»Zoo?" zei Sylvius Hog. »Het is een fraai sieraad; maar ik vrees een

weinig opzichtig voor mijne bescheiden Hulda! Neen, dat niet... Ik zou

de ronde plaatjes verkiezen, die gij mij straks hebt laten zien, en dat

kruis, bestemd om aan een halssnoer te hangen. Zijn die dan werkelijk

slechts geschikt voor bruidstooi, zoodat men ze een jong meisje niet

zoude mogen aanbieden?"

»Mijnheer Hog," zei de heer Benett lachende, »op die vraag is onmogelijk

een afdoend antwoord te geven, dunkt me; want de Storthing heeft daarop

nog geen wet gemaakt!... Dat is ongetwijfeld eene leemte...."

»Ja wel, ja wel, mijnheer Benett, ik begrijp u; wij zullen mettertijd

daarin voorzien," antwoordde Sylvius Hog, even hartelijk lachende. »Maar

intusschen neem ik dat kruis en die andere sieraden... Want, alles

wel beschouwd, is het toch mogelijk en zelfs te voorzien, dat mijne

kleine Hulda den een of anderen dag zal trouwen. Zij bezit daartoe alle

vereischten. Zij is goedaardig, en bovendien bekoorlijk en lieftallig,

zoodat, volgens mij, de gelegenheid niet uitblijven zal, om die juweelen

te kunnen gebruiken... Dat is dus afgesproken... ik houd die sieraden en

neem ze mede."

»Goed, mijnheer Hog."

»De rekening zult gij wel zenden, niet waar, mijnheer Benett?"

»Wees onbezorgd."

»Zal ik het genoegen hebben, u bij de trekking der loterij te zien?"

vroeg de professor.

»Zeker."

»Ik geloof, dat het zeer belangrijk zal zijn."

»Daar ben ik van overtuigd."

»Dus tot straks, mijnheer Benett."

»Tot straks, mijnheer Hog."

»Kijk," zei de professor, terwijl hij zich over een der glazen kasten

boog. »Kijk, welke mooie ringen! Die had ik nog niet gezien."

»O, wat die betreft, daar kunt u niets mee doen, mijnheer Hog."

»En waarom niet, als ik u vragen mag?"

»Omdat het trouwringen zijn, die door den predikant bij de

huwelijksplechtigheid aan den vinger van bruid en bruidegom gestoken

worden...."

»Waarlijk?.... Kijk, kijk!... Toch neem ik ze.... men kan niet weten...

Tot straks, mijnheer Benett, tot straks! Ik moet maken dat ik wegkom."

»Tot straks! Uw dienaar, mijnheer Hog!" zei de handelsman buigende.

Sylvius Hog stapte heen--en wel met een lichten, vluggen pas, als een

twintigjarige--en begaf zich naar het _Noorder Hotel_.

Toen hij dat hotel binnentrad, bemerkte hij de woorden: _Fiat Lux!_ die

op een der matglazen van een glaslantaarn gegrift waren.

»Waarachtig," zei hij in zich zelven, »dat latijn spreekt van pas! Ja,

inderdaad! _Fiat Lux... Fiat Lux!..._ Er zij licht!"

Hij klom spoedig de trap op.

Hulda was op hare kamer. Zij zat bij het raam en wachtte. Toen professor

Sylvius Hog aan de deur klopte, deed zij dadelijk open.

»O, mijnheer Sylvius, zijt gij daar?" riep het jonge meisje verheugd

uit.

»Ja, hier ben ik! Hier ben ik! Maar, lieve Hulda, laat die

plichtplegingen nu achterwege. Het ontbijt staat klaar, en ik voeg er

bij, dat ik een honger als een wolf heb. Maar... Waar is Joël?"

»In de leeskamer."

»Zoo?... Dan ga ik hem daar halen. Gij, lief kind, komt zeker dadelijk

beneden, niet waar?"

»Ja, mijnheer Sylvius."

»Laat ons niet te lang wachten."

Sylvius Hog verliet Hulda's kamer en begaf zich naar Joël Hansen, dien

hij met de wanhoop in het hart en het hoofd in de hand in de leeskamer

vond zitten.

