»Maar laat mijnheer toch vervolgen, broeder," vermaande Hulda.
»Zeker is het," hernam Sandgoïst, »dat de kansen van dat loterijbriefje
niet vermeerderd zijn, doordat de hand van een schipbreukeling het in
eene flesch gedaan heeft, die in zee geworpen en op het goede oogenblik
opgevischt werd. Maar, met de menigte valt niet te redeneeren. Het staat
vast, dat op dit oogenblik zeer veel personen verlangen eigenaar van dat
loterijbriefje te worden..."
»Dat is mogelijk," zei Hulda, »maar...."
»Op uwe beurt, zuster," hernam Joël, »laat mijnheer uitspreken."
»Er zijn u verscheidene aanbiedingen gedaan, er zullen u nog meer
gedaan worden," vervolgde Sandgoïst. »Ik herhaal, dat ik daarin eene
handelstransactie zie, en het is dan ook eene handelstransactie, die ik
u voorstel."
»Gij zult eenige moeite hebben, mijnheer Sandgoïst," antwoordde Joël op
spotachtigen toon, »om met mijne zuster tot overeenstemming te geraken."
»Waarom dat?"
»Omdat, terwijl gij van handelstransactiën spreekt, de geheele
geschiedenis voor haar eene gevoelszaak is."
»Dat klinkt alles heel mooi, jonge man!" antwoordde Sandgoïst, »maar als
ik u de zaak zal uiteengezet hebben, zult gij inzien, dat de afstand van
dat loterijbriefje niet alleen voor mij, maar ook voor haar eene
voordeelige zaak is. En... ik voeg er bij..."
»Wat?"
»Eene even voordeelige zaak voor vrouw Hansen, die er in het bijzonder
in betrokken is."
Hulda en Joël wisselden een blik met elkander, die zeggen wilde:
»Zouden wij thans vernemen, wat moeder ons tot heden verborgen heeft?"
»En," hernam Sandgoïst.
»Wat hebt gij ons nog meer te zeggen?" vroeg Joël schier beangst.
»Ik zal er niet op staan, dat loterijbriefje over te nemen voor
denzelfden prijs, dien het Ole Kamp gekost heeft. Neen!.... Te recht of
ten onrechte, dwaas of verstandig, dat stukje papier vertegenwoordigt
thans eene zekere handelswaarde."
»O, mijnheer Sandgoïst!..." riep Hulda.
»Ik ben dan ook bereid," ging hij voort, »om een zeker offer te brengen,
ten einde er bezitter van te worden."
»Men heeft u reeds gezegd," antwoordde Joël, »dat Hulda aanbiedingen van
de hand gewezen heeft, die alles te boven gaan, wat gij zoudt kunnen
geven."
»Zoo, waarlijk!" riep Sandgoïst uit. »Aanbiedingen, die te boven gaan,
wat ik zou kunnen geven! Ei! Ei! Wat weet gij daarvan, mijn jonge
vriend?"
»En al biedt ge ook schatten, mijne zuster weigert ze; en...."
»En, wat?...."
»En ik keur hare weigering goed!"
»Zoo, zoo!"
»Bevalt u dat niet?"
»Het mocht wat! Maar wij moeten duidelijk spreken. Met wien heb ik hier
te doen?"
»Wat bedoelt gij met die vraag?"
»Heb ik met u of met Hulda Hansen, uwe zuster, te doen?"
»Met Hulda Hansen, natuurlijk, maar mijne zuster en ik denken in deze
zaak eenstemmig. Als gij dat niet weet, mijnheer Sandgoïst, verneem het
dan thans!"
Sandgoïst trok, zonder zich in het minst uit het veld te laten slaan,
minachtend de schouders op.
Daarna hernam hij als iemand, die overtuigd is van de kracht zijner
bewijsgronden:
»Toen ik van eene som sprak in ruil voor dat loterijbriefje, had ik moet
zeggen, dat ik zulke voordeelige voorstellen te doen heb, dat Hulda die
in het belang harer familie niet mag verwerpen."
»Waarlijk?"
Hulda en Joël keken hunne moeder aan. Die stond daar, met neergeslagen
blik, de armen over elkander, aan een marmeren beeld gelijk.
