Klaas Zwart zag, dat het ernst werd en maakte, dat hij op een

eerbiedigen afstand kwam, want hij was laf van aard. Maar Frans

niet. Deze was de grootste en sterkste, en de zweepslag had

hem vreeselijk nijdig gemaakt. Hij kon een kreet van pijn niet

onderdrukken, en de tranen sprongen hem in de oogen. Woest viel hij

op Jan aan, die de zweep alweer opgeheven had, om hem een tweeden

striem te geven.

"Laat de kar los, zeg ik je!" riep hij Frans toe.

"Dat zal ik," antwoordde Frans, en hij greep Jan met beide handen

aan. Jan liet zijne zweep op den grond vallen, om zich beter te

kunnen verweren.

"Geef hem zijn portie, Frans!" schreeuwde Klaas Zwart uit de

verte. "Als je 't alleen niet afkunt, zal ik je wel komen helpen."

"Daar moest je 't hart eens toe hebben," riep Karel van Dril

terug. "Dan krijg je 't met mij te doen."

De twee jongens waren geducht met elkaar aan 't worstelen, en iedereen

dacht, dat Frans het gemakkelijk winnen kon, omdat hij zooveel ouder

en sterker was, maar Jantje was de vlugste. Hij wist al spoedig

tusschen Frans' armen door te glippen, liet zich vliegensvlug op

zijne knieën vallen, greep Frans bij de beenen, en liet hem in een

ommezien een buiteling maken. Daar lag Frans lang-uit op den grond,

tot groot vermaak van de jongens, die hem zijne smadelijke nederlaag

van harte gunden.

"Ha, ha, daar ligt de praatsmaker!" riepen ze juichend. "Waar blijf

je nu met je praats?"

Jan nam den stok van Frans en gaf hem een geducht pak slaag, veel

te hard naar den zin van Frans, die schielijk overeind kroop, en

beenen maakte.

Wat werd hij uitgelachen! En wat hadden de andere jongens een pret.

Maar Klaas Zwart en Frans Thor lachten niet, en Frans was niet van

plan den strijd op te geven.

Jan stapte weltevreden over de behaalde overwinning weer in zijn

karretje, nam de leidsels van Karel over, en zei:

"Huup bok! Vooruit maar weer.--Dat viel Frans Thor niet meê, hè

Karel? Wat heeft hij gehad!"

"En wat buitelde hij lekker over den grond," grinnikte Karel

vroolijk. "Zij zullen wel niet spoedig terugkeeren."

Dat had hij echter mis.

Frans en Klaas stonden eerst van uit de verte een poosje te schelden.

"Magere sprinkhaan!" schreeuwde Frans.

"Panlat!" smaalde Klaas.

Maar langzamerhand kwamen zij naderbij. Zij liepen al scheldend een

eindje voor den bok uit.

"Hij is zoo oud als je grootvader!" schreeuwde Klaas.

"Verkoop hem aan den slager!" zei Frans. "Die kan misschien nog worst

van hem hakken."

"Niets terugroepen, Jan," raadde Karel aan. "Dan hebben zij er het

minste pleizier van."

De afstand tusschen den bok en de twee scheldende jongens werd

voortdurend kleiner. De bok stapte flink, de pluimen op zijn rug

wapperden prachtig, en de bellen rinkelden helder en luid. Jantje

genoot méér, dan hij zeggen kon. 't Verveelde hem echter geducht,

dat die twee akelige jongens vlak voor zijn bok bleven loopen. Dat

vergalde zijn genoegen. En zij hielden niet op, den gek met zijn bok

te steken, wat hem erg griefde.

Klaas Zwart ging eindelijk vlak voor den bok loopen. Dan liep hij

erg kreupel en met kromme beenen, en riep voortdurend:

"Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!"

De bok lichtte zijn kop op en keek den jongen nijdig aan. 't Scheen

wel, of hij begreep, dat die jongen hem voor den gek hield.

"Bè-è-è-è! Bè-è-è-è! schreeuwde Klaas plagend. "O, wat heb ik 'n

rumathiek in mijn pooten. Bè-è-è-è!"

De bok schudde den kop, en riep ook:

"Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!"

"Zie je wel, hij is het met mij eens!" grinnikte Klaas, die met kromme

beenen en in een gebogen houding voor den bok uitliep.

