er proces-verbaal van

opmaken, hoor je. Denk jij, dat je maar doen moogt, wat je wilt? Ik

zal je dat wel anders leeren. 't Is gewoon diefstal, maar daar storen

jullie je niet aan, hè? Jij niet,--en je vader niet! Pas op je tellen,

mannetje, of je loopt er nog eens geducht tegen."

Zijn vader lachte er om, toen Jan het hem vertelde.

"Gekheid, jongen, maak je maar niet ongerust. Als je geen grooter

kwaad doet, is het nog al zoo erg niet, en zal Flipsen je wel met

rust laten. 't Is een nijdige kerel, die het allen menschen lastig

maakt. 't Is ook al erg, dat die bok daar een mondje gras of klaver

eet. Dat doet mijn hit immers elken dag ook? En de menschen, die het

gras van de publieke wegen pachten, weten immers vooruit, dat zulke

dingen niet te keeren zijn. Daarom betalen zij ook minder pacht. 't

Is te gek om er van te praten, Jan, en maak je maar niet ongerust. 't

Zal zoo'n vaart niet loopen."

Na dien tijd liet Jan zijn bok gewoon z'n gang gaan, of Flipsen het

zag of niet. Dat begon Flipsen geducht te vervelen, en eindelijk

maakte hij er werkelijk proces-verbaal van op.

"Jij heet Jan Trom, hè?" zei hij, zijn zakboekje te voorschijn halende.

"Ja," zei Jan.

"Hoe oud ben je?"

"Tien jaar," zei Jan.

"Zoon van Dik Trom, hè?"

"Ja wel."

"En je erkent, dat je bok hier gras en klaver van den berm eet?"

"Ja," zei Jan, "dat kan ik niet ontkennen."

"Mooi zoo," zei Flipsen, die zijn boekje met een flap dichtsloeg,

"daar zal je wel meer van hooren, manneke. Jullie doet maar, of er

geen overheid bestaat. Maar 't zal je berouwen."

Toen Jan het aan zijn vader vertelde, haalde deze glimlachend de

schouders op.

"Wat bezielt dien man toch," zei hij. "Maak je maar niet ongerust,

't is een storm in een glas water. We hooren er hoogstwaarschijnlijk

nooit meer iets van."

Dat was ook zoo. Toen Flipsen met zijn proces-verbaal bij den

burgemeester kwam, lachte deze den veldwachter hartelijk uit.

"Ben je dwaas, Flipsen," zei hij. "Denk je, dat we met zulke nesterijen

bij den Officier van Justitie kunnen komen?"

"Maar burgemeester, 't is toch diefstal?" zei Flipsen knorrig.

"Dat beschouw ik niet als diefstal," was het antwoord. "Op die manier

zou een jongen zelfs geen konijntje meer kunnen houden, als hij niet

een beetje gras van den berm mag snijden. 't Is te mal om er van

te praten."

Hiermede kon Flipsen vertrekken, maar Jantje keek hij nooit meer

vriendelijk aan. En dat zou nog erger worden, geheel buiten Jan's

schuld.

Op een avond waren Jan en Karel met nog een paar andere jongens aan

het spelen op de markt, toen zij opeens een eigenaardig puffend geluid

hoorden. Verwonderd keken zij in het rond, om te zien, waar dat geluid

vandaan kwam. En tot hun groote verbazing ontdekten zij een wagen

zonder paard er voor, die met groote snelheid langs den weg vloog.

"Boe!--Boe!--Boe!" klonk het geluid van een grooten horen. In den wagen

zaten heeren en dames, die zich vreeselijk mal toegetakeld hadden. Zij

droegen groote stofbrillen voor de oogen, en zagen er uit als ijsberen.

't Vreemde rijtuig was een automobiel, en wel de eerste automobiel,

die het dorp, waar Jan woonde, met een bezoek vereerde.

"Kijk, kijk!" riepen de jongens, "wat een gekke wagen!"

"Zij lijken wel van den Noordpool te komen," merkte Jan op. "'t Is

een wagen vol ijsberen. Kijk, daar houdt hij stil voor de herberg

van De Vries. Gaan jullie mee kijken?"

