professor Sylvius Hog met zijne aanstekelijke geestdrift. »Ik heb
den steun van het gouvernement. Ik ben gemachtigd om een van de
rijksstoombooten te laten uitstevenen, om de _Viken_ op te sporen, en
ik reken er op, dat niemand aarzelen zal tot zoo'n onderneming mede
te werken. Ik althans heb er alles voor over!"
»Ik ga dadelijk naar het havenkantoor," zei de heer Help Junior.
»Zal ik met u medegaan?"
»Dat is onnoodig. Gij zult wel vermoeid zijn...."
»Ik?.... Gij spot!"
»Volstrekt niet."
»Ik?.... Vermoeid?.... Op mijn leeftijd!"
»Om het even. Neem rust, waarde en steeds jeugdige Sylvius. Neem zoo
gemakkelijk mogelijk plaats en wacht mij."
Denzelfden dag had er eene vergadering van scheepskapiteins der
koopvaardijvloot, van visschers in de bedoelde streken, van loodsen
enz. in de woning der Gebroeders Help plaats. Daar bevonden zich vele
zeelieden, die nog steeds voeren; ook waren er eenigen, die reeds
bejaard waren en er het varen reeds lang aan hadden gegeven.
Professor Sylvius Hog begon dadelijk allen op de hoogte van den toestand
te brengen.
Hij deelde hun mede, op welken datum--den 3den Mei--het loterijbriefje
door Ole Kamp in zee was geworpen, en op welken datum--den 3den Juni--de
Deensche gezagvoerder het opgevischt had. Hij vertelde hun, waar dat
geschied was, namelijk: tweehonderd mijlen ten zuidwesten van IJsland.
Het gesprek, dat zich nu ontspon, werd zeer gerekt, maar was dan ook
uiterst ernstig en zeer belangrijk.
Geen der aanwezige zeelieden was onbekend met dat gedeelte van den
Atlantischen Oceaan, begrepen tusschen New-Found-Land, IJsland en
Noorwegen, en evenmin met de stroomingen, die daar heerschen, en die
alleen den sleutel konden geven tot de oplossing van het raadsel.
Nu stond het onwrikbaar vast, dat gedurende den tijd, begrepen tusschen
het oogenblik dat de _Viken_ het anker te Saint Pierre-Miquelon gelicht
had en onder zeil gegaan was, en dat de flesch door het Deensche
vaartuig was opgevischt, onafgebroken windvlagen, zelfs stormen uit
het zuidoosten dat gedeelte van den Atlantischen Oceaan beroerd hadden.
Ongetwijfeld was aan een dezer stormen de schipbreuk van de _Viken_ toe
te schrijven. Waarschijnlijk had het ontredderde vaartuig niet kunnen
bijleggen en voor den wind moeten lenzen. Nu beginnen in het seizoen
der lenteëvening de ijsschotsen en ijsbergen uit de Poolzeeën naar den
Atlantischen Oceaan af te drijven. Het was dus mogelijk, dat een botsing
plaats had gehad, waarbij de _Viken_ tegen een van die drijvende
klippen, die zoo moeielijk te mijden zijn, verbrijzeld was geworden.
Nam men nu die veronderstelling aan, dan was het toch mogelijk, dat de
bemanning zich althans gedeeltelijk op een van die ijsvelden gered had,
zelfs dat zij gelegenheid had gehad eene zekere hoeveelheid
levensmiddelen daarop over te brengen.
Wanneer dat zoo was, dan was de ijsschots met haren kostbaren last door
de zuidoostenwinden naar het noordwesten gedreven geworden en kon het
dus als mogelijk aangenomen worden, dat de geredde schipbreukelingen de
gelegenheid gevonden hadden, op het eene of andere punt van de
Groenlandsche kust aan wal te komen.
Het was dus in die richting en in die streken, dat de nasporingen
moesten geschieden.
Zoo luidde het antwoord, dat met eenparige stemmen door die zeelieden
uitgebracht werd op de verschillende vragen, door professor Sylvius Hog
geopperd.
Er bestond bij niemand twijfel, dat op de aangegeven wijze te werk moest
gegaan worden.
