Jantje kreeg zelfs al spoedig gezelschap, want een paar andere

nieuwelingen werden door zijn verdriet dermate aangestoken, dat zij ook

hunne stem verhieven, en met Jantje om 't hardst schreeuwden. Jantje

keek even om, ten einde te zien, waar die nieuwe geluiden vandaan

kwamen, en zette daarna de zaak op den ouden voet voort. 't Was

eindelijk langer niet uit te houden, en de Juffrouw besloot hare

toevlucht tot krachtige maatregelen te nemen. Zij stapte op Jantje af,

greep hem bij den arm, en zette hem in den hoek. Maar Jantje schreeuwde

daardoor niet harder of zachter. De zaak liet hem volkomen koud.

Daarom zette de juffrouw hem in een klein kamertje, dat als boekenkast

gebruikt werd, en zij deed de deur achter hem dicht. Eerst had zij

geducht op hem gebromd.

"Dáár dan, stoute jongen," had ze gezegd. "Als jij niet naar verbieden

wilt luisteren, moet je maar heelemaal alleen in de boekenkast

zitten. Daar mag je schreeuwen, zoo hard je maar wilt."

Jantje volgde dat bevel echter in 't geheel niet op. Hij vond het in

die boekenkast heel vreemd, want zóoveel boeken had hij nog nooit

bij elkaar gezien. En in den achtermuur was een raampje, dat bij

mooi weer opengezet werd, omdat er anders zoo'n vunzige lucht in de

kast kwam. Toen Jantje de boeken bekeken had, wat niet lang duurde,

deed hij het raampje open en klom behendig naar buiten.

Ha, daar in de vrije natuur vond hij het pas heerlijk. Hij veegde de

laatste tranen van zijn gezicht, stak zijn handen in de broekzakken,

en zakte zingende op huis af.

Anneke keek wát gek op, toen zij hem om half elf binnen zag komen.

"Mocht jij naar huis toe, Jan?" vroeg ze.

"Ja, Moeder," zei Jan, "de Juffrouw bracht me zelf in een kamertje,

waar een raam was om er uit te kruipen. O Moeder, dat was zoo'n mooi

kamertje, allemaal boeken, wel honderd millioen drie honderd duizend

en nog veel meer."

"In een kamertje met boeken, en een raam, waar je door moest

kruipen? Dat begrijp ik niet, kind," zei Anneke. "Enfin, 't is al

half elf. Blijf nu maar thuis."

Dat deed Jantje met het meeste genoegen.

Maar de juffrouw, die na eenige minuten wachtens merkte, dat er geen

geluid meer uit de boekenkast kwam en daarom besloot Jantje maar weer

in de klasse te halen, schrikte geducht, toen zij de kast ledig vond.

"Als het kind maar geen ongeluk gekregen heeft!" zuchtte ze. En ze

stuurde dadelijk een jongen uit de hoogste klasse naar zijn huis,

om te vragen, of hij daar was.

"Ja, hier ben ik," zei Jantje, nog voordat zijn Moeder gelegenheid

had gehad iets te antwoorden. "En ik wil nooit meer naar school.--Vast

niet!"

Juist op dit oogenblik kwam Dik binnen, die even naar de smederij

van Piet van Dril was geweest, om zijn hit te laten beslaan.

"Wat is er aan de hand, Anneke?" vroeg hij.

En nauwelijks had hij gehoord, wat Jantje gedaan had, of hij pakte

hem bij zijn arm en bracht hem weer naar school, waar Jantje onder

een vervaarlijk geschreeuw zijn intocht deed.

"Juffrouw," zei Dik, "als hij niet ophoudt met schreeuwen, mag hij

nooit meer mee uit rijden. Dat zèg ik en dat méén ik."

Die bedreiging hielp dadelijk. Jantje deed zijn mond dicht en gaf

geen kik meer, tot groote vreugde van de Juffrouw. Voor Jantje was

er geen zwaardere straf te bedenken dan dat hij niet meer met zijn

vader uit rijden mocht.

