Twee nullen reeds!

Dus het winnend lot zou geen honderdduizendtallen en geen

tienduizendtallen bevatten! Dat was duidelijk.

Men maakte de opmerking, dat de kansen aanmerkelijk vermeerderd waren

voor al de nummers, voorkomende tusschen één en negen duizend

negenhonderd negen en negentig.

En het briefje van Ole Kamp voerde, zooals men weet, het getal 9672.

Het ontging de algemeene aandacht niet dat Sylvius Hog onrustig begon te

worden. Hij schoof op zijn stoel heen en weer en was zoo bleek, alsof

hij een aanval van zeeziekte had.

Het derde meisje trok een cijfer en hief het ten aanschouwe van allen in

de hoogte.

»Negen!" kondigde de voorzitter met zijne eentonige stem aan.

»Negen!" herhaalde de secretaris even onverstoorbaar. »Negen!"

Negen!.... Dat was het eerste cijfer van het loterijbriefje van Ole

Kamp!

Het vierde meisje volbracht haren plicht. Zij stak hare hand in de

trommel, en....

»Zes!" riep de voorzitter uit. »Zes!"

»Zes," herhaalde zijn echo punctueel en schreef dat cijfer op de vierde

plaats op.

En inderdaad het was eene zes, die het meisje aan aller blikken

vertoonde. De verschillende oogen keken scherp, en het arme kind voelde

zich bevreesd. Het scheen haar dat evenveel geladen pistolen op haar

gericht waren.

De kans van winnen was nu van één tegen honderd voor al de nummers,

begrepen tusschen één en negen en negentig, en met zes en negentig

hondertallen beginnende.

De menigte was verstomd! Alle harten bonsden.

Zou dan toch het loterijbriefje van Ole Kamp die som van honderdduizend

mark in den zak van Sandgoïst, van dien ellendeling tooveren?

Waarlijk, zoo iets zou aan een rechtvaardig God doen twijfelen!

Dat kon niet!... Dat mocht niet!

Zoo waren aller gedachten!

Het vijfde meisje stak op hare beurt de hand in de voor haar staande

trommel en trok het vijfde cijfer.

Alle oogen keken, alle harten klopten, allen hijgden naar adem....

»Zeven!" zei de voorzitter met eene zoozeer van aandoening gesmoorde

stem, dat zij zelfs op de eerste rijen stoelen niet gehoord werd.

Maar al hoorde men niet, men zag toch, en de secretaris herhaalde op

duidelijken toon:

»Zeven!"

Bovendien lieten de vijf kleine meisjes de door haar getrokken cijfers

aan het publiek zien.

00967

Nu was de kans van winnen nog enger begrensd.

Zij lag thans tusschen de nummers 9670 en 9679; ze stond dus als één

tegen tien.

[Illustratie: Toen Hulda de kleine kerk van Hitterdal voorbijreed. Blz.

224.]

De spanning van de menigte was ten top gestegen.

Sylvius Hog was opgesprongen, en had de hand van Hulda Hansen gegrepen.

Aller blikken waren op het arme meisje gericht.

Zou zij dan, toen zij de laatste gedachtenis van haren bruidegom voor de

schuldbekentenis harer moeder ten offer bracht, ook het vermogen, dat

Ole Kamp voor haar en zich zelven gedroomd had, uit hare handen gegeven

hebben?

Vreeselijk oogenblik!

Het zesde meisje had eenige moeite om hare hand in de voor haar staande

trommel te brengen. Geen wonder, de kleine beefde als een riet.

Maar eindelijk verscheen het cijfer voor aller oogen.

»Twee!" riep de voorzitter uit.

En hij viel buiten zich zelf van ontroering in zijn stoel neer.

»Twee!" herhaalde de secretaris.

»Negen duizend zes honderd twee en zeventig!" riep de andere assessor

met luide stem uit, terwijl hij op de cijfers wees die de kleine meisjes

vertoonden.

En ja, daar stond:

=9672=

Dat was het nummer van Ole Kamp. Het nummer op het loterijbriefje, dat

de Oceaan geweigerd had te verzwelgen. Het nummer van het briefje, dat

zoo wonderbaarlijk opgevischt was.