Maar.... wat zou er anders dan wrakstukken weergevonden worden, als de
_Viken_ inderdaad tegen een drijvenden ijsberg gebonsd had? Zou men in
dat geval durven hopen, dat enkelen zich hadden kunnen redden?
Het antwoord daarop moest voorzeker meer dan twijfelachtig luiden.
Toen de professor die twee vragen bepaald en stellig deed, bemerkte hij
dra, dat de meest bevoegden niet konden of wilden antwoorden.
Dat was evenwel geen reden, om niet te handelen,--daarin stemden allen
overeen,--maar dan moesten de nasporingen dadelijk beginnen. Er mocht
geen tijd verloren gaan.
Te Bergen zijn gewoonlijk eenige vaartuigen aanwezig, die deel uitmaken
van de Noorweegsche rijksvloot.
Tot die havenplaats behoort een der drie snelvarende stoomschepen, die
den dienst langs de geheele westkust waarnemen, waarbij zij de havens en
reeden van Drontheim, Finmark, Hammerfest, en de Noordkaap aandoen.
Gelukkig lag dat stoomschip toen in de baai voor anker.
Nadat hij een proces-verbaal opgemaakt had, dat een beknopt
overzicht leverde van de meeningen der zeelieden, die bij Help Junior
vergaderd waren, begaf professor Hog zich dadelijk aan boord van het
gouvernements-stoomschip _Telegraaf_ en overhandigde den bevelhebber van
dien bodem de schriftelijke opdracht, die hij van het gouvernement had
weten te bekomen.
Die bevelhebber ontving den professor met de meeste heuschheid en
verzekerde hem, dat hij van zijne zijde de ijverigste medewerking te
verwachten had. Hij had die zeeën veelvuldig bevaren op de lange en
gevaarlijke tochten, die de visschers van Bergen, van de Loffoden en van
Finmarken zoover van hun vaderland doen afdwalen, soms zelfs tot bij de
vischgronden van IJsland of van New-Found-Land. Hij was dus door zijne
speciale bekendheid met dit gedeelte van het vraagstuk, in het bijzonder
in staat nuttig te zijn bij de menschlievende taak, die ondernomen moest
worden en beloofde dan ook, dat hij er zich geheel en al aan zou wijden.
Wat het proces-verbaal betrof, dat hem professor Silvius Hog overreikte,
en waarin het vermoedelijke punt, waar de schipbreuk plaats gehad zoude
hebben, aangegeven was, daarmede kon hij zich ten volle vereenigen en
nam dan ook de eindbeslissingen daarvan als de zijne aan.
Men moest gaan zoeken in dat gedeelte van de Noordelijke IJszee, dat
tusschen IJsland en Groenland begrepen is. Als er nog schipbreukelingen
of wrakstukken van de _Viken_ over waren, dan zouden zij daar te vinden
zijn. Als de gezagvoerder van de _Telegraaf_ daar niet slaagde, dan zou
hij zijn nasporingen tot de naburige streken uitstrekken en er niet
tegen opzien om de geheele oostkust van de Baffinsbaai te doorzoeken.
»Ik ben tot vertrek gereed, mijnheer Hog," besloot de gezagvoerder. »Ik
heb steenkolen en levensmiddelen ingenomen, mijne bemanning is aan
boord, en ik kan heden nog uitstoomen."
»Ik dank u, commandant," antwoordde de professor, »ik ben getroffen door
de uitmuntende ontvangst, die gij mij bereid hebt. Maar vergun mij nog
eene vraag?"
»Geheel tot uw dienst, mijnheer Hog," hernam de bevelhebber met een
beleefde buiging.
»Kunt gij mij zeggen, hoeveel tijd er noodig zal zijn, om de
Groenlandsche wateren te bereiken?"
»Mijn vaartuig loopt tien mijlen in de wacht."
»Tien mijlen.... in de wacht?"
»Ja, professor, geografische mijlen, van vijftien op een graad en
gelijkstaande met drie Engelsche mijlen."
»O, zoo!"
»Mijn vaartuig loopt dus tien mijlen. En daar de afstand van Bergen naar
Groenland ongeveer twintig graden bedraagt, denk ik Groenland binnen een
vijftal dagen te bereiken."