De jongens liepen, wat zij loopen konden, om bij het vreemde voertuig

te komen.

"'t Is eene automobiel!" zei Karel van Dril. "'k Weet zeker, dat het

eene automobiel is!"

"Gaat die door stoom?" vroeg Jan.

"Neen, ze stoken er benzine in, zei Vader. O, ze kunnen zoo hard

rijden, wel zoo hard als een sneltrein."

De jongens hadden den wagen spoedig bereikt, en bekeken hem aan

alle kanten. De reizigers waren het café binnengegaan, om iets te

gebruiken. En al spoedig stonden er heel wat menschen om het vreemde

voertuig, want velen hadden wel al van automobiles gehoord of gelezen,

maar nog slechts weinigen hadden er een gezien.

"Ik noem het een mooi ding!" merkte Jan wijs op. "Ik zou er mijn

bokkewagen wel voor willen ruilen."

"Wat je zegt!" zei Karel lachend. "Kijk, hij staat nog te trillen en

te zuchten, of het een levend wezen is."

"Hij is moê," lachte Jan. "Hij staat uit te blazen. Die twee groote

lantaarns voorop zijn net een paar oogen.--Zeg Karel, zoo'n automobiel

ga ik ook maken."

"Je doet wat!" lachte Karel een beetje spottend. "'t Is maar geen

kleinigheid. Je begrijpt toch, dat er een heele machinerie binnenin

zit?"

"O ja natuurlijk," zei Jan. "Ik bedoel ook niet, dat ik een echte ga

maken, want dat zou jou vader nog niet eens kunnen, en die kan haast

alles,--maar ik maak toch net een wagen als dit ding, wat ik je zeg."

Op dit oogenblik kwamen de reizigers weer naar buiten en namen

in de auto plaats. De chauffeur greep het stuurrad deed een paar

geheimzinnige grepen in den wagen, en er kwam leven in het monster. Het

trillen en schokken werd heviger, en opeens schoot het gevaarte met

kracht vooruit.

"Poe! Poe! Poe!" toeterde de reusachtige horen.

De omstanders sprongen verschrikt op zijde, en een oogenblik later

was de wagen uit het gezicht verdwenen. Hij vloog als het ware langs

den weg, de menschen in een wolk van stof achterlatende.

Jan stond het vreemde voertuig met open mond na te staren. En toen

hij het niet meer kon zien, riep hij zijn makkers toe:

"Dag!--Ik ga naar huis!"

Op een drafje liep hij weg. De auto had een overweldigenden indruk op

hem gemaakt, en hij was besloten niet te rusten, voor hij er ook een

had. Wel een week lang bleef hij voor zijne kameraden onzichtbaar,

behalve op school natuurlijk. Daar mòèst hij wel heen. Maar al zijn

vrijen tijd besteedde hij aan het vervaardigen van zijne automobiel,

en dat was geen gemakkelijk werkje. Hij schoot er vlug mede op,

en was verbazend trotsch op het product van zijne handen.

De kinderwagen, waarin zijne Moeder hem gereden had, toen hij nog een

klein kereltje was, had hij van het bovenstel ontdaan, zoodat alleen

de wielen overbleven. Zijn Moeder had hem daartoe hare toestemming

gegeven, omdat de wagen oud en versleten en dientengevolge geen

dubbeltje meer waard was.

Toen had hij van zijn vader een paar pakkisten gevraagd, die hem

graag werden afgestaan.

"Wat moet je er meê uitvoeren, Jan?" had zijn Vader gevraagd.

"Ik maak er een automobiel van," zei Jan, en toen vond zijn Vader het

goed. Die kisten gaf hij precies het model van de auto, en bevestigde

ze daarna op het onderstel van den kinderwagen. Keurig netjes timmerde

hij er twee bankjes in, een voor- en een achterbankje. Gelukkig

mocht hij het gereedschap van zijn grootvader gebruiken, en deze gaf

meermalen goeden raad.

