Met een wip stond Dik op den vloer, waar hij bijna over Jantje

struikelde, die het hazenpad wilde kiezen en vlak voor zijn vaders

beenen liep. Toen begreep Dik, wat er eigenlijk aan de hand was. Hij

greep op goed geluk rondom zich, om Jantje te pakken, en riep:

"Jongen, ben je nu alwéer uit je bed?" Maar Jantje had zich zoo vlug

als hij kon uit de voeten gemaakt, en lag alweer onder de dekens.

"Neen Vader," zei hij, "ik ben hier."

Toen moest Dik wel lachen, of hij wilde of niet.

"Ja, nú ben je weer in je bed, maar zoo pas liep je nog hier in de

kamer. Ga toch slapen, en houd ons niet den heelen nacht wakker. Als

ik je wéér hoor, eet ik het cadeau zelf op, en dan krijg je niemendal!"

"Opeten, Vader?" vroeg Jantje verschrikt. "Kan het dan opgegeten

worden?"

"O ja," zei Dik, terwijl hij weer in zijn bed stapte, "'t Smaakt wat

lekker, en als ik je weer hoor, krijg je er niets van."

"En 't lijkt op een hit?" zei Jan spijtig. "Dat heeft u zelf gezegd."

"Nu jongen, een hit kun-je toch ook opeten!" riep Dik terug. "Maar

ga nu slapen, en laat je geluid niet meer hooren."

Jantje zweeg. Hij was verdrietig, omdat hij geen mooien tol kreeg,

of een zak met knikkers.

"Iets lekkers, bah, wat heb-je daar nu aan?" dacht hij.

De koele nachtlucht had hem huiverig gemaakt, en de warmte van het

bed deed hem behaaglijk aan. Hij stopte zich lekker toe, en sliep

werkelijk na een poosje weer in. Maar om vier uur werd hij weer wakker.

Hij stak zijn hoofd buiten de gordijnen, om te kijken of het licht

al door de half openstaande luiken drong, en hij zag, dat het nog

altijd nacht was.

"Moe,--Moeder!" riep hij zacht.

Maar er volgde geen antwoord.

"Moeder!--Moeder!" klonk het wat harder.

Moeder sliep door.

"Moeder!--Moeder!--Is het nóg nacht," riep Jantje met luider stem.

Zijne ouders werden er wakker van, en Dik maakte zich boos.

"Daar heb je dien drommelschen jongen alweer!" riep hij uit. "Wat

wil je toch?"

"De nacht duurt zoo lang!" huilde Jantje. "Wil u de luiken vast

openzetten? 't Is al lang dag, geloof ik. De klok gaat achter."

"En de zon zeker ook," zei Dik. "Ga lekker slapen, jongen, dan is het

morgen vóór je het weet. Wel te rusten, Jan, en je mond houden, hoor."

"Wel te rusten," zei Jantje met een snik en een zucht.

Nu kon hij echter den slaap in 't geheel niet meer vatten, en hij

verveelde zich schrikkelijk. Wel tienmaal begon hij tot duizend te

tellen, maar telkens raakte hij in de war, en eindelijk gaf hij het

op. Hij ging voor tijdverdrijf spelletjes doen. Eerst stak hij zijn

voeten zoo hoog mogelijk in de lucht, met de dekens er overheen.

"Nu is het een hooge berg," dacht hij. "Wacht ik zal er een man boven

op zetten, dan kan hij ver zien."

Hij liet zijn voeten zakken, en legde zijn kussen er op. Toen stak

hij het heele gevalletje voorzichtig in de hoogte, maar de man viel

telkens van den hoogen berg af, en kwam hem eenmaal precies op zijn

hoofd te liggen.

Eens bleef de man boven op den berg, en toen liet Jan den berg

instorten, zoodat de man geheel bedolven werd.

"Nu is hij morsdood," zei Jan. "Wacht, ik zal stil een stoel in mijn

bed halen. Dat is veel leuker."

Hij kroop voorzichtig uit zijn bed, greep een stoel, en klom er weer

heel zacht in. Zijn ouders hadden er niets van gemerkt. Hij legde

den stoel voorover, en ging er op zitten.

"Huup hit," zei hij. "Nu draven, zoo hard je kunt."

Hij hobbelde met den stoel op en neer, en hij verbeeldde zich, dat

hij op den hit van zijn Vader zat, en dat hij aan het harddraven was.

