"Scheelt er wat aan, baker? U trekt zoo'n raar gezicht," gin

De Zoon van Dik Trom

Door

C. Joh. Kieviet

Twaalfde, Goedkoope Druk

Amersfoort--Valkhoff & Co.

Eerste Hoofdstuk.

Dik heeft een plan, en zijn vader vindt, dat hij een bizonder

kind is, en dat is-ie.

't Was met den kruidenierswinkel van den ouden Trom uitstekend

gegaan. Dat was geen wonder, want Vrouw Trom was eene zindelijke

vrouw, die er voor zorgde, dat alles in den winkel er keurig netjes

uitzag. De koperen weegschalen waren zoo prachtig geschuurd, dat zij

haast wel van goud schenen, de toonbanken zagen er brandhelder uit,

en de koopwaren waren van de beste kwaliteit.

Elken morgen spande Dik zijn mooien hit voor den wagen, om de klanten,

die buiten het dorp woonden, te gaan bedienen. Zijn paard was altoos

helder geroskamd, zijn wagen zag er proper uit, en wat hij leverde

was prompt in orde. Nooit vergat hij te doen, wat hij beloofd had, en

tegen wat extra werk zag hij niet op, als hij een van zijne klanten er

mede gerieven kon. Geen wonder dus, dat hij steeds méér verkocht, er

telkens nieuwe klanten bijkreeg en er zelden of nooit een verloor. In

enkele jaren was de winkel van Jan Trom de voornaamste van het dorp

geworden, en 't was een lust te zien, hoe vol het er somtijds wezen

kon. Vooral op Zaterdagavond was het er verbazend druk. Dan stond

de winkel opgepropt met menschen, die inslag voor de volgende week

kwamen doen, en hadden Vader en Moeder Trom, benevens Dik, geen handen

genoeg, om de klanten te bedienen. Maar al moesten dezen wat wachten,

dat hinderde niet erg, want allen luisterden graag naar de vroolijke

grappen van Dik, die zijn praatje steeds klaar had.

De oude Trom deed niet veel. Hij was niet sterk genoeg om lang achter

de toonbank te staan, en als het hem al te druk werd, trok hij zich

op zijn stoeltje in een hoek van den winkel terug en keek met innig

welbehagen de drukte aan. En dan luisterde hij naar de gesprekken der

vrouwtjes, die het wel gezellig vonden, als zij niet dadelijk geholpen

konden worden, omdat zij dan nog een poosje konden babbelen,--maar

het meest genoot hij van de grappen en kwinkslagen van zijn zoon Dik,

dien hij soms langen tijd achtereen met de grootste bewondering kon

zitten aanstaren. En menigmaal, als hij zag, hoe graag de menschen

door Dik geholpen werden, mompelde hij zacht voor zich heen:

"Die Dik,--o, dat is toch een bizonder kind,--en dat is-ie!"

Trom werd er niet sterker op, en meer en meer begon de winkel hem

te zwaar te worden, vooral overdag, als Dik de klanten afreed, en

Moeder het huiswerk verrichtte. Want de winkelschel liet hem bijna

nooit met rust, van den morgen tot den avond.

"Klingelingeling!" ging het, als Trom zijn ontbijt

gebruikte. "Klingelingeling!" als hij 's middags aan tafel

zat. "Klingelingeling!" als hij zijn middagdutje wilde doen, waaraan

zijn zwak lichaam zooveel behoefte had.

Den geheelen dag was het voortdurend: "klingelingeling!" en dat

hield niet op, voordat 's avonds laat de winkeldeur op het nachtslot

werd gedaan.

De oude man beefde soms over al zijn leden van vermoeidheid als hij

eindelijk in zijn bed gestapt was, en van overspanning kon hij dan

dikwijls in geen uren den slaap nog vatten. Eindelijk begrepen Moeder

Griet en Dik beiden, dat het zoo niet langer ging,--dat er verandering

moest komen.

En die verandering kwam.

Het huisje naast den winkel kwam te huur. 't Was een allerliefst

huisje, wel klein, maar keurig net. 't Was een huisje voor een paar

oude menschen, die rustig hun ouden dag wilden doorbrengen.

Zoodra Dik hoorde, dat het te huur was, zei hij op een avond, toen

de winkel op het nachtslot was:

"Hoor eens, Vader en Moeder, weet u, dat het huisje hiernaast te

huur komt?"

"Is 't waar?" vroeg moeder Trom. "Neen, dat weet ik niet."

Trom zei niets. Hij keek Dik aan en streek met zijn hand langs zijn

dunne bakkebaardjes.

"Ja," zei Dik,--"'t is zoo, en nu had ik gedacht, dat het juist een

huisje voor u beiden zou zijn."

"Ja," zei Trom, "dat denk ik ook, en dat doe ik."

"'t Is een lief huis," ging Dik voort. "Niet te groot en erg

gemakkelijk in 't bewonen. En als u mij dan den winkel verhuurde,

zou u een rustigen ouden dag kunnen hebben. 't Wordt Vader toch wel

wat erg zwaar in den winkel."

"Ja, dat doet het--en dat doet het," zei Trom.

"En wou jij dan alleen in den winkel gaan wonen, Dik?" vroeg vrouw

Trom met een glimlachje.

Dik lachte ook.

"Neen Moeder, dat is nu juist mijne bedoeling niet. Als u en Vader het

goedvinden, zou ik wel willen trouwen. Anneke en ik hebben elkander

al gekend van onze vroegste kinderjaren af, en wij houden veel van

mekaar. Dus,--wat dunkt u er van?"

Moeder Trom stond op, sloeg haar armen om Dik's hals, gaf hem een

kus op elke wang, en zei:

"Mijn zegen er op, Dik!"

Trom trok zoo hard aan zijn bakkebaardjes, dat hij er de vlassige

haartjes van in de hand hield, en zei:

"Ja, ja, zoo is het goed, en dat is het. Griet, onze Dik is toch een

bizonder kind,--en dat is-ie!"

Tweede Hoofdstuk.

De belangrijkste dag uit het leven van Dik Trom.

Het ging al gauw als een loopend vuurtje door het dorp: "Dik Trom

gaat trouwen met Anneke, en zijn ouders gaan het huisje bewonen naast

den winkel." En alle menschen vonden het erg best. "'t Was net een

spannetje, dat bij elkaar hoorde," zei men. "Allebêi zijn ze vroolijk,

allebêi jong, allebêi dik," en dat was waar, want Anneke evenaarde in

gezetheid haar aanstaanden man. Zij zag er door en door gezond uit,

had een paar blozende wangen en keek iedereen altoos vroolijk en

opgeruimd aan. En zij vond het wàt prettig om met Dik te trouwen. Van

hun vroegste jeugd af hadden zij elkander gekend en veel van mekaar

gehouden, en niemand vond het vreemd, dat zij man en vrouw zouden

worden. Eigenlijk hadden de menschen het al lang gedacht.

