Hansen, »zou hij in de gegeven omstandigheden, niet geaarzeld hebben, om
zijn loterijbriefje aan Sandgoïst af te staan."
»Dat is zeer goed mogelijk," hernam Sylvius Hog, »maar hij alleen was
rechtens bevoegd die wijziging in zijne wilsbeschikking te maken."
»Tu, tu, tu! Hij is dood!"
»Maar, als hij eens niet dood was? Als hij nu eens niet bij die
schipbreuk omgekomen was? De mogelijkheid bestaat toch, niet waar? En,
wat zoudt gij ter uwer verdediging kunnen bijbrengen, wanneer Ole Kamp
eens terugkwam.... morgen.... vandaag misschien?...."
»Ole Kamp zal niet terugkeeren," antwoordde vrouw Hansen met doffe stem.
»Ole Kamp is dood, mijnheer Hog! God zij zijner ziel genadig! Hij is
goed en wel dood!"
»Daar weet gij niets van, vrouw Hansen!" riep de professor met een
nadruk uit, die eene waarlijk buitengewone overtuiging te kennen gaf.
Vrouw Hansen keek hem met ontzetting aan; maar zij waagde het niet een
enkel woord in het midden te brengen.
»Zeer ernstige nasporingen zijn thans begonnen," ging professor Sylvius
Hog voort, »om te onderzoeken of de een of ander van die schipbreuk
gered is. Die nasporingen kunnen met welslagen bekroond worden...."
De waardin van de herberg te Dal glimlachte ongeloovig.
»Ik zeg u," zei de professor met overtuiging, »dat die nasporingen
met welslagen kunnen bekroond worden, en.... dat nog wel vóór den
trekkingsdag der loterij! Gij hebt dus het recht niet te verzekeren, dat
Ole Kamp dood is, althans zoolang niet het werkelijk of vermoedelijk
bewijs geleverd is, dat onze stuurman bij de ramp van de _Viken_
omgekomen is."
»Maar, waarom hebt gij uwe overtuiging niet aan mijne kinderen
meegedeeld?" vroeg vrouw Hansen vrij sluw.
»Waarom?.... Wel, omdat ik hen geen hoop wil doen koesteren, die door
bittere teleurstelling zoude kunnen gevolgd worden. Uwe kinderen hebben
meer dan genoeg geleden! Maar, aan u, vrouw Hansen, deel ik mee wat ik
denk. Dat Ole Kamp dood zoude zijn, neen! dat kan ik niet gelooven; dat
wil ik niet gelooven!.... Neen! dat geloof ik niet!"
Op dat terrein, waarop de professor de quaestie heel handig verplaatst
had, kon hem vrouw Hansen onmogelijk het hoofd bieden. Zij zweeg dan
ook wijselijk. Daarenboven was zij als echte Noorweegsche, wel ietwat
bijgeloovig, en angstig boog zij het hoofd, alsof Ole Kamp op het punt
was vóór haar te verschijnen.
»In ieder geval, vrouw Hansen," hernam Sylvius Hog, »hadt gij, alvorens
over het loterijbriefje van Hulda te beschikken, eene zeer eenvoudige
zaak moeten doen, die gij nu nagelaten hebt."
»Wat dan, mijnheer Hog?"
»Gij hadt u eerst tot uwe vrienden moeten wenden, tot de vrienden van
uwe familie!"
»Wat zou dat gegeven hebben?"
»Zij zouden niet geaarzeld hebben u te hulp te komen, hetzij door bij
dien Sandgoïst borg voor de betaling te blijven, hetzij door u de
noodige fondsen voor te schieten, om die schuldbekentenis af te lossen."
»Ik bezit geene vrienden, mijnheer Hog," antwoordde vrouw Hansen
teneergeslagen, »aan wie ik zoo'n dienst had kunnen of durven vragen."
»Die bezit gij wel!"
»Daar twijfel ik aan!"
»Gij hebt er ten minste een, die niet geaarzeld en het uit dankbaarheid
jegens uwe familie met genoegen gedaan zoude hebben."
»Wie is dat, als ik u bidden mag?"
»Wie dat is?"
»Ja, wie is dat. Ik verlang hem te kennen."