»Zet er zooveel mogelijk haast achter, commandant," hernam de professor.
»Als eenige schipbreukelingen aan de ramp hebben kunnen ontkomen, dan
verkeeren zij zeker reeds sedert twee maanden in de grootste ellende en
sterven schier van honger op de een of andere afgelegen kust."
»Ik zal geen oogenblik laten verloren gaan, professor. Heden nog zal ik
van het intreden der eb gebruik maken, om zee te kiezen, en ik zal
steeds zoo hard mogelijk laten stoomen."
»Goed zoo, ik dank u bij voorbaat."
»En zoodra ik in het bezit van de een of andere aanwijzing geraak, zal
ik het departement van Marine te Christiania per telegraaf uit
New-Found-Land daarvan verwittigen."
»Welnu, commandant, vertrek dan," antwoordde professor Sylvius Hog, »en
God geve, dat gij moogt slagen!"
»Amen!" zei de gezagvoerder aangedaan.
De _Telegraaf_ koos denzelfden dag zee en werd bij haar vertrek met
hoera's van de geheele bevolking van Bergen begroet.
[Illustratie: Professor Sylvius Hog begon dadelijk allen op de hoogte
van den toestand te brengen. Blz. 142.]
Men zag het schip niet zonder aandoening in de krommingen van het
vaarwater wenden en draaien, en daarna achter de laatste eilandjes van
den fjord verdwijnen.
Bij dien tocht, dien hij het stoomschip _Telegraaf_ opgedragen had,
bepaalden zich de pogingen van professor Sylvius Hog niet.
Volgens hem kon veel meer gedaan worden. Andere schepen b. v. konden ook
trachten een spoor van de _Viken_ te ontdekken. Zou het niet mogelijk
zijn een soort van edelen wedijver tusschen de handelsvaartuigen, de
visschersschuiten, de joëgts of andere schepen in het leven te roepen.
Wanneer die hunne hulp verleenden, terwijl zij in de omstreken van de
Far-öer of van IJsland stevenden, zou er zeer veel gewonnen zijn.
Ongetwijfeld! Een premie van twee duizend mark werd dan ook in naam
van het gouvernement uitgeloofd aan ieder vaartuig, dat eenig bericht
omtrent het vergane schip kon mededeelen en van vijf duizend mark aan
hem, die een der schipbreukelingen in het vaderland terugbracht.
Zoo besteedde professor Sylvius Hog de beide dagen, die hij te Bergen
doorbracht.
Hij deed alles wat mogelijk was, om die nasporingen te doen slagen, en
hij werd daarbij behoorlijk door zijn vriend, den heer Help Junior, en
ook door de verschillende autoriteiten gesteund.
De heer Help wenschte den professor nog eenigen tijd als gast bij zich
te behouden. Maar deze bedankte beleefd nog langer in die stad te
blijven. Hij verlangde om weer bij Hulda en Joël te zijn, daar hij reeds
vreesde, hen te lang aan zich zelven overgelaten te hebben.
De heer Help Junior beloofde hem evenwel elk bericht omtrent de _Viken_
dadelijk naar Dal te seinen.
De professor wilde in dat geval zelf de familie Hansen de tijding,
hetzij goed of kwaad, mededeelen.
Op den morgen van den 4den scheepte Sylvius Hog zich, na afscheid van
zijn vriend Help Junior genomen te hebben, op de _Run_ in om den
Hardanger fjord over te steken. Zoo hij geen tegenspoed had, hoopte hij
op den avond van den 8sten in het Telemarksche terug te zijn.
XIV.
HET LOTERIJBRIEFJE AFGESTAAN.
Dienzelfden dag, waarop professor Sylvius Hog Bergen verlaten had, was
eene gewichtige gebeurtenis in de herberg van Dal voorgevallen.
Nadat de professor vertrokken was, scheen het huis uitgestorven te zijn.
Het was alsof die goede genius van Hulda en Joël Hansen met de laatste
hoop ook al de levendigheid der familie had medegevoerd.
Het was, alsof hij bij zijn vertrek een sterfhuis achtergelaten had.