Maar.... dat loterijbriefje bevond zich thans--iedereen wist het, en ook

hoe het verkregen was--in handen van dien Sandgoïst, in handen van dien

aarts-woekeraar!

Eene diepe stilte heerschte in de zaal en op de binnenpleinen van het

Universiteitsgebouw, waar zeker eene uitbarsting van toejuichingen zoude

gehoord zijn, als dat loterijbriefje zich steeds in het bezit van Hulda

had bevonden.

Wat ging er thans in het brein van het arme meisje om?

En, wat in dat van haren broeder?

En zou die afschuwelijke Sandgoïst thans, met zijn zoo fielterig

verkregen loterijbriefje in de hand, te voorschijn treden, om er het

bedrag van te ontvangen?

Vreeselijke spanning, niet alleen voor Hulda en Joël Hansen, maar ook

voor het geheele publiek!

»Nummer negenduizend zes honderd twee en zeventig heeft het groote lot

van honderd duizend mark gewonnen!" herhaalde de assessor plechtig. »Wie

is de houder van dat briefje?"

Alles was stil in de zaal. Men durfde ternauwernood ademhalen.

»Sandgoïst!" mompelden eenige stemmen met onmiskenbaren afschuw.

»Nummer negenduizend zeshonderd twee en zeventig heeft het groote lot

van honderdduizend mark gewonnen!" herhaalde de assessor ten tweeden

male....

Het bleef stil.

»En wie is er de houder van?" ging dat commissielid onverstoorbaar

voort.

»Ik! ik!" riep eene stem achter in de zaal.... »Hier is de houder!"

Wat!... Was die stem van den woekeraar van Drammen? Niet mogelijk!

Neen! dat was zijne stem niet.

Hulda was bij het hooren van die woorden opgesprongen, en keek...

keek...

Neen, het was Sandgoïst niet!--Het was een jonge man, die daar uit de

menigte te voorschijn trad, een jonge man met bleek gelaat, dat evenals

zijn geheele persoon aanduidde dat hij veel, zeer veel geleden had, maar

die toch in levenden lijve aanwezig was.

Hulda vloog op hem aan. Zij stiet een kreet uit, die door alle

aanwezigen gehoord werd. Daarop zakte zij ineen.

Maar de jonge man had zich door de menigte baan gebroken. Hij ving haar

in zijne armen op.

»Hulda!... Hulda!..." kreet hij in vervoering.

»Ole Kamp!" snikte het jonge meisje...

Ja, het was Ole Kamp, in wiens armen zij lag!

XX.

SCHIPBREUK EN REDDING.

BESLUIT.

Ja, het was Ole Kamp!

Ole Kamp, als door een wonder aan de schipbreuk van de _Viken_ ontkomen!

Dat hij door het adviesvaartuig de _Telegraaf_ niet naar Europa

teruggevoerd was, sproot alleen daaruit voort, dat de schipbreukeling

niet meer ter plaatse aanwezig was, toen de boot daar aankwam.

En dat hij er niet meer was, had eenvoudig tot reden, dat hij zich toen

reeds aan boord van het schip bevond, dat hem naar Christiania, naar het

vaderland zoude terugvoeren.

Ziedaar, wat professor Sylvius Hog vertelde.

Ziedaar, wat hij aan iedereen herhaalde, die hem maar aanhooren wilde.

En ieder hoorde hem aan, zooals de lezer zal begrijpen.

De professor sprak als een overwinnaar. En zijne buurlieden herhaalden,

wat hij verteld had, aan de verder afstaanden, aan hen die het geluk

niet hadden zich in zijne nabijheid te bevinden.

En zoo ging het verhaal van groep tot groep voort, totdat het de

menigte, die buiten op het binnenplein en op de straat opgehoopt stond

bereikt had.

Geheel Christiania wist weinige oogenblikken later alles: dat Ole Kamp,

de schipbreukeling van de _Viken_ was teruggekomen en dat hij den

grooten prijs in de loterij ten voordeele van de scholen gewonnen had.

