"Dank je hartelijk, om zoo zwart als roet thuis te komen," zei Jan. "'t

Is je van harte gegund, Dries."

"Geen lust? Even goede vrienden, hoor. Dag Jan."

"Dag Dries."

Jan vervolgde zijn weg, tot hij onderweg een schilder bezig zag met het

verven van een der lantarenpalen, die aan den weg stonden. Hij mocht

dat graag zien, en bleef er dus een poos naar kijken. De schilder

bevond zich op een ladder, om het bovengedeelte te verven. Op den

grond stond ook een pot met verf, met een kwast er in. Nauwelijks

had Jan dat gezien, of hij greep de kwast en vroeg, of hij ook eens

schilderen mocht.

"Jawel, Jan," was het antwoord. "Maar niet met de verf morsen."

Ha, dat vond hij prettig, en hij smeerde er lustig op los.

"Niet zoo dik, Jan," zei de schilder. "Je moet de verf meer

uitsmeren. Zooals jij het doet, is de paal de volgende week nog

niet droog."

"En zooals u het doet?" vroeg Jan.

"Morgen, denk ik," was het antwoord.

Jan bleef bij den schilder tot de geheele lantarenpaal klaar was, maar

toen ging hij ook direct naar den smid, om aan zijn wagen te werken.

Van Dril had juist een oude fiets van iemand overgenomen, en zijn

zoontje Karel stond te zeuren, of hij er op mocht leeren rijden.

"Hè toe, Vader," zei Karel, "laat mij er maar op rijden. 't Is toch

al een oudje.--Toe maar."

Van Dril zei niets, maar hij lachte eventjes, wat Karel moed gaf,

dat hij de gewenschte toestemming verwerven zou.

"Mag ik, Vader?" vroeg hij nog eens.

"Als je dan maar voorzichtig bent," zei Van Dril. "Breek geen armen

of beenen, en de fiets ook niet."

Dat liet Karel zich geen twee keer zeggen.

"Ga je meê, Jan?" vroeg hij met eene kleur van blijdschap "Dan gaan

we leeren fietsen."

Dat was een kolfje naar Jan's hand. Hij vergat zijn heele machinerie

en ging met Karel naar buiten. Samen hielden zij de fiets vast.

"Ik het eerst, Jan," zei Karel.

"Natuurlijk," was het antwoord.

"Zeg, hij ziet er nog mooi uit, al is het een oudje, hè?"

"Dat geloof ik," zei Jan. "'k wou, dat het de mijne was. Toe,

hier kunnen we wel beginnen. Stap jij er maar op, dan zal ik hem

vasthouden." Karel probeerde op het zadel te wippen, maar op 't zelfde

oogenblik lag hij al op den grond. "Je moet hem beter vasthouden,

Jan," zei hij. "Zóó kan ik er niet op komen."

"Ik hield hem goed vast, maar jij zat veel te scheef!" zei Jan. "Als

je zoo scheef zit, kan ik je niet houden."

Karel stapte nog eens op. Nu ging het beter, en Jan duwde hem vooruit.

"Trappen, jongen, trappen!" riep Jan hem toe. Karel durfde niet. Hij

was bang, dat hij vallen zou. "Trap dan toch! Als je niet trapt,

leer je het nooit!"

Karel drukte zijn rechtervoet naar beneden. Voort ging de fiets,

met het gevolg, dat Jan haar alweer niet houden kon, en Kareltje op

den weg terecht kwam.

"Au!" zei hij. "Dat kwam wel een beetje hard aan."

"Hindert niet!" riep Jan. "Stap maar weer op, maar niet zoo schuin

hangen. Dan ben je me veel te zwaar!"

Wip! Met een vlugge beweging stapte Karel weer op de fiets.

Hij durfde nu al een beetje beter, en drukte de trappers met kracht

naar beneden. 't Was hem echter onmogelijk zijn stuur goed te houden,

zoodat de fiets over den weg slingerde als een dronken man. En als

de fiets naar rechts ging, hing Karel schuin naar links, en ging zij

naar links, dan hing Karel naar rechts.

"Bom!" Daar tuimelde Karel weer over de straat.

Hij gaf echter den moed niet op, en Jan evenmin.