De arme jongen toonde hem het nummer van het _Morgenblad_, dat hij

zooeven gelezen had. Het telegram van den gezagvoerder der _Telegraaf_

liet geen twijfel meer bestaan omtrent het vergaan van de _Viken_. Neen,

volgens dat bericht was niemand aan den dood ontkomen.

»Gij hebt het toch niet aan Hulda laten lezen?" vroeg de professor

haastig.

»Neen, mijnheer Sylvius."

»Dan is het goed," antwoordde deze bedaard.

»Het is beter die tijding nog geheim voor haar te houden," vervolgde

Joël zeer bedrukt en terneergeslagen. »Zij zal haar vroeg genoeg

vernemen, niet waar?"

»Zeker, mijn jongen; gij hebt goedgedaan met uwe zuster die tijding niet

mee te deelen.... Kom, laten wij gaan ontbijten. Dat is het beste, wat

wij doen kunnen."

Een oogenblik later was ons drietal aan eene afzonderlijke tafel

gezeten. En, in weerwil van de verpletterende tijding, die hij zooeven

gelezen had, verorberde professor Sylvius Hog zijn ontbijt met grooten

eetlust.

En waarachtig, daar was wel reden toe.

Het was een heerlijk ontbijt, dat, het aantal gerechten in aanmerking

genomen, wel voor een diner kon doorgaan. Dat de lezer zelf oordeele:

Vooreerst werd een koude biersoep opgedragen, waarin citroenschijfjes en

stukjes kaneel dreven, terwijl ze met fijngestampte beschuit bestrooid

was. Verder versche zalm, die met eene witte, zoete saus toebereid was;

vervolgens gebraden kalfsvleesch, dan een heerlijk stuk roastbief,

waarbij een sterk gepeperde en gekruide sla behoorde, eindelijk

vanille-ijs, confituren van aardappelen, frambozen, kersen en

hazelnoten, terwijl men daarbij een glas uitmuntenden St. Julien te

drinken kreeg, die rechtstreeks uit Frankrijk kwam.

»Heerlijk!..... heerlijk!....." riep telkenmale Sylvius Hog, waarbij hij

als een ware lekkerbek de lippen likte. »Heerlijk!.... men zou meenen in

de herberg van vrouw Hansen te Dal aan tafel te zijn!"

Het scheelde weinig, of hij had zich de vingers afgelikt. Hij bedacht

zich bijtijds.

»Heerlijk!.... heerlijk!...." herhaalde hij voortdurend.

En daar hij zijn mond te veel te doen gaf, om dien verder nog iets op te

dragen, glimlachte hij met zijne goedige oogen, als namelijk oogen

glimlachen kunnen.

Helaas, Joël en Hulda waren niet in staat zijn voorbeeld te volgen. Al

hadden zij het gewild, dan nog zouden zij het niet vermocht hebben. Het

arme meisje at zelfs zeer weinig.

Toen het ontbijt afgeloopen was, zei de professor tot hen:

»Lieve kinderen, gij hebt bepaald ongelijk gehad, door dit ontbijt niet

alle eer aan te doen. Inderdaad, de keuken van het _Noorder Hotel_ laat

niets te wenschen over. Maar, ik kon u niet dwingen. En alles wel

beschouwd, nu gij niet ontbeten hebt, zult gij straks des te beter

dineeren...."

»O, mijnheer Sylvius!" riepen de beide jongelieden.

»En, ik weet niet, of ik u hedenavond zal kunnen bijhouden...."

»Mijnheer Sylvius!" zei Joël verwijtend.

»Kom, het is tijd om van tafel op te staan."

De professor had zijn stoel reeds weggeschoven. Hij greep zijn hoed,

dien Joël hem aanreikte, en wilde naar buiten treden, toen Hulda hem

weerhield.

»Mijnheer Sylvius," zei zij, »staat gij er nog op, dat ik u vergezel?"

»Om bij de trekking der loterij tegenwoordig te zijn?"

»Ja."

»Zeker, lieve meid, sta ik daar op, en dat nog wel zeer sterk!"