Daarenboven verscheen er gedurende die twee dagen geen enkele toerist
te Dal. Dat was niet ongelukkig: want daardoor ontbrak aan Joël Hansen
de gelegenheid om afwezig te zijn en kon hij bij zijne zuster Hulda
blijven. Hij zou zich toch zeer angstig gevoeld hebben, als hij haar in
de gegeven omstandigheden alleen had moeten laten.
En met recht. Want vrouw Hansen werd inderdaad al meer en meer
beheerscht door hare geheime onrust. Zij scheen geheel en al vreemd te
zijn geworden aan alles, wat hare kinderen betrof. Zij had zelfs geen
gedachte meer voor de schipbreuk der _Viken_. Zij bleef geheele dagen in
hare kamer en vertoonde zich alleen bij de maaltijden. En als zij dan
het woord richtte, hetzij tot Hulda, hetzij tot Joël, was het slechts,
om hen met direkte of indirecte verwijtingen te overstelpen, betreffende
het loterijbriefje, dat zij tot geen prijs, hoe groot ook, wilden
afstaan.
Hierbij moet vermeld worden, dat de aanbiedingen voor dat loterijbriefje
niet opgehouden hadden. Van alle kanten, uit alle werelddeelen waren zij
ingekomen. Het was, alsof een besmettelijke waanzin sommige breinen
bevangen hadden. Het scheen wel dat op dit loterijbriefje het groote lot
van honderdduizend mark moest vallen. Het was, alsof in die loterij
slechts een enkel nummer bestond, en dat dit nummer het bekende 9672
was!
En inmiddels duurde de wedstrijd tusschen den Engelschman van Manchester
en den Amerikaan van Boston steeds voort. De Engelschman was er in
geslaagd het bod van den Amerikaan met eenige ponden te overtreffen.
Maar op zijn beurt werd hij weer met eenige honderden dollars
voorbijgestreefd. Het laatste bod bedroeg achtduizend mark. Men kon
dit slechts aan eene soort van verstandsverbijstering toeschrijven,
tenzij men in dien wedstrijd een nationale wedijver tusschen Amerika en
Groot-Brittanje mocht willen zien. Maar hoe het ook zij, Hulda sloeg
alle aanbiedingen, hoe voordeelig ook, van de hand, wat de bitterste
verwijtingen van den kant harer moeder uitlokte.
»En als ik u nu eens gelastte dat loterijbriefje af te staan!" zeide zij
op zekeren dag tegen hare dochter. »Ja, als ik u dat nu eens gelastte,
wat zoudt gij dan doen?"
»Dat zult gij niet doen, moeder!" kreet het meisje, dat zich aan den
twijfel, in die woorden heerschende, vastklemde. »Dat zult gij niet
doen, moeder."
»Maar, als ik het nu eens deed?"
»Dan zoudt gij mij wanhopig maken, moeder," antwoordde Hulda, »want ik
zou genoodzaakt zijn het te weigeren."
»Het te weigeren, Hulda?"
»Helaas, ja, moeder!"
»En als het dan eens moest?"
»Wat zou ons kunnen dwingen, moeder?" vroeg Joël.
Vrouw Hansen antwoordde niet, maar zij was bleek geworden, toen haar die
vraag zoo bepaald gesteld werd. Zij trok zich in hare kamer terug,
terwijl zij bij het heengaan onverstaanbare woorden mompelde.
»Er is iets ernstigs aan de hand," zei Joël tot zijne zuster.
»Dat vrees ik ook," antwoordde deze.
»Het kan niets anders zijn dan die zaak met Sandgoïst."
»Ja, broeder. Wij moeten op dreigende verwikkelingen voor de toekomst
bedacht zijn."
»Arme Hulda! worden wij door het leed, dat wij sedert een paar weken te
dragen hebben, nog niet genoeg beproefd? Welke ramp dreigt ons nog?"
»O, wat blijft mijnheer Sylvius Hog lang weg!" zei Hulda. »Als hij zich
hier bevindt, ben ik te moede, alsof ik minder wanhopig ben."
»En toch...."
Joël aarzelde, om het vertrouwen zijner zuster te schokken.
»Maar wat?" vroeg zij. »Gij zeidet: en toch...."
»En toch, wat zou hij voor ons kunnen uitrichten?"