Op een mooien dag in de maand Juni werd de bruiloft gevierd. Dik was 's

morgens al vroeg opgestaan en den tuin achter zijn huis ingestapt. Het

zonnetje scheen zoo vroolijk, de vogels zongen zoo blijde, de bloemen

in de perkjes geurden zoo heerlijk, en Dik voelde zich zóó gelukkig,

dat hij van louter plezier een liedje begon te zingen. En met zijn

zakmes sneed hij de vroege rozen af en de seringen en de vogelkers,

en bond ze te zamen tot een welriekenden ruiker, dien hij zelf aan

zijne bruid ging brengen. Overal zag hij de vlaggen uitsteken ter

eere van hem en van Anneke. Piet van Dril was de eerste, die zijn vlag

uit het zolderraam stak, en toen volgde Jan Vos, en daarna Van Dijk,

de molenaar, en Vrouw van Aken, en Teun de visscher, en de meester,

en de ontvanger, en de burgemeester. Ja, zelfs uit het huisje van Kee,

de heks van den Achterweg, wapperde een klein, verschoten vlaggetje

uit het boven-zijraampje, want zij hield dolveel van Dik en verheugde

zich in zijn geluk. Weldra was er geen huis meer, waar de vlag niet

uithing, wat wel een bewijs was, dat de bruid en de bruidegom geliefde

personen waren op het dorp.

Dik vond het heerlijk te zien, dat alle menschen hem en Anneke een

blijk van vriendschap wilden geven. Hij had een glimlach van geluk

op de lippen, en zijne oogen tintelden van blijdschap.

De menschen, die hem tegenkwamen, hielden hem staande om hem geluk

te wenschen en de hand te drukken, en Piet van Dril stak zijn zwarte

gezicht buiten de deur van de smederij, toen Dik daar voorbijkwam,

zwaaide met zijn vette, glimmende petje, en riep driemaal:

"Hoezee! Leven Dik en zijne bruid!"

Voor het huis van Anneke wachtte hem eene verrassing, want daar was

een mooie, groote eerepoort opgericht met sparregroen en papieren

bloemen. Bovenin prijkte een schild met de namen van de bruid en

den bruidegom, en er hingen lampions met kaarsen, die 's avonds een

schitterend licht zouden geven.

Dat hadden zijn vrienden en kennissen gedaan onder leiding van Piet

van Dril, zijn boezemvriend.

En onder de poort stond Anneke, die maar niet begrijpen kon, dat die

poort ter harer eere was opgericht, en ze lachte en schreide tegelijk

van blijdschap en zei, dat ze zoo gelukkig was en zooveel eer niet

verdiende. En zij dankte Dik voor zijn mooien ruiker, en wist bijna

niet, wat zij doen zou van vreugde.

Toen ging Dik naar huis terug, om alles voor de bruiloft in orde te

brengen. Er werden in de schuur, die in gewone tijden voor pakhuis

diende, groote tafels en stoelen geplaatst voor de gasten. En hij

versierde de wanden met vlaggedoek, en nog was hij daarmee niet gereed,

toen de deur openging, en Piet van Dril en Jan Vos verschenen, die

een wagen met sparregroen meebrachten en hem hielpen aan de versiering.

De schuur was weldra haast niet meer te herkennen, zoo mooi werd

zij. Vader en moeder Trom konden hun oogen bijna niet gelooven, toen

zij even binnen kwamen om een kijkje te nemen. Zij sloegen de handen

van verbazing in elkaar, en Trom mompelde:

"Wat een feest,--wat een feest! 't Heele dorp vlagt, en dan die

schuur! O, die Dik is een bizonder kind, en dat is-ie!"

Moeder Griet was dat volkomen met hem eens, maar zij gunde zich den

tijd niet om lang te kijken, want zij had het nog meer dan druk om

alles voor het feest in gereedheid te brengen. De beste spullen moesten

uit de kast, en alles werd zorgvuldig geschuierd en opgeknapt. Trom

had het vreeselijk druk met zijn hoogen hoed, denzelfden nog, waarop

Dik was gaan zitten, toen deze nog een kleine jongen was. Trom poetste

de stugge haartjes glad en liefkoosde hem wel honderdmaal met de mouw

van zijne lakensche jas. De man zag er wàt deftig uit, heelemaal in

't zwart en met dien hoogen hoed op. 't Model van zijn costuum was

wel wat ouderwetsch,--want 't was zijn eigen trouwpak nog, dat hij

maar zelden had aangehad,--en zijn hoed was wel wat hoog van bol en

breed van rand, maar dat hinderde niet.

"Die hoed is nog mooi, en dat is-ie," zei Trom, "en mijn pak kan ook

nog best meê, en dat kan het."

Dik was van top tot teen in 't nieuw. Hij had ook een lakensch pak

laten maken en een hoogen hoed gekocht. Zelf vond hij wel, dat hij er

met den hoed erg gek uitzag, maar Trom zei, dat hij hem deftig stond,

en dat deed-ie. Dik's nieuwe laarzen kraakten bij elken stap, zoodat

men hem in de verte al kon hooren aankomen. Dik had er een hekel aan,

maar zijn vader vond dat ook al erg deftig.

"Alle laarzen van deftige menschen kraken, en dat doen ze," zei

hij wijs.

Eindelijk werd het tijd om naar het huis van de bruid en vervolgens

naar het gemeentehuis te gaan, waar het huwelijk zou worden

voltrokken. Het drietal begaf zich daarom op weg.

Dik zag wel wat tegen de plechtigheid op, en hij voelde zich in zijn

mooie zwarte pak, in zijne krakende laarzen en onder zijn hoogen hoed

verre van lekker. Hij was in het geheel geen mensch voor zooveel moois

en plechtigs. Maar 't moest nu eenmaal gebeuren, en hij besloot daarom

zoo goed mogelijk door den zuren appel heen te bijten.

Vader en moeder Trom keken met gepasten ernst naar al de vlaggen,

die ter eere van hun zoon waren uitgestoken, en vonden zich verbazend

gewichtig. Moeder Griet zag er ook zeer feestelijk uit. Zij had hare

zijden japon aan, waarover een met palmen doorgewerkte omslagdoek,

die haar in den vorm van een gelijkbeenigen driehoek over den rug hing

met de punt naar beneden, een zijden hoedje op met groote keellinten,

en aan haar arm een karbies, welke in sterke mate de aandacht trok

van de kinderen, die den kleinen stoet omringden en steeds in aantal

toenamen. Een van de grootste jongens begon al spoedig te zingen:

"Bruid, bruid, strooi wat uit!"

Maar de anderen legden hem het zwijgen op met de opmerking, dat de

bruid nog niet aanwezig en hij dus met zijn liedje te vroeg was.

De jongens en meisjes zagen er zeer opgewekt uit en het ontbrak hun

niet aan de noodige luidruchtigheid.

Zoo bereikte het drietal de woning van de bruid, waar de gasten,

die voor het feest genoodigd waren, zich reeds verzameld hadden. Met

een krachtigen handdruk werd Dik ontvangen, die onhandig met zijn

hoogen hoed omsprong en voortdurend het vervelende kraken van zijne

laarzen hoorde.

't Was nu hoog tijd om naar het raadhuis te gaan. De stoet stelde zich

dus op. Jan Vos en zijn verloofde openden de rij, daarop volgden Dik

en Anneke, daarachter de wederzijdsche ouders en verdere familieleden,

en eindelijk de vrienden en kennissen, die genoodigd waren. Piet van

Dril en zijn jonge vrouw, want Piet was al sedert een jaar getrouwd,

waren de laatsten van den stoet.