»Het zal een moeielijke zaak voor mij zijn!"

»Ja, dat erken ik."

»Kunt gij mij daarvan niet ontslaan?"

»Volstrekt niet, waarde Hulda!"

»Waarom niet?" vroeg het jonge meisje snikkende.

»Omdat Ole Kamp gewild heeft, dat gij bij de trekking tegenwoordig zoudt

zijn! En.... Hulda, gij moet den wil van Ole Kamp eerbiedigen!"

Die laatste volzin kwam zoo dikwijls in den mond van den professor, dat

die woorden als het ware een refrein begonnen te worden.

XIX.

DE LOTERIJTREKKING.

Welk een saamgepakte menigte in de groote zaal der Universiteit te

Christiania, waar de trekking der loterij zou plaats hebben!

Maar, niet alleen die zaal was volgepropt, ook de binnenplaatsen waren

vol menschen. Welke zaal ter wereld had zoo'n menigte kunnen bevatten?

Zelfs de naburige straten stonden vol, want ook de binnenplaatsen der

Universiteit waren te klein geweest om al de nieuwsgierigen te bevatten.

Waarlijk op dien zondag, dien 15den Juli, zou men die Noren, nu zoo

opgewonden, niet voor een kalm, flegmatisch volk uitgekreten hebben,

zooals gewoonlijk geschiedt.

Maar, waardoor werd die opgewondenheid dan toch veroorzaakt?

Sproot zij voort uit de belangstelling, welke deze trekking opwekte?

Of vond zij haren oorsprong in de buitengewone warmte, welke dien dag in

Noorwegens hoofdstad heerschte?

Maar om het even, wat er ook de oorzaak van mocht zijn, zooveel was

zeker, dat het veelvuldig, ja overdadig gebruik van »multers", eene

zeer verfrisschende vrucht, die in Scandinavië overvloedig voorkomt en

verorberd wordt, niet in staat was die opgewondenheid te doen verkoelen.

De trekking der loterij zou ten drie ure precies beginnen. Geen minuut

later.

Er waren honderd prijzen te winnen. Deze waren in drie seriën afgedeeld,

namelijk: de eerste serie, bestaande uit negentig prijzen van honderd

tot duizend mark, tot een gezamenlijk bedrag van vijf en veertig duizend

mark; de tweede serie, bestaande uit negen prijzen van duizend tot negen

duizend mark, en de derde serie bestaande uit een eenigen prijs,

namelijk dien van honderd duizend mark.

In tegenstelling van hetgeen gewoonlijk bij loterijen van dien aard

geschiedt, was het groote effect, het knal-effect zouden wij haast

zeggen, voor het einde bewaard. De hoogste prijs zou niet aan het eerst

uitgetrokken nummer toegewezen worden, maar aan het laatste, namelijk

aan het honderdste.

Daaruit zou eene opeenvolging van indrukken, ontroeringen,

hartkloppingen ontstaan die al sterker en sterker zouden worden,

naarmate de trekking vorderde.

Het spreekt vanzelf, dat ieder nummer, waarop een prijs gevallen was,

geen tweeden meer kon verkrijgen. Mocht zoo'n nummer voor de tweede maal

uit de bus komen, dan was het natuurlijk nietig.

Dat alles wist het publiek. Dat behoefde niet meer verkondigd te worden.

Men had nu slechts te wachten op het bepaalde uur. Maar om de verveling

ondertusschen te verdrijven en den tijd te dooden, werd er gepraat. En

zooals licht te begrijpen is, liep het gesprek hoofdzakelijk over Hulda

Hansen en over haar wedervaren.

Waarlijk als zij nog in het bezit van het loterijbriefje van Ole Kamp

ware geweest, dan zou een ieder, na zich zelven eerst het groote lot

toegewenscht te hebben, den tweeden prijs aan haar hebben toegedacht.

Het scheen, dat op dat oogenblik reeds verscheidene personen kennis

droegen van het telegram, door het _Morgenblad_ in zijn laatste nummer

verspreid. Men sprak er met zijn buurlieden over, en weldra wist de

geheele verzamelde menigte, dat de nasporingen van het adviesvaartuig

de _Telegraaf_ tot geene uitkomst hadden geleid.