»En nu, mijn jongen," ging Sandgoïst tergend voort, »laat mij u nu op
mijne beurt zeggen, dat ik niet naar Dal gekomen ben, om uwe zuster te
verzoeken mij dat loterijbriefje af te staan...."
»Niet?"
»Neen! Duizend duivels, neen!"
»Maar, wat vraagt gij dan?"
»Ik vraag niet!...."
»Niet?"
»Neen, ik eisch!.... ik wil!...."
»Wat durft ge zeggen!"
»Ja, ik eisch!.... ik wil dat loterijbriefje!"
»En welk recht hebt gij," riep Joël Hansen vertoornd uit, »gij, die voor
ons een vreemdeling zijt, zoo boud te spreken in het huis mijner
moeder?"
»Het recht dat ieder man heeft," antwoordde Sandgoïst, »om te spreken,
wanneer hij verkiest en zooals hem behaagt, als hij zich in zijn eigen
huis bevindt!"
»In zijn eigen huis, ellendeling!"
Joël, diep verontwaardigd, trad driftig op Sandgoïst toe, die, hoewel
niet licht bevreesd te maken, toch uit den leuningstoel opgesprongen was
en daarachter een schuilplaats gezocht had. Maar Hulda hield haren
broeder tegen; terwijl vrouw Hansen, het gelaat in de handen verborgen,
naar het andere einde van de zaal geweken was.
»Broeder Joël...." zei het jonge meisje. »Broeder, zie eens!"
Joël bleef plotseling staan. Een blik op zijne moeder had zijne woede
als het ware verlamd.
Alles, haar snikken, haar wegkruipen, hare geheele houding in één woord
duidde aan, hoezeer vrouw Hansen zich in de macht van dien ellendeling
gevoelde.
Toen deze Joëls aarzeling ontwaarde, ging hij weer onbeschaamd in den
leuningstoel zitten.
»Ja, in zijn eigen huis!" riep hij nog dreigender uit.
»Pas op!" prevelde Joël. »Terg mij niet!"
»Sedert den dood van haren man heeft vrouw Hansen zeer gevaarlijke
speculatiën gewaagd, die alle mislukt zijn. Zij heeft daardoor het
kleine vermogen, dat uw vader bij zijn dood nagelaten heeft, verloren.
Toen heeft ze bij een bankier te Christiania geld gaan leenen, om haren
hartstocht bot te vieren. Er rustte geen zegen op hare pogingen. Toen
zij geen kans meer zag op een andere wijze aan geld te komen, bood
zij dit huis tot onderpand voor eene som van vijftien duizend mark
aan, die haar tegen een deugdelijk schuldbewijs uitbetaald werden. Dat
schuldbewijs heb ik, Sandgoïst, van haren geldschieter overgenomen. Dit
huis zal dus het mijne zijn en dat nog wel binnen zeer korten tijd, als
ik op den vervaldag niet betaald word."
»En wanneer is die vervaldag?" vroeg Joël.
»Op den 20sten Juli, dus over achttien dagen," antwoordde Sandgoïst. »En
dien dag, of u dat al dan niet zal aanstaan, zal ik hier te huis zijn!"
»Op dien dag zult gij hier eerst te huis wezen, wanneer gij vóór dien
tijd niet afbetaald zult zijn!" riep Joël in de hevigste gemoedsbeweging
uit. »Ik verbied u te spreken, zooals gij in tegenwoordigheid van mijne
moeder en zuster deedt!"
»Hij verbiedt mij!...." grijnsde Sandgoïst tartend. »En zijne moeder
verbiedt die mij ook?...."
»Maar spreek dan toch, moeder!" zei Joël, die op vrouw Hansen toetrad en
hare handen van haar gelaat poogde te verwijderen.
»Joël!.... broeder!...." riep Hulda. »Heb toch medelijden met haar....
ik smeek u.... wees toch kalm!"
Vrouw Hansen stond daar nog altijd met gebogen hoofd. Zij durfde haren
zoon niet aanzien.