Toen hij eenmaal tot bedaren gekomen was, zette hij zich met ijver

aan de studie, en het bleek weldra, dat hij de vlugste van de geheele

klasse was. Hij kende de letters al, als hij ze nog maar eenmaal

gezien had, hij schreef het mooist, en hij rekende beter dan iemand

anders. De Juffrouw vond hem bepaald een vluggertje. Maar omdat hij

altoos 't eerst met zijn werk gereed was, had hij ook steeds tijd

over, en dan werd hij ondeugend. 't Duurde dan ook maar kort, of de

Juffrouw zei altoos, als ze van hem sprak:

"De jongen heeft drie bijzondere eigenschappen: hij is de vlugste,

de ondeugendste en de magerste jongen van de geheele school."

En dat was ook zoo. Hij deed altoos kattekwaad, als hij zijn werk

afhad. Naast hem zat Karel van Dril, de zoon van den smid. Jan kende

hem al lang voor hij naar school ging, omdat hunne ouders zeer bevriend

waren en dikwijls bij elkaar op visite kwamen.

Karel kon vrij goed leeren, maar met het rekenen had hij het eerste

jaar nog al moeite. Hij verwarde altijd de 3 met de 8 en de 6 met

de 9, waardoor de uitkomst natuurlijk niet goed kwam. Ook gelukte

het hem maar zelden, om een leesbare 5 te schrijven. Als Jantje zijn

werk al afhad, was Karel nog niet op de helft. En toch deed hij erg

zijn best. Hij hoorde dan niet eens, wat Jantje hem toefluisterde,

en eigenlijk hoorde hij zelfs niet, dat er wat tegen hem gezegd werd,

zoo verdiept was hij dan in zijn werk. Die rekensommen kostten hem

menigen zweetdroppel, en hij kon er bij zuchten als een stoommachine.

Jantje was dan niet in de mogelijkheid om een gesprek met hem aan te

knoopen, en moest zich dus op andere wijze zien te vermaken. In den

knikkertijd speelde hij met zijn knikkers, die hij dan zoo dikwijls

telde, tot ze eindelijk met groot lawaai op den grond terecht

kwamen. Dan was Holland in last. Hij raakte zijne knikkers kwijt en

kreeg nog straf op den koop toe.

Eens in den toltijd had hij zijne tollen zitten bekijken, die hij

onder de tafel in de handen hield. Eindelijk haalde hij zijn tolsnoer

te voorschijn en ging er op zijn manier mee zitten hengelen. Dan

verbeeldde hij zich, dat hij tuk kreeg, en als hij dan ophaalde,

zag hij er snoeken of karpers aan. Toen hij visch genoeg gevangen

had naar zijn zin, bedacht hij een ander spelletje. Hij slingerde het

touw om zijn rechterbeen en om het linkerbeen van Karel, die zoo in

zijne sommen verdiept zat, dat hij er niets van merkte. En Jantje bond

de beenen stijf aan elkander. Toen diepte hij zijne tollen weer op,

om ze voor de honderdste maal nog eens te bekijken. De Juffrouw zag,

dat hij zat te spelen, en verbood het hem, maar zij was zoo druk

bezig met hier en daar een achterlijk kind voort te helpen, dat zij

niet veel aandacht aan Jantje kon wijden. Maar inwendig was zij toch

wel boos op hem, want zijne lei was al eens met een harden smak op

den grond gevallen, en nu kwamen plotseling weer al zijn tollen op

den vloer terecht, tot groot vermaak van de andere jongens, waarvan

er eenige hardop begonnen te lachen.

Nu werd de wanorde de Juffrouw toch wel wat al te groot. Met forsche

schreden stapte zij op Jantje toe, greep hem driftig bij den arm en

wilde hem de bank uittrekken.

"Allo, ondeugende jongen, vóór de klasse! Direct!" En zij trok zoo

hard, dat Jantje wel mee moest. Maar o wee, zijn rechterbeen zat aan

het linker van Karel vast, zoodat Kareltje óók mee moest,--tot zijn

groote verbazing.

"O Juffrouw! Mijn been! Mijn been!" schreeuwde Karel.

"Houd jij je mond!" riep de Juffrouw boos, en zij trok nog harder

aan Jantjes arm. Jantje viel half de bank uit, en Kareltje volgde

zijn voorbeeld.

"O Juffrouw, mijn been!--Mijn been zit vast!"

"'t Kan me niets schelen,--vooruit bengel!" riep de Juffrouw.