"Je leert het al aardig," zei Jan, toen het Karel inderdaad gelukt

was, eenige seconden op de fiets te blijven zitten. "Trappen, zeg,

hoe harder je trapt, hoe beter ik je houden kan."

Karel trapte uit alle macht, en Jan draafde achter hem aan, als een

hazewindhond achter zijn meester.

Na een half uurtje durfde Jan het zadel even los te laten, en Karel

reed werkelijk al eenige meters zonder te vallen. Toen zei hij:

"Nu is het jouw beurt Jan. Jij hebt het mij geleerd, nu zal ik het

jou leeren."

"O, ik wed, dat ik het al dadelijk kan," pochte Jan. "Houd hem maar

vast, dan zul-je eens zien, hoe ik er van door ga. Je zult er van

staan te kijken."

Karel lachte. Hij wist wel beter, want in het laatste half uur had

hij de moeilijkheden pas goed leeren kennen.

"Je hebt praats genoeg," zei hij. "Stap er maar op, dan zul je eens

zien, hoe gauw je tegen den grond ligt. Zóó gemakkelijk gaat het niet."

Jan stapte op, en Karel hield het zadel vast.

"Vooruit, Jan, trappen.--O, wat hang je schuin--nog veel erger dan

ik.--Ik kan je niet--"

"Bom!"

Daar lag Jan onder de fiets, maar hij sprong dadelijk overeind en

stapte opnieuw op.

"Je moet me beter vasthouden, Karel,--je laat me ook maar dadelijk

vallen."

Daar ging het weer. Jan trapte nu uit alle macht, want hij was in

't geheel niet bang uitgevallen, en inderdaad ging het een eindje goed.

"Zie je wel?" riep hij Karel triomfantelijk toe. "Zóó moet je ook

rijden! Ha, wat gaat dat lek..."

"Flap!" Weer lag Jan op den grond, en hij bezeerde zijn been erger,

dan hem lief was. Maar hij stoorde er zich niet veel aan, en zat in

't volgende oogenblik weer op de fiets.

Werkelijk had hij er spoedig den slag van beet. Karel kon hem soms al

een heel poosje aan zijn lot overlaten. Jan slingerde dan wel van den

eenen kant van den weg naar den anderen, en soms dreigde hij pardoes

in het kanaal te rijden, dat langs den weg liep, maar hij reed toch,

en dat was de hoofdzaak. Hij was er wàt trotsch op.

Even later was Karel weer aan de beurt. Het duurde niet lang, of hij

kon ook al eenige meters los rijden, en daar was hij verrukt over. Hij

trapte als een dolleman, want hij had gemerkt, dat hij dadelijk viel,

als hij langzaam trapte. En Jan draafde achter hem aan zoo hard hij

kon, om hem dadelijk te kunnen grijpen, als hij dreigde om te slaan.

Eindelijk werd Jan zóó moê, dat hij niet meer kon.

"Ik moet rusten, Karel," zei hij. "Ik ben zoo moê als een hond. Maar

je kunt het nu wel alleen. Probeer het maar gerust; je zult zien,

dat het gaat."

Hij hielp Karel nog even bij het opstappen, en toen reed deze heen. Ha,

wat slingerde hij! Jan stond hem na te kijken, nieuwsgierig op welke

plaats Karel zou omvallen, want dat dit gebeuren moest, betwijfelde hij

geen oogenblik. Een vijftig meters ging het vrij goed, al slingerde

hij ook beangstigend, maar opeens gaf Jan een schreeuw van schrik,

want Karel begon geweldig te slingeren, en reed toen regelrecht op

het kanaal aan. Nog een oogenblik, en hij tuimelde bij den hoogen

kant neer....

Jan ijlde naar de plaats des onheils, en bemerkte tot zijn genoegen,

dat hij zich voor niets bang had gemaakt, want Karels hoofd verscheen

alweer boven den walkant. Hij was wel tot vlak bij het water geweest,

maar hij was er toch niet ingevallen.

"Hè-hè, dat scheelde een beetje!" zei hij vergenoegd, nu het zoo goed

afgeloopen was. "Ik had geen duim verder moeten belanden,--dan was

ik kopje-onder gegaan."

"Ik zag het," zei Jan. "Hè, wat schrok ik! Ik dacht stellig, dat je

te water ging."

"Gelukkig niet;--zeg, help je even de fiets naar boven trekken?"