»Welnu, ik zal hem u noemen. Dat is professor Sylvius Hog, afgevaardigde
bij de Storthing!"
Vrouw Hansen was zeer bewogen en daardoor niet in staat om te
antwoorden. Zij kon niets anders doen dan het hoofd diep voor den
professor buigen.
»Maar, wat gedaan is, is gedaan," vervolgde Sylvius Hog, »en daaraan
valt ongelukkig niets te veranderen. Laten wij ons gesprek dus afbreken.
Maar ik zal u zeer verplicht zijn, vrouw Hansen,--gij zult bovendien
begrijpen, dat mijn verzoek in het belang uwer kinderen geschiedt,--als
gij dit onderhoud, waarop ik niet meer terugkomen wil, voor Hulda en
Joël geheim zult houden."
Beiden verlieten elkander.
De professor ging inmiddels zijn gewonen gang en deed dagelijks een
flinke wandeling. Uren lang kuierde hij, nu eens met Joël, dan weer met
Hulda, een anderen keer met beiden te zamen, in de omstreken van Dal
rond. Was evenwel het jonge meisje van de partij, dan strekte men die
wandelingen niet te ver uit, om haar niet te vermoeien.
In de herberg teruggekomen, hield hij zich dadelijk met zijn
briefwisseling bezig. Hij schreef brief op brief naar Bergen en
Christiania. Hij spoorde den ijver aan van allen, die medewerkten bij de
nasporingen naar de _Viken_. Zijn geheele bestaan loste zich in die eene
gedachte op:
»Ole Kamp moet weergevonden worden! Ole Kamp moet weergevonden worden!"
Hij achtte het zelfs noodig weer op reis te gaan, ongetwijfeld voor een
doel, dat in nauw verband met die nasporingen stond, die van zooveel
belang voor de familie Hansen waren. Maar, ouder gewoonte bewaarde hij
een diep en onverbreekbaar stilzwijgen over hetgeen hij deed, en over
hetgeen hij liet verrichten.
De geschokte gezondheid van Hulda Hansen herstelde langzaam. Het arme
meisje leefde slechts in en door de herinnering aan Ole Kamp; terwijl de
hoop, die, in weerwil van alles, haar nog niet geheel had begeven, van
dag tot dag flauwer werd.
En toch had zij thans de twee wezens bij zich, die zij het meest liefhad
op aarde, en waarvan de een niet ophield haar te troosten, op te beuren
en aan te moedigen. Maar kon dat haar genoeg zijn?
Zou het niet noodig geweest zijn haar verstrooiing te verschaffen, wat
het ook kosten mocht?
Maar, hoe het daarbij aan te leggen?
Hoe haar te ontrukken aan die gedachten, die hare geheele ziel
vervulden, aan die herinneringen, die haar als met een ijzeren keten aan
den schipbreukeling vastklonken?
Voorwaar, een moeilijke vraag, dat zal iedereen moeten erkennen.
[Illustratie: Sylvius Hog had dat treurige verhaal nauwlettend
aangehoord. Blz. 163.]
Zoo bereikte men tusschen hoop en vrees den 12den Juli.
Over vier dagen zou de trekking plaats hebben van de loterij, die ten
voordeele van de scholen te Christiania op touw gezet was.
Het zal wel niet behoeven vermeld te worden, dat de handelsspeculatie,
door Sandgoïst ondernomen, ter kennisse van het publiek gebracht was.
Door de bemoeiingen van dien woekeraar hadden de dagbladen aangekondigd,
dat »het beroemd en door de Voorzienigheid tot een gelukkig lot
bestempeld loterijbriefje", dat het nummer 9672 voerde, thans in handen
was van mijnheer Sandgoïst te Drammen, en dat dit loterijbriefje,
hetwelk in het openbaar zou verkocht worden, aan den meestbiedende zou
worden toegewezen.
Ook meldden de dagbladen dat de heer Sandgoïst van Drammen, om eigenaar
van gezegd briefje te worden, er toe had moeten overgaan het zeer duur
aan Hulda Hansen te betalen.
Iedereen begrijpt, dat die advertentie wel geschikt was om het jonge
meisje aanmerkelijk in de algemeene achting te doen dalen.
