Toen Joël wakker was en zich gekleed had, ging hij zijne zuster Hulda

opzoeken, die hem kant en klaar op hare kamer zat te wachten. Ten einde

haar eenige afleiding te bezorgen, voor de droefgeestige gedachten, die

haar brein vervulden, en welke dien dag nog menigvuldiger en bitterder

dan anders waren, stelde hij haar voor eene wandeling te maken en die

tot het uur van 't ontbijt uit te strekken. Hulda nam, om haren broeder

te believen, dat voorstel aan, en beiden trokken op goed geluk--want

geen hunner wist den weg--de stad in.

In tegenstelling met hetgeen in andere Noorsche steden op de zondagen

geschiedt, waarop het aantal wandelaars zeer beperkt is, bewoog zich

eene groote menigte door de straten der hoofdstad.

De stedelingen hadden niet alleen de stad niet verlaten, zooals zij des

Zondags gewoon waren, om buiten verademing van hun arbeid en inspanning

te zoeken; maar men zag ook de landlieden en de dorpelingen uit den

omtrek naar de stad toestroomen. De spoorweg van het Mjösermeer, die het

voornaamste middel van verkeer van Christiania met de omstreken vormt,

had extra treinen moeten laten rijden, om de menigte naar de stad te

vervoeren.

Wat was er toch gaande?

Voorzeker was er iets op til, dat de belangstelling van die menigte

opwekte.

En inderdaad, dat was ook zoo. Al die van buiten komende, al die

wandelende personen in de straten van Christiania waren evenveel

nieuwsgierigen en vooral belangstellenden in de zoo populaire loterij

ten voordeele van de scholen der hoofdstad.

Er drentelde dus, zooals gezegd is, een groote menigte door de straten

van Christiania; geheele familiën zag men daar; zelfs de bevolking van

geheele dorpen, allen gekomen met de geheime hoop, geene vergeefsche

reis gemaakt te hebben.

Men moet niet vergeten, dat een vol millioen loterijbriefjes was

geplaatst geworden. En al zou men slechts een of tweehonderd mark

winnen, hoe tevreden over het lot zouden die brave lieden naar hunne

nederige soeters of naar hunne bescheidene gaards terugkeeren!

En er was een prijs van honderd duizend mark, zonder de andere te

rekenen, waaronder een van tien duizend, een van zes duizend, een paar

van vijf duizend, en ettelijke van duizend mark waren!

Toen Joël en Hulda Hansen het _Noorder Hotel_ verlaten hadden, daalden

zij naar de kaden af, die zich rondom het oostelijk gedeelte der baai

uitstrekten. Hier was niet zulk een toevloed van volk, tenzij men een

blik wilde werpen in de herbergen,--in de vergunnings-kapelletjes, zou

men in ons Nederland zeggen,--waar het bier en de brandewijn met volle

glazen veroberd werden, om de dorstige kelen te laven.

Terwijl broeder en zuster zoo in de morgenuren wandelden langs de

opeengestapelde vaten, de ontelbare kisten, van alle streken van den

aardbol afkomstig, en langs de schepen, die aan de kaden vastgemeerd, of

in de baai voor anker lagen, waren het vooral de vaartuigen, die in het

bijzonder hunne aandacht boeiden.

Zou er onder al die bodems geen enkele zijn, die te Bergen tehuis

behoorde, te Bergen, waar de arme _Viken_ niet zou wederkeeren?

Dat was de vraag, die telkens in 't hoofd dier beide beminnelijke

menschen opkwam.

»Ole!.... mijn arme Ole Kamp!...." prevelde Hulda Hansen, schier

onhoorbaar zacht.

Maar Joël had die verzuchting gehoord. Het oor hoort scherp, wanneer het

hen geldt, die men liefheeft.

Hij troonde zijne zuster dan ook mede, ver van de baai, ver van de

haven, ver van die kaden. Hij geleidde haar naar de wijken der

bovenstad.

Daar in die straten, op die pleinen drong uit de groepen, die zich

allerwege gevormd hadden, maar evenals zij voortwandelden, menige

uitdrukking tot hen door, welke hen aanging.

Zoo zeide de een:

»Ja, ik verzeker u, dat men reeds tienduizend mark voor dat nummer 9672

geboden heeft."

