gebreke hen hartelijk te ontvangen. De lieve Siegfrid omhelsde hare
vriendin innig en vond dat de arme Hulda er zeer bleek uitzag. Nu, dat
was na zooveel doorgestaan leed niet te verwonderen.
De beide jonge meisjes zonderden zich een oogenblik af om hun leed in
elkanders boezem te ontlasten.
»Laat je toch niet door het verdriet ternederslaan, beste Hulda," zei
Siegfrid.
»O, kon ik nog maar eenige hoop koesteren," snikte Hulda aan de borst
van hare vriendin.
»Ik heb de hoop geenszins verloren," hernam deze troostrijk en
opbeurend.
»Kon ik dat ook maar zeggen!" was de wanhoopskreet van de arme Hulda.
»Waarom den moed verliezen? Is het niet mogelijk, dat gij den armen Ole
Kamp wederziet? Wij hebben uit de dagbladen vernomen, dat men moeite
doet om de _Viken_ op te sporen. O, wees verzekerd, die pogingen zullen
met welslagen bekroond worden...."
»Denkt ge?" riep Hulda in tranen badende uit.
»Zeker denk ik het, en dat denkt mijnheer Sylvius ook," vervolgde
Siegfrid. »Zie, ik ben overtuigd, dat die nog hoopt.... Hulda.... beste
Hulda!... ik smeek je.... wanhoop niet!"
Wat had Hulda bij die troostredenen anders kunnen doen dan weenen;
terwijl Siegfrid haar aan het hart drukte.
O, welke vreugde zou in de woning van den pachter Helmboë, bij die
brave, eenvoudige en goede lieden geheerscht hebben, als er in hun
kleine wereld reden tot vreugde bestaan had!
»Dus gij gaat rechtstreeks naar....? mijnheer Sylvius," vroeg pachter
Helmboë.
»Naar Christiania, mijn goede man," antwoordde de professor.
»Waarom?"
»Hoe kunt gij dat nog vragen, zeg?"
»Om bij de trekking van de loterij tegenwoordig te zijn?"
»Zeker."
»Maar, vergeef mij, waartoe moet dat toch in godsnaam dienen?"
»Waartoe dat dienen moet?.... Begrijpt gij dat niet?"
»Neen, zeker niet, daar het loterijbriefje van Ole Kamp zich thans in
handen van dien ellendeling, dien Sandgoïst bevindt. Het gaan naar
Christiania is dus overbodig."
»Het was de wil van Ole Kamp!" antwoordde Sylvius Hog, »en diens wil
moet geëerbiedigd worden."
»Daar is wel iets van aan."
»Niet iets, maar dat behoort de geheele beweegreden te zijn, pachter
Helmboë."
»Misschien hebt gij gelijk, mijnheer Sylvius," antwoordde de pachter.
En van gesprek veranderende, vervolgde hij:
»Men vertelt, dat die woekeraar van Drammen geen kooper gevonden heeft
voor dat loterijbriefje, dat hij toch zoo duur betaald heeft."
»Ja, dat vertelt men, mijnheer Helmboë."
»Mooi zoo!"
»Wat bedoelt gij met dat mooi zoo?" vroeg de professor.
»Wel, dat die afschuwelijke kerel niets anders gekregen heeft dan zijn
verdiende loon.... Die schurk!.... Ja, die schurk! mijnheer Hog.... mij
dunkt dat hij heeft wat hem toekomt."
»Ja, dat is waar, mijnheer Helmboë!"
Men moest natuurlijk op de pachthoeve het avondeten gebruiken. Daar was
niets aan te doen.
Noch Siegfrid, noch haar vader zouden hunne vrienden hebben laten
vertrekken, zonder dat zij die uitnoodiging aangenomen hadden. Maar
men mocht niet te lang blijven; wilde men gedurende den nacht de uur
inhalen, die de omweg naar Bambel had doen verloren gaan.
De paarden werden dan ook van de nabijzijnde wisselplaats tegen negen
uur voorgebracht en door een der arbeiders van de gaard voor de kales
gespannen.