Met vereende krachten brachten zij de fiets op den weg.

"Zou hij nog heel wezen?" vroeg Karel.

Dat bleek gelukkig het geval te zijn.

"Nu is 't mijn beurt weer," zei Jan. "Is 't goed?"

"Best," zei Karel. "Bij mij zit de schrik er wel een beetje in. Ga

je gang maar."

Jan sprong op de fiets, en nu draafde Karel er achter. Eerst ging het

langzaam, want Jan durfde niet goed, maar spoedig overwon hij zijne

vrees, en nu moest Karel achter de fiets draven.

"'t Gaat goed zoo,--best,--erg best!" riep hij Jan bemoedigend toe. "Je

rijdt nog beter dan ik."

"Laat me maar gerust los!" riep Jan hem toe.

"Ik heb je niet vast!" hijgde Karel achter hem, moê van het draven. Ha,

wat trapte Jan lustig voort. Hij zwierde wel links en rechts, maar

dat hinderde niet; hij wist toch op den weg te blijven.

O jé, ginds zag hij een grooten steen liggen, midden op den weg.

"Als ik maar niet over dien steen ga," dacht Jan met eenige zorg. "Ik

moet hem zien te ontwijken."

Angstvallig hield hij zijn blik op het gevreesde voorwerp gericht,

met het gevolg, dat hij er juist op aanreed.

"O, die steen!" schreeuwde hij. Plof! Daar reed hij er overheen,

wat een geduchten schok gaf, maar hij bleef zitten. Slingerend reed

hij verder.

"Dat scheelde een beetje!" riep Karel.

"Of het! Wat gaat het al goed."

Met krommen rug, den stuurstang krampachtig in de handen geklemd,

trapte Jan voort. Hij vond, dat het al prachtig ging. Ha, daar zag

hij den lantaarnpaal al, dien hij had helpen verven. Dien paal moest

hij ook zien te ontwijken, want hij was natuurlijk nog nat. Maar tot

zijne verbazing en ook tot zijn schrik bemerkte hij, dat hij er alweer

regelrecht op aanreed.

"Gek toch," mompelde hij. "Zoo'n fiets brengt je juist, waar je niet

wezen wilt. Maar ik zal hem wel mis zien te rijden."

Hij naderde den lantaarnpaal meer en meer, hoewel hij alle moeite

deed om de fiets eene andere richting te geven. Dat wilde hem echter

niet gelukken.

"Pas op, die lantaarn daar!" schreeuwde hij in angst Karel toe.

Maar Karel kwam enkele meters achter hem aan, want Jan had hard

gereden, en hij was erg moê geworden. Karel verkeerde dus in de

onmogelijkheid om zijn vriend te helpen.

"Grijp me dan toch!" schreeuwde Jan in grooten angst, want hij zag, dat

hij regelrecht koers hield naar den pas geverfden paal. Op 't volgende

oogenblik schaafde zijn wiel er tegen aan, en om niet te vallen greep

Jan, zonder er bij te denken, den paal met beide handen aan. O wee,

hij voelde het kleven van de verf. Daarom liet hij den paal dadelijk

weer los, maar merkte, dat hij ging vallen. Hij breidde daarom de

armen uit en klemde den groenen paal teeder aan zijn borst. Zelfs

zijn linker wang kwam er mede in aanraking.

"Dat loopt best af!" riep Karel hem toe. Deze was hem spoedig genaderd,

trok de fiets een beetje achteruit, en riep:

"Vooruit maar weer, Jan. 't Gaat opperbest. Nog tot jullie huis,

en dan mag ik terug weer."

Hij wist niet, dat de paal geverfd was, en voordat Jan iets in 't

midden kon brengen, voelde deze zich alweer vooruit duwen. Met zijn

geverfde handen greep hij de handvatten van het stuur, en voort ging

het weer.

En 't ging weer goed ook. Jan trapte als een dolleman.

"Straks zal ik de handvatten wel afvegen," dacht hij. "Ik denk,

dat mijn kleeren ook wel vol verf zullen zitten. Die akelige paal

ook. Hoe kan de fiets er nu juist tegen aanrijden."

O, wat slingerde Jan langs den weg. Soms reed hij haast tegen een

boom op, een oogenblik later scheelde het maar zus of zoo, of hij

reed in het kanaal. Maar toch bleef hij op den weg. De menschen,

die hij tegenkwam, maakten zich uit de voeten, en bleven hem dan

lachend nakijken.