De meisjes en vrouwen hadden allen een groote karbies, tot groote

vreugde van de jongens en meisjes, die zich vol blijde verwachting

voor het huis hadden opgesteld. Nauwelijks waren de bruiloftsgasten

zichtbaar, of daar klonk uit wel honderd kelen:

"Bruid, Bruid,

Strooi wat uit!

Bruid, Bruid,

Strooi wat uit!"

't Was een verschrikkelijk gejoel en lawaai, maar de karbiezen bleven

potdicht. Eerst moest het jonge paar getrouwd zijn; zoolang dat niet

gebeurd was, werd er niet gestrooid.

In lange rij trok de stoet door het dorp en bereikte ongestoord het

raadhuis. Daar werden de groote deuren geopend door den veldwachter,

die bij trouwpartijen dienst deed als concièrge, en men nam plaats

in de trouwzaal, waar vele dorpelingen aanwezig waren om van de

plechtigheid getuige te zijn.

Spoedig verscheen de burgemeester, en nu werden Dik en Anneke in den

echt verbonden. De burgemeester deed nog een hartelijke toespraak en

drukte het bruidspaar de hand.

Pas kwam de stoet weer buiten het raadhuis, of daar galmde het weer,

nu wel uit tweehonderd monden:

"Bruid, Bruid,

Strooi wat uit!

Bruid, Bruid,

Strooi wat uit!"

De lieve straatjeugd drong geweldig op om dicht bij de karbiezen

te komen, die de begeerde lekkernijen bevatten. En thans bestond er

tegen het openen daarvan geen enkele hinderpaal meer.

"Dààr dan, jongens, grabbelt maar!" riep Anneke, die tijdens de

plechtigheid erg bleek had gezien, maar nu hare frissche kleur

langzamerhand terugkreeg, en zij tastte diep in de karbies en strooide

de bruidssuikers onder de menigte. Haar voorbeeld werd door Moeder

Trom en de andere vrouwen en meisjes gevolgd. Het regende als het

ware links en rechts suikergoed, zoodat de jongens op en over elkander

buitelden, om toch maar zooveel mogelijk bijeen te grabbelen. 't Was

een allerdolst schouwspel. De kinderen hadden nergens meer oog voor,

dan voor de uitgestrooide lekkernijen, en zij waren zoo verwoed aan

het grabbelen, dat zij den heelen bruidsstoet uit elkaar duwden. Een

van de jongens kwam vlak voor de voeten te liggen van Vader Trom,

zoodat het weinig scheelde, of deze viel voorover op de straat. Zijn

hooge hoed rolde wel twee meter ver voor hem uit en kwam onder een

paar jongens terecht, die aan het vechten waren om een suikerboon,

waarop zij beiden recht meenden te hebben. De arme hoed kreeg het

kwaad te verantwoorden en leek al spoedig meer op een waterhoozer

uit een lekke roeiboot, dan op een deftigen hoogen hoed.

Piet van Dril gaf den vechtenden jongens een paar klinkende oorvijgen,

die hun met verbazenden spoed het hazenpad deden kiezen. Den hoed

bracht hij zooveel mogelijk weer in zijn fatsoen, en zette hem den

ouden man op het hoofd.

Van het gemeentehuis wandelde de stoet, steeds vergezeld door de

straatjeugd, die met ijzeren volharding het "Bruid, Bruid, strooi

wat uit" galmde, naar de kerk, waar het huwelijk ingezegend werd,

en van daar naar de versierde schuur.

Den geheelen dag heerschte er groote vreugde. Dik rookte uit een

lange Goudsche pijp, die met groen en bloemen was versierd, en de

bruid dronk uit een kopje, waarvan het oortje met een rozeknopje en

een paar rozeblaadjes prijkte.

't Was een heerlijk feest. 's Middags kwamen vele vrienden en kennissen

gelukwenschen, en ook de oude heks van den Achterweg kwam binnen, om

bruid en bruidegom de hand te drukken. En in een klein mandje bracht

zij zes kippeneitjes meê, als een klein blijk van hare vriendschap

en dankbaarheid, want zij was maar een arme, oude vrouw en wilde toch

ook zoo graag wat geven.

Dik kreeg het er bijna te kwaad onder, zoo aardig vond hij dat van

de goede ziel, en hij pakte het oudje beet en danste met haar in

het rond tot groote pret van alle bruiloftsgasten. 's Avonds kwamen

twee muzikanten met violen, en toen konden de jongelui dansen naar

hartelust, wat zij dan ook deden.

't Was al zeer laat in den avond, en nog was er niemand naar huis

gegaan. De oude molenaar was de eerste, die opstond om te vertrekken,

en hij klopte Trom op den rug en zeide:

"Dat was nog eens een echte, mooie bruiloft, niet waar?"

En Trom antwoordde, aan zijne bakkebaardjes plukkende:

"Ja, dat is het,--en dat doet het,--maar Dik is ook een bizonder

kind,--en dat is-ie!"

Derde Hoofdstuk.

Dik wordt vader, en vrouw Smul begraaft haar neus in een

roomtaart.

't Bleef met den winkel onder leiding van Dik en Anneke uitstekend

gaan, zoodat men gerust kon voorspellen, dat zij nog eens in goeden

doen zouden komen. Nu, Dik werkte dan ook met den grootsten ijver,

en als hij de boeren afreed met boodschappen, verving Anneke hem

op uitstekende wijze in den winkel. En zij was een zuinig vrouwtje,

naar de meening van Dik haast wel een beetje al te zuinig.

"Hoor eens, Anneke," zei hij meer dan eens, "daar moet je toch

voorzichtig meê wezen. Zuinig is goed, best zelfs, maar àl te zuinig

is verkeerd. Komen de vrouwtjes om een pondje van dit of van dat, dan

moet je niet bang wezen, dat de schaal even doorslaat. 't Is beter

overwicht te geven, dan te klein gewicht. Daar hebben de menschen

een hekel aan, en dan gaan ze al gauw naar een anderen winkel, waar

de maat wat ruimer is. Heusch, een klein toegiftje doet geen schade,

maar voordeel. En komen er kinderen boodschappen halen, geef ze dan

een balletje of een pepermunt, of een stukje zoethout, of een vijg. Dat

hebben ze graag en dan koopen ze liever hier dan bij een ander."

Anneke gaf aan dien raad gehoor, maar zuinig van aard bleef ze toch,

en dat was goed.

In den winkel zag het er keurig netjes uit, en hij was van alle

gemakken voorzien. Daar zorgde vader Trom wel voor. Nu hij niets meer

te doen had, was de oude liefhebberij voor het timmervak weer bij hem

ontwaakt, en liep hij altoos te passen en te meten, te schaven en te

hameren. 't Was dan ook, eer een jaar verloopen was, een pracht van

een winkel geworden, en Trom was daar erg trotsch op. Jammer voor

den braven man, dat hij den laatsten tijd zoo doof werd. Kort na

Dik's bruiloft was het begonnen, en 't nam met den dag toe, zoodat

hij eindelijk bijna niet meer te beschreeuwen was. 't Was voor Griet

een verbazende last, want zij hield erg veel van een praatje.