Het was maar al te waar, dat zij eenige jaren na den dood van haren
echtgenoot het gewaagd had, haar vermogen door zeer gevaarlijke
speculatiën te vermeerderen. Het weinige geld, waarover zij beschikken
kon, was spoedig verdwenen. Weldra had zij hare toevlucht moeten nemen
tot verderfelijke leeningen. En eindelijk was zij er toe gekomen eene
schuldbekentenis te onderteekenen, waarbij haar huis tot onderpand
diende. En dat schuldbewijs was thans in handen van dien Sandgoïst van
Drammen gekomen.
Die Sandgoïst was een man zonder hart, een bekende woekeraar, die door
het geheele land berucht was en door iedereen verfoeid werd.
Vrouw Hansen had hem slechts eenmaal in haar leven gezien, namelijk den
dag, toen hij naar Dal gekomen was, om de waarde der herberg te
schatten.
Dat was dus het geheim, hetwelk zoo zwaar op die arme vrouw gedrukt had!
Daarin lag dus de reden harer eenzelvigheid, harer geheimhouding, harer
afzondering, alsof zij zich voor hare kinderen had willen verbergen!
Daarom eindelijk had zij nimmer over hare zaken willen spreken met hen,
wier toekomst zij zoo lichtzinnig in de waagschaal gesteld had!
Hulda durfde nauwelijks hare gedachten laten gaan over hetgeen zij
gehoord had.
Ja, die Sandgoïst had wel de macht om zijn wil op te dringen.
Dat loterijbriefje, hetwelk hij heden wilde bezitten zou over veertien
dagen geene waarde meer hebben, en.... wanneer zij het hem niet afstond,
dan zou dat de ondergang harer familie zijn. Gaf zij niet toe, dan werd
het huis, de aloude herberg van Dal verkocht. Dan zou de familie Hansen
zonder huisvesting, zonder hulpmiddelen zijn.... Dat was dan de armoede
en de ellende in alle hare naakte verschrikkelijkheid.
Hulda durfde Joël niet aanzien.
Maar, de jonge man, door drift vervoerd, wilde niets hooren van de
dreigende toekomst. Hij zag slechts Sandgoïst voor zich, en als die man
zich nog langer zou verstouten, om eene taal te voeren, zooals hij daar
straks in zijne tegenwoordigheid had doen hooren, dan zou hij, de zoon
der verdrukte weduwe, zijn toorn niet meer kunnen onderdrukken....
Sandgoïst evenwel, begrijpende dat hij meester van den toestand en dus
van het geheele terrein was, werd hoe langer hoe meer verhard, terwijl
zijn taal nog onbeschofter klonk.
»Ik wil dat loterijbriefje hebben, en ik zal het hebben! Hoort ge?" riep
hij uit. »In ruil daarvoor bied ik een prijs, die wel aanneembaar zal
zijn. Ik zal namelijk den vervaldag van den schuldbrief, door vrouw
Hansen onderteekend, verschuiven, al was het voor een jaar.... al was
het voor twee jaren! Het is mij om het even. Dat Hulda slechts den datum
bepale!"
Het arme meisje stond daar met beklemd hart en zou geen enkel woord
hebben kunnen uitbrengen. Haar broeder antwoordde evenwel in hare
plaats:
»Mijne zuster wil het briefje van Ole Kamp niet verkoopen. In weerwil
van uw opdringen en bedreigen weigert zij uw aanbod. Hebt ge verstaan?"
»Ja, zeker. Dat was duidelijk genoeg!"
»Welnu, maak dan dat ge de deur uitkomt!"
»De deur uit?" riep Sandgoïst verbaasd uit.
»Zeker, de deur uit!"
»De deur uit!"
»En spoedig ook, als gij niet wilt, dat ik u op minder aangename wijze
een handje help!"
»De deur uit! Welnu, neen! Ik ga niet. Ik lach om uwe bedreigingen."
»Pas op, Sandgoïst!"
»Tu, tu, tu," antwoordde deze. »Als het bod niet hoog genoeg is, zal ik
er wat bij doen. Ja, als gij mij dat loterijbriefje afstaat, bied ik
u.... bied ik u...."
De man stotterde van opgewondenheid, waarlijk het verlangen om dat
loterijbriefje te bezitten, moest wel groot zijn, hij moest wel degelijk
overtuigd zijn, dat het hem winst zou opbrengen, dat hij zich zoover
liet vervoeren. Hij ging bij de tafel zitten, waarop zich papier, pen en
inkt bevonden, krabbelde een poos, en zei toen:
»Ziedaar wat ik bied!"