Maar Jantje kon niet verder. Het blok aan zijn been was te zwaar,

en de Juffrouw begon eindelijk te begrijpen, wat er aan de hand

was. Toen werd zij nog veel boozer, vooral toen de andere kinderen

hun lachen niet konden inhouden. Zij nam haar zakmesje en sneed

het touw in verscheidene stukken. Jantje werd in den eenen hoek

gezet, en Kareltje, die dood-onschuldig was aan 't geheele zaakje,

in den anderen. Maar Karel protesteerde. Hij wou geen straf hebben,

omdat hij niets gedaan had, en toen de Juffrouw eindelijk goed op

de hoogte kwam van het gebeurde, vond zij ook, dat hij geen straf

had verdiend. Hij mocht dus weer gaan rekenen, maar Jantje moest

schoolblijven, was zijn tolsnoer kwijt, en zag ook zijne tollen,

die de Juffrouw hem afgenomen had, in de kast verdwijnen.

Toen hij 's middags om half een verlof kreeg om naar huis te gaan,

vroeg hij met een deemoedig gezicht, of hij asjeblieft zijn tollen

terug mocht hebben. Maar daar was geen denken aan.

"Met Nieuwjaar!" zei de Juffrouw kortaf. En daar was de zaak meê

afgeloopen. Jantje had niet erg veel plezier van de grap, want nu

kon hij 's avonds niet meer met de andere jongens meedoen, als zij

potje-tolden. En dat deed hij juist zoo graag. Hij was trouwens een

liefhebber van alle mogelijke spelletjes. Was het in den toltijd,

dan vond hij dat het prettigste spel van de wereld, was het in den

knikkertijd, dan vond hij dát weer 't mooist. En zoo ging het met alle

spelen, die door de jongens werden gedaan. Maar 't állerprettigst

vond hij toch den sneeuwtijd. Iets heerlijkers was er volgens hem

niet te bedenken.

Zijn grootvader had voor hem een slee gemaakt, en daar gleed hij elk

vrij uurtje mede van een hoogen dijk af. Ha, wat ging dat echt. En

zoo vlug! 't Was net of hij naar beneden viel, maar 't liep altoos

erg best af. Hij moest wel oppassen, dat hij in zijne vaart niet in

een sloot terecht kwam, die langs den dijk liep, maar Jantje wist zich

met zijne klompen zoo netjes te sturen, dat hij altoos vlak langs de

sloot zijn draai kon nemen. Dat mislukte hem nooit.

Op de speelplaats van de school vermaakte hij zich met het gooien

van sneeuwballen. Ieder, dien hij maar raken kon, kreeg er een tegen

zijn muts of in zijn hals, en dan had Jantje de grootste pret. Maar

dan kreeg hij ook rijkelijk zijn portie terug, want de andere jongens

lieten zich niet ongestraft bekogelen.

Toch hadden zij het tegen Jantje altijd kwaad te verantwoorden, want

hij was zeldzaam vlug in zijne bewegingen en kon best mikken. Bovendien

zorgde hij er steeds voor, een goeden voorraad sneeuwballen in zijn

broekzakken te hebben, zoodat hij ze, als de nood aan den man kwam,

maar voor het grijpen had. Dan vlogen de kogels den jongens als het

ware om de ooren, en meestal eindigde het gevecht met een smadelijke

vlucht van zijne tegenstanders. Eens op een avond echter, om vier

uur, toen hij uit de school naar huis ging, kreeg hij onverwachts

met zooveel kracht een sneeuwbal achter in zijn nek, dat hij niet kon

nalaten au te roepen. 't Deed hem dan ook geducht pijn, want 't was

een verbazend harde sneeuwbal geweest, veel harder, dan hij ze ooit

gooide. 't Was eigenlijk een valsche streek, en toen hij omkeek, zag

hij dat een jongen uit de buurt de dader was. Die jongen heette Klaas

Zwart, en stond niet al te gunstig onder zijne kameraadjes bekend.

Jan zag, hoe Klaas er om lachte, dat hij hem zoo geducht geraakt had,

en hij werd er erg boos om.

"Dat is valsch, leelijkerd," riep hij Klaas toe. "Jij gooit met

sneeuwballen, waar een steen in zit. Maar ik zal het je betaald zetten,

wacht maar!"

"'t Is nietes!" riep Klaas terug, zich op een eerbiedigen afstand

houdende, "er zat geen steen in."