»Bij mijn volgend bezoek, waarde heer Helmboë," zei Sylvius Hog tot den
pachter, »zal ik zes uren aan tafel blijven, als gij zulks mocht
verlangen, dat beloof ik u."
»Goed zoo," antwoordde de pachter. »Maar tusschen zes uren en den korten
tijd, dien gij thans bij ons doorbrengt, is een zeer groot verschil,
mijnheer Sylvius. Dat ziet ge toch in!"
»Zeker. Maar heden ben ik genoodzaakt u de vergunning te vragen, het
nagerecht te vervangen door een vriendschappelijken handdruk, aan mij en
Joël, en door een hartelijken kus van Siegfrid aan mijne kleine Hulda."
»Gij wilt dus niet langer bij ons vertoeven, mijnheer Sylvius?" vroeg de
pachter.
»Wij willen wel, maar kunnen onmogelijk!" antwoordde de professor, die
zich geweld moest aandoen, om zich uit dien hartelijken kring los te
rukken. »Wij kunnen onmogelijk, mijnheer Helmboë!"
Men drukte elkander de hand, men kuste elkaar, zooals Sylvius Hog
verzocht had, en toen was het oogenblik van vertrek daar. Of Joël zijn
deel van de liefkoozingen van Siegfrid kreeg, zouden wij niet met
zekerheid kunnen zeggen. Dát kunnen wij betuigen, dat Hulda door de
pachtersdochter met kussen overladen werd.
Op de breedte, waarop Noorwegen gelegen is, zou de avondschemering nog
verscheidene uren duren. De gezichteinder bleef dan ook nog geruimen
tijd zichtbaar, na den ondergang der zon.
De weg, die van Bambel over Hitterdal naar Konsberg voert, is zeer fraai
en loopt door bergachtig terrein. Nu eens gaat hij steil omhoog, om
later weer des te dieper te dalen; dan weer slingert hij zich om de
toppen, of voert dwars over de nokken. Voor een deel volgt hij den
oever van het Folmeer en voert zoo door het zuidelijk gedeelte van de
Telemarksche bergstreken. Destijds vormde hij de eenige verbinding
tusschen de dorpen, gehuchten, vlekken en gaards van dat woeste
bergland. Het was een verrukkelijke rit voor onze drie reizigers, en het
was wezenlijk jammer, dat zij zich niet in eene vroolijker stemming
bevonden, om er des te beter de bekoorlijkheid van te genieten.
Een uur na hun vertrek van Bambel kregen de reizigers het klokketorentje
van Hitterdal in het gezicht. Zij zouden in dat gehucht evenwel niet
stilhouden. Toch waren zij in staat de kerk te bewonderen. Het is een
zeer oud en tevens zeer zonderling gebouw, met eenige rijen tinnen boven
elkaar, zonder dat op de regelmatigheid der lijnen acht geslagen is.
Het geheele gebouw is in hout opgetrokken, van de muren af, die van op
elkander gestapelde balken en gezwaluwstaarte planken vervaardigd zijn,
tot de uiterste punt van het hoogste ronde torentje van dit gevaarte.
Het geheel geleek veel op eene opeenhooping van peperbussen, en was,
naar het schijnt, een eerwaardig monument uit de dertiende eeuw, dat
door de kenners van Scandinavische bouwkunde zeer geroemd werd.
Toen spreidde de nacht langzaam haar sluier over het aardrijk uit.
Het was evenwel een van die nachten, die als doortrokken blijven van het
laatste licht der avondschemering, dat zich tegen één uur na middernacht
vermengen gaat met het eerste schijnsel van den rijzenden dageraad.
Joël, op de voorbank van de oude kales gezeten, was in overpeinzingen
verzonken. Ook Hulda zat stilzwijgend in een der hoeken van het rijtuig
gedoken. De professor wisselde eenige woorden met den koetsier, om hem
aan te sporen zijne paarden aan te zetten.
Daarna vernam men niets anders meer dan het geklingel der bellen van de
paarden, het geklap der zweep van den postiljon, en het geknars der
wielen op het grint van den soms zeer hobbeligen weg.