Soms gaf hij hem van achteren met zijn vlakke hand een harden klap

op de sporten.

"Au," zei Jantje, want het deed hem pijn, en hij likte zijne hand af,

omdat de pijn daardoor gauwer beter werd.

Toen zette de hit het op een loopen.

Met twee handen had Jantje de leuning te pakken, en hij hobbelde op

en neer. In zijne gedachten reed hij in vliegenden galop langs den

weg, en telkens gaf hij zijn harddraver een klap op de sporten. De

hit vloog hoe langer hoe harder, maar opeens begon hij te steigeren.

"Ha," mompelde Jantje, "hij krijgt weer eene koppige bui! Wacht,

ik zal hem leeren!"

Hij sloeg met beide handen op de houten ribben van zijn harddraver,

greep daarna de leuning, en trok den stoel daaraan in de hoogte.

O, o, wat steigerde dat beest woest!

"Huupla," schreeuwde Jantje opeens, want hij verkeerde in hevige

geestvervoering. Zijn vader draaide zich onrustig om in zijn bed. Hij

werd er half wakker van.

Jantje trok de leuning nog meer in de hoogte. De hit stond toen als het

ware loodrecht op zijn achterste pooten, en Jantje verbeeldde zich,

dat hij hem kwaadaardig hoorde brieschen. De hit nam een geweldigen

sprong, en bommerdebom, daar viel Jantje met hit en al uit zijn bed

op den grond. Dat gaf een lawaai!

"Heeremenschen!" gilde Anneke, die verschrikt opvloog. "Daar valt

het huis in! Dik, Dik, het huis valt in. Jantje ligt er onder. Hoor

me dat kind eens gillen!"

Dik was ook verschrikt, en hij haastte zich op te staan. Vlug schraapte

hij een lucifer aan en stak de lamp op. En wat zag hij?

Jantje lag op den vloer met een stoel half over zich heen, en daarop

lag het kussen, dat den hit in zijn val gevolgd was.

En Jantje schreeuwde moord en brand, zoowel van schrik als van angst,

want hij was erg bang, dat zijn vader hem nu wel voor zijn broek zou

geven. Hij twijfelde daar zelfs niet aan.

Maar Dik kon onmogelijk boos blijven op zijn zoontje, en hij moest

er braaf om lachen, toen hij hem daar zag liggen.

"Wat voer je toch uit, jongen?" vroeg hij. "Je doet niet anders dan

spoken, en houdt ons den heelen nacht wakker."

"O Vader," schreeuwde Jantje, want hij vreesde altoos nog een beetje,

dat zijn Vader hem straffen zou, "ik was aan 't paardje-rijden op

onzen hit, en toen steigerde hij zoo,--o, o, o, en toen vielen we

alle twee het bed uit."

Toen moest Dik nog meer lachen, en Anneke lachte van den weeromstuit

meê. Dik pakte zijn zoontje op, en legde hem in bed.

"Zie zoo, nu ga je maar weer slapen, hoor. Ik zal je wel roepen,

als het dag wordt. Wel te rusten."

"Wel te rusten," zei Jantje. "Maar dit weet ik wel, dat een nacht

véél en véél langer duurt, dan een dag."

Een half uurtje later werd Dik alweer wakker gemaakt.

"Vader!--Vader!" hoorde hij roepen.

"Jongen, wat verveel je me vannacht," was zijn antwoord. "Wat is er

nu weer?"

"Vader, komt de zon vast elken morgen weer op?" vroeg Jantje met iets

twijfelmoedigs in zijne stem.

"Wel ja, Jan, vast en zeker, hoor! Als je maar geduld hebt."

"Maar Vader, is-ie nog nooit eens weggebleven?"

"Neen, nog nooit," zei Dik met een zucht. "Kijk maar door het raam. 't

Wordt nu ook al wat lichter. Als je nog een uurtje geslapen hebt,

is de nacht om, en dan ben je jarig. Over een uur zal ik je roepen."

"Ja Vader," zei Jan, en hij begon nog maar eens tot duizend

te tellen. Maar 't hielp hem niets, hij kon den slaap niet meer

vatten. Och, och, wat duurde dat uur hem lang. Hij luisterde naar het

tikken van de hangklok, tot hij opeens meende, dat zij stilstond. Hoe

hij ook luisterde, hij merkte het eentonige getik niet meer op. Toch

ging de klok nog wel, want een poosje later hoorde hij het weer.