"Houd je roer recht, schipper!" riep de een hem toe.

"Je lijkt wel dronken, jongen!" merkte een ander op.

Jan lachte maar. Hij vond het verrukkelijk op de fiets, en had geen

oogen voor iets anders. Hij keek niemand aan, en staarde maar recht

voor zich uit op den weg.

"Jongen, jongen, wat gaat dat echt," dacht Jan bij zichzelven. "Als

mij nu maar weer niet iets in den weg komt."

Zwaaiende en zwierende fietste Jan verder.

Toen hij even zijne oogleden ophief, om te kijken, of de weg vrij

bleef, zag hij in de verte iemand naderen.

"Wacht," dacht hij, "nu zal ik toch eens zien, of ik hem niet kan

passeeren, zonder tegen hem aan te bommen. Maar die akelige fietsen

lijken wel altoos juist den verkeerden kant op te gaan."

Weer hief hij eventjes de oogleden op.

De man was al een heel stukje naderbij gekomen.

"Nu zal het er op aankomen," dacht Jan.

Hij omklemde de handvatten van het stuur nog krampachtiger dan te

voren en trapte wat hij kon. Voortdurend hield hij den man in het

vizier, tot hij opeens tot zijn schrik zag, dat het Dries was, die

van het schoorsteenvegen bij den molenaar terugkeerde. Wat was Dries

veranderd, en niet in zijn voordeel, want hij zag zoo zwart als een

neger en zijn kleeren zaten vol roet.

"Hu, wat een roetmop," dacht Jan. "Maar ik zal hem wel

misrijden,--wacht maar. Ik begin het sturen al aardig te leeren.--Hola,

wat een zwier maakte ik daar!--O jé, het kanaal,--daar ga ik!"

Maar neen, met inspanning van al zijn krachten wierp hij het stuur om,

en het gevaar was geweken. Jantje reed verder.

Dries stond midden op den weg lachend naar hem te kijken.

"Wil je een nat pak halen, Jan?" riep hij hem plagend toe. "Aanstonds

ga je kopje-onder het kanaal in."

"Uit den weg! Ga uit den weg!" schreeuwde Jan, die tot zijn schrik

bemerkte, dat hij regelrecht op Dries aanhield.

"Berg je, menschen, berg je!" spotte Dries. Maar hij ging toch een

beetje op zijde, om Jan te laten passeeren.

't Hielp echter niet.

Nauwelijks was Dries van plaats veranderd, of Jan merkte, dat de fiets

daar rekening meê hield en weer regelrecht koers hield naar Dries.

"Op zij! Op zij!" schreeuwde Jan.

Maar op 't volgende oogenblik bonsde hij tegen Dries aan. Jan sloeg

hem in de verwarring de armen om den hals, en klemde zich krampachtig

aan den zwarten schoorsteenveger vast. Zij wang kwam tegen de wang

van Dries terecht, die dadelijk iets kleverigs voelde. Dat was de

verf van den lantaarnpaal, die Jan op zijn gezicht had.

O, wat lachte Dries.

"Wel, wel, houd je zooveel van me, dat je me omarmen wilt?" vroeg

hij. "Dan zal ik je wel een handje helpen."

En hij wreef met zijn zwarte gezicht tegen de wangen van Jan, precies

als eene moeder doet, die haar kindje knuffelt.

"Daar dan! Is het zoo goed?" vroeg Dries, die schaterlachte van

de pret.

De fiets was op den grond gevallen, en Jan hing nog aan den hals van

zijn plaaggeest.

Karel trok de fiets weg en Jan liet zich op de grond zakken. Maar wat

zag hij er uit. Hij was zoo zwart als een moriaan, en 't leek wel,

of hij al de schoorsteenen van het dorp had geveegd.

Hij werd braaf uitgelachen, en ging zoo spoedig mogelijk naar huis

om zich te wasschen.

En zijn vader plaagde hem ook niet zoo'n beetje.

Tiende Hoofdstuk.

Hoe Flipsen zocht.