Men reed den geheelen nacht door zonder van paarden te verwisselen.
Het was gelukkig onnoodig te Listhüs op te houden. Dat was een zeer
onaanzienlijk vlek, dat te midden van een kring van bergen, dicht met
dennen begroeid, verscholen lag. Die bergkring werd weer door een
anderen omgeven, die slechts uit naakte rotswanden bestond.
Men reed ook Tiness voorbij, eene kleine, schilderachtig gelegen gaard,
waar eenige huisjes op steenen pilaren gebouwd zijn.
De kales rolde met snelheid voort en liet daarbij een piepend geluid van
slecht gesmeerde raderen en strak gespannen veeren hooren. De koetsier
mende zijne paarden goed. Er was geene aanmerking te maken. Het was een
goedhartige, bejaarde kerel, die op den bok half ingedut was, zonder
evenwel te verzuimen de paarden te laten voelen, dat hij de teugels
steeds in handen had.
Van tijd tot tijd gaf hij werktuiglijk een tikje met de zweep, en altijd
gold dit het vandehandsche paard, daar dit zijn buurman toebehoorde,
terwijl het andere zijn eigendom was. In Noorwegen geldt evenals overal
de spreuk: het hemd zit nader dan de rok.
Sylvius Hog opende tegen vijf uur in den ochtend de oogen, rekte zich
eens uit en snoof met een zekeren wellust de heerlijke geuren op, die
allerwege door de nabijzijnde dennenbosschen verspreid werden.
Men kwam weldra te Konsberg aan.
Het rijtuig reed de brug over, die de Laagen overspande, en hield, na de
kerk voorbijgereden te zijn, op den anderen oever stil, niet ver van den
waterval van Larbrö.
»Vrienden," zei professor Sylvius Hog, »volgens mijne meening, zullen
wij hier alleen verspannen. Dunkt u niet?"
»Zooals gij goedvindt, mijnheer Sylvius," antwoordde Joël Hansen.
Hulda knikte toestemmend.
»Het is nog te vroeg, om te ontbijten," ging Sylvius voort.
»Vooruit dan maar!" zei Joël.
»Wij zullen evenwel te Drammen langer pleisteren," vervolgde de
professor. »Daar zullen wij een stevig maal gebruiken, ten einde
spaarzaam met den mondvoorraad van den heer Benett te kunnen omgaan."
Volgens die afspraak vergenoegden de professor en Joël Hansen zich met
het verorberen van een glaasje brandewijn in het Mynhotel te Konsberg.
Toen de verspanning een kwartier later geschied was, verliet men dat
plaatsje in vollen draf.
Al dadelijk bij het verlaten van de stad moesten de paarden het zware
rijtuig tegen een steilen weg, die in den rotsachtigen bergwand
uitgehouwen was, optrekken. Een oogenblik konden de reizigers de
gebouwen der zilvermijnen van Konsberg, donker tegen den helderen
achtergrond ontwaren. Daarna werd de gezichteinder door uitgebreide
dennenbosschen beperkt, die zooveel schaduw gaven, dat het schier
duister op den weg was, terwijl de dampkring daarbij heerlijk frisch
was. Geen wonder, geen enkele zonnestraal vermocht dat dichte
naaldloofdak te doordringen.
In de houten stad Hangsund kreeg de kales een nieuw span paarden, en
daarna werd de reis weer voortgezet.
Men trof nu op de wegen tolafsluitingen aan, waarvan de boom niet dan
tegen betaling van vijf of zes shillings geopend werd.
De landstreek, die men doorreed, was zeer welvarend. Vruchtboomen, die
veel op treurwilgen geleken, zoozeer waren hunne takken door de vruchten
gebogen, kwamen overvloedig voor. Bij de nadering van Drammen evenwel,
werd het dal weer bergachtig.