Plotseling schoot de bok op een drafje vooruit, wat zoo overwachts

gebeurde, dat Jan en Karel bijna achterover uit de kar sloegen. Daarop

sprong de bok op zijn achterpooten overeind, en gaf Klaas zoo'n

geduchten stomp in zijn rug, dat deze voorover op den weg tuimelde.

"Au, au, au, o, wat is dat!" schreeuwde Klaas.

"Bom!" daar drukte de bok hem nog eens met kracht zijne horens in

den rug.

"Au, au, o, o, au!" jammerde Klaas.

Op handen en voeten poogde hij zich te redden.

"Bom!"

De bok drukte hem nogmaals plat op den grond.

Klaas zag doodsbleek van den schrik. Hij spartelde met armen en beenen,

en schreeuwde moord en brand.

Jan en Karel vielen haast uit de kar van het lachen, 't Was dan ook

een bespottelijk gezicht.

Klaas wist geen raad van angst en pijn.

"Help!" riep hij. "Frans, help,--help! Hij maakt me dood!"

Hulp was echter niet meer noodig, want de bok hield uit eigen beweging

met zijn afstraffing op. Hij dacht zeker, dat Klaas het er zóó wel

meê doen kon. Zonder zich aan de leidsels te storen, keerde hij om,

en stapte bedaard verder in de richting van Jan's huis. Dat was

maar goed ook, want het werd tijd, dat Jantje naar huis ging om te

ontbijten. 't Was al over achten, en om negen uur begon de school.

Jan en Karel schoten telkens nog in een lach, als zij aan het malle

figuur van Klaas dachten.

"Hij zal nu wel ondervonden hebben, dat de bok niet rumathiekerig is,

en dat hij nog kracht in zijne horens heeft," meende Jantje, en dat

was Karel volkomen met hem eens.

En wat Vader Dik lachen moest, toen hij het hoorde.

"'t Is bepaald een verstandige bok," zei hij tegen Jan. "Hij begreep

wel, dat die jongen hem voor den gek hield. Maar voortaan zal Klaas

Zwart hem wel uit de voeten blijven."

"Dat denk ik ook," zei Jan.

Den geheelen dag op school moest hij, of hij wilde of niet, aan zijn

mooien bok denken, en aan het leuke karretje, dat zijn grootvader

voor hem getimmerd had, en aan het prachtige tuig met de pluimen en

de rinkelbellen, en de meester had een onoplettenden leerling aan hem,

wat hij niet van hem gewoon was. 't Scheelde dan ook maar een beetje,

of hij had zoowel 's morgens als 's middags school moeten blijven. Bij

't rekenen maakte hij meer dan de helft van de sommen fout, en bij

't lezen wist hij niet, waar hij beginnen moest.

De meester werd eindelijk knorrig op hem.

"Jij moest beter opletten, Jantje, anders worden wij kwade vrienden."

Jan zat toevallig naast Klaas Zwart, en hij kon den jongen, niet

aankijken, zonder te lachen.

"Heb je nog pijn in je rug?" vroeg hij fluisterend.

Klaas keek hem aan als een nijdige spin.

"Zou het misschien rumathiek kunnen wezen?" plaagde Jantje.

"Magere sprinkhaan! Panlat!" siste Klaas tusschen de tanden, en

telkens voelde hij aan z'n rug, die geducht pijn deed.

"Stilte daar!" gebood de meester. "Ik geloof, dat er een paar jongens

zijn, die graag willen nablijven."

Zoover kwam het echter niet, en om vier uur mocht Jantje naar

huis. Karel holde met hem meê, dat spreekt van zelf. Kwart over vieren

stond de bok alweer voor de kar. De beide vrienden namen plaats, en

daar ging het heen. De bok stapte weer even deftig als 's morgens,

en hij keek eigenwijs om zich heen, de bellen rinkelden en de pluimen

wapperden. De jongens vonden het prachtig, en zij reden het heele dorp

door. 't Bleek een prettig dier te zijn. Als de jongens even uit de kar

stapten, om naar een vink te zoeken, die zij hoorden fluiten in het

riet aan den kant van het kanaal, bleef hij geduldig wachten. Alleen

ging hij een weinigje zijwaarts, om op den berm wat gras te eten.