»Tienduizend mark!.... Het mocht wat!...." hernam een ander.

»Ja, tienduizend mark!.... Gelooft gij mij niet?" vroeg de eerste ietwat

gebelgd.

»Zeker!.... maar ik heb van twintigduizend mark hooren spreken, en zelfs

van meer!"

»Twintigduizend mark?"

»En meer!"

»Het is een heele som, dat moet gij bekennen."

»Ja, waarlijk eene heele som."

»En geboden, waarvoor?"

»Voor een nummer, dat mijns inziens niet meer kans heeft dan elk

ander."

»Voor een dwaalbegrip!"

»Voor eene bijgeloovigheid!"

»Alsof de aanraking van de stervende hand van Ole Kamp dat

loterijbriefje meer geluk zoude aanbrengen!"

»En toch heeft Van der Bilt...."

»Van der Bilt?"

»Ja, de rijke Van der Bilt van New-York dertigduizend mark geboden!"

»Is hij bezeten?"

»En de heeren Baring van Londen zijn tot veertigduizend mark gegaan!"

»Och, kom! Ongeloofelijk!"

»De heeren Rotschild van Parijs hebben zestigduizend mark geboden!"

»Zestigduizend mark voor een loterijbriefje. Het is waarlijk al te

dwaas!"

»Het is niet dwaas!"

»Niet?"

»Neen! Denkt ge dan, dat die heeren niet weten, wat zij doen?"

»Die zijn slimmer dan wij!"

»Zoudt gij zestigduizend mark voor dat loterijbriefje geven?"

»Ik niet!"

»Ziet ge wel! Dus de heeren Rotschild zijn niet zoo slim als gij!"

»Oho! niet zoo boud! Als ik geen zestigduizend mark geef, dan beduidt

dat eenvoudig dat ik ze niet heb."

Men ziet het, ook in het hooge Noorden kan overdrijving heerschen,

wanneer de hartstochten der menigte in beweging gebracht zijn. Als dat

zoo voortging, dan voorwaar zouden de aanbiedingen voor dat nummer 9672,

vóór het trekkingsuur het bedrag van het hoogste lot overschreden

hebben.

Maar, al konden die nieuwtjes-uitkramers tot geen overeenkomst geraken

omtrent de aanbiedingen, die aan Hulda Hansen gedaan waren, de menigte

was het toch volmaakt eens in hare meening omtrent den woekeraar van

Drammen.

»Wat een vervloekte fielt! die Sandgoïst!"

»Juist gezegd: een fielt! een schoft!"

»Geen medelijden met die brave bergbewoners te hebben! Het is

schandelijk, niet waar?"

»O, die kerel is in het geheele Telemarksche bekend als de bonte hond!"

»Het is zijn eerste schelmstuk niet, weest daarvan verzekerd!"

»Hij heeft nog vele andere zonden op zijn kerfstok."

[Illustratie: Eensklaps verbleekte zijn gelaat; zijn blik verduisterde.

Blz. 196.]

»Dat wil ik wel gelooven."

»Intusschen vertelt men...."

»Wat? Zeg op."

»Dat hem, sedert hij het loterijbriefje van Ole Kamp in zijn bezit

heeft, geen enkel bod gedaan is."

»Hij heeft er toch een flinken prijs voor betaald, niet waar?"

»Ja, vijftien duizend mark."

»En?...."

»En, nu wil er niemand meer aan."

»Dat verwondert mij niets."

»Mij wel. Is de waarde van dat loterijbriefje inmiddels veranderd?"

»Heeft het minder kans?"

»Luistert!"

»Wij luisteren."

»Dat loterijbriefje was goed...."

»_Was_ goed!.... Waarom niet _is_ goed?"

»Het was goed, toen het in handen van Hulda Hansen was!"

»Ja.... zoo beschouwd...."

»En thans in handen van dien Sandgoïst, is het niets meer waard!"

»Het is minder waard dan ieder ander nummer."

»Hij heeft het met zijn vuile handen bezoedeld!"

»Hij heeft de kans doen keeren!"

»Hij heeft het geluk verjaagd!"

»Dat is best!"

»Ik mag lijden, dat hij met zijn schandelijk verworven loterijbriefje

blijft zitten!"