Een paar jaar na Dik's huwelijk had er eene groote gebeurtenis

plaats. Dik werd namelijk vader van een zoontje, en hij was daar

erg blij om. Toen hij op een avond met paard en kar thuis kwam,

vond hij den kleinen kerel al in de wieg liggen, en grootvader

en grootmoeder Trom zaten er op een stoel naast en keken met de

grootste belangstelling naar hun pasgeboren kleinkind. Grootmoeder

Griet vond het een allerliefst schattig kindje, maar grootvader zei

geen woord. Hij was blijkbaar in gedachten verdiept, en staarde met

open mond den kleinen schreeuwer aan. Want een scheeuwer was het. De

oude Trom had een klein, pasgeboren kindje nog nooit zóó hooren

schreeuwen. Grootvader vond het erg verwonderlijk, en soms sloeg hij

zijne oogen even op en staarde grootmoeder aan met een blik, waarin

zoowel verbazing als bewondering opgesloten lag. 't Was hem aan te

zien, dat hij in het kind iets gewichtigs zag.

"O, o, wat was Dik blij, toen hij zijn zoontje zag. Zijne ouders

feliciteerden hem recht hartelijk, en hij drukte moeder Anneke, die

te bed lag, een kus op elke wang. En toen ging hij weer dadelijk naar

de wieg, om zijn zoontje in oogenschouw te nemen.

"Wel verschrikkelijk, wat schreeuwt dat kind!" zei Dik, die ook in

de grootste verbazing naar het geluid van den nieuwen huisgenoot

luisterde. "Moeder, heb ik ook zoo geschreeuwd, toen ik pas in de

wereld was?"

"Neen," zei grootmoeder Trom, "jij schreeuwde nooit, dan alleen als

je honger hadt."

"Maar dan heeft dat ventje ook honger!" riep Dik met beslistheid

uit. "Hei baker, waar zit je? Geef dat kind wat eten!"

Op zijn geroep kwam de baker uit de keuken te voorschijn 't Was

vrouw Smul, die ook Dik nog gebakerd had. Zij was nu eene oude vrouw

geworden, met bijna geen tand meer in haar mond, en een puntige,

vooruitstekende kin. Dik hield in het geheel niet van haar, maar daar

zij de eenige baker op het dorp was, moest hare hulp wel ingeroepen

worden. Met een vriendelijk lachje feliciteerde zij den gelukkigen

vader, en zij haalde het kleine kereltje uit de wieg, en hield hem

Dik voor, die nu in de gelegenheid kwam, zijn zoon goed te bezien.

Ten tweeden male wekte het ventje zijn groote verbazing, want zoo

dik als hij zelf geweest was, toen hij op de wereld kwam, zoo smal

en dun was de kleine. En schreeuwen, schreeuwen dat het kind deed,

neen maar, 't ging Diks verwachting verre te boven. Ook grootmoeder

en grootvader keken het wichtje met verwondering aan, want zoo dun

en mager hadden zij nog nooit een kind gezien.

Dik sloeg van verbazing de handen ineen, en riep uit:

"Neen maar, wat een wonderlijk mager kind is dat! 't Is veel te dun!"

"Maar 't is toch een erg lief kindje," zei Anneke met moedertrots.

"En wat schreeuwt het!" ging Dik voort, "'t Schreeuwt als een

speenvarken. Toe baker, geef dat kind dadelijk wat te eten, want zulk

geschreeuw is niet uit te houden. Een mensch krijgt er hoofdpijn van."

Grootvader Trom had nog geen woord gesproken, maar eindelijk ging

hij naar zijn vrouw, en driftig aan zijn bakkebaardjes plukkende,

zei hij op gewichtigen toon:

"Griet, 't is een bizonder kind,--ik zeg een bizonder kind,--en

dat is-ie!"

"Ik geloof het ook," zei Dik lachend. "Zoo dun,--en dan dat

geschreeuw. 't Is wél bizonder!"

Inderdaad bleken deze twee eigenschappen van den kleine op den duur

wèl wat bizonder te zijn, want het kind schreide van den morgen tot

den avond, en van den avond tot den morgen. Alleen als hij sliep, was

hij stil. Hij dronk de eene flesch melk na de andere, maar bleef even

dun en mager. En hij schreeuwde om er wanhopig onder te worden. Kreeg

hij geen flesch, dan maakte hij een ijselijk misbaar om de aandacht

op zich te vestigen, en had hij de flesch leeggedronken, dan vond hij

dàt weer een reden om zijne stem te verheffen. Maar hij groeide best,

al was het alleen in de lengte.

Dik vreesde, dat zijn wieg hem gauw te kort zou worden, en hij

ergerde zich den ganschen dag aan de aanwezigheid van de baker. Daar

had hij trouwens zijn goede redenen voor, want in den winkel was

veel te snoepen, en daar hield vrouw Smul van. Telkens zag Dik,

dat zij tersluiks iets in den mond stak, als zij even in den winkel

moest wezen, en dat kon Dik niet uitstaan. Eens zag hij, dat zij bij

de kistjes vijgen stond en er een handjevol uitnam, en hij besloot

haar dat eens en voor goed af te leeren. Baker had hem niet gezien,

en schrok dus niet weinig, toen hij eensklaps achter haar stond. Dik

nam een grooten bak met stroop, dien zij onmogelijk met éen hand kon

vasthouden en zei:

"Toe baker, help me even. Houd dien bak eens vast."

Maar dat kon baker niet doen, want dan zou Dik zien, dat zij een

hand vol vijgen had. Haastig draaide zij zich dus om en stak de

vijgen met eene behendige beweging in haar mond, maar ongelukkig

konden ze daarin haast niet geborgen worden, zooveel had zij er wel

uit het kistje genomen. Zij moest den mond dus stijf dicht houden,

wilde zij zich niet verraden. Toen greep zij den stroopbak met beide

handen aan. Haar mond zat als 't ware volgepropt, tot groot vermaak

van Dik, die een vriendelijk praatje met haar begon.

"Wel baker," vroeg hij, "hoe zou het toch komen, dat de kleine

Jan",--want zijn zoon heette Jan, naar zijn grootvader,--"dat de

kleine Jan altijd zoo schreeuwt? Wat kan daar toch de reden van wezen?"

Maar baker kon niet antwoorden vanwege de vijgen, die zij in

den mond had. En er waren er te veel, dan dat zij ze had kunnen

doorslikken. Kauwen durfde zij ook niet, want dan zou zij zichzelve

dadelijk verraden hebben. Zij verkeerde nog in de heilige overtuiging,

dat Dik niets van hare snoeperij had gemerkt. Zij zeide dus niets,

maar haalde alleen de schouders op, ten teeken dat de reden van

Jantjes geschreeuw haar totaal onbekend was. Doch met dat gebaar was

Dik niet tevreden.

"Neen baker, haal nu de schouders niet op," zei hij op ernstigen toon,

"maar zeg mij liever kort en goed, wat er de oorzaak van is. Hij moet

toch ergens met zooveel volharding om schreeuwen!"