Een eindje voorbij de Roomsche kerk, die aan het einde van het dorp

stond, was de timmerwinkel van baas Meijer, bij wien Jans grootvader

vroeger gewerkt had. Naast den winkel stond een kleine houtzaagmolen,

want Meijer zaagde zijn hout zooveel mogelijk zelf. Er lag dan ook

altoos vóór dien molen in het kanaal een vlot balken in voorraad,

en op die balken gingen de jongens dikwijls spelen. Menigeen had

daar al een paar natte voeten gehaald, en sommigen zelfs een nat

pak. Want die balken waren maar losjes aan elkander verbonden, en

het gebeurde dikwijls, dat zij omkantelden, als de jongens er over

liepen. Er behoorde dan ook heel wat behendigheid toe, om geheel

droog te blijven, als zij er op speelden.

Toen de jongens de houtzagerij bereikt hadden, zei Karel:

"Zeg Jan, willen we eventjes balkje-loopen? Dat is zoo lekker."

Daar had Jantje wel zin in.

"Zou de bok blijven staan?"

"Wel ja,--de bok loopt niet weg. En al was dat zoo, dan kunnen we

hem toch gemakkelijk genoeg inhalen."

"Dat is zoo," zei Jan.

De jongens stapten uit de kar. Jan keerde den bok om en bracht hem

op een plaatsje, waar veel gras en klaver groeide.

"Daar staat hij heerlijk!" zei hij.

Toen gingen de jongens op het vlot, en wipten van den eenen balk op

den anderen. Soms stonden zij met de armen om elkaars hals geslagen

op het einde van een balk, die dan door hun zwaarte langzaam onder

water zonk. Maar vóórdat het water hun voeten bereikte, sprongen zij

vlug naar het hooger gelegen deel van den balk.

En dan lachten zij luidkeels van de pret.

Dat deden zij ook, als een van de balken onder hunne voeten omkantelde,

want dan moesten zij zich door vlugge sprongen redden.

Jantje was een echte waaghals. Dat kwam, omdat hij verbazend lenig

was en nog nooit een ongeluk had gehad.

"Ik moet een beetje voorzichtig wezen," zei hij wijs tegen Karel.

"Waarom?" vroeg deze.

"Wel, ik heb mijn Zondagsche pak aan, doordat ik van morgen vroeg

kopje-onder in de sloot gelegen heb. En als ik nu met mijn mooie

pak weer in 't water viel, zou Moeder me zien aankomen, dat begrijp

je. Jongen, wat zou ik er van lusten!"

"Nou, dat snap ik," zei Karel.

En nauwelijks had hij dat gezegd, of hij merkte, dat zijn paal

omkantelde en dat hij dus veel kans had, naar beneden te rollen. Met

een vlugge beweging sprong hij op den balk, waarop Jan stond, maar

door den schok kantelde deze ook.

Plomp! Daar zakte Jantje tot aan zijn middel in het kanaal. Karel

viel achterover op het vlot, zoodat hij vrij droog bleef.

"O wee!" schreeuwde Jantje, met groote oogen van schrik en angst. Hij

had zijn arm nog om den paal geslagen.

Vlug als hij was, hief hij zich met kracht in de hoogte, en in 't

volgende oogenblik stond hij weer op het vlot. 't Water droop hem

uit zijne Zondagsche broek langs zijne dunne beentjes naar beneden.

Karel schaterde het intusschen uit van pret.

Maar Jantje lachte in 't geheel niet. Hij stapte zonder een woord

te spreken van het vlot af op den kant, en keek zwijgend naar zijn

natte broek.

Karel kwam bij hem.

"Wat zat je daar koddig met je hoofd boven dien paal uit!" zei hij

lachend. "Ik wou, dat je het gezien hadt."

"Ik vind het heelemaal niet koddig!" zei Jantje. "Ik kan me niet

begrijpen, dat je dit nou zoo grappig vindt. Zeg Karel, ik durf zoo

niet naar huis toe, hoor."

"O, ik weet wel raad," zei Karel. "Trek allebêi je broeken uit en je

kousen. Dan neem jij het eene einde en ik het andere, en we draaien

in tegengestelde richting. Op die manier wringen wij al het water er

uit, en dan is het dadelijk droog."