»En dat hij de vijftien duizend mark moge kwijt zijn, die hij er voor

betaald heeft!"

»Maar...."

»Maar wat?"

»Als die fielt in weerwil van uwe voorspellingen eens het groote lot

won?"

»O,.... niet mogelijk!"

»Dat zou eene onbillijkheid van het lot zijn."

»In ieder geval raad ik hem niet bij de trekking tegenwoordig te zijn."

»Waarom niet?"

»Hij kon er wel eens slecht afkomen."

»Zoudt gij dat denken?"

»Ja, want de menigte is zeer verstoord op hem. Zij zou hem wel eens wat

hard kunnen aanpakken."

Zoo waren de praatjes, die onder het volk de ronde deden. Neen, de

openbare meening was Sandgoïst niet gunstig. Maar de lezer weet het

reeds. Er bestond geen gevaar, dat die woekeraar mishandeld zoude

worden. Uit voorzichtigheid, of door eene andere beweegreden gedreven,

had hij besloten de trekking niet bij te wonen. Hij had zelfs, zooals

wij gezien hebben, daags te voren Drammen niet verlaten en was ook

blijkbaar niet voornemens dat te doen, daar hij toen dood bedaard op de

stoep zijner woning zijne pijp stond te rooken.

Hulda was door al die gesprekken zeer bewogen. Joël, die haren arm, op

den zijnen geleund, voelde sidderen, trachtte zooveel mogelijk ruimbaan

te maken. Hij wenschte niets meer van die zaak te vernemen. Hij vreesde

daarenboven door den een of ander herkend te worden. Dan zouden zij door

al die onbekende vrienden, die zij onder de menigte bezaten, toegejuicht

zijn geworden.

Zij maakten dus voort en dwaalden verder de stad in, die hen zonder

einde scheen.

Heimelijk hoopten zij professor Sylvius Hog op hunne wandeling te

ontmoeten.

Dit gebeurde evenwel niet. Wel drong nu en dan een volzin tot hen door,

die aanduidde, dat zijne terugkomst te Christiania voor het publiek niet

verborgen was gebleven. Men had hem reeds in den vroegen morgen haastig,

en alsof hij het buitengewoon druk had, zien voortstappen. Eenige

bekenden hadden hem aangesproken, maar hij had geen tijd gehad om hen te

woord te staan.

Nu eens was hij in de nabijheid der haven, dan weer in de nabijheid van

het Departement van Marine gezien.

Joël had wel aan den eersten den besten voorbijganger kunnen vragen,

waar professor Sylvius Hog woonde. Iedereen zou zich beijverd hebben hem

terecht te wijzen, ja zelfs hem naar diens woning te begeleiden. Maar

hij vroeg dat niet. Hij vreesde onbescheiden jegens dien goeden vriend

te zijn. Daarenboven had men afgesproken om in het _Noorder Hotel_ te

zamen te komen, daaraan wenschte hij zich te houden. En dat zou zeker

het beste zijn, wat hem te doen stond.

Omstreeks half elf begon Hulda zich zeer vermoeid te gevoelen en

verzocht haren broeder dan ook, haar naar het hotel terug te brengen.

Het arme meisje was eigenlijk meer uitgeput door de aandoeningen,

opgewekt door al die gesprekken, die zij willens of onwillens had moeten

aanhooren, dan door de lichamelijke vermoeidheid, veroorzaakt door die

kleine wandeling.

Als flinke bergbewoonster had zij wel andere vermoeienissen getrotseerd!

Zij keerden dus naar het _Noorder Hotel_ terug.

Daar gekomen, ging Hulda naar hare kamer, om gelaat en handen te

verfrisschen en de komst van professor Sylvius Hog af te wachten.

Wat Joël Hansen betrof, hij begaf zich naar de leeskamer van het hotel,

die in het benedengedeelte, gelijkvloers, gelegen was. Daar trachtte hij

den tijd te verdrijven, door werktuiglijk de dagbladen van Christiania

te doorloopen.

Eensklaps verbleekte zijn gelaat; zijn blik verduisterde, en het blad,

dat hij in de hand hield, ontviel aan zijn bevende vingeren....