Het was ongeveer middag, toen men de stad Drammen, met haar twee lange
straten en haar bont geverfde huizen in het gezicht kreeg. Zij ligt aan
den Dramsfjord, een der westelijke neven-inhammen van den fjord van
Christiania en bezit eene druk bezochte haven, waar de houtvlotten
slechts weinig ruimte overlaten voor de koopvaardijschepen, die daar de
producten der Noorsche nijverheid komen innemen.
Bij Drammen stort zich de korte maar waterrijke Drams-Elf in den
Drams-fjord.
De stad is door twee rivierarmen, die evenwel overbrugd zijn, in drie
deelen gescheiden, welke Bragernäs, Stromsö en Tangen heeten. Zij telt
ruim 20.000 inwoners en is de hoofplaats van het Noorweegsch ambt of
baljuwschap Böskerüd. Men vindt er bierbrouwerijen, tabaksfabrieken,
leerlooierijen enz. Wat haar houthandel betreft, kan zij als de
voornaamste haven van Noorwegen beschouwd worden. Vooral drijft zij een
levendigen handel met Nederland. Hare eigene vloot telde op het einde
van het jaar 1880 niet minder dan 315 schepen.
Het rijtuig hield voor het _Hotel van Scandinavië_ stil. De eigenaar van
die inrichting, een gewichtig persoon met sneeuwwitten baard en deftig
uiterlijk, verscheen op den drempel der deur.
Met die slimheid, die de hotelhouders van de heele wereld kenmerkt, zei
hij:
»De heeren en de jonge dame wenschen zeker te ontbijten."
»Juist geraden," antwoordde de professor. »Bezorg ons dus maar dadelijk
iets te eten."
»Gij zult onmiddellijk bediend worden."
»Dat hopen wij."
De man hield woord. Het ontbijt stond weldra op tafel en verdiende allen
lof. Onder andere werd een visch, afkomstig uit den fjord, voorgediend,
die heerlijk met bergkruiden toebereid was, en waarvan professor Sylvius
Hog dan ook met veel smaak at.
Men kuierde de stad eens rond en bewonderde den diep ingesneden fjord en
de bruggen, die over de beide armen der Drams-Elf voerden.
Tegen twee uur stond het rijtuig, met versche paarden bespannen, voor
het _Hotel van Scandinavië_ gereed.
Men vertrok en moest daarbij geheel Drammen in de breedte doorrijden.
Terwijl men voorbij een huis kwam, laag van verdieping en van een weinig
aanlokkelijk voorkomen, dat zeer afstak bij de naburige, vroolijke
woningen, die volgens 's lands gebruik met levendige kleuren geverfd
waren, riep Joël Hansen op eens, met een uitdrukking van afschuw op het
gelaat:
»Sandgoïst!"
»Waar?" vroeg professor Sylvius Hog.
»Daar!... daar, mijnheer Sylvius!" zei Joël, terwijl hij den schurk met
den vinger aanwees.
»Zoo, zoo!" zei de professor. »Is dat die mijnheer Sandgoïst?"
»Ja, mijnheer Sylvius."
»Drommels, die kerel heeft volstrekt geen aantrekkelijk gezicht. Wat
denkt mijne kleine Hulda er van?"
Het jonge meisje antwoordde niet, maar draaide den kerel met eene
beweging van afschuw den rug toe.
Ja, het was Sandgoïst, die daar op zijn stoep een lange Goudsche pijp
stond te rooken.
Herkende hij Joël Hansen, die, voor ieder zichtbaar, op de voorbank van
het rijtuig zat? Wie zal het kunnen zeggen? Waarschijnlijk niet; want
het rijtuig reed met snelheid tusschen opgestapelde balken en planken
door.
Buiten de stad gekomen, volgde men een weg, ter weerszijden met
sorbeboomen beplant, die met hunne koraalvormige vruchten een liefelijk
gezicht opleverden.
Vervolgens sloeg de kales een weg in, die door een dicht woud van
pijnboomen voerde. Dat bosch strekte zich uit langs het »Paradijsdal,"
een prachtig, golvend terrein, dat zich tot aan den verren gezichteinder
trapsgewijze verhief.
Een menigte heuvels vertoonden zich aan het oog, prijkende met een villa
of een gaard.