"Is het waar?" vroeg Jantje, met een flikkering van hoop in zijn oogen.

"Stellig!" zei Karel. "Vader heeft wel eens verteld, dat hij het ook

deed, toen hij nog een jongen was. Trek maar uit."

Dat deed Jantje, en al spoedig stond hij met bloote beenen in

het gras. Toen gingen de twee jongens aan het wringen. Eerst de

onderbroek. Karel nam het bovengedeelte en Jantje de pijpen. Karel

draaide van rechts naar links, en Jantje van links naar rechts. En

zij waren zoo in die bezigheid verdiept, dat zij niet zagen, dat

Frans Thor en Klaas Zwart naderden, ieder weer met een stok in de

hand en niet veel goeds in den zin.

Deze twee hadden gezien, wat er gebeurd was, en daar zij nog boos

waren over de nederlaag, die zij 's morgens hadden geleden, besloten

zij wraak te nemen.

Aan den anderen kant van den weg slopen zij zooveel mogelijk ongemerkt

nader, en kwamen meer en meer bij de plaats, waar de bok rustig stond

te grazen.

Juist waren Jan en Karel met de onderbroek klaar gekomen, die zij

op het gras uitspreidden om te drogen, toen de twee vijanden met

een woesten kreet opsprongen, vlak achter den bok, die er geweldig

van schrikte. En dat werd nog erger, toen de jongens hem met hunne

stokken hard op den rug sloegen, en schreeuwden:

"Huup bok, huup bok! Allo! koesssss!"

De bok zette het verschrikt op een loopen, het dorp in. Hij holde

voort, zoo hard hij kon. Van bokkendeftigheid was bij hem geen sprake

meer, hij holde voort als een wild paard.

"Koesssss! Koesssss!" schreeuwden Frans en Klaas hem na.

"Dát is gemeen!" riep Jan verschrikt en verontwaardigd uit, en zonder

te bedenken, dat hij geen broek aan had, sprong hij op, en ijlde zijn

bok na.

Maar deze was hem een geducht eind voor, en rende al midden in het

dorp. Jantje liep wat hij loopen kon, om hem in te halen.

De menschen bleven lachend staan, om de twee hardloopers na te

kijken. 't Was dan ook een dwaas gezicht, dien bok te zien hollen,

met de rinkelende bellen en de wapperende pluimen op zijn rug, terwijl

de leidsels langs de kar zwierden, maar nog veel maller was het Jantje

te zien, die zonder broek zijn bok naholde.

Jantje met zijne dunne beentjes liep het hardst. De keisteentjes deden

wel pijn aan zijne bloote voeten, maar hij voelde het niet, en dat de

menschen om hem lachten, merkte hij evenmin. Hij dacht maar alleen aan

zijn mooien bok. Tot zijn vreugde bemerkte hij, dat hij op hem won, en

dat hij hem misschien nog kon inhalen, voordat hij de brug had bereikt.

Plotseling echter zag hij, dat de bok gegrepen werd. Iemand met

een mandje aan den arm sprong op den weg, en greep den bok bij den

teugel. Daar was Jantje blij om, tot hij opeens zag, dat die man zijn

vader was.

"Hei, hei, wat is dat voor een malle vertooning?" riep Dik zijn

zoontje toe, die hijgend bij den bok stond.

"De jongens hebben hem op hol gejaagd, Vader," zei Jantje, die zijn

vader een beetje uit de voeten bleef.

"Maar hoe komt het, dat jij hier zonder broek langs den weg rent?" ging

Dik voort.

Jantje zweeg.

"Allo, spreek op, mannetje. Waar zijn je broeken, en je kousen en

je klompen?"

"O Vader, ik had ... ik ... ik was ... ik ... had ... ik ..."

"Ik had en ik was en ik was en ik had!" viel zijn Vader in. "Ik was

een ondeugende jongen en ik had een pak slaag verdiend, wil je zeker

zeggen, hè?"

Jantje deed een paar stappen achteruit.

"Spreek op, Jantje, wat is er gebeurd?"

"Ik was in 't kanaal gevallen, Vader, en omdat ik mijn Zondagsche

broek aan had, dorst ik niet thuis te komen, en toen..."

"En toen?"

"Toen hebben Karel en ik mijn broek uitgewrongen, maar toen hebben

Frans Thor en Klaas Zwart den bok op hol gejaagd..."