Het was waarlijk wel noodig, dat professor Sylvius Hog die heele

geschiedenis vertelde; want Ole Kamp had dat onmogelijk kunnen doen, om

de eenvoudige reden dat Joël hem terwijl Hulda langzamerhand bijkwam,

tot stikkens toe aan zijn krachtige borst klemde.

»Hulda!.... beste Hulda!.... Ja ik ben het!.... ik, Ole Kamp!.... Ja,

ik.... uw bruidegom, en.... weldra uw echtgenoot!...."

»Ja zeker, weldra!" riep professor Sylvius Hog uit. »Morgen reeds,

kinderen, morgen!"

»Morgen reeds?" vroeg Joël Hansen verbaasd.

»Ja, morgen reeds!" hernam de professor. »Heden avond nog vertrekken wij

naar Dal."

»Kan dat, mijnheer Sylvius?"

»Het moet, beste Joël! En.... luister... of en wanneer zoo iets ooit

gezien is, weet ik niet: maar gij zult een professor in de

rechtswetenschappen, een afgevaardigde bij de Storthing op de bruiloft

zien dansen als den best uit de kluiten geschoten lummel van geheel

Telemarken!"

Allen, die deze betuiging hoorden, klapten in de handen van de pret.

Maar, hoe had professor Sylvius Hog het wedervaren van Ole Kamp

vernomen?

Zeer eenvoudig door den laatsten brief, dien hij van het Departement van

Marine te Dal ontvangen had.

Dat schrijven--het laatste, hetwelk hij ontvangen en waarover hij

niemand gesproken had--bevatte een tweede, dat van Christiansand

gedagteekend was. In dien brief las hij het volgende:

[Illustratie: Wat was Hulda mooi met haar stralende bruidskroon. Blz.

224.]

»De Deensche brik _Genius_, gezagvoerder Kroman, is te Christiansand

aangekomen. Dat vaartuig heeft hen aan boord, die aan de schipbreuk der

_Viken_ ontkomen zijn, onder anderen ook den jeugdigen stuurman Ole

Kamp. Binnen drie dagen zal hij te Christiania zijn."

De brief van het Departement van Marine vulde dat bericht aan met de

mededeeling, dat de schipbreukelingen zoozeer geleden hadden, dat zij

nog in een staat van groote zwakheid verkeerden. Daarom had professor

Sylvius Hog dien terugkeer van den bruidegom van Hulda Hansen voor het

lieve meisje geheim gehouden. Zoolang hij den stuurman Ole Kamp niet

gezien had, wenschte hij het stilzwijgen te bewaren. In zijn antwoord op

die brieven had hij dan ook stipte geheimhouding over dien terugkeer

aanbevolen. En, wij hebben gezien, dat aan dien wensch getrouw gevolg

was gegeven. Niemand had iets betrekkelijk de zaak vernomen.

En dat het adviesvaartuig _Telegraaf_ geen der geredden van de

schipbreuk, zelfs geen enkel wrakstuk van de _Viken_ had kunnen

opsporen, daarvan lagen de redenen als het ware voor de hand.

Het vaartuig, dat gedurende een vreeselijk onweder gedeeltelijk ontmast

was geworden, was genoodzaakt geweest voor den storm te lenzen. Wij

weten, dat die storm uit het zuidoosten woei, zoodat het schip naar het

noordwesten gedreven werd. Zoo naderde het IJsland tot op ongeveer

tweehonderd mijlen.

In den nacht van den 3den op den 4den Mei, die zich door hevige

stormvlagen kenmerkte--stootte het vaartuig tegen een van die

onmetelijke ijsbergen, die uit de zeeën, welke Groenland omringen, onder

den invloed van de Poolstroomingen naar het zuiden afdreven. De botsing

was zoo verschrikkelijk, dat het te voorzien was, dat de _Viken_ binnen

vijf minuten zoude zinken.

Het was gedurende dit korte tijdsbestek, dat de stuurman Ole Kamp de

bekende weinige regels geschreven had. Op het bewuste loterijbriefje had

hij een laatst vaarwel aan zijne bruid gekrabbeld, daarna had hij dat

stukje papier in eene flesch gesloten en die in zee geworpen.