"Kom op als je durft!" schreeuwde Jantje hem toe, wiens nek prikkelde

van de pijn. Het koude water liep hem langs zijn ruggestreng.

Maar Klaas durfde niet. Hij bleef op eenigen afstand staan, gereed

om te vluchten.

"Lafaard!" riep Jantje. "Kom op, als je durft.--Je durft niet, hè,

daar ben je te bang voor! Leelijke gluiperd!"

Hij keerde zich verontwaardigd om en liep naar huis.

Maar den volgenden morgen ging hij vroeg naar de speelplaats, maakte

een flinken voorraad sneeuwballen, die hij als kogels op elkander

stapelde, en stopte toen ook nog zijn broekzakken vol sneeuwballen

voor het geval, dat Klaas op de vlucht mocht slaan, en hij hem dus

achtervolgen moest. Zoo gewapend wachtte hij de komst van zijn vijand

af. Zijne broekzakken puilden wijd uit van de sneeuwkogels, en hij

kon er veel in zijn zakken bergen, want hij had wijde broekspijpen,

en zijne dunne beentjes namen niet veel plaats in.

Eindelijk verscheen Klaas op de speelplaats.

Maar hij was op zijn hoede, want hij vertrouwde Jantje niet erg. Hij

kreeg hem dan ook al spoedig in het oog, en meende hem door een

vriendelijk praatje wat zachter te stemmen. Er waren nu al verscheidene

jongens op het plein.

"Zoo Jan," riep hij zijn vijand toe, "ga je van middag mee op mijn

slee?"

"Op je gezicht kun-je krijgen," riep Jantje terug. "Kom op, als je

durft, dan zullen wij sleden!"

"Hij durft niet!" riepen de andere jongens lachend, toen zij zagen,

dat Klaas bleef staan. "Hè, wat een bangerd! Kijk hem nu eens staan,

zoo'n hufter!"

"Toe dan, Klaas, kom op!" tartte Jantje. Hij nam een sneeuwbal van

zijn stapel, en wierp hem Klaas vlak in 't gezicht. Zijn neus zat

dik onder de sneeuw, en Klaas kreeg er sterretjes van voor zijne oogen.

"Lekker zoo! Goed zoo!" riepen de jongens. "Geef hem zijn portie, Jan!"

"Flap!"

Daar kreeg Klaas den tweeden, ditmaal tegen zijne muts, die hem van

het hoofd vloog, tot groote pret van de jongens, die in het rond

sprongen van pleizier. Want zij hielden niet erg van Klaas.

Maar Klaas werd nu toch woedend, en hij vergat zijne vrees.

Vlug bukte hij zich om een sneeuwbal te maken, doch voordat hij

daarmede gereed was, kreeg hij er een van Jan tegen zijn linkeroor.

Toen wierp Klaas er Jan een tegen zijn schouder, maar hij kreeg er

dadelijk wel drie voor terug.

"Houd-je goed, Jan, toe maar!" schreeuwden de jongens.

't Werd een verwoed gevecht, en Klaas verweerde zich dapper, maar

hij verkeerde in veel ongunstiger omstandigheden dan Jantje, daar

deze de ballen al gereed had liggen.

Jantje nam er een stuk of vier in zijne hand, en vloog op Klaas

af. Maar dat was Klaas te veel, en hij zette het op een loopen.

Jan hem achterna.

"Daar gaat hij loopen!" schreeuwden de jongens. "Houd-je goed, Jan!"

Klaas liep, wat hij loopen kon, en Jan volgde hem op de hielen.

Telkens voelde Klaas een sneeuwbal tegen zijn achterhoofd of in zijn

nek terechtkomen, en 't huilen stond hem nader dan het lachen.

Tot opeens Jantje misgooide, en zijn sneeuwbal in een ruit van de

school terecht kwam. De scherven vielen rinkelend naar beneden,

en op 't zelfde oogenblik kwam de hoofdonderwijzer naar buiten, die

Jantje bij zijn kraag pakte en hem in een hoek van de school zette,

niet ver van de kachel.

"Jij blijft om twaalf uur wachten, hoor baasje!" zei de meester. "Ik

moet je dan eens vragen, hoeveel geld je wel in je spaarpot hebt. 't

Is er nu te laat voor, want de school gaat aan."

Inderdaad werden de deuren geopend en de kinderen binnengeroepen.

De Juffrouw kwam naar Jantje toe en bromde ook op hem.