Maar nu kwam het moeilijkste nog aan, want hij wilde zijn wagen van een

toestel voorzien, waarmede hij hem in beweging kon brengen, zonder dat

het noodig was hem te duwen of te trekken. Het duurde lang, eer hij

daar iets op gevonden had, en toen hij wist, hoe het worden moest,

kon hij het onmogelijk zonder hulp van een smid uitvoeren. Hij ging

daarom met zijn wagen naar Piet van Dril, den smid, en legde hem uit,

wat er gedaan moest worden.

"Kijk, Van Dril," zei hij, "zooals het nu is, is het niet goed. De

as van mijn wagen deugt er niet voor. Ik zou naast mijn voorbankje

een wiel willen hebben met een tandrad precies als aan een fiets. Als

nu aan den as van den wagen ook zoo'n rad bevestigd werd, kon er een

fietsketting omgelegd worden, zoodat ik maar aan het wiel te draaien

heb om de kar in beweging te brengen. Aan dat wiel moet natuurlijk

een handvat komen, precies als aan het wiel van een draaiorgel."

Piet van Dril keek hem een poosje peinzend aan, en krabde zich in

gedachten achter het oor. Eindelijk gaf hij Jan een geduchten klap

op diens smalle schoudertje, zoodat de beentjes ervan haast kraakten,

en zeide:

"Dat heb je al wonder knap bedacht, Jan. Wonder knap, zeg ik! Je kon

wel ingenieur of zoo iets worden. Maar hoe moet je aan zoo'n wiel

met een handvat komen? Ik heb er geen."

"Wij wèl, Van Dril," zei Jan. "In de schuur ligt die oude koffiemolen

nog van ons, u weet wel, die oude afgedankte uit den winkel. En daar

zit een groot wiel aan met een handvat."

"Juist!--Ja, juist," zei Van Dril. "Wel jongen, ik vind, dat je

het zóó knap bedacht hebt, dat ik je nu eens voor pleizier aan die

kamraderen helpen wil. Haal dat wiel maar hier."

Wat was Jantje blij. Hij liep als een haas naar huis om het wiel

te halen en was den geheelen avond niet uit de smederij weg te

krijgen. Geen wonder waarlijk, want Van Dril hield woord. Hij smeedde

de kamraderen aan den vooras van den wagen en aan het wiel van den

koffiemolen, maakte een oude fietsketting pasklaar, en zette alles

netjes en flink in elkander.

Jan stond er verrukt naar te kijken, en Karel niet minder.

"Nu moet ik nog een horen hebben!" zei Jan, zich de handen wrijvende

van genot.

Ja, en nog twee lantaarns," zei Karel. "Je weet wel, dat zijn de oogen

van het beest. Een paar oude fietslantaarns konden er best dienst

voor doen. Vader, hebben wij nog niet een paar van zulke oudjes?"

"O, ja wel," zei Van Dril. "Hier heb je er twee."

In een kwartiertje had Jan ze voor aan de auto bevestigd. Toen nam

hij nog een veerkrachtig metalen plaatje, en timmerde dat aan den

linkerkant van den wagen, er voor zorgende, dat de spaken van het

voorwiel er beurtelings tegen aan tikten, als de wagen in beweging

kwam. Daardoor werd een geluid veroorzaakt, dat precies het tuffen

van een auto nabootste.

Nu was de wagen klaar. Jan en Karel brachten hem naar buiten, waar

Jan op het voorbankje ging zitten, en Karel op de achterbank. Jan

nam het handvat en draaide het wiel rond. Ha, wat reed het karretje

prachtig. De twee jongens konden hun lachen niet houden van

pleizier. 't Was precies een auto, en hij maakte een aardig gangetje.

't Was maar jammer, dat de voorwielen niet om een spil konden draaien,

want nu kon de wagen alleen vooruit en achteruit, maar van sturen

was geen sprake.

Elken avond gingen de jongens er meê spelen en zij hadden niet weinig

bekijks. Maar Jan raakte er door in volslagen vijandschap met Flipsen,

en toch was het geheel buiten zijne schuld. Dat kwam zoo.