Baker haalde nogmaals de schouders op, en Dik keek haar ernstig aan.

"Scheelt er wat aan, baker? U trekt zoo'n raar gezicht," ging hij

voort. "Heeft u pijn of zoo iets?"

Baker schudde ontkennend met het hoofd, maar het angstzweet brak haar

uit, want de vijgen in haar mond begonnen haar verschrikkelijk zwaar te

liggen, en zij kon haar mond bijna niet meer dicht houden. Zij kneep

de lippen wanhopig stijf op elkander en liet den zwaren stroopbak

haast vallen.

Dik had de grootste pret, en ging plagend voort:

"Heeft u kiespijn, baker?"

Baker schudde alweer van neen.

"Of buikpijn?"

Nogmaals hetzelfde gebaar.

"U lijkt wel stommetje te spelen, baker. Ik geloof, dat ik den dokter

voor u moet halen."

De baker slaakte een diepen zucht, maar wilde blijkbaar niets van

een dokter weten. Zij schudde heftig van neen.

"Maar zèg dan toch wat, baker! Zulk zwijgen is om er tureluursch van

te worden. Of kan u niet spreken?"

De baker zei nog niets, maar keek wanhopig naar den zolder.

"Doe uw mond eens open, baker," ging Dik zonder medelijden voort,

en hij pakte haar kin tusschen vinger en duim. Maar nu werd het baker

te erg, en zij begreep, dat Dik heel goed had gezien, dat zij van de

vijgen gesnoept had. Zij zette den stroopbak haastig neer en verliet in

allerijl den winkel, terwijl Dik het uitschaterde van pret, omdat hij

haar zoo geducht te pakken had gehad. Zij dorst den "baas" den geheelen

dag niet meer aankijken van schaamte, en zij had nog grooter hekel

aan hem dan vroeger, toen hij haar klompen vol water had geschept.

Maar haar snoeplust leerde zij er niet meê af. Die kwaal was bij haar

te veel ingekankerd.

Dat bleek Dik, toen zijn zoontje een dag of acht oud was. In den

winkel, achter een van de toonbanken, was een luik, waaronder zich de

kelder bevond. Dik was in dien kelder, toen de winkelschel ging, maar

de baker wist niet, dat Dik daar was. Zij kwam in den winkel en zag

daar den loopjongen van den banketbakker, die eene heerlijke roomtaart

kwam brengen, een geschenk van Piet van Dril en diens vrouw. Ha, de

neusvleugels van vrouw Smul trilden van begeerte. Na haastig om zich

heen gekeken te hebben, of zij wel alleen was, lichtte zij behendig

het deksel van de doos en genoot van den heerlijken aanblik, dien de

verrukkelijke taart opleverde.

Dik kwam langzaam en onhoorbaar naderbij. "Als zij gaat snoepen,

zal ik het haar eens en voor altijd afleeren," dacht hij.

En jawel, vrouw Smul moest toch eventjes proeven. Met haar vinger

streek zij er wat room af en stak het in den mond. Wat smaakte dat

heerlijk! Zij smakte met de tong. En wat rook die taart lekker. Wacht,

zij moest ook eventjes ruiken. Zij bracht de doos wat omhoog, haar

neus naar omlaag, en genoot van den heerlijken geur....

Maar Dik was meer dan kwaad, want hij dacht, dat vrouw Smul er van

snoepte. En in zijne boosheid gaf hij een geduchten duw tegen den

bodem van de doos, zoodat neus en kin van de baker in een oogwenk

tot in het hart van de taart doordrongen. En toen vrouw Smul die

lichaamsdeelen weer uit hun ontijdig graf had opgedolven, zaten zij

dik in de room. Zij leken wel roomhorentjes.

Vrouw Smul kon zich in het eerste oogenblik maar niet begrijpen, wat

er gebeurd was, zoo snel was het in zijn werk gegaan, en zij gaf een

gil van den schrik. Doos en taart liet zij op den vloer vallen, en zij

vluchtte op een draf den winkel uit en de huiskamer in, waar Anneke

in een schaterlach uitbarstte, zoo mal zag baker er uit. En zij kon

haast niet tot bedaren komen, toen Dik haar vertelde wat er eigenlijk

gebeurd was, al vond zij het meer dan jammer van de heerlijke taart.

"En wat zullen Piet van Dril en zijne vrouw het akelig vinden, als

zij het hooren," zei Anneke.

"Die zullen het niet hooren," zei Dik. "Ik ga dadelijk een nieuwe

taart bestellen, precies eender als deze, en wij noodigen Piet

en zijne vrouw een avondje bij ons op de koffie, om haar te helpen

opeten. Dan hooren zij er nooit iets van. Baker zal er haar mond wel

over houden,--en wij praten er natuurlijk ook niet over."

Zoo geschiedde. Piet en zijn vrouw smulden er heerlijk van en vonden

het prettig, dat de taart Dik en Anneke zoo lekker smaakte, maar zij

hebben nooit geweten, dat het de hunne niet was. De baker wilde den

heelen avond niet binnen komen. Zij bleef stil in de keuken. Maar

Anneke zorgde toch, dat zij haar deel van de lekkernij kreeg.

Want zij paste uitstekend op den kleinen Jan, en dat waardeerde Anneke

bizonder. Een paar dagen later ging de baker voor goed heen.

Vierde Hoofdstuk.

De eigenschappen van den kleinen Jan en het geduldige busje

van de orgelvrouw.

De kleine Jan groeide zeer voorspoedig op, dat wil zeggen alleen in

de lengte, want hij bleef broodmager, tot groote verbazing van Dik

en Anneke, die elken dag opnieuw in de gelegenheid werden gesteld om

zijn eetlust te bewonderen.

"Hij is precies een hazewindhond," zei Dik meer dan eens. "Hoeveel

hij ook eet, hij blijft altijd even dun. 't Is verwonderlijk!"

Overigens was de kleine Jan een zeer voorlijk kind. Hij lachte al,

toen hij nog maar enkele dagen oud was, en zijne tandjes kwamen

zeldzaam vroeg. Hij kroop veel gauwer over den vloer, dan nog ooit

eenig kind gedaan had, en kreeg mazelen, kinkhoest en waterpokken,

toen andere kinderen van zijn leeftijd de gedachte daaraan nog niet

in hun hoofd voelden opkomen.

Zijn grootvader hield daarom staande tegenover iedereen die het hooren

wilde, dat de kleine Jan een bizonder kind was, en dat was-ie.

Jan was met zijn grootvader al spoedig goede maatjes. Toen hij nog heel

klein was, wilde hij altoos op diens knieën zitten en paardje-rijden,

zoodra hij hem maar zag, en als Grootvader zijn zin niet dadelijk deed,

zette hij het zoo geweldig op een schreeuwen, dat zelfs Grootvaders

gehoorvliezen er pijn van gingen doen. En dan haastte de oude man zich,

om zijn kleinzoontje tevreden te stellen.

Zoodra Jantje loopen kon, en dat kon hij heel vroeg, liep hij

grootvader overal na. Anneke was daar eerst wel wat ongerust over,

omdat grootvader zoo erg doof was, maar toen haar Jantje altoos weer

gezond en wèl terugkeerde in de ouderlijke woning, begon zij daar

spoedig aan te wennen. Als Jantje zoek was, dacht ze al dadelijk:

"O, hij zal wel weer bij grootvader wezen."