Frans Thor en Klaas Zwart hadden zich van lieverlede zeer nauw bij

elkander aangesloten, en waren boezemvrienden geworden. Eindelijk

waren zij samen een handeltje begonnen. Steeds kon men hen in elkanders

gezelschap vinden met een mand tusschen hen in, of ieder met een zak

op den arm of over den schouder. Dan trokken zij er op uit om vodden

en beenen te zoeken, die langs de wegkanten, bij huizen en schuren,

of in weilanden en boschjes verspreid lagen. En 't was inderdaad niet

weinig, wat zij vonden. Elken avond keerden zij met een goed gevulden

zak huiswaarts, en als de voorraad groot genoeg was, verkochten zij

dien aan den pottenschipper.

De pottenschipper was een man, die eenzaam in een zolderschuit

leefde. Hij had vrouw noch kind op de wereld, en ging met niemand

om. De menschen hielden ook niet veel van hem, want het was bekend,

dat hij geen gunstig verleden achter zich had. En in elk geval had

hij een zeer ongunstig uiterlijk. Hij leefde van zijn handel in potten

en pannen, en ook kocht hij vodden en beenen op.

Alles, wat Klaas Zwart en Frans Thor vonden, brachten zij bij den

pottenschipper, zooals hij algemeen werd genoemd. En zij ontvingen

er menig centje voor. Soms verkochten zij wel voor dertig à vijftig

centen in eene week, en al dat geld versnoepten zij. Of zij kochten

er sigaren voor, en rookten die op.

Maar langzamerhand begon hun vondst kleiner te worden, want ze

hadden het geheele dorp al meermalen afgezocht. En eindelijk raakte

de voorraad uitgeput.

Dat merkte de pottenschipper, en hij zei:

"Wat hebben jullie een beetje, jongens. Ik geef voor dit zoodje niet

meer dan vijf centen. Je bent een paar groote domkoppen, dat moet

ik zeggen."

"Domkoppen?" vroeg Frans. "Wij kunnen er toch niets aan doen, dat we

maar zoo weinig hebben? 't Heele dorp hebben we al meermalen afgezocht,

en er is eenvoudig niet meer. Ik zie niet in, dat wij daarom domkoppen

moeten zijn."

"Neen," zei Klaas Zwart, "ik ook niet."

De pottenschipper lachte slim.

"Toch is het zoo," zei hij. "Toen ik nog een jongen was, wist ik

altijd wel aan een zakduitje te komen. Vond ik geen vodden en beenen,

dan wist ik wel wat anders te bemachtigen. Ha, ha,--als je maar slim

bent en zorgt, dat de menschen 't niet zien."

Frans en Klaas keken hem vragend aan.

De pottenschipper legde zijn wijsvinger tegen den neus, en knipoogde

tegen de jongens.

"Och wat," zei hij, "als je 't slim weet te overleggen, is er nog

genoeg te vinden. Je behoeft me juist geen vodden te brengen,

jongens. Ik kan wel hemden, broeken, borstrokken en andere

kleedingstukken ook gebruiken. Er zijn menschen genoeg, die hun wasch

den geheelen nacht buiten laten liggen.--Ha, ha, ik zeg, als je maar

slim bent en er voor zorgt, dat de menschen je niet zien..."

"Maar dat is stelen," zei Klaas Zwart.

"Ja," zei Frans, "dat is stelen."

De pottenschipper richtte zich op.

"Zooals ik zeg, jongens, ik geef voor dit zoodje niet meer dan

vijf centen. 't Is maar een rommeltje. Voor goede kleedingstukken,

die nog gedragen kunnen worden, geef ik natuurlijk heel wat meer,

en voor ijzer, zink, lood en wat dies meer zij, wil ik je zelfs wel

guldens betalen in plaats van centen."

"Ja, maar dat hebben we niet," zei Frans.

"Als je wilt, is er genoeg te vinden," lachte de schipper weer. "Bij

den smid, bij den loodgieter, bij den timmerman, overal is wel wat

te snorren, als je maar goed uit je oogen kijkt en voorzichtig te

werk gaat."

"Maar," herhaalden de jongens, die eerst niet goed begrepen, wat de

pottenschipper bedoelde, "dat is stelen..."

"Ik zeg niet, dat je 't stelen moet," zei de schipper weer met een

listig knipoogje, "je moet die dingen vinden, jongens, je moet ze

eerlijk vinden. Alles wat je vindt, al is het ook nog zoo gek, wil

ik wel van je opkoopen. Als je er maar eerlijk aankomt..."