Wat!... Hulda Hansen had zich door een hooge som laten bekoren en was er
toe overgegaan, om het briefje van den schipbreukeling, de laatste
gedachte van Ole Kamp, haren bruidegom, te verkoopen:
Zij had munt geslagen uit dat aandenken!
Maar een dagbladartikel, dat op het juiste oogenblik in het »Morgenblad"
verscheen en door alle overige dagbladen overgenomen werd, stelde de
lezers weldra op de hoogte van hetgeen voorgevallen was. Spoedig wist
iedereen van welken aard de tusschenkomst van Sandgoïst geweest was, en
op welke wijze het loterijbriefje in zijne handen geraakt was.
Toen werd de woekeraar van Drammen het voorwerp der algemeene
verontwaardiging. Toen verhief zich een kreet tegen dien schuldeischer
zonder hart, die er niet voor teruggedeinsd was om de rampen der familie
Hansen ten zijnen voordeele te gebruiken.
En, nu de openbare meening behoorlijk ingelicht was, werden, alsof
er eene samenspanning, een algemeene overeenkomst, eene soort
verstandhouding bestond, de aanbiedingen aan Hulda Hansen voor het
loterijbriefje gedaan, niet herhaald bij den nieuwen eigenaar. Het
scheen, alsof dat briefje de vroegere bovennatuurlijke waarde niet meer
bezat, en dat dit veroorzaakt werd door de besmetting, die het door de
aanraking van de hand des woekeraars ondergaan had.
Sandgoïst had dus eene zeer slechte speculatie ondernomen, en het liet
zich aanzien, dat het beroemde nummer 9672 voor zijne rekening zoude
blijven.
Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat Hulda en zelfs Joël
volstrekt niet op de hoogte waren van hetgeen geschreven en verteld
werd. Gelukkig, niet waar?
Het zou hun toch zeer pijnlijk gevallen zijn, hunne namen gemengd te
zien in eene zaak, die in handen van den woekeraar alleen een
handelsspeculatie geworden was.
In den avond van den 12den Juli kwam er een brief, gericht aan het adres
van professor Sylvius Hog.
Die brief, door het Ministerie van Marine afgezonden, bevatte een
anderen, die van Christiansand gedagteekend was.
Christiansand is eene kleine havenplaats, aan den ingang van de baai van
Christiania gelegen.
Die brief meldde waarschijnlijk niets bijzonders aan Sylvius Hog; want
hij stak hem met de grootste onverschilligheid in den zak en sprak er
noch tegen Hulda, noch tegen Joël over.
Maar toen hij zich later in den avond naar zijne kamer begaf, voegde hij
aan zijn hartelijk »goedenavond" nog toe:
»Denkt er om, kinderen dat over drie dagen de loterij te Christiania
getrokken wordt."
»Wat zou dat, mijnheer Sylvius?" vroeg Joël.
»Gij gaat er toch stellig heen, niet waar?"
»Waartoe zou dat dienen, mijnheer Sylvius?" vroeg Hulda, op hare beurt
hem met verwondering aanziende.
»Mij dunkt," hernam de professor, »dat zulks moet geschieden. Ole Kamp
heeft den wensch te kennen gegeven, dat gij bij de trekking tegenwoordig
zoudt zijn...."
»Maar...." wilde Joël tegenwerpen.
»Hij beval het u uitdrukkelijk aan in de laatste regels, die hij
schreef...."
»Ja wel, dat is waar; maar...."
»Volgens mijne meening," ging professor Sylvius Hog onverstoorbaar
voort, »zal de laatste wil van onzen armen Ole Kamp gehoorzaamd moeten
worden."
»Maar, professor...."
»Spreek op, Joël. Wat hebt gij nog te zeggen?" vroeg Sylvius Hog.
»Maar.... Hulda heeft dat loterijbriefje niet meer!"
»Welnu?"
»En, wie weet in welke handen het geraakt is?"
»Om 't even!" riep de professor uit.
»Wat, om het even? Wat bedoelt gij, mijnheer Sylvius?"
»Ik verzoek u, ik eisch desnoods van u, dat gij beiden mij naar
Christiania vergezelt!"
»Als gij dat wilt...."