"En toen ben jij den bok achterna gehold?" vroeg Dik, en opeens

begon hij er smakelijk om te lachen, want hij vond het een koddige

geschiedenis.

"Dat is tweemaal vandaag, Jantje!" zei hij. "Pas maar op, dat je er

niet voor den derden keer invalt. Vooruit, stap in de kar en haal je

kleeren. En ik zou dat wringen verder maar aan Moeder overlaten. Je

gaat direct naar huis, hoor."

"Ja Vader," zei Jantje, die blij was, dat het zoo goed afliep. "Maar

van Frans en Klaas is het een gemeene streek."

"Dat is het," zei Dik.

Jantje stapte in de kar en reed naar het vlot terug, waar Karel op de

natte plunje paste. Jan kleedde zich weer behoorlijk aan, en reed naar

huis terug. Zijn Moeder vond de geschiedenis lang zoo grappig niet als

Vader Dik, maar omdat Jantje jarig was, liep alles nog al goed voor

hem af. Hij kon zijn daagsche pakje weer aantrekken, dat intusschen

gedroogd was, maar met den bok mocht hij dien avond niet meer rijden.

Achtste Hoofdstuk.

Jantje krijgt het met Flipsen te kwaad, en dankt aan zijne

magere leden zijne redding uit een dreigend gevaar.

Hoe ouder Jantje werd, des te meer gingen zijne kameraden van hem

houden. Dat was volstrekt geen wonder, want hij was een aardige

jongen met een goed hart. Van alles wat slecht en leelijk was,

had hij een afkeer, en als sommige jongens nog wel eens iets deden,

waarvan groote menschen last of schade ondervonden, deed hij nooit

meê. Eénmaal had hij appelen gestolen in den tuin van Wobbe, waar de

jongens dikwijls heengingen om vruchten weg te nemen, want Wobbe had

een grooten boomgaard, waarin heel veel lekkers groeide. Jantje had

er nog nooit aan meêgedaan, maar eindelijk liet hij zich overhalen

om ook meê te gaan. 't Was op een herfstavond en ruw weer. De jongens

slopen stilletjes naar de boerderij van Wobbe, die een eindje buiten

het dorp lag, en sprongen na elkander over de sloot. Zoo kwamen zij

in den boomgaard.

Maar Wobbe had zich met een paar knechts verdekt opgesteld, want

dat appelen stelen begon hem geducht te vervelen. Hij had Flipsen,

den veldwachter, wel gewaarschuwd, maar die werd een dagje ouder en

maakte er niet veel werk van.

"Als je een van de dieven snapt, breng je hem maar bij me, dan zal ik

hem wel mores leeren," had hij gezegd. En hij had er aan toegevoegd:

"zelf zal ik ook wel een oogje in 't zeil houden."

Wobbe was daarom besloten, zelf de handen uit de mouwen te steken,

en had zich met zijne knechts op verschillende plaatsen in den

boomgaard verscholen.

Zij hadden er nog niet lang gezeten, toen zij de jongens hoorden

komen. Zij merkten duidelijk, hoewel zij nog niemand zagen, dat

de jongens over de sloot sprongen. Wobbe en zijne knechts bleven,

waar zij waren. Hunne afspraak was, de jongens tot midden in den

boomgaard te laten komen, en hen dan plotseling van drie kanten

tegelijk te bespringen.

Jantje voelde zich in 't geheel niet op zijn gemak, en toen alle

jongens al over de sloot waren, stond hij nog weifelend op den weg.

"Pssst! Pssst!" hoorde hij zacht roepen, 't Was de stem van Karel

van Dril. "Kom maar hier, Jan, alles is veilig."

"O ja," zei een ander, "kom maar gerust. Bij Wobbe brandt het licht

in de huiskamer. Er is niet het minste gevaar."

Jan kwam nader en sprong ook over de sloot.

De jongens gingen behoedzaam verder den boomgaard in.

"Hier!" riep er een. "Kijk eens, wat een prachtige appelen! De boom

zit propvol!"

"Hier ook," riep Karel van Dril een eindje verder. "Kom hier, Jan,

hier zijn peren."