Eindelijk was het uur om, en sprong hij uit bed.

"Vader," riep hij luid, "nu ben ik eindelijk dan toch echt jarig. Toe

Vader, wat krijg ik nu van u?"

"Ja jongen, je hebt me van nacht schrikkelijk verveeld, maar nu ben

je echt jarig, en ik feliciteer je wèl."

Dik stond op en nam Jantje in zijn armen, en kuste hem op allebei

zijn wangen. En toen gaf hij hem aan Anneke, die hem niet minder

hartelijk pakte.

Dik kleedde zich spoedig aan, en zei:

"Kom meê, Jan, dan krijg je je cadeau. Ik hoop maar, dat het je

bevallen zal."

Jan beefde van blijdschap en nieuwsgierigheid.

"Kan ik het echt opeten?" vroeg hij.

"Neen, dat was maar gekheid," zei Dik, terwijl hij Jantje bij de hand

pakte en hem meenam naar den stal. Hij opende de deur, en stapte met

zijn zoontje binnen.

En wat zag Jan daar?

Hij kon zijne oogen niet gelooven, want daar, vlak naast den hit,

stond een prachtige, bonte bok, met twee groote horens op zijn kop

en een lange sik aan zijn kin.

"Die bok!" riep Jantje verrukt uit. "Is die bok voor mij?"

"Ja, die bok is voor jou," zei Dik lachend, en hij zag met innige

blijdschap, hoe gelukkig dit geschenk zijn zoontje maakte.

Jan sprong als een kleine dolleman in 't rond, en hij klapte in

de handen.

"O, dank u, dank u!" riep hij uit. "O, o, wat een mooie bok is

dat. Kijk eens, hij heeft prachtige horens!"

"Ja, hè?" zei Dik.

"En een sik!" ging Jan voort.

"Bè, bè, bè-è-è-è!" blaatte de bok.

Jantje's vreugde kende geen grenzen.

"O, hoor eens, hij kan schreeuwen ook. O, wat eene mooie stem,"

riep Jan opgetogen.

In de vreugde zijns harten liep hij op den bok toe en wilde hem zijne

armen om den nek slaan, maar de bok scheen daar niet van gediend,

want hij ging op zijne achterpooten staan, stak den kop omlaag en

drukte zijn groote, kromme horens zoo stevig tegen Jans smalle buikje,

dat Jantje achterover tegen het houten beschot terecht kwam.

"O, dat mag hij wel doen," zei Jantje, die in zijn bok allerminst

eenige kwade eigenschap wilde ontdekken. Maar toch kroop hij schielijk

overeind en maakte zich uit de voeten.

"Toe Vader, mag hij eens uit den stal komen?" vroeg hij, want dáár

kon de bok hem niet tegen een muur stooten.

"Wel zeker," zei Dik, die het wel grappig gevonden had, toen de bok

zijn zoontje zoo onvriendelijk ontving.

Hij maakte den bok los en bracht hem in den tuin. Eigenlijk was de

tuin alleen bleekveld. Hij was rondom door schuren omringd, behalve

aan den achterkant, waar zich een breede sloot bevond. Jantje mocht

daar soms wel eens graag hengelen.

Toen de bok den stal verlaten had en rondom zich het welige gras

ontdekte, begon hij dadelijk te grazen. Jantje ging bij hem staan,

en streelde hem met zijne hand langs den nek.

Hij was méér dan blij met zijn verjaargeschenk; hij had wel kunnen

gieren van blijdschap. De bok liet hem stilletjes begaan, ook toen

Jan hem zijn arm om den hals sloeg.

"Wat is hij mak, Vader," zei hij.

"Ja, daar heb ik hem ook op gekocht," zei Dik. "'t Moet een mak beest

zijn, en een flink looper."

"Hè ja, nu moest ik ook nog een wagen hebben," zei Jantje

begeerig. "Wat zou ik rijden."

Vol teederheid liet hij zijn beide handen langs het lichaam van zijn

bok glijden, en hij streelde het korte staartje. De bok scheen het in

't geheel niet onpleizierig te vinden, en deed niet anders dan eten.

"Zou ik er zoo ook op kunnen rijden?" vroeg Jantje.

"Wel ja, ik denk het wel," zei Dik. "Hij is sterk genoeg, en zal niet

in tweeën breken."