De jongens gingen heen.

Maar na dien tijd vermisten de menschen op het dorp telkens

kleinigheden. Van Dril raakte op voor hem onbegrijpelijke wijze

een nijptang kwijt, de loodgieter een soldeerbout, de timmerman

een hamer en een zaag, en vele huismoeders vermisten verschillende

kleedingstukken. Van de een waren kousen zoek, van een ander een hemd,

van een derde een nachtjapon, en zoo verder.

Toch dacht men eerst niet aan diefstal. Van Dril vertelde het verlies

van zijn nijptang niet aan anderen, om de eenvoudige reden, dat hij

wel eens meer een of ander stuk gereedschap kwijtraakte.

"Zeker hier of daar laten liggen," dacht hij. En spoedig was zijn

verlies vergeten. De knechts gingen wel eens meer slordig met het

gereedschap te werk, niet allen natuurlijk, maar enkelen. Op dezelfde

wijze dachten ook de andere menschen er over, die het een of ander

vermisten.

Maar toen het winter werd en er lange, donkere avonden kwamen,

verdwenen er op geheimzinnige wijze allerlei voorwerpen uit

werkplaatsen en huizen, en 't werd zoo erg, dat de menschen er onder

elkander over spraken.

"Er wordt bepaald gestolen," was de algemeene opinie. En menigeen

sloot 's avonds de deuren van huis en werkplaats zorgvuldiger dan

vroeger. De ondervinding leerde, dat wat men 's nachts buiten liet

staan, den volgenden morgen gewoonlijk verdwenen was. En niemand kon

er eenig vermoeden van krijgen, wie de dief was en waar de gestolen

voorwerpen belandden.

Van Dril pruttelde tegen zijn knechts, als er weer 't een of ander

spoorloos verdwenen was, maar dezen verklaarden, dat zij het vermiste

voorwerp niet hadden laten slingeren. 't Was op geheimzinnige wijze

verdwenen.

Eindelijk kwam een en ander den burgemeester ter oore, en hij liet

Flipsen bij zich komen.

"Zeg Flipsen, heb je ook gehoord, dat er den laatsten tijd op 't dorp

gestolen wordt? Telkens worden kleinigheden van meer of minder waarde

vermist, en het waschgoed van de huismoeders ligt niet meer veilig

op de bleek."

"Ja burgemeester, ik heb er ook van gehoord," zei Flipsen.

"En heb je al eens hier en daar gesurveilleerd?" vroeg de burgemeester.

"O ja, al meermalen, maar tot nog toe is het mij niet gelukt, den

dader op 't spoor te komen."

"Zoo, 't is een gek geval. Ik begrijp ook niet, wie de dief zou

kunnen zijn. Voor zoover ik weet, wonen er enkel knappe menschen op

het dorp. Waar zouden die gestolen voorwerpen toch allemaal blijven?"

"Ik denk in de stad, burgemeester. Daar wonen wel menschen, die

gestolen goederen opkoopen. Ik vermoed, dat zij in den nacht naar

Amsterdam worden vervoerd..."

"Dan zou ik eens een oog in 't zeil houden, wie bij nacht of

ontijd daarheen gaat, Flipsen. 't Is best mogelijk, dat je gelijk

hebt. In elk geval is het hoog tijd, dat de dief gesnapt wordt. De

menschen dienen in 't rustige bezit te kunnen blijven van 't geen

hun eigendom is. Zoolang ik hier burgemeester ben, is er van geen

dieverij sprake geweest, en wij moeten het kwaad zoo spoedig mogelijk

den kop indrukken."

Flipsen sloeg op militaire wijze aan, en zeide:

"Ik zal m'n best doen, burgemeester. 't Zal aan mij niet liggen,

als de dief niet gesnapt wordt."

"Dat is goed, en daar vertrouw ik ook op."

Met eene handbeweging gaf de burgemeester Flipsen zijn afscheid,

en deze was vastbesloten zijn uiterste best te doen, om den dief te

ontdekken. Maar dat het moeilijk zou gaan, stond bij hem vast.