"Stoute jongen," zei ze, "moet jij hier de glazen ingooien? Je bent

niet bij je moeder thuis."

"Daar mag ik het ook niet doen, Juffrouw," zei Jan op deemoedigen toon,

en de Juffrouw begreep, dat zij zich niet al te juist had uitgedrukt.

"Houd je mond, brutale jongen," zei ze.

Ze ging voor de klasse staan en begon met hare werkzaamheden.

Jantje vond het niet prettig in dien warmen hoek bij de kachel, want

hij leerde veel liever met de andere leerlingen mêe, en bovendien

was hij al erg warm van het sneeuwballen zoodat hij het bij de heete

kachel bijna niet kon uithouden. Deze stond dan ook rondom gloeiend,

want ze was nog niet lang geleden aangelegd, en het lokaal moest

eerst door en door verwarmd worden. Jantjes handen begonnen al gauw te

tintelen, zoo erg, dat hij er bleek van werd. Maar dat ging spoedig

over, en Jantje voelde zich al weer wat lekkerder worden, toen hij

opeens een onaangenaam gevoel langs zijne beenen kreeg. 't Was net,

of er een straaltje koud water langs liep.

Eerst begreep hij niet, wat dat wezen kon, maar toch voelde hij het

duidelijk. 't Liep langs zijne dijen, passeerde zijne knieën en kwam

eindelijk in zijne kousen terecht.

Al spoedig snapte hij, wat er aan de hand was. 't Waren de

sneeuwballen, waarmede hij zijne broekzakken had gevuld, die bij

de heete kachel langzaam begonnen te smelten. Hij voelde, dat zijne

kousen nat werden, en hij begreep, dat het zaakje leelijk voor hem

kon afloopen. Hij hoopte echter, dat de sneeuwballen niet zóóveel

water zouden geven, dat het de aandacht van de Juffrouw zou trekken.

Doch onophoudelijk liepen kleine straaltjes water langs zijne dunne

beentjes naar beneden, en toen hij zijne voeten even verzette, merkte

hij, dat zijne kousen al kletsnat waren.

Angstvallig hield hij zijn blik op zijne voeten gericht. En waarlijk,

daar zag hij tot zijn grooten schrik, dat er zich rondom zijne voeten

een klein meertje begon te vormen, dat langzaam maar zeker grooter

werd. 't Nam steeds in omvang toe, zoodat Jantje zich hoe langer hoe

minder op zijn gemak voelde.

Gelukkig was de Juffrouw met zooveel ijver aan het werk, dat zij Jan

geheel vergeten was.

Eindelijk was de plas rondom Jan zóó groot geworden, dat hij de

aandacht trok van Klaas Zwart, wiens haren nog druipnat waren van de

sneeuwballen, waarop Jan hem had getracteerd. Nauwelijks had hij hem

gezien, of hij stak met veel bombarie zijn vinger op, en riep:

"Juffrouw! Juffrouw! Jan Trom heeft wat op den grond gedaan!"

Die tijding gaf eene heele opschudding in de klasse. De kinderen

gingen half in de banken staan en rekten de halzen, om goed te

kunnen kijken. En de Juffrouw keerde zich om en keek heel vies naar

de plaats, waar Jantje stond met beschaamde kaken. Hij zag rood tot

achter zijne ooren.

"Vieze jongen!" riep de Juffrouw hem toe. "Waarom heb je me niet

gewaarschuwd?"

"'t Is niet waar, Juffrouw!" riep Jan, huilend van verontwaardiging

"Ik had sneeuwballen in mijn zak, en die zijn bij de heete kachel

gesmolten."

En om te bewijzen, dat hij de waarheid sprak, stak hij zijn handen

in de zakken, en dolf er de half gesmolten kogels uit op.

De Juffrouw schoot in een geweldige lachbui, en de kinderen moesten

ook zoo lachen, dat zij bijna niet tot bedaren konden komen.

Jantje mocht naar huis om droge kleeren aan te trekken.

Zijn vader keek hem eerst heel boos aan, toen hij hem zoo tusschentijds

zag binnenkomen, maar toen hij hoorde, wat er gebeurd was, moest hij

er ook smakelijk om lachen, en hij vertelde het aan alle klanten,

die dien dag in den winkel kwamen.