»Zeker, wil ik het!"
»Nu, dan zal het gebeuren," antwoordde het jonge meisje.
»Luister, waarde Hulda. Eigenlijk ben ik het niet, die hier wil...."
»Maar, wie dan, mijnheer Sylvius?"
»Ole Kamp wil het," antwoordde de professor. »En Ole Kamp moet gij
gehoorzamen."
»Zuster," zei Joël Hansen, »mijnheer Sylvius heeft gelijk. Ja, het
moet."
En zich tot den professor wendende, ging hij voort:
»Wanneer denkt gij te vertrekken, mijnheer Sylvius? Ik doe die vraag, om
alles in gereedheid te kunnen brengen."
»Wat in gereedheid brengen?" zei de professor. »Weest niet ongerust. Ik
heb voor alles gezorgd!"
»Voor alles?"
»Ja!"
»Maar dan dienen wij toch op de hoogte van het tijdstip van vertrek
gebracht te worden voor onze zaken, mijnheer Sylvius," drong Joël
andermaal aan.
»Welnu, wees dan morgenochtend bij het krieken van den dag gereed!" zei
Sylvius Hog.
»Morgen bij het krieken van den dag?"
»Ja, morgen bij het krieken van den dag. En dat Sint Olaf ons in zijne
bescherming neme!"
»Dat Sint Olaf ons in zijne bescherming neme!" herhaalde Hulda, terwijl
ze bij die aanroeping de handen vouwde.
»Dat Sint Olaf ons in zijne bescherming neme!" zei ook Joël op
plechtigen toon.
»En laat ons nu voortmaken, broeder," zei Hulda gejaagd. »Wij hebben
geen oogenblik te verliezen, als wij met onze toebereidselen gereed
willen zijn."
XVI.
NAAR CHRISTIANIA.
Den volgenden morgen reden professor Sylvius Hog en Hulda Hansen, naast
elkander in het bont beschilderde karretje van baas Lengling gezeten,
het dorp uit. Zooals men weet, was er geen plaats voor drie personen.
Joël stapte dan ook als een flinke kerel, naast het paard, dat in
stevigen stap tusschen de boomen van het voertuig voortliep en vroolijk
met het hoofd schudde.
Wel is waar bedroeg de afstand tusschen Dal en Moel veertien kilometer,
maar dat was voor iemand als onzen flinken berggids niet de moeite
waard.
Het karretje reed dus door dat overheerlijke Vestfjorddal en hield
daarbij gestadig den linkeroever van de Maan-rivier, waarlangs de weg
heenliep. Het dal was vrij smal en dicht beschaduwd. Door duizenden
beekjes werd het besproeid, die over scherpe hellingen voortstroomden,
waarbij allerwege kleine watervallen gevormd werden, die van
verschillende soms aanmerkelijke hoogten neervielen en, onder de
zonnestralen, in al de kleuren van den regenboog schitterend, een
overheerlijk gezicht opleverden.
Bij iedere buiging van dien kronkelenden weg, kreeg men den top van den
Goustaberg, die door twee schitterend witte sneeuwvlekken aangeduid
werd, in het oog, om hem een oogenblik daarna weer te zien verdwijnen.
Het uitspansel was helder, het weer prachtig. De lucht was niet al te
frisch en de zon niet al te warm. In één woord het was een weer, alsof
het voor zoo'n tocht gemaakt was.
Het was in het oog loopend dat het gelaat van professor Sylvius Hog,
sedert hij de herberg van Dal verlaten had, meer kalmte uitdrukte.
Waarschijnlijk deed hij zich een weinig geweld aan--althans zoo dachten
de jongelieden--opdat die reis ten minste eene uitspanning, eene
verstrooiing voor Hulda en Joël zou wezen.
Twee en een half uur--niet meer--waren noodig om Moel, aan het uiteinde
van het Tinnermeer gelegen, te bereiken. Daar moest het karretje halt
houden, tenzij het de eigenschappen van een vlot had bezeten.
Want op dat punt van het fraaie dal begint de eigenlijk gezegde
meeren-weg.