Men moest dus de poging opgeven, om, al ware het ook maar een wrakstuk

van de _Viken_, weer te vinden!

De geheele bemanning scheen bij het zinken van het vaartuig omgekomen!

De arme Hulda zou dus haren bruidegom niet weerzien! De uitspraak van

het noodlot was onherroepelijk.

Een gerucht leidde een oogenblik de algemeene aandacht af. Er werd

namelijk verteld, dat de woekeraar Sandgoïst er toe overgegaan was

Drammen te verlaten, en zelfs beweerden ettelijken der aanwezigen hem in

de straten van Christiania gezien en ontmoet te hebben.

Zou hij het dan toch gewaagd hebben, hierheen te komen? Zou hij in de

zaal durven verschijnen?

[Illustratie: Het nummer 9627. Blz. 214.]

Als dat waar was, dan zou die fielt er niet gemakkelijk afkomen.

[Illustratie: Daarop zakte zij ineen. Blz. 219.]

Hij!... zou hij bij de trekking tegenwoordig zijn!.... dat was zoo

onwaarschijnlijk, dat het niet mogelijk scheen.

Laten wij er evenwel dadelijk bijvoegen, dat het gerucht slechts een

praatje was. Baas Sandgoïst was kalm en voorzichtig te Drammen gebleven.

Dat daarvoor goede redenen bestonden, zal de lezer later wel merken.

Omstreeks kwart voor tweeën, begon er eene zekere beweging onder de

volksmenigte te ontstaan.

De oorzaak daarvan was professor Sylvius Hog, die aan de buitendeur van

het Universiteitsgebouw verscheen. Iedereen wist, hoezeer hij in die

geheele zaak betrokken was, en hoe hij, uit dankbaarheid voor zijne

redding door de kinderen van vrouw Hansen, alles in het werk gesteld

had, om hen te helpen.

Men maakte dadelijk plaats voor den professor. Een vleiend gemompel

werd vernomen, dat door professor Sylvius Hog met vriendelijke knikjes

beantwoord werd. Het gemompel hield aan, werd al sterker en sterker en

ging eindelijk in een uitbundig gejuich over.

Maar.... maar.... de professor was niet alleen.

Zij, die het dichtst in de nabijheid waren, weken terug, om nog meer

plaats te maken, en toen zag men, dat hij een jong meisje aan den arm

had, terwijl een jonge man hen op de hielen volgde.

Een jeugdig meisje en een jonge man! Was het niet mogelijk, dat....?

Wel zeker, was dat mogelijk!... Het was zelfs waarschijnlijk!.... Zoo

dacht een ieder.

Het scheen wel dat die menigte een electrischen schok had gekregen.

Hetzelfde woord drong zich op aller lippen.

»Hulda!.... Hulda Hansen!..." riepen honderden, duizenden stemmen.

Eigenlijk ontsnapte die naam aller lippen.

»Hulda!.... Hulda Hansen!...."

Ja, het was Hulda Hansen, die daar het Universiteitsgebouw was

binnengetreden.

Het arme meisje kon van aandoening niet overeind blijven. Zij zou

gevallen zijn, als Sylvius Hog haar niet met krachtigen arm ondersteund

had. Ja, dat deed de waardige professor. Hij ondersteunde de heldin van

dit feest, die evenwel haren Ole Kamp daarbij miste!

Och, hoeveel liever zou zij in hare kleine bescheidene kamer te Dal zijn

gebleven!

O, hoe gaarne zou zij zich aan al die nieuwsgierige blikken, die toch

zoo goedig en trouwhartig op haar gevestigd waren, hebben willen

onttrekken. Maar Sylvius Hog had gewenscht, dat zij hierheen kwam, en

zij was gekomen.

»Plaats! Plaats!" riep men van alle kanten.

En men drong naar alle zijden, om voor professor Sylvius Hog, voor Hulda

en Joël ruimte te maken.

Hoeveel handen strekten zich niet uit, om de hunne aan te raken, om die

met warmte te drukken!

Hoeveel welwillende en troostrijke woorden vernamen zij in het

voorbijgaan.