Het grootste gedeelte van de bemanning der _Viken_ was omgekomen bij den

vreeselijken schok. Onder hen bevond zich ook de gezagvoerder van het

vaartuig. Alleen Ole Kamp en vier zijner makkers waren er in geslaagd

op een stuk van den ijsberg te springen, juist op het oogenblik dat de

_Viken_ in de diepte zonk. Maar.... hun dood zou slechts uitgesteld, hun

lijden slechts verlengd zijn geworden, als de woeste windvlagen de

ijsbank niet naar het noordwesten gedreven hadden.

Twee dagen later werden de vijf geredde schipbreukelingen, uitgeput

van honger en gebrek, op de zuidelijke kust van Groenland geworpen, een

woeste streek, waar zij geheel aan Gods genade overgeleverd waren, daar

er weinig of geen voedingsmiddelen werden aangetroffen.

Zoo men hen niet binnen weinige dagen te hulp gekomen ware, dan zouden

zij ook daar den dood gevonden hebben. Hoe zouden zij de noodige kracht

gehad hebben, om de visschers-nederzettingen of de Deensche vestigingen

in de Baffinsbaai op de tegenovergelegen kust van Groenland te

bereiken?....

Toen was het, dat de brik _Genius_, die ook door de stormen van haar

koers geraakt was, daar voorbijvoer.

De schipbreukelingen gaven noodseinen, die gelukkig opgemerkt werden.

Eene sloep stevende naar de kust, nam de ongelukkigen op en bracht hen

aan boord.

Zij waren gered!

Intusschen werd de _Genius_ door tegenwinden opgehouden. Daardoor

ontstond een groote vertraging, die de reis uitermate rekte. Want

eigenlijk is de overtocht van Groenland naar Noorwegen betrekkelijk

kort.

Vandaar dan ook, dat dit vaartuig eerst den 12den Juli Christiansand en

in den ochtend van den 15den Christiania bereikte.

Dien morgen was professor Sylvius Hog aan boord gegaan.

Daar had hij stuurman Ole Kamp nog zeer zwak aangetroffen. Deze vertelde

hem toen alles, wat er voorgevallen was, sedert hij zijn laatsten brief,

gedagteekend van Saint Pierre-Miquelon geschreven had....

Daarna had hij hem naar zijne woning laten vervoeren, terwijl hij de

bemanning van de _Genius_ verzocht om de redding der schipbreukelingen,

gedurende eenige uren slechts, geheim te houden. Dit geschiedde....

En de lezer weet het overige.

Professor Sylvius Hog sprak toen met Ole Kamp af, dat hij bij de

trekking tegenwoordig zoude zijn.

Maar, zou hij daartoe kracht genoeg bezitten?

Ja, zeker! De krachten zouden den jongen borst niet ontbreken! Want, zou

Hulda daar niet tegenwoordig zijn?

Maar 't was de vraag, of de trekking nog wel eenig belang voor hem

opleverde.

»Ja! ongetwijfeld!" antwoordde de professor. »Ja, honderdmaal ja!

duizendmaal ja! Ze was van zeer groot belang voor hem en zijne bruid!"

Inderdaad, de waardige professor was er in geslaagd het loterijbriefje

van Ole Kamp machtig te worden. Hij had het voor denzelfden prijs van

den woekeraar Sandgoïst teruggekocht, dien deze aan vrouw Hansen had

betaald.

En de ellendeling had zich nog gelukkig geacht, toen hij het briefje

voor die som van vijftienduizend mark van de hand kon doen. De

doodsangst had hem bekropen, toen, nadat hij eigenaar van dat lot

geworden was, geen verdere aanbiedingen gedaan waren, ondanks zijne

advertentiën in de dagbladen en in weerwil van andere aankondigingen.

»Mijn wakkere Ole," had Sylvius Hog tot den jeugdigen stuurman gezegd,

toen hij hem het loterijbriefje ter hand stelde, »het was niet de kans

op het winnen van een hoogen prijs, iets dat zeer onwaarschijnlijk is,

die ik aan Hulda wilde teruggeven, maar wel het laatst vaarwel, dat gij

aan haar richttet, toen gij op het punt waart te vergaan, om voor den

rechterstoel van den Almachtige te verschijnen."