Toen Jantje zag, dat grootvader bijna altoos aan het timmeren was,

schreeuwde hij net zoo lang, tot hij ook een hamer kreeg, en van

dat oogenblik af deed hij niet anders dan hameren. Hij sloeg er meê

tegen de toonbank, dat de weegschalen er van rinkelden, klopte op

de vijgenmand met zooveel kracht, dat de pitjes uit de vruchten te

voorschijn kwamen, hamerde een melkkan aan scherven en sloeg een barst

in de winkelruit. Dat gebeurde alles op één dag, tot grooten schrik

van Anneke, die hem den hamer afnam, toen het te laat was. Grootvader

had er niets van gemerkt, en toen Anneke hem op de verwoesting attent

maakte, keek hij die eenigen tijd in verbazing aan, tot hij eindelijk

mompelde:

"Zie je wel, Anneke, dat Jantje een bizonder kind is?--En dat is-ie."

Dat bleek ook uit het feit, dat Jantje het geweldig op een schreeuwen

zette, toen Anneke hem den hamer had afgenomen. Hij kon echter zoo hard

niet schreeuwen, dat zijne Moeder hem dien teruggaf. Grootvader was

bezig de stijfsellade te herstellen, die niet meer goed heen en weer

kon schuiven. Jantje zat schreeuwend achter hem op den vloer, tot het

twaalf uur werd en Grootvader naar huis moest om te eten. Grootvader

legde den hamer in den spijkerbak en vertrok. Nauwelijks was hij

verdwenen, of Jantje greep den hamer en zette de werkzaamheden

voort. Hij sloeg draadnagels in de verschillende winkelladen, waar

zij schots en scheef in terecht kwamen, timmerde Grootvaders rooden,

katoenen zakdoek, dien hij vergeten had mede te nemen, als een vlag

aan de toonbank vast, en ging naar het petroleumvat, om ook daar

een paar draadnagels in te slaan. Maar toen viel zijn aandacht op de

kraan, die in het vat zat, en Jantje sloeg er net zoo lang op met zijn

hamer, tot de kraan uit het vat vloog en de petroleum in een breeden

stroom op den vloer en op Jantjes beenen terecht kwam. Ha, dat vond

Jantje pas mooi. Hij hield er den hamer onder, waardoor de stroom een

bizonder mooien vorm kreeg en de droppels hem om de ooren spatten,

en hij keek met innig welbehagen de gevolgen van zijn bemoeiingen

aan. De petroleum bedekte weldra den geheelen vloer, en Jantje was

zoo nat als een gedrenkte spons. Zijne Moeder had er geen erg in, want

zij was in de keuken, tot zij opeens een geweldig geschreeuw vernam,

zóó hevig, dat zij van schrik opsprong en naar den winkel ijlde. Maar

nauwelijks had zij de deur geopend, of zij bleef als verstomd staan en

keek met open mond naar de petroleum, die den geheelen vloer bedekte

tot aan den drempel toe, waarop hare voeten stonden, en naar Jantje,

die uit alle macht schreeuwde en met zijn hamer op het vat sloeg.

De tranen sprongen Anneke in de oogen, en zij was in één woord

radeloos. Zij wist niet, wat ze beginnen moest. Ze kon niet eens bij

haar zoontje komen, zonder door de petroleum te plassen, wat ze op

hare pantoffeltjes onmogelijk doen kon.

En Jantje schreeuwde uit alle macht, niet om hetgeen hij gedaan had,

ook niet omdat hij met de beentjes rechtuit in de petroleum zat,

maar eenvoudig om. het feit, dat er geen petroleum meer uit het vat

stroomde. Hij was er meer dan kwaad om, dat de stroom opgehouden had te

vloeien, en hij meende net zoo lang te schreeuwen, tot het weer begon.

Bedroefd en niet wetende wat zij beginnen moest, snelde Anneke de

achterdeur uit, om Grootvaders hulp in te roepen. Schreiende kwam

zij daar binnen, en zij vertelde onder snikken en tranen, wat Jantje

gedaan had.

"Wat is er?" vroeg Grootmoeder, toen zij Anneke zoo bedroefd zag

staan. Grootvader stond ook van zijn stoel op en vroeg:

"Wat is er, Anneke? Wat scheelt er aan?"

De goede man voelde al naar zijn zakdoek, om haar de tranen van de

wangen te vegen, want hij hield veel van Anneke. Maar hij vond zijn

zakdoek nergens. Hij kon ook niet vermoeden, dat die als een vlag

aan de toonbank wapperde.

"O, o," zei Anneke, "daar heeft Jantje me de kraan uit het petroleumvat

geslagen...."

"Den haan uit het kippenhok doodgeslagen?" vroeg Grootvader

ontsteld. "Hoe komt het kind er bij."

"Neen, neen," zei Anneke met haar mond aan Grootvaders oor, "de

kraan uit het petroleumvat geslagen, en nu is alle petroleum uit

het vat geloopen, en Jantje zit er midden in. Ik weet niet, wat ik

beginnen moet...."

Grootvader had nu goed verstaan. Hij trok zijn klompen aan en

stapte den winkel binnen, waar Jantje nog zijn uiterste best deed,

om petroleum uit het leege vat te laten vloeien. Hij schreeuwde als

't ware moord en brand.

Grootvader keek ook niet weinig verschrikt, evenals een paar vrouwtjes,

die juist kwamen aanloopen om boodschappen te halen.

Trom plaste op zijn klompen door de petroleum en pakte Jantje op,

dien hij regelrecht naar de keuken bracht.

"Hier Griet, kleed hem maar dadelijk uit en stop hem in de tobbe,"

zei hij tegen zijn vrouw, die van schrik bijna niet spreken kon,

toen zij de ramp in oogenschouw nam.

Daarna haalde Grootvader eene tobbe uit het schuurtje, benevens een

paar dweilen, en begon den vloer op te dweilen.

Hij schudde daarbij echter bedenkelijk met het hoofd, want hij begreep

zeer goed, dat de zaak zoo gemakkelijk niet in orde kwam. Jantje

schreeuwde intusschen honderd-uit, want hij werd door Moeder en

Grootmoeder naakt uitgekleed en in een warm bad gestopt. Zijn kleeren

waren onbruikbaar geworden.

Dat laatste was ook het geval met den winkelvloer. Trom besloot dan

ook dadelijk de handen uit de mouwen te steken De geheele vloer werd

opgebroken en door een nieuwen vervangen, wat den ouden man heel wat

werk bezorgde, 't Is te begrijpen, dat Dik verbaasd opkeek, toen hij

's avonds thuis kwam en hem het gebeurde verteld werd.

"Die kleine hazewindhond, hoe krijgt hij 't in zijn hoofd," zei hij

eindelijk. En Grootvader zei:

"Ik zeg, dat hij een bizonder kind is, Dik, net als jij, en dat is-ie."