Sylvius Hog kon niet nalaten bij al die bewijzen van belangstelling

goedkeurend te knikken.

»Ja," riep hij uit. »Zij is het vrienden!.... Ja, dat is de kleine

Hulda, die ik van Dal hierheen gevoerd heb!"

En zich omkeerende, ging hij voort.

»En dat is Joël, haar kloeke broeder!"

De toejuichingen namen schier geen einde.

De professor maakte van een oogenblik van kalmte gebruik, om de menigte

lachend toe te roepen:

»Pas dan toch op, en drukt mijne beschermelingen niet dood!"

En terwijl Joël al die handdrukken krachtig beantwoordde, werden de

minder geharde handen van den professor schier verbrijzeld. Zijn oogen

schitterden, hoewel er een traan van aandoening in parelde. Maar....

opmerkenswaardig verschijnsel voor de gezichtkundigen--die tranen

schenen lichtgevend te zijn.

Ons drietal had een groot kwartier noodig, om het binnenplein der

Universiteit door te worstelen, teneinde de groote zaal te kunnen

bereiken en daar plaats te nemen op de stoelen, die door de zorgen van

den professor voor hen bewaard waren.

Eindelijk gelukte dat toch, hoewel niet zonder moeite, en weldra zat

Sylvius Hog tusschen Hulda en Joël. Tegen halfdrie ging eene deur open

achter een verhevenheid, die in de zaal gemaakt was. De voorzitter der

loterij-commissie verscheen waardig, ernstig, en met dat gebiedend

uiterlijk, die bijzondere houding van het hoofd, eigen aan iedereen, die

tot het aanvaarden van een presidentszetel geroepen is. Twee assessoren

volgden hem met niet minder ernstige gezichten.

Daarop zag men zes kleine meisjes binnentreden, met blond haar, blauwe

oogen, en ietwat roode handen.

Voorzeker de handen der onschuld, die de nummers der loterij zouden

trekken.

Die zes meisjes waren daarenboven met veelkleurige linten versierd;

terwijl zij een krans op het hoofd en een ruiker op de borst droegen.

Die komst werd met een zeker gemompel begroet, dat vooreerst het

genoegen van de menigte moest te kennen geven bij het zien van de

directeuren der loterij van Christiania, maar ook als een blijk van

ongeduld was te beschouwen, omdat men hen zoolang had laten wachten.

Intusschen namen de drie directeuren op de verhevenheid, daarvoor

bestemd, plaats.

Hierboven werd gezegd, dat er zes meisjes waren. Zij stonden bij de zes

bussen of trommels, die op eene tafel geplaatst waren, en waaruit bij

elke trekking zes nummers te voorschijn gebracht moesten worden.

Die zes trommels bevatten ieder de tien nommers 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7,

8, 9, 0, die de eenheden, tientallen, honderdtallen, duizendtallen,

tienduizendtallen en honderdduizendtallen van een millioen

vertegenwoordigden. Het is waar de loterij bestond uit een millioen

loten, toch was er geen zevende trommel, maar bij dat stelsel van

trekking, was men overeengekomen, dan wanneer de zes nullen tegelijk

getrokken werden, die dat getal millioen zouden aanduiden, wat de kansen

voor al de nummers volkomen gelijkmaakte.

Bovendien was bepaald, dat de nummers achtereenvolgens uit de trommels

te voorschijn zou worden gehaald, te beginnen bij die, welke ter

linkerzijde van het publiek stond. Het winnende getal zou zoo onder

het oog der toeschouwers gevormd worden, eerst door het cijfer der

honderdduizendtallen, daarna door dat der tienduizendtallen enz. tot dat

der eenheden.

Ten gevolge van die regeling, zou, zooals de lezer wel denken kan, de

spanning der menigte al meer en meer toenemen. Ieder zou toch, bij het

te voorschijn brengen van een cijfer, zijne kansen zien toenemen of

verdwijnen.

Klokslag drie uur maakte de voorzitter der loterij-commissie een gebaar

met de hand, sloeg met een houten hamer op de tafel en verklaarde de

zitting geopend.