Eerst waren de jongens bang en keken schuw rond, of er geen gevaar

dreigde, maar toen alles stil bleef, steeg hun moed, en liepen zij

brutaal tot midden in den boomgaard.

Frans Thor en Klaas Zwart waren de brutaalsten. De jongens gingen

weinig of nooit met hen om, maar soms sloot het tweetal zich ongevraagd

bij hen aan, en dan waren zij moeilijk te weren.

Frans had een stok bij zich en sloeg er mede tegen de takken. De

appelen vielen naar beneden.

Maar hij kreeg geen tijd om ze op te rapen, want opeens werden zij

van drie kanten tegelijk besprongen.

"Voorwaarts! Grijpt de dieven!" klonk de stem van Wobbe. Deze was

een groote, sterke boer met harde handen.

Verschrikt vlogen de jongens uit elkaar. De een ijlde hier-, de ander

daarheen. Klaas Zwart haastte zich zoo, dat hij in de sloot viel. Tot

aan zijn hals toe zakte hij in het water. Karel van Dril sprong over

de sloot, Frans Thor ook, Gerrit Kikke en Piet Vos kwamen er met

natte voeten af, maar Jantje, die eerst niet wist, wat er gebeurde,

liep den verkeerden kant op, en vloog precies boer Wobbe in de armen.

"Loopen! Loopen, jongens!" riep Frans Thor.

Een van de knechts sprong over de sloot, en riep:

"Wij zullen eens zien, wie 't hardst kan loopen, kereltje!"

En hij liep Frans zoo hard hij kon achterna.

Dat werd een wedren van belang, want Frans was vlug ter been, maar de

knecht nam veel grootere stappen. Frans hoorde zijne stappen hoe langer

hoe dichter achter zich. Eindelijk voelde hij zich bij den kraag van

zijn jas grijpen. Hu, wat kneep die knecht. Frans werd bijna geworgd

maar toch wrong hij zich nog als een aal, om los te komen. Dat gelukte

hem echter niet. De knecht gaf hem een geducht pak slaag, en joeg hem

voor zich uit, terug naar de boerderij. Daar beleefde Jantje intusschen

ook geen prettige oogenblikken, want Wobbe trok hem aan zijne ooren

in de hoogte, tot zijn gezicht vlak voor dat van den boer gekomen was.

Jantje gierde van de pijn!

"Ha zoo, kereltje, wat ben jij licht!" zei de boer met een boozen

lach. "Jij bent te dun om appelen te eten, manneke. Hoe heet jij?"

"Au, au!" schreeuwde Jantje, die spartelde als een mager varken.

"Heet jij au-au?" lachte de boer. "Magere langbeenige mug!"

"Au! Au!" huilde Jantje.

"Heet jij au-au?" herhaalde de boer driftig.

"Neen, au neen, ik heet Jan Trom! Au, au, laat me los asjeblieft!"

"Zoo, heet jij Jan Trom," zei de boer. Hij liet Jantje weer zakken,

tot hij op den grond stond, legde hem toen over zijne knie, en gaf

hem een geducht pak voor zijn broek.

't Werd een warme geschiedenis voor Jantje, want de handen van den

boer waren nog veel harder, dan hij ze zich voorgesteld had. Zoo'n

pak slaag had hij nog nooit van zijn leven gehad, en hij vreesde,

dat er geen stuk van hem heel zou blijven.

Eindelijk liet Wobbe hem los.

"En maak nu, dat je wegkomt!" bulderde Wobbe hem toe, "of ik breng

je nog bij Nero in het hondenhok. Die houdt wel van kluifjes, al zijn

ze mager."

Dat liet Jantje zich geen tweemaal zeggen. Hij liep wat hij loopen

kon, en 't viel hem meê, dat het nog zoo goed ging, want hij dacht

niet anders, of de boer had hem zijne beenderen stuk geslagen. Hij

haastte zich zoo om over de sloot te komen, dat het maar zus of zoo

scheelde, of hij kwam in het water terecht. Maar dat liep gelukkig

nog goed af. En toen vloog hij naar het dorp terug. Zijn rooftocht

was hem bitter slecht bevallen.

Even later hoorde hij de noodkreten van Frans Thor, die door den boer

en zijn knecht onderhanden werd genomen. Jantje liep dientengevolge

nog harder.