Dat vond Jantje heerlijk, en met een wip sprong hij op den bok. Maar

deze vond het allesbehalve prettig. Hij sprong met zijn achterpooten

in de hoogte, om Jantje van zijn rug af te gooien, en toen dat niet

hielp, sprong hij met de voorpooten omhoog.

Vader Dik schaterde het uit van de pret.

"Houd je goed, Jantje", riep hij zijn zoontje toe. "Laat je niet van

de vliegen steken!"

"Be, bè, bè-è-è-è!" schreeuwde de bok nijdig. Het beest was meer dan

kwaad. Opeens nam hij een grooten sprong, zoodat Jantje toch haast van

zijn rug afviel, en zette het op een loopen. Met echte bokkesprongen

holde hij het bleekveld over. 't Ging vliegensvlug, en Jantje vond

't razend prettig. Zijn Vader ook. Die moest er onbedaarlijk om lachen.

De bok was echter op een hem onbekend terrein, en daar hij te kwaad

was om goed uit zijn oogen te kijken, sprong hij opeens pardoes in

de sloot. Dat gaf een plons van belang, en voor een oogenblik waren

èn bok èn berijder onder 't water verdwenen.

Toen lachte Dik niet meer. Integendeel, een hevige schrik maakte

zich van hem meester, en hij ijlde naar den slootkant. Maar daar zag

hij niets.

Ja toch, er verscheen een hoofd boven water....

Helaas, 't was de kop van den bok. 't Kroos zat hem aan de groote

kromme horens.

"B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!" blaatte hij angstig.

"Jantje! Jantje!" schreeuwde Dik.

Daar verscheen ook Jantje's hoofd boven de oppervlakte.

"Vader, ... help, ... ik ... hik, hik, ... ik, hik verdrink!"

Dik bukte zich en greep Jantje bij de haren.

"B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!" schreeuwde de bok.

Dik trok zijn zoontje op den wal. Daar stond het kereltje, druipend

van het water.

"O Vader, m'n bok! M'n bok!" jammerde Jantje.

Dik boog zich nogmaals, en greep met beide handen de horens van den

bok. 't Kostte hem echter vrij wat moeite om het beest op den wal te

krijgen, doch het gelukte hem toch.

Jantje werd naar binnen gestuurd, om droge kleeren aan te trekken,

en de bok moest in den stal.

Moeder Anneke was ook niet weinig geschrokken, want zij had het

angstgeschreeuw duidelijk gehoord. Zij stond op,--want dat alles

gebeurde zeer vroeg in den morgen--en hielp Jantje aan droge kleeren.

De kleine vent stond te bibberen van de koû, maar hij was toch erg

blij met zijn bok.

"B-b-b-b-b--wat een b-b-b-b--mooie b-b bok, Moeder," zei hij opgetogen,

terwijl de rillingen hem langs zijn mageren rug gingen. En zijn

spillebeentjes trilden zoo erg, dat Jantje er haast niet op staan kon.

"Dat was me daar 'n mooie geschiedenis!" zei Dik

binnenstappende. "Jantje ging op den bok zitten, en daar sprong me

dat beest pardoes in de sloot. 't Was een bespottelijk gezicht."

"Leeft hij b-b-b-b-b-nog, Vader?" vroeg Jantje.

"Of hij!" zei Dik.

"Zou hij b-b-b-b--niet dood--b-b-b-b gaan?" vroeg Jantje, niet zonder

eenigen angst, dat het koude bad zijn mooien bok kwaad kon hebben

gedaan. En hij vervolgde:

"Hè b-b-b-b, dat hemd is b-b-b-b-lekker warm, Moeder. Brrr, wat ben

ik koud."

"Ja, dat wil ik wel gelooven," zei Dik, "Je gaat ook direct weer naar

je bed, om goed warm te worden, door en door warm."

Jantje had daar wel niet veel ooren naar, maar het gebeurde

toch. Enkele minuten later lag hij weer diep onder de wol. Daar werd

hij al spoedig lekker warm, want zijn moeder had er nog een paar

dekens extra bijgedaan.

Lang hield Jantje het er echter niet uit. Een half uur later kreeg

hij zijn Zondagsche pak aan en stapte hij naar buiten, om weer naar

zijn bok te gaan kijken. Deze stond heel rustig bij den hit gemaaid

gras te eten, en hij keek Jantje aan of hij zeggen wou:

"Dat was een rare geschiedenis, hè Jan?"