Een gemompel, dat zeker eenige minuten duurde, volgde op die verklaring.

Daarop werd het stil.

Toen stond de voorzitter der loterij-commissie op. Hij scheen zeer

bewogen en sprak met haperende stem een kleine gelegenheidsrede uit

waarin hij scheen te betreuren, dat niet voor ieder lot een groote prijs

had kunnen bestemd worden. Hij wees op de onmogelijkheid van zoo iets en

eindigde zijn improvisatie met een gelukwensch voor alle aanwezigen,

zelfs voor de niet-spelers incluis.

Daarna gaf hij bevel om tot de trekking der eerste serie van prijzen

over te gaan.

Deze bevatte, zooals men weet negentig prijzen, zoodat de trekking

daarvan nog al tijd vorderde.

De zes kleine meisjes begonnen dus hun werk en deden dat met eene

schier automatische regelmatigheid, zonder dat evenwel daardoor het

geduld van het publiek uitgeput werd. Het is waar, de belangrijkheid en

de waarde der te trekken prijzen rezen bij iedere trekking. In dezelfde

verhouding klom ook de opgewondenheid der menigte en niemand dacht er

aan, om vóór den afloop zijne plaats te verlaten. Zelfs zij bleven, wier

nummers reeds uitgekomen waren, en die dus volgens de gemaakte

bepalingen geen kans meer hadden.

Een uur ongeveer ging voorbij, zonder dat er iets bijzonders voorviel.

Men had trouwens de opmerking reeds gemaakt, dat nummer 9672 nog niet

uitgekomen, of, beter gezegd, nog niet gevormd was. Dan zou natuurlijk

aan dat lot de kans op het winnen van den prijs van honderdduizend mark

ontnomen zijn.

»Dat is waarlijk een goed voorteeken voor dien Sandgoïst," merkte een

der aanwezigen in de nabijheid van professor Sylvius Hog op. »Waarlijk,

een goed voorteeken!"

»Ba!" antwoordde een ander, »het zou toch te verwonderen zijn, als het

groote lot hem ten deel viel!"

»Accoord, maar...."

»Maar, wat?"

»Gij kunt niet ontkennen, dat hij een uitstekend nummer bezit, een

uitstekend nummer!"

»Inderdaad, een uitstekend," antwoordde professor Sylvius Hog met een

glimlach.

»Waarom, professor?" werd hem van alle kanten met den meesten aandrang

gevraagd.

Zoo'n geleerde moest dat weten! Waartoe zou anders de wetenschap dienen!

»Vraag me dat niet, vrienden," antwoordde professor Sylvius Hog.

»Waarom niet, professor?"

»Omdat ik daarop geen antwoord zou weten te geven."

De nieuwsgierigen moesten zich daarmee tevreden stellen.

Toen begon de trekking van de tweede serie, die negen prijzen bevatte.

De aandacht werd hoe langer hoe meer gespannen. De een en negentigste

prijs bedroeg toch reeds duizend mark! Eene heele som! De twee en

negentigste bedroeg tweeduizend mark, de drie en negentigste

drieduizend, en zoo voort tot de negen en negentigste prijs, die

natuurlijk negenduizend mark gewin aanbracht.

De derde serie bestond, zooals men zich herinneren zal, uit een eenigen

prijs, den hoogsten, dien van honderdduizend mark.

Het nummer 72521 won den prijs van vijfduizend mark.

Dat lot behoorde aan een braven zeeman, die in Christiania thuis

behoorde. De man werd met warmte toegejuicht, en hoorde die

toejuichingen met waardigheid aan.

Een ander nummer, 823752, won zesduizend mark.

Hoe groot was de blijdschap van onzen professor, toen Joël Hansen hem

mededeelde, dat dit nummer toebehoorde aan de bekoorlijke Siegfrid te

Bambel!

Daarna gebeurde er iets, dat het publiek in de grootste spanning

bracht en tot velerlei gemompel aanleiding gaf. Toen men den zeven en

negentigsten prijs trok, dien van zevenduizend mark, verkeerde men

aanvankelijk in de meening, dat Sandgoïst althans voor dezen prijs door

het lot begunstigd zoude worden.