In een nummer van het _Morgenblad_ had hij onder de _zeetijdingen_ het

navolgende telegrafische bericht gelezen, dat van New-Found-Land

overgeseind was:

»Het adviesvaartuig, de _Telegraaf_, op de vermoedelijke plaats van de

schipbreuk der _Viken_ gekomen, heeft geen enkel spoor ontdekt. Hare

nasporingen op de Groenlandsche kust zijn ook zonder gevolg gebleven.

»Men kan thans als zeker aannemen, dat de _Viken_ met man en muis

vergaan is, en dat niemand der bemanning den dood is ontkomen."

XVIII.

SYLVIUS HOG IN DE WEER.

»Goedenmorgen! mijnheer Benett!"

»Goedenmorgen, professor!"

»Het is mij steeds een waar genoegen, u de hand te kunnen drukken,

mijnheer Benett!"

»En het is mij steeds eene eer; wees daarvan overtuigd, mijnheer Hog!"

»Eer, genoegen; genoegen, eer!" antwoordde de professor opgeruimd. »Dat

is volgens mij volkomen hetzelfde."

»Ik zie dat uwe reis door Midden-Noorwegen gelukkig afgeloopen is."

»Het mocht wat!" antwoordde de professor.

»Wat bedoelt gij?"

»Mijne reis is niet afgeloopen."

»Gij gaat haar dus vervolgen?"

»Neen, althans dit jaar niet."

»O, ja, zij is slechts afgebroken. Daaraan dacht ik niet."

»Juist, ziet ge.... Die zaak van dat loterijbriefje...."

»Dat was mij door het hoofd gegaan, mijnheer Hog."

»Maar mij niet, mijnheer Benett," antwoordde Sylvius Hog met een

opgeruimden glimlach.

»En hoe maken het die brave lieden te Dal, met wie gij kennis hebt

aangeknoopt?"

»Zeer goed, mijnheer Benett, ik dank u voor uwe belangstelling.

Inderdaad, het zijn brave lieden in den volsten zin des woords!"

»Volgens de mededeelingen in de dagbladen zijn zij evenwel zeer te

beklagen."

»Waarlijk, zeer te beklagen."

»Dat is te bejammeren, mijnheer Hog."

»Zelden heb ik het noodlot zoo hardnekkig arme lieden zien vervolgen!"

»Inderdaad, mijnheer Hog. Eerst die schipbreuk van de _Viken_!"

»Juist, mijnheer Benett."

»En toen die afschuwelijke afzetterij van dien Sandgoïst, van dien

woekeraar!"

»Inderdaad!"

»En toch, volgens mijne meening, mijnheer Hog, heeft Hulda Hansen

goedgedaan door dat loterijbriefje tegen het schuldbewijs harer moeder

in te wisselen."

»Vindt gij?"

»Ja, zeker!"

»En, waarom dat, mijnheer Benett?"

»Wel, mij dunkt, dat vijftien duizend mark wel opwegen tegen de kleine

kans iets te zullen trekken," antwoordde de heer Benett lachende.

»Wat zal ik u daarop antwoorden, mijnheer Benett," hernam Sylvius Hog.

»Gij redeneert als een bij uitstek practisch mensch, als een degelijk

handelaar! Beschouwt men de zaak evenwel uit een ander oogpunt, dan

verandert zij geheel en al van aanzien. Dan wordt zij eene gevoelszaak,

en.... dat zult gij mij gewonnen geven: het gevoel laat zich niet door

cijfers beheerschen."

»Dat is juist, mijnheer Hog; maar veroorloof mij als mijne meening te

verkondigen, dat uwe beschermelinge zonder dien Sandgoïst haar gevoel

duur te staan gekomen zou zijn."

»Welke zekerheid hebt gij daaromtrent?"

»Maar bedenk dan toch, mijnheer Hog...."

»Wat moet ik bedenken?"

»Welke waarde vertegenwoordigt dat loterijbriefje?"

»Ik moet erkennen weinig."

»Een enkele gelukkige kans tegenover negenhonderd negen en negentig

duizend negenhonderd negen en negentig andere."

»Inderdaad, op een millioen slechts één gunstige kans!"

»Dat is weinig, mijnheer Hog, zeer weinig...."

»Gij hebt gelijk, het is zeer weinig!"

»De reactie is dan ook reeds ingetreden. Na de opgewondenheid der eerste

dagen is de geestdrift werkelijk bekoeld. En die Sandgoïst, die dat

briefje slechts afgedwongen heeft, om er de aandacht op gevestigd te

houden."