[Illustratie: Volgens de bevelen van professor Sylvius Hog hield zij
voor het _Noorder Hotel_ stil. Blz. 186.]
Toen de avond begon te vallen, rolde het rijtuig de vlakte in, die de
nabijheid der zee aanduidde, waarbij zij langs uitgestrekte weilanden en
groote pachthoeven, met hunne rood geverfde huizen reden, die scherp
tegen het donkergroen der boomen afstaken.
Eindelijk bereikten onze reizigers den fjord zelf, waaraan Christiania,
de hoofdplaats des rijks gelegen is.
Die fjord is door schilderachtige heuvels omgeven, waarin eene menigte
kreken en kleine havens door de natuur gevormd zijn, terwijl tot ver in
de golf de houten piers uitsteken, waaraan de vaartuigen van de baai en
de kleine stoombootjes komen aanleggen.
Het was ongeveer elf uur des avonds, en de laatste lichtstralen van
de avondschemering waren reeds aan den horizon verdwenen, toen de
ouderwetsche kales, niet zonder veel geraas de stad binnen en de reeds
eenzame staten zoo vlug mogelijk doorreed.
Volgens de bevelen van professor Sylvius Hog hield zij voor het _Noorder
Hotel_ stil.
Daar stapten Hulda en Joël Hansen af. Er waren kamers voor hen
besproken. Toen zij bezit genomen hadden van die vertrekken, zeide
professor Sylvius Hog hen goedennacht en reed naar zijn oude woning,
waar zijne oude dienstbode Kaatje en zijn nog oudere knecht Fink hem met
ongeduld wachtten.
XVII.
CHRISTIANIA.
Christiania,--eene groote stad voor Noorwegen--zou slechts eene kleine
plaats in Engeland of Frankrijk zijn.
Als zij niet veelvuldig door brand geteisterd was geworden, zou zij zich
thans nog vertoonen, zooals zij gedurende de middeleeuwen gebouwd werd.
In haar tegenwoordige gedaante dagteekent zij eerst van het jaar 1624,
op welk tijdstip zij door koning Christiaan IV, een der roemrijkste
koningen van Denemarken, waarmede destijds Noorwegen en Zweden vereenigd
waren, gesticht werd. Vroeger heette zij Opsölö, maar toen werd zij
Christiania genoemd naar haren koninklijken stichter.
Christiania is eene stad, die ongeveer 125.000 inwoners telt, dus
in grootte met het Nederlandsche 's Gravenhage gelijkstaat. Zij is
zeer regelmatig gebouwd en heeft breede, rechte straten, die evenwel
een ietwat stijf voorkomen hebben. Zij is op een hoogte van ruim 40
Meter aan den Christianiafjord opgetrokken, wordt door de Agger-Elf
doorsneden, en bestaat uit de wijken: Peperoiken, Hammersborg,
Vaterland, Groenland, Leret en Opsölö. Deze laatste is de oudste wijk
en heeft dan ook als zoodanig den alouden naam behouden. Daar stond
weleer het residentieslot der oude koningen van Noorwegen, dat door
koning Harald Hardrade in het jaar 1060 gesticht werd.
In datzelfde Opsölö verheffen zich het paleis der voormalige
bisschoppen, een armenhuis, een krankzinnigengesticht en een tuchthuis.
De huizen zijn van wit trachiet of rooden baksteen opgetrokken. In de
oude stad komen negen straten in één middelpunt samen; en de breede Karl
Johan's Gaade, die naar het fraaie, met een witten voorgevel versierde
koninklijk paleis (Kongesbollig) voert, zou geen enkele Europeesche
hoofdstad tot oneer verstrekken.
Het koninklijk paleis Oscarslot, een groot, vierkant gebouw, in
Jonischen stijl, verrijst te midden van een groot park, dat zeer fraai
aangelegd is.
Tot de merkwaardigste gebouwen behooren verder de Beurs, het
Vergaderingspaleis en de Storthing (Vertegenwoordiging), het
Regeeringsgebouw, de Schouwburg en de Dom.