Het was de volle quitantie voor de som, die vrouw Hansen indertijd
geleend had, en waarvoor zij het huis te Dal zoo onvoorzichtig verpand
had.
Vrouw Hansen vouwde de handen samen, boog het hoofd diep ter aarde en
keek hare dochter Hulda smeekend aan. Maar deze aarzelde en wist niet
waartoe te besluiten.
»En nu," riep Sandgoïst uit, »dat loterijbriefje, waar is het? Ik wil
het hebben! Ha, ik wil..... het heden nog hebben... wat zeg ik?
heden.... neen, dadelijk... Ik verlaat Dal niet zonder.... Hulda....
hoort ge?.... ik wil het hebben en zal het hebben!"
Sandgoïst naderde het arme meisje, alsof hij haar kleederen onderzoeken,
alsof hij haar betasten wilde, om haar het loterijbriefje van Ole Kamp
te ontrukken....
Dat was meer dan Joël in de gegeven omstandigheden verdragen kon, vooral
toen hij zijne zuster Hulda hoorde roepen: »Joël!... Broeder!...."
»Zult gij het huis verlaten?" vroeg hij knarsetandende.
En toen Sandgoïst hardnekkig weigerde heen te gaan, zou hij hem zeker
bij den kraag gepakt hebben, om hem buiten de deur te zetten, toen Hulda
tusschenbeide trad.
»Hier, moeder, is het loterijbriefje!" zei ze.
Vrouw Hansen greep gretig het briefje, en terwijl zij het overhaast
tegen de quitantie van Sandgoïst verruilde, viel Hulda schier in zwijm
op den leuningstoel neer.
»Hulda!.... Hulda...." riep Joël uit. »Zuster! Sla toch uw oogen op....
O God! wat hebt gij gedaan?"
»Wat zij gedaan heeft?" antwoordde vrouw Hansen vrij heftig. »Wat zij
gedaan heeft?.... Ja, zeker, ik ben zeer schuldig, dat beken ik! In het
belang mijner kinderen heb ik het goed, hun door hun vader nagelaten,
trachten te vermeerderen! Daarvoor heb ik hun geheele toekomst op het
spel gezet! Ik heb ellende over dit huis gebracht!.... Maar Hulda heeft
ons allen gered!.... Ziedaar, wat zij gedaan heeft!.... Zoudt gij haar
dat willen verwijten?.... Neen, neen, dat mag niet.... Ik zeg haar
daarvoor dank!.... Heb dank, Hulda, heb dank!...."
En de moeder wierp zich snikkende in de armen harer dochter, die haar in
weerwil harer droefheid de handen met kinderlijke liefde kuste.
Sandgoïst keek dat tooneel met de grootste kalmte aan. Hij grinnikte van
genoegen en betastte slechts zijn loterijbriefje met innig welgevallen.
Toen Joël, een oogenblik door de woorden zijner moeder afgeleid, hem nog
ontwaarde, riep hij woedend uit:
»Gij... nog hier!... De deur uit, ellendeling!"
En toen deze volstrekt geen haast maakte, stapte hij op hem toe, greep
hem bij de schouders, tilde hem op en wierp hem in weerwil van zijn
tegenspartelen en van zijn geschreeuw, hardhandig de deur uit.
Dat had een kwartier vroeger moeten geschieden.
XV.
SYLVIUS HOG IN TWEESTRIJD.
Daags daarna keerde professor Sylvius Hog in het late avonduur te Dal
terug.
[Illustratie: Maar Hulda hield haar broeder tegen. Blz. 157.]
Hij vertelde aan niemand iets van zijne reis, en niemand wist ook dat
hij naar Bergen geweest was.
Zoolang de begonnen nasporingen tot geen resultaat geleid hadden, wilde
hij ze voor de familie Hansen geheim houden. Brieven of telegrammen,
hetzij van Bergen, hetzij van Christiania hem toegezonden, moesten hem
dan ook persoonlijk in de herberg van Dal ter hand gesteld worden, waar
hij de dingen, die komen zouden, wilde afwachten.
Hoopte hij steeds?