Jan kon zijn bok niet genoeg aankijken, zoo mooi vond hij hem.

"He," dacht hij, "als ik nu een wagentje had en een tuig, dan was ik

heelemaal klaar. Wat zou ik dan heerlijk rijden. Had ik vast maar een

wagentje, dan zou ik zelf wel een tuig maken. Karel van Dril zal er me

wel aan helpen.--Wacht, daar hoor ik Grootvader in zijn tuintje. Ik

ga gauw naar hem toe, om het te vertellen, dat ik zoo'n mooien bok

heb gekregen."

Vlug begaf hij zich naar de woning van zijne grootouders. Zijn

Grootmoeder kwam hem al tegemoet, en féliciteerde hem met zijn

verjaardag. En ze zei:

"Ga maar gauw mee naar Grootvader in den tuin."

"En o, Grootmoê," zei Jan, "ik heb zoo'n prachtigen bok gekregen van

Vader en Moeder, toch zòò mooi, o zoo mooi!"

Grootmoeder sloeg van verbazing de handen in elkaar.

"Een bok?" riep zij opgetogen uit. "Een echte, levende bok?"

"Ja, ja, een echte levende bok, en we hebben samen al in de sloot

gelegen ook. Ik zat boven op zijn rug, en toen vloog hij van kwaadheid

de sloot in. Vind u het niet heerlijk, Grootmoe?"

"Dat je in de sloot gelegen hebt?"

"Neen, dat ik een bok heb," lachte Jantje. Samen gingen ze den tuin

in, naar Grootvader.

Deze kwam hem vroolijk lachend tegemoet.

"Dag Jan, wèl geféliciteerd met je verjaardag."

"Dank u, Grootvader!" schreeuwde Jantje, die wel wist, dat Grootvader

hem anders niet verstond. "Ik heb een bok gekregen! O, zoo mooi. Gaat

u mee kijken?"

"Wat moet jij met eene klok doen, kind?" vroeg Grootvader, die zich

hield, of hij hem niet verstaan had.

"Neen, neen, geen klok, maar een bok!" schreeuwde Jantje.

"Een bok? Wat heb je aan een bok, als je geen wagentje hebt?" ging

Grootvader plagend voort. "Ik zou hem maar aan den slager verkoopen!"

Jantje keek zijn Grootvader diep verontwaardigd aan.

"Dat nooit!--Nooit, hoor Grootvader!" riep hij uit.

Grootvader scheen hem echter niet te hooren. Hij stond in gedachten

verdiept, en streek met zijn wijsvinger peinzend langs zijn

neus. Eindelijk zei hij:

"Wacht eens, Jan. Ik geloof, dat ik nog wat ouden rommel heb, waar

misschien wel een wagentje van gemaakt kan worden. Ga maar eens mee

naar 't schuurtje."

"Dat zou mooi wezen, Grootvader," zei Jantje blij.

De schuur werd geopend, en daar stond me zoo waar een prachtige

bokkewagen kant en klaar. Grootvader had hem zelf getimmerd, heel

stilletjes, zoodat Jantje er niets van gemerkt had. O, o, wat lachten

Grootvader en Grootmoeder ondeugend.

"Wel, hoe lijkt je dat, Jan? Vind je dat wagentje mooi?"

Jantje werd beurtelings bleek en rood, want hij begreep wel, dat het

wagentje voor hem was, en toch durfde hij het haast niet te gelooven.

"Of ik het mooi vind?" stamelde hij met bevende lippen, "'t Is prachtig

mooi, Grootvader, prachtig, prachtig mooi!"

En meteen vloog hij Grootvader om den hals en kuste hem, dat het

klapte, en toen kreeg Grootmoeder eene beurt. Zij bezweek er bijna

onder.

Jantjes vreugde kende geen grenzen. Hij nam het lemoen op, en trok

het wagentje naar zijn huis, waar Vader en Moeder het dadelijk

moesten zien.

"Had ik nu nog maar een tuig," zei Jantje, "dan was ik heelemaal

klaar. Ha, wat zou ik rijden!"

"In de hangkast liggen nog wel een paar oude riemen," zei z'n

moeder. "Daar is misschien, als Grootvader of Vader je helpen wil,

nog wel een goed tuigje van te maken."

"Oude riemen?" zei Jantje, "hebben wij nog oude riemen? Die zouden

mij goed te pas komen."