Karel van Dril moest eene boodschap voor zijn vader doen, en daarom

besloot Jan maar alleen met zijn auto te gaan rijden. Eerst tufte

hij een paar malen het dorp door, en ging toen naar het fort even

voorbij het kerkhof, dat aan het einde van 't dorp lag. Daar werd een

fort aangelegd waarlangs een hooge kluft liep. Jantje besloot van die

kluft af te tuffen. Jongen, wat zou hij dan een snelle vaart krijgen!

Nu, dat was ook zoo. Hij duwde zijne auto tegen de hoogte op, ging er

toen in zitten, en reed vliegensvlug naar beneden. Ha, nu leek het

precies een echte automobile. Hij toeterde, dat het een lust was om

te hooren, en het stof dwarrelde achter hem omhoog. 't Was verbazend

te zien, hoever zijn kar nog voortreed, als hij den vlakken weg reeds

had bereikt.

Jan vond het spelletje zoo mooi, dat hij aan geen ophouden

dacht. Zoodra was hij niet beneden gekomen, of hij duwde de kar

opnieuw naar boven, en liet zich dan weer vliegensvlug gaan.

Toen hij eens weer op het hoogste punt aangekomen was en gereed stond

om in te stappen, kwam van den anderen kant juist Flipsen aan. De man

was bepaald in eene erg knorrige bui, want hij keek verschrikkelijk

boos. Zoodra hij Jan zag, bleef hij staan en zeide:

"Zoo,--wat voer jij hier in je eentje uit? Zeker niet veel goeds, hè?"

"Ik doe in het geheel geen kwaad, Flipsen," zei Jan. "Ik rijd alleen

maar met mijn auto van de hoogte af, omdat het zoo lekker gaat."

"Ja, ja," zei Flipsen, "jij hebt je woordjes wel klaar, maar ik

vertrouw je niet verder, dan ik je zie. Pas op, manneke, ik waarschuw

je, dat je geen verkeerde dingen doet, want ik heb je al lang in

de gaten."

Flipsen vervolgde zijn tocht langs de kluft naar beneden.

Jan besloot nog een poosje te wachten, want hij zag zeer goed, dat

Flipsen om de een of andere reden uit zijn humeur was, en dat het maar

het veiligst was hem uit den weg te blijven. Hij nam plaats op het

voorbankje en was van plan zoo lang te wachten, tot Flipsen weg was.

Dat duurde geruimen tijd, want het was eene lange kluft, en Flipsen

kuierde op zijn gemak naar het dorp.

Opeens voelde Jan, dat er beweging in zijne auto kwam. Deze werd met

kracht vooruit geduwd. Hij keek om en zag, dat Frans Tor achter de

kar liep. Lachend zei deze:

"Ik zal je een zetje geven, Jan, dan ga je vliegensvlug naar beneden."

"Niet doen,--niet doen, Frans!" riep Jan hem waarschuwend toe. "Ginder

loopt Flipsen, en ik wou hem liever niet voorbij rijden."

"Gekheid! Wat kan jou Flipsen schelen!" riep Frans terug. Met alle

kracht en zoo snel hij loopen kon, duwde deze de kar naar beneden.

Opeens liet hij haar los, en voort vloog Jantje, in ijlende vaart

de helling af. Angstvallig hield hij de oogen gericht op Flipsen,

want hij vreesde niet zonder reden, dat er veel kans bestond om hem

onderst-boven te rijden.

"O jé!" dacht Jan met een zucht van ontsteltenis, "als dat maar goed

afloopt! Ik vlieg regelrecht op hem aan. Had ik maar een stuur aan

mijn auto, dan kon ik langs hem heen rijden, of een rem, om den wagen

tot stilstand te brengen.--Poe,--ik geloof, dat ik hem regelrecht

tegen de beenen vlieg!"

Jantje begon op zijn horen te toeteren, dat het wel vijf minuten ver

te hooren was, maar Flipsen keek niet op of om. Jan zag dat tot zijn

grooten schrik. Hij zag ook, dat Flipsen recht-uit, recht-aan verder

liep, zonder ook maar een stap op zijde te gaan.

"Zou hij me niet hooren?" dacht Jan, en hij toeterde zoo hard, dat

zijn horen er van berstte, en in 't geheel geen geluid meer gaf.