Sinds dien dag werd het petroleumvat zoo geplaatst, dat Jantje er

niet meer bij kon. En de kleine kerel kreeg van zijn vader een houten

hamertje, waar hij niet veel kwaad mee kon doen. Hij timmerde nu den

geheelen dag en hielp Grootvader op zijn manier bij al diens werk. Hij

liet zich daarbij door niets storen, of het moest door een draaiorgel

zijn. Dat vond hij zoo verrukkelijk mooi, dat hij er zelfs zijn eten

voor liet staan, wat hij anders voor geen geld ter wereld zou doen. En

nog mooier vond hij het busje, waarin de vrouw van den orgeldraaier

het geld ophaalde. De orgeldraaier en zijne vrouw woonden op het dorp

en kwamen vast elken Dinsdag met het orgel rond. Dat was erg lastig

voor Anneke, want die had dan altoos waschdag, en moest toch al elk

oogenblik haar waschgoed in den steek laten, om de klanten in den

winkel te helpen.

Eens op een Dinsdagmorgen had zij het daarmede erg druk gehad, toe

het geluid van het orgel al van verre tot haar doordrong. Ook Jantje

had het gehoord. Hij was toen een jaar of drie en kon dus de deur al

zelf opendoen.

't Geluid van het orgel kwam naderbij, en Jantje was in de voordeur

gaan staan, om van de muziek zooveel mogelijk te genieten. Eindelijk

was het orgel tot voor den winkel gekomen en verscheen Mietje, de

vrouw van den orgeldraaier, die Klaas Touw heette, aan de deur. Jantje

haastte zich naar de keuken, en zei:

"Moedel, daal is Klaas Touw met het olgel." De r kon hij nog niet

zeggen, zoodat hij gemakshalve daar maar een l voor nam.

"Hè, wat een gezeur van morgen," zei Anneke, wie de zweetdroppels

op het voorhoofd parelden van de drukte. "Er ligt wel een cent in de

toonbanklade, Jantje, je weet wel."

"Ja moedel," zei Jan, en weg was hij.

Hij greep een handjevol centen en begaf zich naar Mietje.

Hij legde een cent in het bakje en zag hem met de grootste

belangstelling door de gleuf verdwijnen, want dat vond hij iets zeer

geheimzinnigs. Toen de cent weg was, legde hij er een tweeden in,

die op dezelfde eigenaardige wijze in de diepte verdween. Daarna een

derde, en een vierde, en een vijfde. Dat ging zoo voort tot Jantjes

handje leeg was. Mietje was blijkbaar een heel geduldig vrouwtje en

zij streek Jantje liefkoozend over zijn kopje.

"Wacht even, ik zal del nog meel halen," zei Jantje, en hij voegde

de daad bij het woord. De toonbanklade was nog lang niet uitgeput en

Jantje vond het heel aardig, dat het orgel zoo lang bleef draaien,

en dat de centen zoo mooi in de bus verdwenen.

"Flap," daar viel er weer een naar beneden, tot groote pret van Jantje,

die er hardop om lachen moest. "Flap," weer een, en nog een, en nog

een, tot zijn handje alweer leeg was. En tot zijn groote vreugde

draaide het orgel nog maar steeds door, en bleek Mietje vriendelijk

genoeg om voor zijn plezier nog een poosje te blijven staan.

"Wacht even," zei Jantje, "ik zal del nog meel halen. El zijn del

nog genoeg."

Nu, dat was waar, en hij kwam al spoedig weer met een handjevol terug.

"Flap," ging het alweer, en "flap, flap, flap," volgden de

andere. Anneke was zoo druk aan het wasschen, dat zij het heele

orgel vergeten was. Gelukkig, dat er nu eens een poosje geen klanten

kwamen....

Jantje liep geregeld heen en weer van Mietje naar de lade, en van de

lade naar Mietje, wier geduld onuitputtelijk bleek. Jantje vond haar

erg zoet, dat ze zoo lang blijven wou en dat hij zoo prettig met het

busje mocht spelen.

Maar eindelijk was de voorraad centen uitgeput, en daarom begon

Jantje met de dubbeltjes, die hij in de lade vond. Gelukkig kwam er

juist een meisje den winkel binnen om een half pond suiker te halen

en toen ze zag, wat Jantje deed, zei ze:

"Zeg, stoute jongen, dat mag je niet doen." Zij nam Jantje de

dubbeltjes af, die hij in de hand had, en riep luid:

"Vollek!--Vollek!"

Opeens bleek Mietje haast te krijgen. Zij wenkte Klaas, die

onmiddellijk den slinger van het orgel in rust bracht, en samen

vervolgden zij met meer dan gewonen spoed hun tocht. Zij liepen

zelfs zonder te spelen verscheidene huizen voorbij, en verdwenen in

een achterbuurtje.

Jantje was echter boos en begon luidkeels te schreeuwen. Maar zijn

Moeder was nog boozer, toen zij van het meisje vernam wat er gebeurd

was, en zij gaf Jantje voor zijne broek en zette hem in de woonkamer

met bevel, dat hij daar den geheelen middag blijven moest. Klaas Touw

en Mietje kregen, toen zij weer met het orgel kwamen, een geducht

standje van haar en mochten in geen vol jaar meer aankomen.

"Je hebt wel voor een jaar genoeg gehad," zei Anneke boos, "en 't

is een schande, dat je het geld aangenomen hebt. Als je fatsoenlijke

menschen waart, zou je mij gewaarschuwd hebben."

Of Mietje al zei, dat het zoo erg niet geweest was, en dat Jantje

maar een cent of vijf in het busje had gedaan, 't hielp haar niets.

"Je hebt voor een jaar genoeg gehad, en daarmede is het uit," zei

Anneke beslist. Boos deed ze de deur voor Mietje's neus dicht.

Vijfde Hoofdstuk.

Jantje en de school.

Jantje bleef zeer voorspoedig opgroeien. De gewone kinderziekten had

hij al lang achter den rug, verkouden was hij nooit, en voor koorts

scheen hij geen aanleg te hebben. Hij was buitengewoon levendig van

natuur, waarvan het gevolg was, dat zijne Moeder hem zelfs met geen

stok in huis kon houden.

Eerst had zij daartoe wel alle middelen, die haar ten dienste stonden,

in 't werk gesteld, maar tevergeefs. Toen hij nog erg klein was, volgde

hij steeds zijn Grootvader als diens schaduw, en dan timmerde hij den

geheelen dag, maar toen hij een jaar of vier werd, vond hij daar niet

veel pleizier meer in. Hij ging toen liever de buurt op, en was bijna

altoos op de smerigste plaatsen te vinden, die er bestonden. Hij zag

er daardoor gewoonlijk ontoonbaar uit. De modder zat hem dikwijls tot

in de haren, zijne broek was bijna altoos hier of daar gescheurd,

en zijn handen zagen zoo zwart als roet. Wel tienmaal op een dag

greep Anneke hem bij den arm, nam hem mêe naar de keuken, en boende

hem met groene zeep schoon, waarbij de kleine patiënt gewoonlijk een

erbarmelijk geschreeuw deed hooren, zoo erg, dat de klanten, die in

den winkel kwamen, soms dachten, dat er iemand vermoord werd. In die

meening werden zij dan nog versterkt door de noodkreten van Jantje,

die op zijn gewonen huilerigen toon niets anders deed, dan schreeuwen:

"Ik wou, dat ik dood was! Ik wou, dat ik dood was! Ik moet ook altijd

maar gewasschen worden!"