»Dat is zoo, mijnheer Benett!"

»Maar, als die woekeraar nu eens het groote lot won! Alles is mogelijk,

niet waar? Dat zou een schandaal zijn."

»Inderdaad, een schandaal, mijnheer Benett. Het woord is niet te sterk.

Een waar schandaal!"

»Men ziet zoo iets wel meer gebeuren."

»Och, kom!"

»Daar hebt gij bij voorbeeld...."

Terwijl die heeren zoo spraken, en de heer Benett voorbeelden aanhaalde

om aan te duiden dat het den ongerechten in dit ondermaansche veelal

zeer naar den vleesche gaat, wandelden zij in de magazijnen van dien

heer rond, die den fraaisten bazaar van de geheele hoofdstad, ja van het

geheele koninkrijk Noorwegen vormden.

Wat trof men al niet in dien bazaar aan?

Reiswagens, karretjes bij dozijnen, kisten met verduurzaamde

levensmiddelen, manden met wijn, kruidenierswaren, gemaakte kleederen en

andere benoodigdheden voor de toeristen en ook voor de berggidsen, die

hen zouden geleiden. De gidsen zelfs werden geleverd, onverschillig

werwaarts de reis zou voeren, naar de uiterste gehuchten van Finmarken,

naar Lapland of naar de Noordpool.

Maar, dat was niet alles.

De beoefenaars van natuurlijke historie vonden bij den heer Benett

verschillende specimens van steensoorten, metalen, ertsen enz.,

die de bodem van Noorwegen bevat. Ook de verschillende vogel- en

insectensoorten, het kruipend gedierte en de verdere fauna van het rijk,

werden daar, natuurlijk in opgezette specimens, aangetroffen.--En wat

vooral niet vergeten mag worden, is dat nergens in het geheele rijk zulk

eene uitstalling van juweelen en snuisterijen, door de Noorweegsche

nijverheid vervaardigd, te vinden was als daar in die glazen kasten.

Die heer is dan ook eene ware voorzienigheid voor de toeristen, die

verlangend zijn die fraaie en schilderachtige Scandinavische streken te

bezoeken.

Volgens ieders oordeel was mijnheer Benett zulk een onmisbaar man, dat

Christiania zonder hem niet zoude kunnen bestaan.

»Maar, mijnheer Hog, als ik u vragen mag," vervolgde de geachte

handelaar, »hebt gij het rijtuig behoorlijk aangetroffen, waar ook

weer?...."

»Te Tinoset, mijnheer Benett."

»Juist, te Tinoset, waar gij mij verzocht hadt, het te zenden."

»Maar, mijnheer Benett, welke vraag! Toen ik u dat rijtuig bestelde, was

ik verzekerd, dat het op het bepaalde uur te Tinoset zoude aanwezig

zijn."

»Gij vleit mij, mijnheer Hog."

»Volstrekt niet, mijnheer Benett."

»Maar...."

»Maar, wat?"

»Gij schreeft mij, dat gij met u drieën zoudt komen."

»Zeker, met ons drieën!"

»En die andere twee...."

»Zijn gisteravond in volmaakten welstand aangekomen."

»Zoo, zoo!"

»Ik heb ze in het _Noorder Hotel_ onder dak gebracht."

»Dat is wel het beste hotel van Christiania, mijnheer Hog."

»Dat geloof ik ook, mijnheer Benett. Welnu, zij wachten mij thans daar,

waar ik hen straks ga opzoeken. Zij zijn vreemd in de hoofdplaats."

»Vreemd in de hoofdplaats, mijnheer Hog."

»Ja, mijnheer Benett."

»Zijn het dan.... de jongelieden van Dal?"

»Goed geraden, mijnheer Benett! Zij zijn het.... maar, mondje dicht, als

je blieft. Ik verlang, dat hunne tegenwoordigheid nog niet bekend

worde!"

»Arm meisje!"

»Ja, zeker, arm meisje!"

»Zij zal wel veel geleden hebben."

»Dat heeft zij, mijnheer Benett."

»En is het nu op uw verlangen, dat zij de trekking der loterij komt

bijwonen?"

»Waarom die vraag?"