Ja zeker! maar waarheid is 't, dat die hoop geen enkelen redelijken
grondslag bezat, en dat zij slechts als voorgevoel--zeker iets zeldzaams
bij een professor--in zijn hart aanwezig was.
Zoodra hij terug was, kostte het Sylvius Hog niet veel moeite, om
te bespeuren, dat er gedurende zijne afwezigheid gewichtige dingen
voorgevallen waren. Zoowel Joëls uiterlijk als dat van Hulda gaven te
kennen, dat het tusschen moeder en kinderen tot eene verklaring gekomen
was.
Zou de familie Hansen weer een ongeluk getroffen hebben?
Die gedachte alleen bedroefde en verontrustte Sylvius Hog reeds. Hij
gevoelde voor dien broeder en die zuster zulk eene innige, vaderlijke
toegenegenheid, dat zij hem niet dierbaarder hadden kunnen zijn, als zij
zijne eigen kinderen geweest waren!
Hoezeer had hij hen gedurende zijne korte afwezigheid gemist!--en
hoezeer hadden zij waarschijnlijk naar hem verlangd!
»Zij zullen wel aan het praten geraken," mompelde hij in zich zelven.
»Zij moeten mij alles meedeelen! Behoor ik dan niet inderdaad tot de
familie?"
Ja, Sylvius Hog meende het recht te bezitten, om te weten wat er in het
hart zijner jeugdige vrienden omging, waarom Joël en Hulda Hansen er
ongelukkiger uitzagen dan voor zijn vertrek naar Bergen.
Hij zou het weldra vernemen.
Waarlijk de beide jongelieden wenschten niets liever dan den waardigen
man, dien zij met kinderlijke genegenheid beminden, in den arm te nemen
en hun vertrouwen te schenken. Maar schuchter wachtten zij het oogenblik
af dat hij hen zoude ondervragen.
Zij hadden zich sedert twee dagen zoo verlaten gevoeld, vooral omdat de
professor hun niet medegedeeld had, waarheen hij reisde!
Nimmer hadden hun de uren zoolang toegeschenen!
Voor hen kon die afwezigheid geen betrekking op nasporingen naar de
_Viken_ hebben, en het kwam niet bij hen op, dat Sylvius Hog het doel
van die reis voor hen geheim hield, om hun eene latere teleurstelling,
wanneer de pogingen mislukten, te besparen.
En nu... nu... hoe zoude thans zijne tegenwoordigheid gewaardeerd
worden, hoe dierbaar zou zij hun zijn!
O, zij hadden zoo groote behoefte, om zich onder zijne bescherming te
stellen, om zijne raadgevingen in te winnen, om zijne steeds hartelijke
en geruststellende stem te vernemen!
Maar zouden zij hem alles durven mededeelen wat tusschen hen en den
woekeraar van Drammen voorgevallen was? Zouden zij durven belijden, op
welke onverantwoordelijke wijze vrouw Hansen, hunne moeder toch, met
hunne belangen, met hunne toekomst omgesprongen had?
Wat zal Sylvius Hog gaan denken, als hij vernemen zal, dat het
loterijbriefje van Ole Kamp zich niet meer in handen van Hulda bevindt?
Wat, wanneer hij vernemen zal, dat vrouw Hansen het gebruikt heeft, om
eene schuldbekentenis bij haren onverbiddelijken schuldeischer in te
lossen?
De arme kinderen aarzelden. Toch zou de professor alles vernemen.
Wie geraakte het eerst aan het praten? Had Sylvius Hog de mededeeling
uitgelokt? Of hadden Joël of Hulda het eerst den mond geopend, om de
reeks van gebeurtenissen te beginnen? Wie zou het met volkomen zekerheid
weten te zeggen? Zooveel is onbetwistbaar, dat de professor weldra op de
hoogte van den stand van zaken was. Hij wist nu in welke verlegenheid
vrouw Hansen en hare beide kinderen verkeerd hadden! Over veertien dagen
zou de onmeedoogende woekeraar de ongelukkigen uit de herberg van Dal
verjaagd hebben, als de schuld niet door den afstand van het
loterijbriefje ware gedelgd geworden.