Op het marktplein bevindt zich eene overdekte hal. Verder heeft men te
Christiania: de universiteit Fredericia, welke 600 à 700 studenten telt,
die door 30 hoogleeraren onderwezen worden. Daarbij heeft men een
museum, een kabinet van natuurlijke historie, eene boekerij en eene
sterrenwacht.
Hier en daar worden ook eenige kerken aangetroffen, die voor het
uitwendige niets merkwaardigs aanbieden, terwijl hare kunstschatten van
zoo weinig beteekenis zijn, dat zij de aandacht der godvruchtigen wel
niet afleiden zullen.
Overigens vertoont Christiania niets bijzonders. Wat evenwel zonder
voorbehoud moet bewonderd worden, is de ligging der stad te midden van
een kring van bergen, die alle een verschillenden aanblik opleveren, en
haar als met eene prachtige lijst omgeven. Bijna waterpas in hare nieuwe
en rijke wijken, verheft zij zich tot eene soort van Kasbah in het
armere gedeelte, dat met onregelmatig gebouwde woningen bedekt is,
waarin eene schamele bevolking een nooddruftig bestaan vindt. Deze
bewoont wel geen houten huizen meer, daar het bouwen met die grondstof
verboden is, maar dan toch woningen van baksteen, waarvan de schrille
kleuren het oog pijnlijk aandoen.
Dat woord Kasbah, ontleend aan de bouworde der Afrikaansche steden,
moet den lezer niet doen denken, dat het bij de beschrijving eener
Europeesche stad in het hooge noorden niet past. Vertoont Christiania in
de nabijheid harer haven niet wijken als die van Tunis, van Marocco, van
Algiers? En al ontmoet men er geen Tunesiërs, Maroccanen of Algerijnen,
toch verschilt de vlottende bevolking niet veel van hen. Christiania is
een schilderachtige stad, evenals alle plaatsen, die door de zee
bespoeld worden, en zich tegen een achtergrond van groene heuvels
verheffen. Men kan haren fjord met de baai van Napels vergelijken.
En inderdaad, die Christiania-fjord, de grootste zeeboezem in 't zuiden
van Noorwegen, is omgeven door bevallige en zeer vruchtbare kusten,
die tot de vier ambten van het baljuwschap Christiania behooren. De
fjord strekt zich uit van het zuiden naar het noorden over een vollen
breedtegraad, van Hvaloer (walvischeiland) ten oosten en Tjömö ten
westen, tot aan Christiania, vanwaar hij langs het boschrijke en
bergachtige schiereiland Näsodden loopt. In het zuidelijk gedeelte,
heeft hij eene aanmerkelijke breedte (15 Ned. mijlen en meer). Daar
liggen ook eenige eilanden. Nadat hij den Drammerfjord, 22 Ned. mijlen
lang, noordwestwaarts heeft gezonden, vernauwt hij zich bij Dröbak, om
vervolgens nabij de Noorweegsche hoofdplaats nogmaals een wijd bekken,
een ware binnenzee, met talrijke eilanden te vormen. De scheepvaart op
dezen boezem is zeer aanzienlijk en wordt door elf vuurtorens beveiligd.
Om tot Christiania terug te keeren, moet nog vermeld worden, dat met
betrekking tot den handel de hoofdplaats van Noorwegen na Gothenburg,
Drontheim en Bergen de belangrijkste stad des lands is. In de veilige
en ruime haven, die echter drie of vier maanden van het jaar wegens het
ijs ontoegankelijk is, liepen in den laatsten tijd jaarlijks 16 à 1700
schepen binnen, terwijl er ongeveer evenveel uitzeilden. Onder de
uitvoerartikelen behooren in de eerste plaats hout, voorts lijnkoeken,
metalen, huiden, enz. Is het ijs in het voorjaar in het achterste
gedeelte van den fjord hinderlijk, dan nemen de schepen hunne lading bij
Ringene in, eene kwartmijl van de stad, of anders bij Dröbak.
Ook de binnenlandsche handel van Christiania is aanzienlijk en strekt
zich uit over de ambten Aggerhuus, Hedemarken en Christiansand, die te
zamen omstreeks 350.000 inwoners tellen.