Ja, op die vraag was geen antwoord te geven.
Maar, wat bestond er toch in het verleden van vrouw Hansen, dat zij aan
hare kinderen niet wilde, niet durfde toevertrouwen?
Was het kwalijk begrepen eigenliefde, die haar belette hen deelgenooten
te maken van de oorzaak harer onrust?
Had zij zich zelve verwijtingen te doen?
En dan die dwang, die zij met betrekking tot het loterijbriefje op hare
dochter poogde uit te oefenen? Dat briefje kwam toch van Ole Kamp, en
die omstandigheid verleende er eene zoo groote waarde aan, dat zij het
voor geen geld wilde afstaan.
Hoe kwam zij er toe, zoo begeerig te zijn dat geld machtig te worden?
Hulda en Joël zouden het weldra vernemen.
Op den 4den Juli had Joël des ochtends zijne zuster begeleid naar de
kleine kapel, waar Hulda dagelijks heenging, om voor den rampzaligen
schipbreukeling te bidden.
Hij bleef wachten gedurende dat gebed, om haar naar huis terug te
brengen.
Dien dag bespeurden beiden op de wandeling naar huis in de verte onder
de schaduw der boomen vrouw Hansen, die haastig voorstapte en zich naar
de herberg begaf.
[Illustratie: Op den morgen van den 4den scheepte Sylvius Hog zich op de
_Run_ in. Blz. 146.]
Zij was niet alleen. Een man begeleidde haar, een man, die heftig tot
haar scheen te spreken en haar dreigde; althans, van verre gezien, waren
zijne gebaren gebiedend.
Hulda en haar broeder waren eensklaps blijven staan.
»Wie kan die man zijn?" vroeg Joël.
»Ik weet het niet," antwoordde Hulda.
Maar, bij het geven van dat antwoord, trad het jonge meisje eenige
schreden vooruit.
»Ik herken hem," zeide zij eensklaps.
»Herkent ge hem?"
»Ja."
»Wie is het dan?"
»Wel, het is die Sandgoïst!"
»Sandgoïst van Drammen?"
»Ja!"
»Diezelfde kerel, die eens gedurende mijne afwezigheid te Dal is
gekomen?...."
»Ja dezelfde!"
»En die zich als heer en meester aanstelde, alsof hij rechten kon doen
gelden op moeder... op ons misschien?"
»Dezelfde, broeder!"
»Wat zou hij hier komen doen?"
»Ongetwijfeld zijne rechten komen opeischen."
»Zijne rechten!.... Maar welke rechten?"
»Dat weet ik niet."
»O, ditmaal zal en moet ik weten, wat die man in zijn schild voert, wat
hij hier komt doen!"
»Bedaar, broeder, bedaar!"
Maar Joël had moeite om bedaard te blijven. Hij verborg zich evenwel met
zijne zuster achter de boomen.
Eenige oogenblikken later bereikten vrouw Hansen en Sandgoïst de deur
der herberg. Hij trad het eerst den drempel over en achter vrouw Hansen
viel de deur dicht.
Beiden namen plaats in de groote zaal.
Toen naderden Joël en Hulda het huis, waarin de knorrige stem van
Sandgoïst vernomen werd.
Zij bleven staan en luisterden.
Juist sprak vrouw Hansen, maar met eene smeekende stem.
»Kom, laat ons naar binnen gaan," zei Joël.
En beiden, Hulda het hart vol weemoed, Joël bevende van ongeduld maar
ook van toorn, traden de groote zaal binnen en sloten de deur zorgvuldig
achter zich.
Sandgoïst zat in den grooten leuningstoel. Hij stond niet op, toen hij
broeder en zuster bemerkte. Hij vergenoegde zich met het hoofd naar hen
toe te keeren en hen over zijn bril heen aan te gluren.
»Dat is de bekoorlijke Hulda, als ik mij niet bedrieg," zei hij.
De toon zijner stem klonk Joël onaangemaan in de ooren.
Vrouw Hansen stond bij het binnenkomen harer kinderen in eene nederige
houding, die bovendien getuigde van vrees, voor dien man. Zij richtte
zich evenwel dadelijk op en scheen door hunne komst zeer gedwarsboomd te
zijn.