Hij deed de deur open. Zijne ouders stonden lachend naar hem te kijken.

In plaats van een paar oude riemen zag Jantje tot zijne groote

verrassing een prachtig bokketuig hangen, als een geschenk van

zijne moeder.

Hij slaakte een kreet van vreugde, nam het tuig uit de kast, en begon

als een dolle door de kamer te springen.

"Rinkinkeleking! Ringeling! Rinkinkeling-king!" klonk het. Dat kwam

van de bellen, die met twee mooie pluimen op het tuig bevestigd waren.

"Hoor eens! Hoor eens!" riep Jantje verrukt. "O, o wat mooi. O, ik

weet zelf niet, hoe mooi het is. Nu den bok inspannen, Vader! Laten

we hem dadelijk inspannen!"

Dat gebeurde. De bok werd uit den stal gehaald en voor den wagen

gezet. De tuigen werden hem omgehangen, en Jantje stapte in.

"Waar is mijn zweep?" vroeg hij.

"Hier," zei Dik. "Maar één ding mag je nooit vergeten: sla den bok

niet, als het niet noodig is."

"Slaan, Vader?" vroeg Jantje. "O neen, mijn bok sla ik niet. De zweep

is alleen maar voor 't mooi. Huup bok! Allo!"

Daar ging de bok, tot groote vreugde van Jantje, die in het wagentje

zat als een kleine prins. Zijn ouders en grootouders keken hem lachend

na, want zij vonden het bijna even prettig als Jantje zelf.

"Als hij maar niet in de sloot rijdt!" zei zijne moeder, die wel een

beetje bezorgd was.

"Laat hem maar begaan," zei Dik met vadertrots. "Hij is mans genoeg,

de kleine baas. Wat is 't een mooi stelletje, hè?"

En grootvader zei:

"Wil ik je eens wat zeggen, Dik? Jantje is ook een bizonder kind,--en

dat is-ie."

"Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou," lachte Dik.

Zevende Hoofdstuk.

Hoe Jantje uit rijden ging, en bij slot van rekening een

dwaze vertooning maakte.

Wat reed Jantje heerlijk. Zijn bok stapte parmantig over den weg,

met den kop fier opgeheven, en Jantje hield de leidsels in de eene en

de zweep in de andere hand. De pluimen op den rug van den bok wuifden

sierlijk heen en weer, en de bellen rinkelden zoo mooi, dat het een

lust was om te hooren.

Eerst reed Jantje natuurlijk naar zijn vriendje Karel van Dril, en die

keek zijne oogen uit naar 't mooie spannetje. Hij was er jaloersch op,

maar hij gunde het Jantje toch wel. En zijn vader, de smid Piet van

Dril, kwam ook naar buiten, om het mooie span te bewonderen.

"Dat is een prachtig stelletje, Jan!" zei hij, nadat hij Jantje

gefeliciteerd had. "De bok is mooi, de wagen is mooi, het tuig is

mooi, en het koetsiertje is ook mooi."

"Alleen een beetje mager," zei Jan Vos, de metselaar, die juist

voorbij liep.

"Mag ik met je meerijden?" vroeg Karel. "Toe zeg, schik een eindje om,

dan kom ik naast je zitten."

Dat gebeurde, en de twee vrienden reden verder.

Al spoedig hadden zij heel wat jongens om hen heen, die het allen een

mooi gerij vonden. En allen vroegen om de gunst, of zij ook eens een

eindje mochten rijden.

"Toe Jan, mag ik ook eens?" vroeg de een.

"Neen zeg, laat mij dan liever," zei een ander. Jan antwoordde niet

veel, want hij wist wel, dat daar geen beginnen aan was. Hij kon alle

jongens van het dorp toch niet bij zich in het karretje nemen.

Maar de jongens werden er niet boos om. Zij begrepen zelf wel, dat

het niet ging, en vonden het al prettig met den bok mee te loopen.

"Huup sik! Huup sik!" riepen de jongens. Maar de bok had zijn eigen

willetje en liet zich niet voortjagen. Hij stapte met krachtigen tred

verder, zonder zich aan het roepen van de jongens te storen.

Dicht bij de school kwamen zij Klaas Zwart tegen met diens vriendje

Frans Thor. De jongens hielden niet van hen en gingen liever niet

met hen om, want 't waren twee vervelende jongens.