Daar bevindt zich wat men noemt een »vandskyde", dat wil zeggen
eene wisselplaats. Daar vindt men eindelijk van die lichte en ranke
vaartuigen, die de gemeenschap over het meer onderhouden, zoowel over
zijne lengte als over zijne breedte.
Het karretje stond bij de kleine kerk van het gehucht stil, welk gebouw
zich aan den voet van een waterval van ruim vijfhonderd voet verhief.
Die waterval, waarvan slechts een vijfde gedeelte te zien is, stort zich
met woest geweld in de eene of andere sombere bergspleet, voordat zijne
wateren het meer bereiken.
Twee schuitenvoerders stonden op de uiterste punt van den rotsachtigen
oever gereed. Hun vaartuig, van beukenschors vervaardigd en klaar voor
den overtocht, was zoo rank, dat het voor de daarin zittenden zeer
gevaarlijk was zich van het eene boord naar het andere over te buigen.
Het meer spreidde in dit ochtenduur al zijne schoonheid voor onze
reizigers ten toon. De zon stond nog niet heel hoog; maar toch had zij
kracht genoeg bezeten om de dampen te verdrijven. Men zou onmogelijk
een fraaieren zomerdag hebben kunnen wenschen.
»Zijt gij niet te zeer vermoeid, mijn wakkere Joël?" vroeg professor
Sylvius Hog, toen hij uit het karretje gestegen was. »Waarlijk, gij hebt
uwe beenen moeten reppen."
»Neen, mijnheer Sylvius, ik ben niets moe," antwoordde de jeugdige
berggids. »Wat heeft zoo'n wandeling te beteekenen voor mij, die aan
lange omzwervingen door het Telemarksche gewoon ben?"
»Dat is zoo.--Maar ik was toch een weinig bezorgd."
»O, voor hem behoeft gij niet bezorgd te zijn, wanneer het op loopen
aankomt," zei Hulda lachend.
»Des te beter!" antwoordde de professor. »Maar Joël, zeg mij eens...."
»Wat verlangt gij te weten, mijnheer Sylvius?"
»Kent gij den naasten weg van Moel naar Christiania?"
»Uitstekend, mijnheer Sylvius," antwoordde Joël Hansen.
»Welnu, laat eens hooren."
»Hoe bedoelt gij?"
»Geef mij de verschillende plaatsen op, die langs den weg liggen."
»Als wij aan het uiteinde van het meer, te Tinoset, aangekomen zullen
zijn, dan.... maar.... zie, ik weet niet...."
»Wat weet gij niet?" vroeg Sylvius Hog lachende. »Zijt gij nu al de
kluts kwijt, en kunt gij mij al de tweede plaats niet opgeven? Dat is
wat moois!"
»Neen, dat is het niet."
»Welnu, wat bedoelt gij dan?"
»Ik weet niet, of wij te Tinoset een karretje zullen vinden, mijnheer
Sylvius."
»Waarom niet, vriend Joël?" vroeg professor Sylvius Hog met een
glimlach.
»Omdat wij verzuimd hebben een paar »forbuds" (jeugdige
boodschaploopers) vooruit te zenden, om van onze komst aan de
wisselplaats kennis te geven."
»Denkt gij dat dit hinderen zal?"
»Zoo doet men steeds in dit land, mijnheer Sylvius, om geene
teleurstelling te ondervinden."
»Gij meent dus?...."
»Ik vrees, dat wij geen paard en geen karretje zullen vinden, wat onze
reis zeer zal vertragen."
»Nu, maak je maar geen zorg, mijn jongen," sprak de professor
geruststellend. »Ik heb het geval voorzien."
»Gij, mijnheer Sylvius?"
»Ja, ik; en ik heb mijne maatregelen genomen. Daarom wil ik u wel
mededeelen, dat het mijn plan volstrekt niet is, om u den weg van Dal
naar Christiania te voet te doen afleggen."
»Als dat moet evenwel...." zei Joël.
»Dat weet ik wel. Maar het zal niet moeten. Daarvoor heb ik gezorgd.
Wees daaromtrent gerust."
»Ik dank u, mijnheer Sylvius."
»Geen dank, mijn jongen. Maar, wij dwalen af. Laat ons bij uwe opnoeming
van de verschillende plaatsen blijven."
»Juist, mijnheer Sylvius."