Jan was ten einde raad, want hij naderde Flipsen met groote snelheid,

en 't leed geen twijfel, of bij dezen voortgang reed hij hem pardoes

tegen de beenen.

Hij probeerde de kar op zijde te rukken, maar tevergeefs.

"Hei, hei daar, hola Flipsen!" riep hij in doodsangst den boozen

veldwachter toe, want hij was hem bijna genaderd.

Maar Flipsen verkoos geen stap op zij te gaan.

"Dat moet er nog bijkomen, dat ik, een regeeringspersoon, voor een

kwâjongen uit den weg moet gaan. Dank je hartelijk. Hij moet voor

mij uitwijken, en niet ik voor hem. 't Zou me wat moois worden op

die ma..."

"Bom!"

Daar voelde hij een geduchten smak tegen zijn kuiten, en op 't zelfde

oogenblik sloeg hij met kracht achterover in de auto van Jantje. En

voort vloog de kar. Flipsen lag met zijn beenen omhoog in den wagen,

en hij zag geen kans om overeind te komen.

"Satansche jongen," schreeuwde hij, toen hij zijn eersten schrik te

boven was. "Brutale vlegel,--ik zal je leeren!"

't Was een bespottelijk gezicht hem te zien liggen. Vader Dik,

die er juist op aan kwam loopen, wist eerst niet goed, wat hij zag,

maar een oogenblik later barstte hij in een onbedaarlijk lachen uit.

"Wat nu, Flipsen," riep hij den veldwachter toe, "ga je in het karretje

van mijn Jan rijden?"

Flipsen richtte zich op uit zijne moeielijke positie, en bracht met

zijne beenen de kar tot staan. Maar waar was Jan? Er was tot verbazing

zoowel van Dik als van Flipsen, geen spoor van hem te zien.

Flipsen was woest van kwaadheid, en met gebalde vuist kwam hij op

Dik af.

"'t Is eene schande, eene schande!" schreeuwde hij Dik toe. "Ik zeg,

't is eene schande om je zoontje zoo tegen mij op te zetten, en hem

te leeren mij te bespotten. Maar ik zal hem krijgen,--ik zal hem

krijgen,--ik zal..."

Flipsen wist van kwaadheid niet, wat hij zeggen moest, en met toornige

blikken keek hij van Dik naar de auto, die verlaten aan den kant van

den weg stond, en van de auto naar Dik. Maar deze deed niet anders

dan lachen, want het was hem onmogelijk zich te bedwingen.

"Bedaar toch, Flipsen, bedaar toch!" riep hij tusschen de buiën door

den veldwachter toe.

"Bedaren?" schreeuwde Flipsen. "Bedaar jij met je gelach, dat zou

je fatsoenlijker staan. Foei man, ik zou me schamen, om mijn kind

zoo'n opvoeding te geven. Maar ik zal hem wel krijgen, den rakker,

wacht maar!"

Met groote schreden vervolgde Flipsen zijn weg, zonder Dik of de auto

met een enkelen blik te verwaardigen.

Dik lachte nòg!

"Wat was dat een bespottelijk gezicht!" zei hij binnensmonds. "Maar

waar mag Jan toch zitten? 't Is zijn auto, dat weet ik zeker. De

jongen zal toch geen ongeluk gekregen hebben..."

Dik werd ernstiger, en hij wierp een blik langs de kluft om te zien,

of Jan zich daar bevond.

Opeens hoorde hij echter diens welbekende stem.

"Pssst, Vader,--is hij weg?" werd hem half fluisterend toegeroepen. 't

Geluid kwam uit de auto.

Dik draaide zich om, en waarlijk, daar kwam Jantje's smalle hoofdje

van tusschen het voor- en het achterbankje te voorschijn. Snel keek

Jan om zich heen.

Ha, de veldwachter verwijderde zich met groote schreden. Dik kwam

naderbij.

"Hoe zit jij daar zoo tusschen die banken gewrongen, kind?" vroeg hij

lachend, want de heele geschiedenis maakte op hem een onweerstaanbaar

lachwekkenden indruk. "En wat is er eigenlijk gebeurd?"