Zij hadden altoos ontzaglijk veel praats, konden niemand ongemoeid

passeeren, wierpen winkeldeuren open, trokken onnoodig bij de menschen

aan de schel, en plaagden, waar zij maar plagen konden. Aan Klaas

Zwart had Jantje al een hekel gehad, zoolang hij hem kende, omdat hij

een klikspaan was. Frans Thor was later op het dorp komen wonen. Hij

was een verwaarloosde ruwe jongen, die geen moeder had en met zijn

vader samen in een huisje woonde. Zijn vader was soldaat in Indië

geweest, en leefde van een pensioentje. Hij deed zijn huishouden zelf,

veegde zelf den vloer, kookte zijn eigen potje, en maakte zelf de

bedden op. Om de opvoeding van Frans bekommerde hij zich bizonder

weinig. Algemeen stond hij bekend als een pochhans, die wel heel

veel wist te vertellen van zijn heldendaden in Indië, maar die er

zooveel bij jokte, dat hij door niemand werd geloofd. En Frans jokte

ook niet zoo'n beetje. Al spoedig had hij op het dorp geen vriendje

meer kunnen krijgen, en daar Klaas Zwart in hetzelfde geval verkeerde,

liepen ze meestal samen. En ze deden gewoonlijk niet veel goeds.

Zoodra zij den bok van Jan in 't oog kregen, kwamen zij haastig

toeloopen, elk met een stok in de hand.

"Wel heb ik van m'n leven!" riep Frans uit. "Kijk Jan Trom eens

geuren! Huup Sik, allo, vooruit!"

Maar de bok stoorde zich aan dat bevel niet, en bleef kalmpjes

doorstappen. Hij hief den kop eventjes op, en keek Frans aan.

"'t Is het bokje wèl!" ging Frans voort. "Hij loopt niet harder dan

een slak. Zeg Jan, je moet hem eens met de zweep kietelen, dan zal

hij wel beter voortmaken."

"Hij loopt hard genoeg," zei Jan. "Toe bok, vooruit!"

"'t Is een oud, afgeleefd beest!" zei Klaas Zwart smalend. "Hij heeft

de rumathiek in zijn pooten."

"Als jij maar niet de rumathiek hebt," gaf Jan beleedigd ten

antwoord. "Hij kan harder loopen dan jij."

"Ha, ha!" lachte Klaas. "Zoo'n stijve huut. Je moet hem smeren met

machine-olie; zijne botten zijn wat stijf."

"Met stok-olie!" zei Frans Thor grinnekend, terwijl hij den bok een

klap met zijn stok op den rug gaf.

De bok ging op zijn achterpooten staan.

Jan werd wit van kwaadheid, en Karel van Dril zei:

"Wil jij met dien stok wel eens van hem afblijven, of ik zal je met

datzelfde houtje je portie geven."

Die bedreiging hielp voor een poosje. Maar nu gingen Frans en Klaas

van achteren tegen het karretje duwen, zoodat de bok gedwongen werd

op een draf te loopen. De andere jongens hielden zich een beetje op

een afstand, want ze waren bang voor de twee plaaggeesten, vooral

voor Frans Thor, die een paar jaar ouder was.

Jan hief zijn zweep op, en wilde de jongens dwingen de kar los te

laten. Maar Frans greep de zweep onverwachts aan, en rukte haar Jan

uit de handen.

"Wat denk jij wel, magere sprinkhaan," zei hij sarrend. "Denk je soms,

dat ik bang voor je ben? Voor geen tien zulke kereltjes als jij. Ho,

bok, ho!"

De bok liep echter door, en daarom hielden Frans en Klaas de kar zoo

hard zij konden tegen.

Jan keerde zich driftig om.

"Laat je de kar los!" riep hij hun toe. "Laat los, zeg ik je, of ik

sla er op!"

De twee plaaggeesten lachten hem smakelijk uit. Karel van Dril was

zijn drift ook niet langer meester, en wilde van de kar stappen. Maar

Jan hield hem tegen.

"Hier," zei hij, "houd jij de leidsels even vast."

Vlug sprong hij uit de kar, en nog voor Frans er op verdacht was, vloog

Jan op hem aan. Deze zag wit van kwaadheid. Met eene vlugge beweging

rukte hij hem de zweep uit de hand, en in 't volgende oogenblik had

Frans een geduchten striem dwars over zijn gelaat te pakken.

De Zoon van Dik Trom · 第 3 / 11 段