»En dat is zeker haar broeder?" ging Sandgoïst voort.
»Ja, ik ben haar broeder," zei Joël kortaf.
»Wat moet gij hier?" vroeg hij barsch, tot op twee passen van den
leuningstoel genaderd.
Sandgoïst wierp hem een vertoornden blik toe en zonder op te staan,
antwoordde hij met harde en boosaardig klinkende stem:
»Dat zal ik u mededeelen, jongmensch! Inderdaad, gij komt als geroepen.
Ik was verlangend u te zien, en als uwe zuster een verstandig meisje is,
zullen wij elkander wel verstaan en begrijpen. Maar komaan, ga zitten en
gij ook, jonge dochter."
Sandgoïst noodigde hen uit om plaats te nemen, alsof hij in die woning
te Dal baas was. Joël kon niet nalaten er een woordje van te zeggen.
»He, he!" antwoordde Sandgoïst. »Hindert u dat? Drommels, ik geloof dat
die jongen niet gemakkelijk is."
»Neen, niet gemakkelijk, zooals gij zeer juist zegt," hernam Joël.
»Onthoud, dat ik iemand ben, die slechts beleefdheden aanneem van hen,
die het recht hebben ze te bewijzen!"
»Joël," riep vrouw Hansen uit.
»Broeder!.... broeder!" kreet Hulda, wier smeekende blik Joël tot
zelfbeheersching aanmaande.
»Kan ik thans spreken?" vroeg Sandgoïst.
Vrouw Hansen keek hare kinderen even aan, daarna knikte zij toestemmend.
Dat was het eenige antwoord, dat op de vraag gegeven werd. Maar, het
scheen dat die knik voldoende was.
»Hoort dan wat ik u te zeggen heb," ging de indringer voort, »en
luistert alle drie aandachtig; want ik houd er niet van mijne woorden te
herhalen!"
Dat alles werd gezegd op den toon van iemand, die het recht meent te
hebben, zijnen wil aan zijne toehoorders op te dringen.
»Luistert gij?" vroeg hij.
Noch Joël, noch zijne zuster Hulda antwoordden. De moeder alleen knikte.
»Door de dagbladen," ging Sandgoïst voort, »heb ik het wedervaren van
een zekeren Ole Kamp, een jeugdig zeeman van Bergen vernomen, alsook die
zotte geschiedenis van het loterijbriefje, dat hij aan zijne bruid
Hulda toezond op het oogenblik toen de _Viken_ zonk...."
Hulda opende den mond, alsof zij spreken wilde.
»Laat mij voortgaan," zei de bullebak. »Ik heb ook vernomen, dat het
publiek, dat wil zeggen de domme massa aan dat loterijbriefje eene
bovennatuurlijke waarde hecht, die geput wordt uit de omstandigheden,
waarin het gevonden en in uwe handen geraakt is...."
»Ter zake!... ter zake!...." riep Joël ontstuimig.
»Geduld! Geduld, jonge man!" ging Sandgoïst tartend langzaam voort.
»Geduld!.... en hoor verder. Ik heb ook vernomen, dat aan dat
loterijbriefje eene bijzondere waarde gehecht wordt met betrekking tot
de kansen in de aanstaande trekking...."
»Ter zake!...." herhaalde Joël al meer en meer ongeduldig.
»Voor den drommel, houd uw mond! Wees gerust, ik kom ter zake.... Ik heb
eindelijk vernomen, dat aanbiedingen aan Hulda Hansen, zelfs zeer hooge
aanbiedingen gedaan zijn..."
Hij zweeg weer een poos, en hernam toen:
»Is dat waar?"
Het antwoord op die vraag liet zich wachten.
»Ja!.... Dat is waar," zei Joël. »Wat verder?"
»Wat verder?...."
»Voor den duivel, ja, wat verder?"
»Luistert. Dat al die aanbiedingen op een dwazen grondslag steunen,
is mijne innige overtuiging. Maar de geestdrift bestaat en zal nog
aangroeien en dat te sterker, naarmate de trekkingsdag zal naderen.
Zijt ge dat met mij eens of niet?...."
»Verder!.... verder!...." bromde Joël.