Jan kroop nu uit den wagen en zeide:

"O, Flipsen was erg boos, waarom weet ik niet. Ik stond met mijne auto

ginds op de hoogte, en was juist van plan om naar beneden te rijden,

toen Flipsen mij een standje gaf, omdat ik--ja, ik weet echt niet

waarom, want ik deed in 't geheel niets. En toen ging Flipsen verder,

en omdat hij zoo boos was, meende ik te wachten, tot ik hem niet meer

kon inhalen. Maar Frans Thor kwam onverwachts achter me en gaf me

een harden duw, zoodat ik naar beneden vloog, regelrecht op Flipsen

aan.--Wat zat ik in de benauwdheid, Vader. Ik toeterde zoo hard ik kon,

en toen nòg harder, zoodat de horen er van gebarsten is. Hoor maar,

hij geeft geen geluid meer. Maar Flipsen deed net of hij doof was,

en keek niet op of om, tot ik eindelijk zag, dat ik hem niet meer

ontwijken kon. Ik kroop vlug tusschen het voor- en het achterbankje

en maakte mij zoo klein mogelijk, en op 't volgende oogenblik vloog de

kar Flipsen van achteren tegen de beenen, zoodat hij achterover op de

kar viel. Zoo reden we samen verder, tot u kwam. Wat zat ik in angst,

Vader. Ik zweet nog, als ik er aan denk."

Dik kreeg opnieuw een lachbui, waar haast geen einde aan kwam, zoo

mal vond hij het.

"Dus je magere leden hebben je gered!" riep hij eindelijk uit. "Als

je zoo mager niet was geweest, had je je onmogelijk op zoo'n klein

plaatsje kunnen opvouwen. 't Is merkwaardig. Ga maar gauw naar huis,

en blijf Flipsen zoo ver mogelijk uit de voeten, want hij is meer

dan kwaad op je."

"Maar Vader, ik kon er toch niets aan doen."

"Ja jongen, dat weten _wij_ wel, maar _hij_ gelooft het niet. Blijf

van avond verder maar stilletjes thuis."

Jan beloofde dat, maar hij ging toch even naar de smederij, om het

geval aan Karel Van Dril en diens vader te vertellen, die er ook niet

weinig om lachen moesten.

Jan evenwel verzonk in diep gepeins, want de kar beviel hem zoo niet

meer. Hij nam zich vast voor niet te rusten, voordat hij de voorwielen

aan een beweegbaren as verbonden had, zoodat hij de auto sturen kon,

en dan nog wilde hij er een rem aan hebben.

Toen Dik 's avonds het geval aan Jan's Grootvader vertelde, moest

deze er ook braaf om lachen, en hij kwam tot de conclusie, dat Jan

ook een bizonder kind was--en dat was-ie!

Negende Hoofdstuk.

Jan omarmt den schoorsteenveger met groote innigheid.

Flipsen wàs en blèèf erg boos op Jan Trom. Misschien zou die boosheid

langzamerhand wel wat afgezakt zijn, als het malle figuur, dat hij

gemaakt had, niet door het geheele dorp bekend geraakt was, maar dat

gebeurde wèl. Frans Thor was daar de schuld van. Toen hij Jan met

zijne auto zoo'n geduchte vaart gegeven had, bleef hij lachend staan

kijken, hoe de zaak zou afloopen, en zoo had hij alles gezien, wat er

gebeurd was. Hij gierde het uit van de pret, en hij vertelde het aan

iedereen, die het maar hooren wilde. En wat nog erger was: hij hield

Flipsen telkens voor den gek, als hij hem op straat tegenkwam. Dat zou

Jan Trom in geen geval gedaan hebben, want hij vond het geval voor

Flipsen al erg genoeg, maar Frans deed het wèl en Klaas Zwart hield

hem daarbij trouw gezelschap. Telkens als zij Flipsen ontmoetten,

begonnen zij te tuffen als eene auto, zonder Flipsen aan te kijken.

"Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf!" zei dan Frans.

"Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf!" zei dan ook Klaas, en dan tuften zij om het

hardst. Eerst had Flipsen er geen erg in gehad, maar toen het telkens

gebeurde, als die jongens in zijne nabijheid waren, begon hij lont

te ruiken. Hij keek ze aan met een paar oogen, of hij hen verscheuren

wilde, maar dat deed hij toch niet.