»Omdat zij niet meer in het bezit van het loterijbriefje is, dat haar

verloofde haar vermaakt heeft?"

»Ik heb dat verlangen niet te kennen gegeven, maar Ole Kamp, mijnheer

Benett, en aan u, evenals aan alle anderen, die mij daarnaar vroegen,

antwoord ik: Men moet den laatsten wil van stervenden steeds uitvoeren."

»Goed gezegd, professor."

»Is dat uwe meening?"

»Ja, en alles wat gij doet, is steeds welgedaan, mijnheer Hog."

»Gaat ge mij nu complimenten maken, mijnheer Benett?"

»Volstrekt geen complimenten, mijnheer Hog; in weerwil van uwe

bescheidenheid moet erkend worden, dat het zeer gelukkig voor de familie

Hansen is, dat zij u op haar pad ontmoet heeft!...."

»Ba! Meent ge?....Ik ben van oordeel, dat het voor mij nog gelukkiger

geweest is, dat ik hen op mijn levenspad ontmoet heb. Dat is de rollen

omkeeren."

»Ik bemerk, dat uw hart nog niets veranderd is, mijnheer Hog."

»Vindt ge?"

»Zeker."

»Daar men toch een hart moet hebben, is het maar 't best, als het op de

rechte plaats is, niet waar?"

Hoe innemend was de glimlach, waarvan Sylvius Hog dat antwoord aan den

handelaar vergezeld deed gaan!

»En nu, mijnheer Benett," hernam hij, »geloof niet, dat ik hier gekomen

ben om loftuitingen aan te hooren."

»Daar ben ik overtuigd van."

»Neen, mijne komst heeft een geheel ander doel, mijnheer Benett."

»Ik ben tot uwen dienst."

»Gij weet, niet waar? dat ik, zonder de tijdige tusschenkomst van Joël

en Hulda Hansen, een jammerlijk uiteinde in den waterval van den Rjukan

gevonden zou hebben...."

»Ja wel, mijnheer Hog."

»Het is de vraag, of zelfs mijn lijk in die verschrikkelijke kolk

weergevonden zoude zijn!"

»Welk een ijselijke veronderstelling.... maar gelukkig...."

»Zonder hen zou ik thans het genoegen niet hebben u te zien, mijnheer

Benett."

»Ja wel.... ja wel!.... Inderdaad die kloeke jongelieden verdienden wel,

dat zij het groote lot wonnen."

»Dat is ook mijne meening," antwoordde Silvius Hog. »Maar, daar dat nu

onmogelijk geworden is, zou ik gaarne hebben, dat mijne kleine Hulda

niet naar Dal terugkeerde, zonder een geschenk.... eene herinnering...."

»Kijk, dat noem ik eerst eene goede gedachte, mijnheer Hog!"

»Dus zijt gij het met mij eens?"

»Voorzeker."

»Dan moet gij mij uit uwe rijkdommen iets helpen uitzoeken, dat een jong

meisje bekoren kan."

»Volgaarne," antwoordde mijnheer Benett.

En hij geleidde professor Sylvius Hog naar dat gedeelte zijner

magazijnen, waar het inheemsche goud- en zilverwerk uitgestald lag. Zou

een Noorweegsch sieraad niet de liefste herinnering zijn, die zij uit

Christiania en den alom beroemden bazaar van den heer Benett in haar

bergland kon medebrengen?

Dat was ook de meening van professor Sylvius Hog, aan wien de

gedienstige koopman zijn kostbaarsten voorraad vertoonde, voor wien hij

al zijne kasten opende.

»Komaan, laat zien," zei de geleerde. »Maar, ge moet weten, dat ik geen

kenner ben en mij dus geheel en al op uwen smaak moet verlaten, mijnheer

Benett."

»Wij zullen dat wel samen vinden, mijnheer Hog."

»Denkt gij?"

»Voorzeker."

»Komaan, vooruit dan maar, man, de keuze zal waarlijk moeielijk zijn."

Er was dan ook een geheele voorraad van die Zweedsche en Noorweegsche

juweelen, die van zeer kunstige bewerking zijn, en daardoor veel meer

aan arbeidsloon, dan wel aan grondstof gekost hebben.

»Wat is dat daar?" vroeg de professor, terwijl hij op een voorwerp wees,

dat nog al schitterde.