"Hij lust er ook van!" mompelde Jantje, die in ijlende vaart

voortholde, "hu, wat slaat die boer hard. Hoor Frans eens schreeuwen."

Na een poosje haalde hij Klaas Zwart in, die zoo hard niet loopen kon,

omdat hij tot aan zijn hals toe in de sloot gezeten had. Klaas huilde,

want hij stelde zich de ontvangst thuis ook niet erg vriendelijk voor.

Jantje ging regelrecht naar huis met het stellige voornemen nooit

meer appelen of peren te stelen. En 's avonds wreef hij meermalen

over zijn broek, omdat hij zoo'n pijn had.

De zaak was echter nog niet uit, want Wobbe vertelde den volgenden

dag aan Flipsen, den veldwachter, welk eene gelukkige vangst hij

had gehad, en gaf hem de namen der schuldigen op. Zoo kwam het, dat

Flipsen den winkel van Trom binnenstapte, waar Dik juist bezig was

een paar klanten te helpen.

Flipsen had altoos nog een kijkje op Dik, want hij was nog niet

vergeten, wat Dik in zijn jeugd voor streken had uitgehaald.

"Goeden avond, Dik!" zei hij.

"Dag Flipsen," was het antwoord. "Wat is er van je dienst?"

"Niet veel moois, man. Ik kom je waarschuwen, dat je wel wat beter

op je zoontje mag passen, want 't is erg, zooals hij op het dorp

huishoudt."

"Zoo, zoo," zei Dik verwonderd en ook een beetje ongeloovig want hij

had nog nooit gemerkt, dat Jantje veel kwaad deed. "Is het zóó erg,

Flipsen? Wat heeft hij uitgevoerd! Jantje is anders zoo kwaad niet."

Dik werd wel een beetje boos over den lompen uitval van Flipsen.

"Dat zeggen alle vaders en moeders van hunne kinderen," hernam

Flipsen. "Van hun eigen kinderen kunnen zij nooit kwaad hooren,

vooral wanneer ze zelf ook nooit gedeugd hebben."

Dik werd nu erg boos.

"Wou je zeggen, dat _ik_ nooit gedeugd heb?" vroeg hij driftig,

en hij zwaaide zoo heftig met den strooplepel,--want hij was juist

bezig een vrouwtje aan een pond stroop te helpen,--dat Flipsen een

flinken lik van dat goedje op de mouw van zijn jas kreeg.

"O, neem me niet kwalijk, dat is bij ongeluk," zei Dik.

"Bij ongeluk! Bij ongeluk!" schreeuwde Flipsen verontwaardigd. "'t

Is een schandaal! En ik zal proces-verbaal tegen je opmaken, wegens

beleediging van een politieman in dienst!"

Hij haalde zijn zakdoek te voorschijn om de stroop weg te vegen, en

maakte de zaak daardoor nog veel erger. De stroop kwam nu bijna over de

geheele mouw. En Flipsen was altijd zoo keurig netjes op zijn uniform.

"Asjeblieft, juffrouw," zei Dik. "Wenscht u nog iets?"

"Neen," zei de vrouw, die haar lachen haast niet kon houden.

"Ik zeg," schreeuwde Flipsen, "dat je wel wat op je lieve Jantje mag

passen, of hij raakt nog in 't hok. Gisterenavond heeft hij appelen

en peren gestolen in den boomgaard van Wobbe, en dat zal wel niet

de eerste keer geweest zijn, denk ik.--Die akelige, ellendige stroop

zit er zoo vast op, dat mijn heele jas bedorven is. 't Is meer..."

"Alleen de mouw maar," zei Dik. "Ik dank je voor de boodschap,

Flipsen. Ik zal er mijn zoontje over onderhouden."

"Zoo vader, zoo zoon," zei Flipsen nijdig, want hij dacht, dat Dik

hem voor den gek hield. Met groote stappen liep hij den winkel uit.

Toch waren die woorden Dik ernst geweest.

Hij herinnerde zich nog best, hoe hij in zijne jeugd ook vruchten

gestolen had, en hoe hij tot inkeer gekomen was.

's Avonds vertelde hij aan Jan, wat er in zijn kinderjaren gebeurd was,

en hoeveel spijt hij er later over had gehad.

De Zoon van Dik Trom · 第 4 / 11 段