Toen Jan 's middags weer naar school ging, gaf zijn vader hem de

opdracht om eerst naar den glazenmaker te gaan en hem te verzoeken,

de gebroken ruit door een andere te vervangen. Zoo liep dat zaakje

voor Jantje nog al goed af. Maar op Klaas Zwart was hij meer dan boos,

want hij vond hem een valschen jongen en een laffen klikspaan.

Zesde Hoofdstuk.

Jantje wordt jarig en krijgt mooie cadeaux.

Jantje zou voor den achtsten keer jarig worden. Zijn vader had hem

beloofd, dat hij den volgenden morgen een prachtig cadeau van hem

zou krijgen, maar van die belofte had hij later erg veel spijt, want

Jantje wilde met alle geweld weten, welk cadeau dat was, en hij hield

niet op met zeuren.

Zijn Vader wilde het echter niet zeggen.

"Morgenochtend zul-je het wel zien," zei Dik.

"Is het mooi?" vroeg Jantje.

"Erg mooi," was het antwoord.

"Erg prachtig mooi?" hield Jantje vol, wiens oogen schitterden van

nieuwsgierigheid.

"Ja," lachte zijn Vader, "erg prachtig mooi. Zóó mooi, zóó mooi,

dat er niets mooiers op de wereld te bedenken is."

"Waar lijkt het op?" vroeg Jan polsend.

"Op onzen hit," zei zijn vader.

"O, zeker een paardje op wieletjes?" zei Jantje met een opgetrokken

neus. "Dát is niet mooi, Vader, veel te kinderachtig. Toe Moeder,

zegt u me maar, wat het is.--Toe."

"Neen Janneman, dat zeg ik niet," zei zijne moe. "Morgenochtend zul je

't wel zien."

Jantje zeurde nog geruimen tijd door, maar toen hij zag, dat hij

zijn doel daarmede niet bereikte, zette hij het op een schreeuwen op

eene geweldige manier. De ondervinding had hem geleerd, dat dit een

beproefd middel was.

Maar dezen keer hielp het hem van den wal in de sloot, want het

begon zijn vader al spoedig te vervelen. Hij pakte Jantje bij zijn

kraag, deed het kelderluik in den winkelvloer open, en stopte Jantje

doodbedaard onder den grond.

"Zie zoo, kereltje," zei Dik, "daar mag je schreeuwen, zoo lang en

zoo hard je maar kunt. Ga je gang maar."

Jantje vond het een afdoend geneesmiddel, en jammerde:

"Ik wil naar bed! Ik wil naar bed!"

"'t Is nog maar half zes!" zei zijn vader.

"'t Doet er niet toe, 'k wil tóch naar bed, dan is het veel gauwer

morgenochtend!" schreeuwde Jantje.

"Ook al goed!" zei Dik.

Vijf minuten later lag Jan onder de dekens, en een kwartier later

sliep hij als eene roos.

Om elf uur gingen Dik en Anneke naar bed, maar zij hadden pas den

slaap te pakken, of Jantje werd wakker en dacht direct aan zijn cadeau.

"Vader!" riep hij zoo hard hij kon,--"Vader, wat krijg ik nu van

u? Ik ben jarig!"

"Een pak voor je broek, als je niet dadelijk je mond houdt," zei Dik,

die het lang niet prettig vond, dat hij wakker gemaakt werd. "De

nacht begint pas. Ga maar weer slapen."

Met een zucht kneep Jantje zijne oogen weer dicht, en hij sliep ook

waarlijk in, maar 't duurde slechts kort. 't Was nog vóór twaalven,

toen hij opnieuw wakker werd. Nu zou het stellig toch wel morgen wezen,

dacht hij.

Hij liet zich vlug van zijn bed glijden, ging naar het bed, waar zijn

ouders sliepen, en trok zijn vader aan zijn neus.

"Hei, ho, wat is dat?" riep Dik verschrikt uit, want hij vond het

een vreemde manier om gewekt te worden.

"Vader, ik ben jarig!" riep Jantje hem toe. "Welk cadeau krijg ik

nou van u?"

Maar zijn vader werd terdege boos.

"Ga naar je bed, deugniet, en als ik vannacht je geluid weer hoor,

krijg je morgen niets, hoor je, heelemaal niets! Allo, pak je weg,

naar je bed. En je geeft geen kik meer, versta-je?"