Welnu, men moet erkennen, dat professor Silvius Hog daarmede een goeden

inval had gehad, een beteren althans dan die Sandgoïst, die veel lust

had zich het hoofd tegen een muur te verbrijzelen, toen hij den uitslag

van de trekking vernam.

Er waren thans honderdduizend mark in de herberg van Dal gekomen!

Ja honderdduizend mark, goed geteld; want zooals de lezer wel begrijpen

zal, had professor Sylvius Hog nimmer de vijftienduizend mark willen

terugontvangen, die hij voor het loterijbriefje van Ole Kamp uitgegeven

had.

Dat was de bruidschat van Hulda, en de edele man gevoelde zich zeer

gelukkig, dat hij deze som aan het lieve meisje, zijne redster kon

aanbieden!

Misschien zal het wel verwondering baren, dat dit nummer 9672, waarop de

algemeene aandacht zoozeer gevestigd was geweest, juist met het groote

lot begunstigd werd.

Gaarne erkennen wij, dat dit wel geschikt was om de verbazing op te

wekken. Maar daarom was het niet onmogelijk. En dat het mogelijk was, is

door het gebeurde bewezen.

Professor Sylvius Hog, Ole Kamp, Hulda en Joël Hansen verlieten

dienzelfden avond Christiania. Natuurlijk koos men andermaal den weg

over Bambel; want Joël moest toch aan de lieve Siegfrid het bedrag van

den prijs overhandigen, dien zij in de loterij gewonnen had.

Toen Hulda de kleine kerk van Hitterdal voorbijreed, herinnerde zij zich

de treurige en sombere gedachten, die haar brein twee dagen vroeger

hadden beziggehouden en gekweld. Thans was alles geheel anders, de

aanwezigheid van Ole Kamp verdreef alle droefgeestigheid en tooverde een

vroolijken glimlach op het lieve gelaat.

Bij Sint Olaf! Wat was Hulda mooi met haar stralende bruidskroon, toen

zij vier dagen later de kleine kapel van Dal aan den arm van Ole Kamp,

haren echtgenoot verliet!

[Illustratie: Hij opende het bal met zijne lieve Hulda. Blz. 226.]

En dan, welk een prachtig feest! Het werd langen tijd daarna nog

aangehaald en besproken door het geheele Telemarksche bergland!

En welk een vroolijke stemming, zoowel bij de bruid als bij Siegfrid, de

bruidsjuffer, bij haren vader, pachter Helmboë, bij Joël Hansen, haar

aanstaande en ook bij vrouw Hansen, die, gelukkig voor haar, van haren

kwelgeest Sandgoïst voor goed verlost was!

Misschien zal een nieuwsgierige lezer vragen of onder al die vrienden,

al die genoodigden, ook de Heeren Gebroeders Help van Bergen en anderen

overgekomen waren, om getuigen van het geluk der jonggehuwden te zijn,

of om Sylvius Hog, professor in de rechtswetenschappen en afgevaardigde

bij de Storthing, te zien dansen?

Een moeielijk te beantwoorden vraag!

Zooveel is zeker dat de edele professor met opgewektheid danste. Hij

opende het bal met zijne lieve Hulda en besloot de danspartij met de

bekoorlijke Siegfrid.

Hij vertrok den volgenden dag van Dal, onder hoera's van al de bewoners

van het Vestfjorddal. Hij vertrok, maar niet zonder aan Joël Hansen

plechtig beloofd te hebben, dat hij terug zoude komen, om de viering van

het huwelijk van den jeugdigen berggids bij te wonen, dat, natuurlijk

tot groote blijdschap van de belanghebbenden, eenige weken later

voltrokken zoude worden.

De professor hield stipt woord.

Ditmaal opende hij het bal met de bekoorlijke Siegfrid en besloot de

danspartij met zijne lieve Hulda.

Daarna danste Sylvius Hog niet meer.

Het geluk scheen nu voor goed gevestigd in dat gezin, hetwelk in de

laatste maanden zoo zwaar beproefd was geworden. Dat alles was wel een

weinig het werk van professor Sylvius Hog. Hij wilde het evenwel nooit

erkennen, maar herhaalde steeds:

»Ja wel, praat maar toe! Ik ben nog steeds de schuldenaar van de

kinderen van vrouw Hansen. Waar zou ik mij thans zonder hen bevinden?