»Zeg mij dus, hoe gij de reis zoudt doen, waarde Joël."
»Welnu, wanneer wij te Tinoset zullen aangekomen zijn, zullen wij langs
het meer Fol rijden en daarbij de plaatsjes Vik en Bolkesjö doortrekken.
Daarna zullen wij Möse bereiken, vervolgens Konsberg en Hangsund en
eindelijk Drammen. Wanneer wij dag en nacht doorreizen, is het niet
onmogelijk, dat wij morgen in den namiddag te Christiania zullen
aankomen."
»Best, Joël," antwoordde de professor. »Ik zie, dat gij het land kent,
en ik geloof, dat wij eene aangename reis zullen maken. Denkt gij ook
niet?"
»Zeker, mijnheer Sylvius.... Daarenboven is het de kortste weg, dien ik
u opgegeven heb."
»Zoo, Joël," ging de professor glimlachende voort. »Maar ik geef de brui
van dien kortsten weg, begrijpt gij?"
De jonkman keek hem ietwat bedremmeld aan, maar antwoordde niet.
»Ik weet een anderen weg," vervolgde Sylvius Hog, »die de reis slechts
met ettelijke uren zal verlengen. En dien weg kent gij ook, mijn jongen,
hoewel gij er niet van spreekt."
»Welke dan, mijnheer?"
»Houd u nu niet zoo dom, vriend Joël."
»Neen, waarlijk, ik vat niet welken weg gij bedoelt."
»Wel ik bedoel dien, welke door Bambel voert!"
»Door Bambel?"
»Ja, door Bambel.--Stel u nu toch zoo onnoozel niet aan, mijn jongen."
»Waarlijk, ik...."
»Door Bambel waar een zekere pachter Helmboë woont! Vat gij mij nu?"
Joël was rood van verlegenheid geworden. Hij wist niet wat te
antwoorden.
»Door Bambel, waar ook de dochter van dien pachter woont. De lieve
Siegfrid. Heet zij niet zoo?"
»Mijnheer Sylvius!...."
»Kijk me dien lummel eens blozen!" gierde professor Sylvius Hog uit van
de pret.
»Maak hem toch niet zoo verlegen, mijnheer Sylvius," smeekte Hulda met
een flauwen glimlach.
»Nu, mij wel.--Maar wij zullen den laatsten weg nemen. Wat denkt gij er
van, Joël?"
Deze grinnikte van genoegen en knikte toestemmend, terwijl hij den
professor zijne hand toestak.
»Welnu, dan zullen wij in plaats van langs de noordzijde, langs de
zuidzijde van het meer Fol rijden, en.... zoo kunnen wij ook Konsberg
bereiken, niet waar Joël?"
»Evengoed, mijnheer Sylvius, zoo niet beter," antwoordde de jeugdige
berggids.
»Welnu, dan is alles in orde! Vooruit dan maar!"
»Ik dank u voor mijn broeder, mijnheer Sylvius," zei Hulda Hansen door
zooveel goedheid des harten bewogen.
»En voor u ook, hoop ik, kleine Hulda," hernam de professor; »ik
verbeeld mij, dat het u ook wel eenig genoegen zal doen uwe lieve
vriendin Siegfrid weer te zien. Vergis ik mij soms?"
»Volstrekt niet, mijnheer."
»Welnu, dan andermaal: vooruit!"
Het vaartuig lag, zooals wij weten, gereed. Alle drie namen daarin
plaats en gingen op de groene bladeren zitten, die bij den achtersteven
opgehoopt waren. De beide varenslieden grepen de riemen en staken van
wal, terwijl Joël de stuurpen ter hand genomen had.
Naarmate men zich van den oever verwijdert, schijnt het Tinnermeer zich
af te ronden naar den kant van Haekenoës, een kleine gaard uit drie of
vier huizen bestaande, die op dit rotsachtige voorgebergte gebouwd zijn,
dat door den smallen fjord bespoeld wordt, waarin de Maan-rivier
uitwatert.