Sylvius Hog had dat treurige verhaal, dat hem door Joël Hansen in
tegenwoordigheid zijner zuster Hulda gedaan was, nauwlettend aangehoord:
»Gij hadt dat loterijbriefje niet uit uwe handen moeten geven!" riep hij
in de eerste opwelling zijner verontwaardiging uit: »Neen, dat hadt gij
niet moeten doen!"
»Maar,.... kon ik dat weigeren, mijnheer Sylvius?" vroeg het jonge
meisje met diep bewogen stem. »Zeg kon ik dat?"
De professor scheen na te denken, hij antwoordde althans niet terstond.
»Geloof mij, mijnheer Sylvius, dat kon, dat mocht ik niet," ging Hulda
voort.
»Gij hebt gelijk!.... Neen, dat mocht gij niet!.... Dat begrijp ik maar
al te goed!.... En toch!...."
»Wat wilt gij zeggen?"
»Niets! Niets!.... O, als ik hier was geweest!"
Wat zou de waardige professor wel gedaan hebben, als hij aanwezig was
geweest? Dat verzweeg hij voorzichtig; hij hernam met koortsachtige
haast:
»Ja, waarde Hulda, ja Joël! Alles wel beschouwd, hebt gij gedaan, wat
gij doen moest, hebt gij uwen plicht gedaan! Maar wat mij woedend maakt,
is, dat het die inhalige Sandgoïst zal zijn, die met de bijgeloovige
opgewondenheid van het publiek zijn voordeel zal doen! Nu men aan dat
loterijbriefje van den armen Ole Kamp eene bovennatuurlijke waarde
hecht, zal hij die gaan exploiteeren!"
»Natuurlijk," zei Joël, »tenzij hij het briefje voor zich wenscht te
behouden."
»En toch," ging de professor voort, »is het dwaas, ja belachelijk, te
gelooven, dat dit nummer 9672 noodzakelijk door het lot begunstigd zal
worden."
»Maar, wat zoudt gij gedaan hebben, mijnheer Sylvius?" vroeg Hulda
vertrouwelijk.
»Ik zou waarschijnlijk geweigerd hebben dat loterijbriefje af te staan."
»Ook onder dezelfde omstandigheden?" vroeg Hulda dringend.
»Ja, ook onder dezelfde omstandigheden!" antwoordde Sylvius Hog. »Toen
gij, lieve Hulda, geweigerd hadt, dat loterijbriefje aan Sandgoïst af te
staan, had gij het niet aan uwe moeder moeten geven."
De jongelieden wisten niet wat te antwoorden.
Toen zij het loterijbriefje aan hare moeder overreikte, gehoorzaamde
Hulda aan een innerlijk gevoel, dat men niet kon afkeuren. Het offer,
dat zij gebracht had, was niet het offer van de min of meer onzekere
of liever wisselvallige kansen, die dat briefje bij de trekking der
loterij te Christiania zoude aanbieden; neen, zij had het offer van den
geschreven laatsten wil van Ole Kamp gebracht; zij had van de laatste
herinnering aan haren bruidegom, van het laatste stuk, dat hij
aangeraakt had, afstand gedaan.
Maar wat er thans aan te doen? Gedane zaken hebben geen keer in dit
ondermaansche. Sandgoïst was bezitter van het bewuste loterijbriefje.
Daarop kon niet meer teruggekomen worden. Het behoorde hem toe; hij zou
het den meestbiedende verkoopen; de woekeraar zou munt slaan uit dat
hartroerend afscheid door den schipbreukeling aan zijne bruid gericht!
Sylvius Hog kon er geen vrede mee hebben!
Dienzelfden dag zocht de professor een onderhoud met vrouw Hansen,
hoewel hij vooruit wist, dat het geen verandering in den staat van zaken
zou kunnen brengen. Maar hij oordeelde dit onderhoud noodzakelijk. Hij
bespeurde daarbij al ras, dat hij zich tegenover eene zeer practische
vrouw bevond, die meer naar de eischen van het gezond verstand dan naar
de ingevingen van het hart luisterde.
»Gij keurt dus af, wat ik gedaan heb, mijnheer Hog?" vroeg zij, nadat
zij den professor had laten uitspreken.
»Zeker, vrouw Hansen."