»Nu ben ik in de eerste plaats handelsman," ging Sandgoïst voort. »Waar
wat te verdienen valt, ben ik bij. Er bestaat geene zaak--geene! hoort
ge--die ik niet voor mijne rekening zou durven nemen. Altijd, wel te
verstaan, als er wat aan te verdienen valt...."
»Ga dan toch voort!" riep Joël. »Waartoe die omhaal van woorden?"
»Daarom," vervolgde Sandgoïst tartend bedaard, »heb ik gisteren Drammen
verlaten om mij naar Dal te begeven, met het doel, om met u over den
afstand van dat loterijbriefje te onderhandelen en om vrouw Hansen te
verzoeken mij de voorkeur boven alle mededingers te verleenen. Nu weet
gij het!"
»Is dat alles?" vroeg Joël.
»Ja, dat is alles."
Hulda was reeds op het punt aan Sandgoïst hetzelfde antwoord te geven,
als op al de andere aanbiedingen van dien aard, hoewel het voorstel
haar niet rechtstreeks gedaan was. Joël voorkwam haar evenwel.
[Illustratie: Sandgoïst zat in den grooten leuningstoel. Blz. 150.]
»Voordat ik mijnheer Sandgoïst antwoord," zeide hij, »moet ik hem
vragen, of hij wel weet, wie dat besproken loterijbriefje toebehoort?"
»Aan Hulda Hansen, naar ik meen."
»Welnu, dan zult gij ook aan Hulda Hansen de vraag moeten richten, of
zij genegen is daarvan afstand te doen."
»Mijn zoon!...." riep vrouw Hansen uit.
»Laat mij voortgaan, moeder," hernam Joël. »Behoorde dat loterijbriefje
niet wettig aan onzen neef, den stuurman Ole Kamp."
»Voorzeker," antwoordde Sandgoïst.
»En had Ole Kamp," vervolgde de jonge man, »het recht om dat briefje aan
zijne bruid te vermaken?"
»Onbetwistbaar!" antwoordde Sandgoïst andermaal.
»Dan moet gij u, ik herhaal het, tot Hulda Hansen met uw verzoek
wenden."
»Welnu, het zij zoo, vormelijke mijnheer," hernam Sandgoïst. »Ik vraag
derhalve aan Hulda Hansen, om mij het loterijbriefje, dat het nummer
9672 voert, en afkomstig is van den stuurman Ole Kamp, die schipbreuk
heeft geleden, af te staan."
»Mijnheer Sandgoïst," antwoordde het jonge meisje bedaard en op vasten
toon, »vele aanbiedingen zijn mij reeds voor dat loterijbriefje gedaan,
maar steeds tevergeefs. Ik zal u dan ook antwoorden, zooals ik tot heden
geantwoord heb. Toen mijn verloofde dat briefje met zijn laatst vaarwel
aan mij richtte, was zijne bedoeling, dat ik het zou houden, niet dat ik
het zou verkoopen. Veroorloof mij dus, u als mijn onwrikbaar besluit
mede te deelen, dat ik dat loterijbriefje, tegen geen prijs hoe groot
ook, wil en zal afstaan. Verstaat gij?"
Hulda was bij die laatste woorden van haar stoel opgestaan om het
vertrek te verlaten. Zij meende dat, na hetgeen zij gezegd had, het
onderhoud door hare weigering als geëindigd kon beschouwd worden. Op een
wenk van hare moeder bleef zij evenwel.
Eene beweging van wrevelige teleurstelling was aan vrouw Hansen
ontsnapt, terwijl de rimpels op het voorhoofd van Sandgoïst duidelijk
toonden, dat het in zijn binnenste begon te koken.
»Ja, blijf, Hulda," zei hij. »Dat is uw laatste woord niet, hoop ik. En
als ik verder aandring, dan geschiedt dat.... omdat ik het recht meen te
hebben dat te doen...."
»Wat?" riep Joël. »Het recht!...."
»Laat mijnheer spreken," zei Hulda waardig.
»Ik denk ten naasten bij," ging Sandgoïst onverstoorbaar voort, »dat ik
mij niet duidelijk uitgedrukt heb, of dat gijlieden mij verkeerd
verstaan hebt...."