Bij den aanvang der reis was het meer nog door hooge en steil opwaarts
rijzende oevers dicht omgeven, maar naarmate het ranke vaartuig
onder de krachtig gehanteerde roeiriemen voortvloog, weken de bergen
achterwaarts, welker hoogte men eerst kon beoordeelen, als de kleine
schuit, aan een watervogel gelijk, langs hunnen voet voorbijgleed.
Hier en daar verhieven zich boven de watervlakte eenige eilanden of
eilandjes, nu eens steenachtig en dor, dan weer met het levendigst groen
prijkend. Nu en dan ontwaarde men op die eilanden hutten van visschers
en van houthakkers.
Op de oppervlakte van het meer dreven boomstammen, die niet bekapt, en
nog niet van schors of spint ontdaan waren; verder stukken van balken
en houtdeelen, die van de naburige houtzaagmolens--een hoofdindustrie
van Noorwegen--afkomstig waren.
[Illustratie: Het meer spreidde zich in dit ochtenduur in al zijne
heerlijkheid voor onze reizigers uit. Blz. 173.]
Sylvius Hog scheen in eene stemming te zijn tot gekscheren; die
boomstammen en balken gaven hem de snakerij in den mond:
»Als het waar is, wat onze Scandinavische dichters beweren," zei hij met
een glimlach, »dat de meren de oogen van Noorwegen zijn; dan moet toch
erkend worden, dat Noorwegen meer dan één balk in de oogen heeft, en de
Bijbelsche gelijkenis schijnt wel voor ons land vervaardigd te zijn."
Het was ongeveer drie uur toen het lichte vaartuig van boomschors te
Tinoset aankwam.
Tinoset is slechts een eenvoudig gehucht, waar niet veel comfort te
vinden is. Dat kon Sylvius Hog evenwel niets schelen, daar het niet in
zijn plan lag, om daar, al was het ook maar een uur, te vertoeven.
Zooals Sylvius Hog aan Joël gezegd had, stond een rijtuig op den oever
te wachten.
Daar hij sedert geruimen tijd tot die reis besloten was, had hij
bijtijds zijne voorzorgsmaatregelen getroffen.
Hij had den heer Benett te Christiania verzocht, om hem de middelen te
verschaffen, zijne reis zonder vermoeienis en vertraging te kunnen
voortzetten. Deze was niet in gebreke gebleven, om aan dat verzoek te
voldoen.
Daarom stond dan ook op den bepaalden dag te Tinoset eene oude
gemakkelijke kales klaar, welker bergplaatsen behoorlijk van etenswaren
voorzien waren.
De slotsom was dus, dat niet alleen het vervoer over den geheelen
afstand tot Christiania behoorlijk verzekerd, maar dat ook in de
mondbehoeften voorzien was, wat de reizigers van de noodzakelijkheid
onthief hunne toevlucht te moeten nemen tot de half bebroede eieren, de
zure melk en de Spartaansche ratjetoe van de bevolking der Telemarksche
gewesten.
Tinoset is aan het zuidelijk uiteinde van het Tinnermeer gelegen.
Niet ver van dat plaatsje stort zich de Maan-rivier met een prachtigen
waterval in het benedendal, waar de bruisende en schuimende bergstroom
eindelijk tot kalmte komt en rustig tusschen de regelmatige oevers
voortstroomt.
De paarden, van de naaste wisselplaats aangebracht, waren reeds
aangespannen, en weldra had het oude, gemakkelijke rijtuig de richting
naar Bambel ingeslagen.
In dat tijdvak was dit de eenige manier om door Noorwegen, in het
algemeen, en door de Telemarksche streken in het bijzonder te reizen.
Die wijze van vervoer was niet van bekoorlijkheden ontbloot, en wij zijn
zeker niet ver van de waarheid, als wij beweren, dat de echte toeristen,
in de waggons van den pas aangelegden spoorweg gezeten, van harte het
verdwijnen der nationale karretjes, en der gemakkelijkste kalessen, als
die van den heer Benett, betreuren!
Het zal wel niet behoeven vermeld te worden dat Joël Hansen dit gedeelte
van het baljuwschap, dat hij zoo dikwijls tusschen Dal en Bambel
doorgetrokken was, door en door kende.
Het was ongeveer acht uur des avonds, toen Sylvius Hog met zijne
reisgenooten in dat kleine gehucht aankwam.