»Dat is een zwaar verguld zilveren ring, voorzien van beweegbare

eikeltjes, die zooals gij hoort, aardig klingelen."

»Zeer fraai," zei Sylvius Hog, terwijl hij den ring aan zijn pink paste.

»Ja, zelfs voor dien pink is hij te nauw," bemerkte de koopman lachende.

»Dat moet ook," hernam de professor. »Of denkt gij, dat mijne kleine

Hulda een manshand heeft?"

»Die meening zou ik niet durven koesteren."

»Om het even. Leg dezen ring maar vooreerst ter zijde, mijnheer Benett,

en laat mij wat anders zien."

»Armbanden of kettingen, mijnheer Hog?"

»Zoo wat van alles, mijnheer Benett, als gij zoo vriendelijk wilt zijn.

Zoo wat van alles. O!.... wat is dit hier?"

»Wat bedoelt gij?"

»Hier dit, mijnheer Benett."

»O, dat zijn sieraden, die paarsgewijze aan het keurslijf gedragen

worden. Zijn ze niet fraai?"

»Zeer fraai."

»Let eens op het effect van dat gepolijst koper op dien grond van

geplooid wollen stof. Dat is zeer smaakvol en is volstrekt niet duur."

»Ze zijn inderdaad bekoorlijk, mijnheer Benett. Leg die ook maar ter

zijde."

»Goed, mijnheer Hog; maar ik moet u waarschuwen," vervolgde de koopman,

»dat die sieraden uitsluitend tot den tooi eener bruid behooren... op

den dag van haar huwelijk... en dat..."

»Bij Sint Olaf! gij hebt gelijk, mijnheer Benett; gij hebt waarlijk

gelijk."

»Daarom waarschuwde ik u, mijnheer Hog."

»Mijn arme, lieve Hulda! Ongelukkig is het Ole Kamp niet, die haar dat

geschenk wil geven, maar ik; en ik kan haar zoo iets niet als bruid

aanbieden!"

»Inderdaad, mijnheer Hog."

»Laat mij dus andere juweelen zien, die voor een jong meisje geschikt

zijn."

»Hier hebt u zoo wat van alles, mijnheer Hog."

»Laat me dat kruis eens zien, mijnheer Benett."

»Dat is een kruis om aan een halssnoer te hangen."

»Dat dunkt me ook."

»Zie, het is met holle schijfjes versierd, die bij de geringste beweging

van den hals rinkelen."

»Zeer fraai!.... Zeer fraai!.... Leg het ook op zij, mijnheer Benett.

Als ik al uwe kasten zal bezichtigd hebben, zullen wij eene keus doen."

»Ja, maar...."

»Alweer een maar?"

»Zoo'n kruis wordt door de bruiden in Scandinavië gedragen, als zij naar

de kerk gaan!...."

»Duivels!" zei professor Sylvius Hog lachende. »Ik moet bekennen,

mijnheer Benett, dat ik geen gelukkige hand bij het uitzoeken van

juweelen heb."

»Dat komt, mijnheer Hog, omdat ik zoo ruim van het artikel

bruidsjuweelen voorzien ben. Die verkoop ik dan ook het meest. Dat uwe

keus daarop valt, moet u dus niet verwonderen."

»Het verbaast me niet, mijnheer Benett; maar, het brengt mij in de war.

Gij zult mijne keus moeten leiden."

»Welnu, houd u dan aan dien ring, dien gij mij het eerst hebt laten ter

zijde leggen."

»Ja wel.... die vergulde ring.... Dat is goed.... Toch zou ik nog wel

iets anders gewenscht hebben, dat... dat.... ja, hoe zal ik dat

uitdrukken?.... dat meer.... tot versiering zou strekken."

»O, zoo! Is dat de quaestie? Dan moet ge deze plaat van draadzilver

nemen. Zie, zij hangt aan vier kettinkjes, die zoo'n goed effect op den

hals van een jong meisje maken! Ze is als bezaaid met fijne glaskralen

en verder versierd met vergulde pijltjes en veelkleurige, geslepen

kralen."

»Het is zeer fraai!"

»Het is een der schoonste voortbrengselen der Noorweegsche

goudsmederij!"

Het loterijbriefje · 第 16 / 18 段