Mijn lijk in den waterval van den Rjukan, of in de Maan-Elf, of in een

der meren gedreven, aan vraatzuchtige visschen ter prooi! Nogmaals, ik

ben hun het leven verschuldigd, dat is zeker!"

Wat het bekende loterijbriefje betreft, dat was na de trekking aan Ole

Kamp teruggegeven. Thans prijkt het in de groote zaal van de herberg te

Dal op de eereplaats, in eene kleine houten lijst gevat. Maar men ziet

niet den kant van het biljet, waarop het nummer 9672 te lezen staat,

maar wel de keerzijde, waarop de schipbreukeling Ole Kamp zijn laatste

vaarwel aan zijne bruid Hulda Hansen geschreven had.

EINDE.

+-------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |

| |

| Bron (B:) -- Correctie (C:) |

| |

| B: =Zie voor vervolg de achterzijde van den titel.= |

| C: [_Titelpagina verplaatst, zin verwijderd_] |

| B: Ja moeder, aan Siegfried |

| C: Ja moeder, aan Siegfrid |

| B: vroeg vroeg Hansen |

| C: vroeg vrouw Hansen |

| B: antwoord der goede vrouw |

| C: antwoord der goede vrouw. |

| B: onbarmhartig heen geschud |

| C: onbarmhartig heen en weer geschud |

| B: met ettelijke duizend fjords, |

| C: met ettelijke duizenden fjords, |

| B: watervallen van Trottletan, noch te |

| C: watervallen van Trolletann, noch te |

| B: oorspronkelijken houtzaagmolen Blz. 12. |

| C: oorspronkelijken houtzaagmolen. Blz. 12. |

| B: III |

| C: III. |

| B: fabelleer de rolt vervult |

| C: fabelleer de rol vervult |

| B: meer te varen!.... vroeg het meisje |

| C: meer te varen!...." vroeg het meisje |

| B: herder, domine Andresen wel niet |

| C: herder, dominé Andresen wel niet |

| B: Het kan niet anders. |

| C: Het kan niet anders." |

| B: te willen doen?" antwoordde vrouw |

| C: te willen doen"?" antwoordde vrouw |

| B: antwoordde Joël Hansen. Maar, als |

| C: antwoordde Joël Hansen. »Maar, als |

| B: om de Rjukaufos-hellingen, |

| C: om de Rjukanfos-hellingen, |

| B: VII. |

| C: VIII. |

| B: «Een wandeling van een half uur |

| C: »Een wandeling van een half uur |

| B: Rjukanfos waagde, overkomen?" |

| C: Rjukanfos waagde, overkomen? |

| B: dan was hij ongetwijfeld verloren!" |

| C: dan was hij ongetwijfeld verloren! |

| B: Maristiaan-pas wel, niet waar? |

| C: Maristiaan-pas wel, niet waar?" |

| B: sneller geklopt dan gewoonlijk. |

| C: sneller geklopt dan gewoonlijk." |

| B: niet" |

| C: niet." |

| B: anderen kant door Joël. Bladz. 83 |

| C: anderen kant door Joël. Blz. 83 |

| B: antwoordde Hulda lachende, dan zal |

| C: antwoordde Hulda lachende, »dan zal |

| B: antwoordde Joël ernstig. Die bergpas |

| C: antwoordde Joël ernstig. »Die bergpas |

| B: daaromtrent niet, mijnheeer," antwoordde |

| C: daaromtrent niet, mijnheer," antwoordde |

| B: X |

| C: X. |

| B: Christiania gehaald? |

| C: Christiania gehaald?" |

| B: plek zou ik overslaan. |

| C: plek zou ik overslaan." |

| B: dan zich onderwerpen, |

| C: dan zich onderwerpen. |

| B: sprak zij »aan tafel te |

| C: sprak zij, »aan tafel te |

| B: Sylvius," antwoorde Hulda, »maar |

| C: Sylvius," antwoordde Hulda, »maar |

| B: Numadal, in het westen |

| C: Numedal, in het westen |