Zijn moeder toonde echter niet het minste medelijden en hield niet op,

voordat Jantje vanwege de groene zeep blonk als een spiegeltje.

't Was maar jammer, dat het slechts voor zoo korten tijd hielp. Geen

tien minuten later zat Jantje weer in de modder te baggeren. Zijn

voeten waren meestal kletsnat, want hij bewoog zich graag aan de

slootkanten, om naar de kikkers te kijken en watertorren te vangen.

Toen hij vier jaar oud was, kwam hij voor het eerst met een nat pak

thuis. Hij had kopje-onder in het water gelegen. Dat gaf een schrik

bij Anneke, en zij besloot kort en goed hem voortaan in huis te

houden. Zij sloot hem in den tuin op. Maar dat beviel haar nog veel

minder, want tot haar schrik zag zij hem 's morgens om negen uur al

op de vorsten van het schuurtje zitten, en even later kwam hij naar

beneden tuimelen. Anneke zag het juist gebeuren, en zij dacht, dat

hij wel dood zou zijn. Zij zat als met lamheid geslagen op haar stoel

en was niet bij machte om op te rijzen en Jantje te gaan helpen. Dat

bleek echter ook niet noodig te zijn, want Jantje sprong dadelijk

overeind en klom weer tegen het schuurtje op. Een poosje later zat

hij weer op de vorsten. Eerst was hij wel een beetje bleek van den

schrik, maar dat werd spoedig beter.

Anneke besloot hem niet meer op te sluiten, zoodat Jantje 's middags

weer in de buurt rondwandelde.

Toen Dik het 's avonds hoorde, moest hij er braaf om lachen, en

hij zei:

"Wel, wel, kan die hazewindhond zóó klimmen? Kijk Anneke, dat is nu

iets, wat ik in mijn jeugd nooit heb kunnen doen, omdat ik zoo dik

was. Ik vind het wel aardig."

Anneke vond het dat niet, en zij klaagde zóó over de zorg, die zij van

den vroegen morgen tot den laten avond over Jantje had, dat Dik besloot

hem voortaan, als het goed weer was, maar meê te nemen op den wagen.

Dat was een kolfje naar Jantjes hand. Ha, wat vond hij het prettig

om naast Vader op den bok van den wagen te zitten. Soms mocht hij

de leidsels vasthouden of met de zweep klappen. Van slaan was geen

sprake; dat wilde Dik volstrekt niet hebben. Zelf deed hij het ook

alleen in bizondere omstandigheden. Het was dan ook werkelijk niet

noodig, want de hit van Dik kon verbazend hard loopen. Dat beweerde

Dik niet alleen, maar alle menschen op het dorp zeiden het. Die hit

was eigenlijk een harddraver en Dik kende geen hit, uren in den omtrek,

die zoo hard loopen kon als de zijne. Eén ding was maar jammer. De hit

had namelijk wel eens koppige buien, eene kwaal, die ook andere hitten

wel met hem gemeen hebben. Als hij in zoo'n booze bui was, bleef hij

vierkant op den weg staan met de pooten wijd uit elkander. Dan was

er geen beweging in hem te krijgen. Eerst had Dik zijne toevlucht

wel eens genomen tot de zweep, hoewel hij daar een geduchten hekel

aan had, maar 't had hem totaal niets geholpen. Eindelijk was Dik op

't idée gekomen om hem een klontje suiker voor den bek te houden, en

als de hit het pakken wilde, hield hij het weer een eindje verder. Dat

hielp goed, want de hit hield veel van klontjes, en liep zijn meester

dan dadelijk na. En onder het smullen vergat hij zijn koppige bui,

zoodat Dik weer op den bok kon gaan zitten. Als de hit weer eens

niet voort wilde, nam Dik dadelijk een klontje suiker, en dan was de

zaak in orde. Maar de hit was slim, en telkens als hij trek kreeg in

een klontje, bleef hij midden op den weg staan en ging niet verder,

vóór hij zijn zin gekregen had. Dat gebeurde spoedig wel al een keer

of tien op een dag, zoodat Dik begreep, dat het niet langer ging. Hij

gaf den hit geen enkel klontje meer, al bleef hij ook een half uur op

den weg staan. Zoo leerde het beest langzamerhand zijn snoeplust weer

af. Maar de koppige buien kwamen telkens terug. Wel niet dikwijls,

maar toch te veel naar Dik's zin. 't Was overigens een prachtige hit,

die zijns gelijke niet had in het loopen. Dik hield dan ook bizonder

veel van hem, en Jantje vond het wát heerlijk, als het lieve paardje

zoo lustig voor den wagen draafde.

En Dik vond het prettig, als de kleine Jan naast hem op den bok

zat. Als 't mooi weer was, mocht Jantje altoos met hem mee, en dat

gaf Anneke heel wat rust. Deze had het trouwens al druk genoeg met

den winkel.

Eindelijk werd Jantje vijf jaar en toen moest hij naar school. Maar

daar had hij in 't geheel geen zin in. Het vrije leventje en de

toertjes met zijn vader bevielen hem veel te goed, en hij hield stijf

en strak vol, dat hij nooit en nooit naar school wilde.

Toch moest het gebeuren, en Dik bracht hem er zelf heen.

Och, och, wat schreeuwde de kleine baas, en wat deed hij eene moeite

om los te komen. Maar dat lukte hem niet, want zijn vader hield hem

stevig vast.

Hij schreeuwde nog, toen hij door de Juffrouw in ontvangst werd

genomen, en hoeveel moeite zij ook deed om hem tot bedaren te brengen,

't hielp haar niets. De andere nieuwelingen keken hem met de grootste

verbazing aan. Zulk schreeuwen hadden zij blijkbaar nog nooit gehoord.

De Juffrouw werd er zenuwachtig van, en wist eindelijk geen raad

meer met het kereltje. 't Was haar onmogelijk iets te beginnen,

want Jantje overschreeuwde haar stem wel tienmaal, zoodat niemand

haar kon verstaan.

Maar opeens kwam hij tot bedaren, tot groote verwondering en even

groote blijdschap van de Juffrouw. Hij veegde zijne oogen af met de

mouwen van zijn jasje, en stak toen parmantig den vinger op.

De Juffrouw lachte hem vriendelijk toe, en vroeg:

"Wel kleine man, wat is er?"

"Juffrouw, wanneer begint de groote vacantie?" vroeg Jantje.

De Juffrouw schoot in een lach, en zei:

"O hé, dat duurt nog een heelen tijd, Jantje. Dat duurt nog wel eene

maand of drie."

"Vandaag nog niet?" vroeg Jantje, wiens lippen weer zenuwachtig

begonnen te beven.

"Neen, vandaag nog niet, Jan. Maar dat hindert niet. 't Is hier in

de school ook wel prettig."

Jantje was dit echter in 't geheel niet met haar eens, wat duidelijk

bleek uit het feit, dat hij het weer verschrikkelijk op een schreeuwen

zette. Er kwam geen einde aan.

De Zoon van Dik Trom · 第 1 / 11 段