Jantje maakte aanstalten om weer te gaan schreeuwen, maar Dik zei

knorrig:

"Wou je liever in den kelder onder den winkelvloer?"

Neen, dat kon Jantje in 't geheel niet bekoren, en hij maakte gauw,

dat hij weer in zijn bed kwam.

Maar den slaap kon hij niet meer vatten; hij was dan ook veel te

vroeg naar zijn bed gegaan. Hij deed niet anders dan zuchten, en vond,

dat de nacht vreeselijk lang duurde.

"Er komt nooit een einde aan," mompelde hij zacht. "Weet je wat, ik

ga tot duizend tellen. Karel van Dril zegt, dat je dan altijd vanzelf

in slaap valt. Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen,

tien, ik ben toch nog wakker. Bij mij helpt het niet. Zeventien,

achttien, negentien, twintig, wat zou het toch voor een cadeautje

wezen? Ik denk van een bromtol, zeven en tachtig, acht en tachtig,

negen en tachtig, of een zak met knikkers, negen en negentig, honderd

hè, hè, nu ben ik al aan honderd, en ik slaap nog niet. Honderd en

een, honderd en twee, hè, ik wou dat ik een zak met tachtig knikkers

kreeg, een en tachtig, twee en tachtig, drie en tachtig, hò, dat is

fout, want nu ben ik nog maar aan drie en tachtig, en een heele poos

geleden was ik al bij honderd,--dan maar van voren af: een, twee,

drie, knikkers, knikkers, een, twee, bromtol, knikkers, zes, drie,

zeven, ... twee, jarig, zes..."

Jantjes oogen vielen dicht en hij sliep weer. En hij droomde, dat hij

een mooien bromtol kreeg, die prachtige muziek kon maken. Hij nam een

touwtje, wond den tol op, en trok hem af. Hà, wat stond hij prachtig,

en er kwam muziek uit, precies als uit het orgel in de kerk of het

draaiorgel van Klaas Touw. En opeens nam hij een sprongetje en ging

bovenop den kop van den tol zitten, en draaide uit alle macht in de

rondte. Jongen, wat ging dat mooi, 't werd hem geel en groen voor de

oogen, en de tol wist niet van ophouden, leek het wel. Maar eindelijk

begon hij toch langzamer te draaien, toen waggelde hij eenige keeren,

zoodat Jantje zijn evenwicht bijna niet bewaren kon, en plof, daar

viel de tol om, en Jantje tuimelde op den grond....

Met een kreet van schrik werd hij weer wakker, en tot zijn spijt

voelde hij, dat hij nog in zijn bed lag, dat zijn tol verdwenen was,

en dat het nog al geen dag werd.

Maar dat laatste kon hij toch niet gelooven.

"Neen," zei hij zacht, "'t is bepaald al lang dag, en 't is hier

alleen zoo donker, omdat de luiken dicht zijn. Vader verslaapt zich

zeker. Weet je wat, ik zal heel stilletjes de luiken opendoen,

zóó stil, dat vader en moeder het niet hooren. En als dan de zon

naar binnen schijnt, zal ik Vader roepen, en wat zal hij dan vreemd

opkijken."

Zoo gezegd, zoo gedaan.

Jantje kroop stil zijn bed uit, liep op zijn bloote voeten naar het

raam, en stootte zijn kleinen teen zoo hard tegen den poot van de

tafel, dat de tranen hem in de oogen sprongen.

"Au!" riep hij binnensmonds, en zijn vader werd er half wakker

van. Deze draaide zich in zijn bed om.

Jantje liet zich daardoor echter niet afschrikken.

Hij ging verder en kwam bij het raam. Daar zocht hij naar het luik,

en duwde het open. Maar 't bleef donker in de kamer; het was tot zijne

groote spijt blijkbaar nog nacht. Hij besloot, onder het slaken van

een diepen zucht, maar weer naar zijn bed terug te keeren, doch op

den terugtocht schoof hij zijn vaders glazen aschbak van de tafel,

zoodat dit voorwerp met veel lawaai op den grond terecht kwam, en in

scherven uit elkander spatte.

Jantje bleef van schrik stokstijf staan, en zijn ouders, die niet

begrepen wat dit geraas midden in den nacht beteekenen moest, vlogen

in hun bed overeind.

De Zoon van Dik Trom · 第 2 / 11 段