»Als gij mij verwijt, dat ik mij op de onvoorzichtigste wijze in
gevaarlijke, ja slechte zaken gestoken heb, dat ik daardoor het vermogen
mijner kinderen verkwist heb, dan voorzeker hebt gij gelijk; maar...."
Sylvius Hog wilde haar hier in de rede vallen.
»Laat mij voortgaan, mijnheer," sprak zij bedaard.... »maar als gij
mocht afkeuren, dat ik gepoogd heb mijn schuldbewijs terug te krijgen op
de u bekende wijze, dan hebt gij het niet bij het rechte eind--wat hebt
gij daarop te antwoorden?"
»Eerlijk bekend; niets, vrouw Hansen."
»Kon het bod van Sandgoïst ernstig van de hand gewezen worden, die toch,
alles goed en wel beschouwd, een prijs van vijftienduizend mark betaald
heeft voor den afstand van een loterijbriefje, welks waarde geen enkelen
redelijken grond heeft. Ik vraag het u andermaal: moest dat bod
geweigerd worden?"
»Ja en neen, vrouw Hansen."
»Het antwoord op mijne vraag kan niet ja _en_ neen zijn. Het moet _of_
ja _of_ neen zijn. En volgens mij moet het bepaald _neen_ luiden. Bij
een anderen stand van zaken, als de toekomst zich niet zoo dreigend had
laten aanzien,--wat door mijne schuld, helaas! niet het geval was--zou
ik de weigering mijner dochter Hulda begrepen hebben!.... Ja.... ik zou
begrepen hebben, dat zij het van Ole Kamp ontvangen loterijbriefje,
tegen geen prijs, hoe groot ook, van de hand wilde doen...."
»Zeker...."
»Maar, nu wij gevaar liepen om binnen zeer korten tijd uit het huis
gezet te worden, waarin mijn echtgenoot, de vader mijner kinderen,
gestorven is, uit het huis, waarin die kinderen geboren zijn, neen, nu
begreep ik die weigering niet en.... ik ga een stap verder; nu vond ik,
dat aarzeling zelfs ongeoorloofd was. En ik ben er verzekerd van,
Mijnheer Hog, dat gij niet anders zoudt gehandeld hebben!"
»Zeker, vrouw Hansen, zeker, zou ik anders gehandeld hebben!"
»Maar, wat zoudt gij dan gedaan hebben?"
»Ik zou eerder alles gepoogd, alles ondernomen hebben, dan dat ik dat
loterijbriefje, hetwelk mijne dochter onder zoo bijzondere en
buitengewone omstandigheden ontvangen had, afgestaan zou hebben."
»Gaven die bijzondere en buitengewone omstandigheden dan een grootere
waarde aan dat loterijbriefje?"
»Dat weet gij noch ik. Dat weet niemand te zeggen."
»Nu, dat weet ik wel te zeggen, mijnheer Hog."
»Laat hooren, vrouw Hansen," zei professor Sylvius Hog met een
goedaardigen, doch wel ietwat spotachtigen glimlach.
»Dat loterijbriefje mijnheer Hog, vertegenwoordigt slechts een nummer,
dat negenhonderd negen en negentig duizend negenhonderd negen en
negentig kansen heeft om een niet of een kleine prijs te geven."
»Ja, maar.... Luister dan toch!"
»Zoudt gij dat loterijbriefje nu meer waarde gaan toekennen," ging vrouw
Hansen onverstoorbaar voort, »omdat het in eene flesch gevonden werd,
die in zee opgevischt is?"
Is het te verwonderen, dat professor Sylvius Hog niet dadelijk met
een antwoord klaar was? Hij vond er dan ook niets anders op dan de
gevoelszijde van het vraagstuk te behandelen. »De toestand is thans
deze," zei hij. »Ole Kamp heeft, toen hij op het punt was om schipbreuk
te lijden, het eenige wat hij in deze wereld bezat, aan Hulda vermaakt.
Hij heeft haar zelfs aanbevolen, om op den trekkingsdag bij het uitloten
met dat briefje tegenwoordig te zijn; als namelijk een gelukkig toeval
het haar in handen speelde. En.... thans bevindt zich dat loterijbriefje
niet meer in het bezit van Hulda.... Hoe zal zij nu aan dien uitersten
wil eens stervenden kunnen voldoen?"