| B: zal weldra wederkeeren! |

| C: zal weldra wederkeeren!" |

| B: dat is goed, Maar...." |

| C: dat is goed. Maar...." |

| B: antwoordde Joel, »daar |

| C: antwoordde Joël, »daar |

| B: mejuffrouw Siegfrid Helmboe van Bambel |

| C: mejuffrouw Siegfrid Helmboë van Bambel |

| B: schalksch op, en hoe hij |

| C: schalksch op, »en hoe hij |

| B: Neen, dat doe ik niet. |

| C: »Neen, dat doe ik niet. |

| B: Junior kunnen gescheven |

| C: Junior kunnen geschreven |

| B: te Bergen te schrijven. Blz. 112 |

| C: te Bergen te schrijven. Blz. 112. |

| B: zoo bout sprak als |

| C: zoo boud sprak als |

| B: antwoorde Joël, »maar |

| C: antwoordde Joël, »maar |

| B: mogelijk ontving. Bladz. 117. |

| C: mogelijk ontving. Blz. 117. |

| B: privelege de openbare meening |

| C: privilege de openbare meening |

| B: aangelegenheden, naar ook uit |

| C: aangelegenheden, maar ook uit |

| B: Hansen gedaan werden te te bespreken, |

| C: Hansen gedaan werden te bespreken, |

| B: er.... |

| C: er...." |

| B: dus naar Bergen vertokken. |

| C: dus naar Bergen vertrokken. |

| B: »Maar ,hoe?" |

| C: »Maar, hoe?" |

| B: mogen wij haar niet verwaarloozen. |

| C: mogen wij haar niet verwaarloozen." |

| B: geschiedt was, namelijk: |

| C: geschied was, namelijk: |

| B: van Bergen, van de Lofoden en van |

| C: van Bergen, van de Loffoden en van |

| B: zei Hulda. Als hij zich |

| C: zei Hulda. »Als hij zich |

| B: man zijn?" vroeg Joël |

| C: man zijn?" vroeg Joël. |

| B: onverstoorbaar voort, dat ik |

| C: onverstoorbaar voort, »dat ik |

| B: ik voeg er bij... |

| C: ik voeg er bij..." |

| B: hij uit. In ruil daarvoor |

| C: hij uit. »In ruil daarvoor |

| B: Ik zou eerder alles gepoogd, |

| C: »Ik zou eerder alles gepoogd, |

| B: wel te zeggen, mijnheer Hog. |

| C: wel te zeggen, mijnheer Hog." |

| B: Joël geheim zult houden. |

| C: Joël geheim zult houden." |

| B: antwoordde de professor. En Ole Kamp |

| C: antwoordde de professor. »En Ole Kamp |

| B: zei de professor. Weest niet ongerust. |

| C: zei de professor. »Weest niet ongerust. |

| B: Mijnheer Sylvius!...." |

| C: »Mijnheer Sylvius!...." |

| B: vriendin Siegfried weer te zien. |

| C: vriendin Siegfrid weer te zien. |

| B: daar niet; maat toch bleef pachter |

| C: daar niet; maar toch bleef pachter |

| B: gaan opzaken, als hij daarmede |

| C: gaan opzoeken, als hij daarmede |

| B: had extratreinen moeten laten rijden |

| C: had extra treinen moeten laten rijden |

| B: kralen. |

| C: kralen." |

| B: het Uuiversiteitsgebouw verscheen. |

| C: het Universiteitsgebouw verscheen. |

| B: kerk van Hitterdal voorbijreed Blz. |

| C: kerk van Hitterdal voorbijreed. Blz. |

| B: woekeraar van Drammen. Niet mogelijk! |

| C: woekeraar van Drammen? Niet mogelijk! |

| B: weldra uw echtgenoot!..,. |

| C: weldra uw echtgenoot!.... |

| B: den Almachtige te verschijnen. |

| C: den Almachtige te verschijnen." |

| B: aangehaald en beproken door het |

| C: aangehaald en besproken door het |

| |

+-------------------------------------------------------+

Het loterijbriefje · 第 18 / 18 段