Inderdaad, de twee eerste cijfers, die der duizendtallen en

honderdtallen kwamen goed uit. Ook de beide andere cijfers werden uit

hunne respectieve trommels getrokken, maar in omgekeerde orde, zoodat

niet 9672, maar wel 9627 uitgekomen was. Het scheelde weinig niet waar,

of het was het nummer van Ole Kamp. Toch was er nog altijd een verschil

van vijf en veertig eenheden.

De twee volgende trekkingen brachten twee nummers te voorschijn, die

zeer uiteenliepen.

Het waren de nummers 775 en 76287.

De trekking der prijzen van de tweede serie was daarmede afgeloopen.

Gelukkig ook!

Want, nu bleef nog maar de laatste prijs, die van honderdduizend mark

over.

De opgewondenheid der toeschouwers werd al grooter en grooter, en het

zou zeer moeielijk zijn er eene beschrijving, ja zelfs een denkbeeld van

te geven.

Door de geheele zaal werd een langdurig gemompel vernomen, dat zich tot

op de binnenpleinen, ja zelfs tot op de straat verspreidde. Het kostte

nog al tijd en moeite, voordat er eenige kalmte en stilte verkregen was.

Eindelijk gelukte dat toch. Het gedruisch verminderde langzamerhand en

binnen betrekkelijk korten tijd heerschte er diepe stilte. Men had eene

speld kunnen hooren vallen, zooals men gewoonlijk zegt.

Het was alsof de aanwezige menigte versteend was. Die kalmte was

gedeeltelijk veroorzaakt door eene soort verstomming, zooals men wel

eens gevoelt--wanneer wij hier die vergelijking bezigen mogen--als men

bij voorbeeld een ter dood veroordeelde, op de plaats der

terechtstelling ziet verschijnen.

Ditmaal echter was de patient--thans nog een onbekende--ter dood

veroordeeld, maar wel gedoemd om honderdduizend mark te winnen, dus

volstrekt niet om het hoofd te verliezen, tenzij de blijdschap hem de

poets speelde om zijn hoofd op hol te brengen.

Joël Hansen keek met over de borst gekruiste armen en schier wezenloozen

blik de bedrijvigheid aan. Van die geheele menigte was hij wellicht het

minst opgewonden.

Hulda Hansen zat naast Sylvius Hog, maar scheen in zich zelve gekeerd.

Het arme meisje dacht slechts aan haren ongelukkigen Ole Kamp. Zij zocht

hem instinctmatig met den blik, alsof hij op het laatste oogenblik vóór

haar zou moeten verschijnen. Dwaze gedachte, niet waar?

Wat professor Sylvius Hog betrof.... Hij.... maar het zou mij onmogelijk

zijn eene beschrijving te geven van hetgeen in zijn binnenste omging.

»Thans zullen wij overgaan tot de trekking van den prijs van

honderdduizend mark!" verkondigde de voorzitter plechtig.

Welk eene stem!

Zij scheen wel uil de ingewanden van dien deftigen persoon voort te

komen.

Dat kwam wel een weinig daar vandaan, dat hij zelf houder was van

verscheidene loten, welke nummers nog niet uitgetrokken waren, en zijn

kans dus aanmerkelijk toegenomen was.

Hij gaf een wenk aan zijne beide assessoren.

Dezen brachten dien wenk over aan de kleine meisjes, bij de zes trommels

gezeten.

De eerste dier geluksgodinnen trok een cijfer uit de linkertrommel en

vertoonde het aan het publiek.

»Nul!" zei de voorzitter met luider stem.

»Nul!" herhaalde de assessor, die tot secretaris diende, terwijl hij het

genoemde cijfer opschreef.

Die nul maakte niet veel effect; men scheen niets anders verwacht te

hebben.

Het tweede meisje trok op hare beurt een cijfer uit de voor haar staande

trommel en liet het ook aan het publiek zien.

»Nul!" zei andermaal de voorzitter met even luide stem.

»Nul!" herhaalde de secretaris en schreef die naast de eerstgenoemde.

Het loterijbriefje · 第 17 / 18 段