Doch toen hij hen later weer tegenkwam, en zij opnieuw begonnen

te tuffen, sprong hij plotseling op hen af, en gaf hun ieder een

klinkenden draai om de ooren. Dat gebeurde zóó snel en onverwachts,

dat de twee jongens eerst niet eens goed begrepen, wat er gebeurde.

"Au!" riep Frans.

"Au!" riep Klaas.

En beiden grepen zij naar hun ooren, waar zij een stekende pijn

voelden.

Flipsen lachte, en gaf hun een tweeden.

"Daar!" zei hij. "Ik zal je leeren tuffen! Hard gaat-ie, hè?"

Ze gingen allebei hard, want vóór Flipsen gelegenheid kreeg hun

nog een derden oorveeg toe te dienen, zetten zij het op een loopen,

zoo hard zij konden. En na dien tijd tuften zij niet meer, als zij

Flipsen tegenkwamen. Zij gingen hem zelfs eerbiedig uit den weg.

Op Jan Trom bleef Flipsen erg boos, dat kon Jan duidelijk

opmerken. Flipsen groette hem nooit terug, als hij hem tegenkwam,

en keek hem altoos aan met een blik, die hem niet veel goeds

voorspelde. Jan trok er zich echter niets van aan, want hij voelde

zich volkomen onschuldig.

"Ik heb het niet met voordacht gedaan," dacht hij, "en als ik het

had kunnen vermijden, zou het in 't geheel niet gebeurd zijn. Flipsen

zal dat ook wel begrijpen, als hij er kalm over nadenkt."

En zijn vader zei ook:

"'t Zal van zelf wel weer beter worden, als jij Flipsen maar met rust

laat en hem zooveel mogelijk uit de voeten blijft. Hij zal dan zelf

wel begrijpen, dat hij zich vergist heeft.

En zoo was het ook. Toen Flipsen opmerkte, dat Jan hem altoos even

beleefd bleef groeten en hem nooit voor den gek hield, bedaarde zijne

boosheid meer en meer, en eindelijk groette hij Jan zelfs terug.

Jan peinsde voortdurend op een middel, om eene herhaling van het

gebeurde te voorkomen. Hij was vast besloten niet te rusten, voor

hij zijne auto bestuurbaar had gemaakt. En eindelijk meende hij het

gevonden te hebben. Hij had er een spil voor noodig, met aan het

boveneinde een stuurrad, precies als aan eene echte auto. Die spil

moest van onderen bevestigd worden aan den vooras, welke beweegbaar

moest zijn. Als hij dan in zijn auto zat, kon hij hem gemakkelijk

door middel van het stuurrad heen en weer bewegen, waardoor hij den

wagen geheel in zijne macht kreeg.

Nauwelijks waren zijne plannen tot rijpheid gekomen, of hij begaf

zich na schooltijd op weg naar Van Dril, zonder wiens hulp hij

geen kans zag een en ander ten uitvoer te brengen. Er zou echter

dien avond niet veel van komen. Hij was nog maar pas zijn huis uit,

of hij kwam Dries Klomp tegen, den jongsten knecht van Jan Vos. Deze

had een emmertje in de hand, en een bezem, een bosje stroo en een

touw onder den arm. Hij werd op het dorp meestal bij zijn voornaam

genoemd en stond bekend als een grappenmaker.

"Dag Dries!" riep Jan hem toe.

"Zoo Jantje," zei Dries. "Jongen, jongen, wat word je toch dik in den

laatsten tijd. Als je niet oppast, kun je weldra met de konijntjes

door de tralies van het hok meê-eten."

"Is het waar?" vroeg Jan lachend, want hij kon wel tegen een klein

plagerijtje. "Dan zal ik de koolstronkjes voor jou laten liggen. Is

dat goed?"

"Graag,--asjeblief. Ga je mee naar den molenaar? Dan kun-je me helpen

aan 't vegen van de schoorsteenen. Dat is een mooi werkje voor je."

De Zoon van Dik Trom · 第 5 / 11 段