Den geheelen avond liep hij buiten het dorp te loeren, of ook iemand

zich verwijderde in de richting van Amsterdam,--maar tevergeefs. Alles

was en bleef rustig op het dorp. 't Was dan ook een koude, gure avond,

en de menschen bleven liever bij de warme kachel. Flipsen zag den

geheelen avond geen levende ziel buiten, en hij liep te bibberen van

de koû. 't Was al haast elf uur geworden, en nog stond hij trouw op

zijn post. Eindelijk hoorde hij in de verte iets naderen.

"Wacht," dacht hij, "nu zal het komen."

Hij verschool zich achter een boom.

't Geluid kwam nader. Duidelijk hoorde hij, dat het een wagen was.

"'t Is een hondenkar," prevelde Flipsen. "Ik denk, dat ik den dief op

het spoor ben. De gestolen voorwerpen worden zeker met een hondenkar

naar Amsterdam gebracht."

"Halt!" riep hij plotseling, want het voertuig was hem nu genaderd.

De man, die op de kar zat, schrok er niet weinig van, en sprong

dadelijk van den wagen. Maar zijn stok hield hij opgeheven, want hij

dacht niet anders, of hij had met een aanrander te doen.

Flipsen sprong van achter zijn boom te voorschijn.

"Wie ben je,--en waarheen ga je?" vroeg hij op bevelenden toon.

"O, Flipsen, ben jij het?" vroeg de man van de hondenkar. "Kerel,

is me dat laten schrikken. Ik dacht waarlijk met..."

"'t Doet er niet toe, wat jij denkt," viel Flipsen norsch in. "Ik

vraag, wie je bent,--maar dat zie ik nu al,--en waar je heengaat."

"Wel, ik ben Dirk Kroeze, de slager, en ik ga naar Amsterdam. Daar

steekt toch niets achter, zou ik zeggen?"

"Juist, Kroeze, de slager. Wat heb je in dien wagen?"

"Twee doode schapen, anders niet," was het antwoord. "Ik ga ze

naar Amsterdam brengen, waar ze met een dood schaap altijd wel raad

weten. Nu er zoo'n strenge keuring is op het vleesch, worden doode

beesten altijd 's nachts de stad ingevoerd. Vroeger gebeurde dat

overdag. Zie je, dat is het eenige verschil..."

Kroeze was een derderangs-slager. Hij kocht bij de boeren de doode

beesten op, die andere slagers niet hebben wilden, en wist daarmede het

brood te verdienen voor zich en zijn gezin. En de kroegbazen kregen

er ook rijkelijk hun deel van, want Kroeze maakte veel misbruik van

sterken drank. Hij was dikwijls dronken.

Flipsen was den wagen genaderd en bekeek den inhoud.

"Denk je soms, dat ik een dief ben?" vroeg Kroeze een beetje

beleedigd. "Ik verdien op eerlijke manier mijn brood, man, en ik heb

mijn vingers nog nooit uitgestoken naar een andermans goed. Of weet

jij iemand te noemen, die iets op Kroeze te zeggen heeft?"

"Neen," zei Flipsen. "Maar er wordt tegenwoordig gestolen op 't dorp,

en 't is meer dan tijd, dat wij den dief vinden."

"Ach zoo, is dàt de zaak?" zei Kroeze. "Dan is het goed, hoor, en

kijk mijn wagen maar na. Je hebt gelijk, er wordt tegenwoordig meer

gestolen, dan mij lief is. Verleden week ben ik mijn beste mes uit

de slagerij kwijt geraakt, en nog een zwaren vleeschhaak op den koop

toe. Ik heb m'n hoofd gek gezocht om ze terug te vinden, maar jawel,

ze zijn weg en ze blijven weg. En ik zal ze wel nooit terugzien,

vrees ik."

"Dat vrees ik ook," zei Flipsen. "Je kunt wel verder gaan, Kroeze,

ik heb er het mijne van gezien. Goeden avond."

"Ook goeden avond," zei Kroeze. Hij duwde de kar voort, en riep:

"Allo, honden, kssssss, kssssss! Vooruit zeg 'k! Allo!"

Hij sloeg met zijn stok tegen den wagen.

De honden, die tijdens het onderzoek op den weg waren gaan liggen,

richtten zich met tegenzin op, en trokken den wagen voort. Maar 't ging

Kroeze niet hard genoeg. Hij maakte veel lawaai met zijn stok, en riep:

De Zoon van Dik Trom · 第 6 / 11 段