De omstreken van Christiania zijn schilderachtig. Boven het kalme bekken
van den fjord, die in 't zuiden tusschen blauwe eilandjes verdwijnt,
verheffen zich de kusten, getooid nu eens met bevallige buitenverblijven
en pachthoeven, dan weer met altijd groene wouden, die ook hoogerop de
bergtoppen kronen.
De voormalige vesting Aggerhuus, voorheen zich verheffende op een steil
rotsgevaarte, is in 1815 gesloopt. Later werd er weer een vesting
opgericht, die thans tot tuighuis dient. Oude linden, met breede
kruinen, beveiligen de meeste woningen tegen de stralen der zon, en op
een schiereiland tegenover de stad prijkt het nieuwe paleis Oscarhull.
Heerlijk is vooral het vergezicht van den Egerberg ten oosten van
Christiania. De stad met haren omtrek, hare wateren en eilanden gelijkt
op een Italiaansch landschap en vormt de bekoorlijkste streek van
Noord-Europa.
Het klimaat te Christiania is zeer gezond. Niet ver van die hoofdplaats,
bij het meer Tyrifjord ligt het fraaie keteldal Rüigerige, waarin
verscheidene meren zijn; terwijl ook Krochleven door beminnaars van
natuurschoon druk bezocht wordt.
Na die uitweiding over Noorwegens hoofdplaats, kunnen wij ons verhaal
hervatten.
Sylvius Hog was dus eindelijk te Christiania teruggekeerd. Die
terugkomst geschiedde, wel is waar, onder omstandigheden, die hij
onmogelijk had kunnen voorzien, en vóór het einde zijner reis.
Welnu, wat zou dat? Hij zou die reis een ander jaar vervolgen en haar
dan ten einde brengen. Thans wilde hij zich alleen met Hulda en Joël
Hansen bezighouden. Dat hij hen niet bij zich aan huis had laten
afstappen, had daarin zijne oorzaak alleen, dat hij geen kamers gereed
had om die jongelieden te huisvesten. Voorzeker zouden de oude Fink en
de bejaarde Kaatje hen uitstekend ontvangen hebben! Maar er was geen
tijd geweest, om iets in orde te maken. Daarom had professor Sylvius Hog
hen naar het _Noorder Hotel_ gebracht, waar hij hen bijzonder aanbevolen
had. En men begrijpt dat eene aanbeveling van professor Sylvius Hog,
afgevaardigde bij de Storthing, geen onbeduidende zaak was.
Maar, terwijl de professor zorgde en vergde, dat men dezelfde
oplettendheden aan zijne beschermelingen als aan hem zelven zoude
bewijzen, had hij toch de voorzorg gebruikt om hunne namen te
verzwijgen.
Het incognito bewaren, vooreerst geheel onbekend blijven, scheen hem
door de voorzichtigheid geboden, ten aanzien van Joël maar vooral ten
opzichte van Hulda Hansen. Men weet aan welke geruchten en praatjes het
arme meisje ter prooi was geweest.
Wanneer andermaal de algemeene nieuwsgierigheid op haar gevestigd werd,
zou haar dat zeker hinderen, en zou dat niet medewerken, om haar
verblijf te Christiania te veraangenamen.
Het was dus maar beter, dat niemand met hare aankomst in de hoofdstad
bekend werd.
Men had met elkander afgesproken, dat Sylvius Hog den volgenden ochtend
broeder en zuster niet vóór het ontbijt zou weerzien, dus niet vóór elf
uren. Hij kon dus tusschen elf en twaalf verwacht worden.
De professor had inderdaad verscheidene zaken te regelen, die voorzeker
den geheelen ochtend zouden vergen. Maar hij zou de jongelieden
dadelijk gaan opzoeken, als hij daarmede klaar was. Hij zou hen dan
niet meer verlaten, maar bij hen blijven, tot het oogenblik, dat die
loterijtrekking zoude geschieden, welke tegen drie uren plaats moest
hebben.