wilden uitoefenen, al meenden zij verplicht te zijn, haar met de vele en
uiteenloopende aanbiedingen bekend te maken. Daarin kwamen beide mannen
overeen, dat zij slechts aan de inspraak van haar hart gehoor moest
geven. En de lezer weet, wat dat hart geantwoord had.
Daarenboven keurde Joël de gedragslijn zijner zuster volkomen goed. Ook
volgens hem mocht het loterijbriefje van Ole Kamp, aan niemand, tegen
welken prijs ook, overgedaan worden.
Sylvius Hog van zijn kant ging nog een stap verder. Hij keurde Hulda's
gedrag niet alleen goed, maar hij wenschte haar zelfs geluk, dat zij het
oor niet wilde leenen aan zulken handel.
»Wat zou dat voor een schouwspel zijn," zei hij, »als dat
loterijbriefje, hier gekocht, daar verkocht, elders weer aangeboden en
verder weer afgestaan werd; wanneer dat briefje van hand tot hand ging,
als ware het bankpapier, totdat de trekkingsdag daar zou zijn, die er
waarschijnlijk een vod van zoude maken."
Hulda rilde bij de gedachte aan zoo iets.
Maar Sylvius Hog ging zelfs nog verder.
Zou die geleerde, die professor bij geval bijgeloovig zijn? Neen, zeker
niet. Maar wanneer Ole Kamp aanwezig geweest was, zou hij hem
waarschijnlijk toegevoegd hebben:
»Bewaar dat loterijbriefje zorgvuldig, mijn jongen! Bewaar het goed! Men
heeft het eerst uit zee opgevischt, daarna heeft men het bij u gebracht!
Welnu.... het staat te bezien.... Men kan nooit weten.... Het zou
kunnen.... Neen, gij moet het bewaren!"
En als Sylvius Hog, professor in de rechtswetenschappen, afgevaardigde
van de Storthing, zoo dacht, is het dan te verwonderen, dat het gros van
het publiek zoo dwaas was?
Neen, niet waar?
Niets was dan ook natuurlijker dan dat nummer 9672 opgeld deed, en dat
de aanbiedingen voor het loterijbriefje al hooger en hooger werden.
In de herberg van Dal was er niemand, die tegen dat zoo eerbiedwaardig
gevoel, onder welks invloed het jonge meisje handelde, protesteerde,
behalve de moeder der beide jonge lieden.
Men hoorde vrouw Hansen soms pruttelen en verwijtingen uiten, vooral
wanneer hare dochter Hulda afwezig was. Dat dit Joël veel verdriet
veroorzaakte, is te begrijpen.
Zijn moeder zou zich niet--zoo dacht hij althans--tot pruttelen en
verwijten blijven bepalen. Zij zou waarschijnlijk beproeven Hulda in
geheim onder handen te nemen, om haar over te halen het oor aan de
gedane aanbiedingen te leenen en het hoogste bod aan te nemen.
»Vijf duizend mark voor dat loterijbriefje," herhaalde zij voortdurend.
»Vijf duizend mark zijn geboden. Waarachtig, dat is een mooi bod!"
Klaarblijkelijk zag vrouw Hansen niet of wilde ze niet zien, hoe kiesch
en teerhartig die weigering harer dochter was. Zij had hare gedachten
slechts op die, in hare oogen, zoo belangrijke som van vijfduizend mark
gevestigd.
Een woord, een enkel woord van Hulda zou voldoende zijn om dat geld in
huis te halen.
Zij geloofde bovendien niet aan de beweerde bovennatuurlijke waarde van
dat loterijbriefje, hoewel zij eene Noorweegsche in hart en nieren was.
En om nu die vijf duizend mark ten offer te brengen aan één millioenste
kans er honderd duizend te winnen, dat was volgens haar te erg; dat kon
in haar koud en positief brein geen ingang vinden.
Toch mag--alle ziekelijke overdrijving ter zijde gesteld,--de volgende
bewering niet onjuist genoemd worden, namelijk, dat, in zoo bijzondere
omstandigheden als deze het geene daad van overleg kon genoemd worden
om het zekere voor het onzekere te verwerpen. Maar het kan niet
genoeg herhaald worden, dat stukje papier was voor Hulda Hansen geen
loterijbriefje, geen middel om baatzuchtige gevoelens te bevredigen,
het was de laatste brief van Ole Kamp, van den man, dien zij innig lief
had gehad, en nog had, en haar hart zou gebroken zijn bij de gedachte
alleen, dat zij dien brief uit hare handen zoude geven. Neen, neen! dat
kon zij niet!
Intusschen toonde vrouw Hansen maar al te duidelijk, dat zij de
handelwijze harer dochter in dezen grootelijks afkeurde. Men gevoelde,
dat zich een groote bitterheid, eene innige gramschap in haar gemoed
ophoopte. En inderdaad het was maar al te zeer te vreezen, dat zij den
een of anderen dag van hare dochter Hulda zou vergen, dat deze op haar
genomen besluit zou terugkomen. In dien zin had zij reeds tot Joël
gesproken, die toen niet geschroomd had zonder aarzelen de partij zijner
zuster te kiezen.
Sylvius Hog was natuurlijk op de hoogte van die omstandigheden gebracht
geworden.
Helaas, de gemoedsstemming harer moeder was een verdriet te meer bij al
de smarten van de arme Hulda, wat de goedhartige professor ten zeerste
betreurde.
Soms maakte die omstandigheid het onderwerp van het gesprek tusschen hem
en Joël uit.
»Heeft mijne zuster geen gelijk?" vroeg deze dan. »En handel ik niet
goed als ik hare weigering, om het loterijbriefje van de hand te doen,
goedkeur?"
»Voorzeker," antwoordde Sylvius Hog met overtuiging. »Maar toch valt
er...."
»Wat wilt ge zeggen?"
»Toch valt, uit een financieel oogpunt beschouwd, niet te ontkennen, dat
uwe moeder groot gelijk heeft."
»Dat mijne moeder gelijk heeft?"
»Zeker...."
»Dus gij zoudt Hulda aanraden?...."
»Volstrekt niet. Want niet alles is Goddank een rekenkunstig vraagstuk
in deze wereld! Het twee en drie is vijf heeft niets te maken met
hartzaken!"
Men had zich genoodzaakt gezien Hulda gedurende deze laatste weken
ernstig gade te slaan. Zij ging zoodanig onder hare smart gebukt, dat
haar gezondheid inderdaad ongerustheid begon in te boezemen. Gelukkig,
dat goede verzorging en doelmatige verpleging niet ontbraken.
Sylvius Hog verzocht den beroemden geneesheer, Dr. Bock, een zijner
talrijke vrienden, om terstond naar Dal te komen, ten einde de jeugdige
zieke te zien. Hij kwam, maar had niets anders voor te schrijven dan
rust voor het lichaam en kalmte voor het gemoed zoo dit laatste mogelijk
was. Het eenige middel tot genezing zou evenwel de terugkeer van Ole
Kamp geweest zijn, en.... over dat middel kon door geen menschelijk
wezen beschikt worden, dat kon God alleen.
In ieder geval was Sylvius Hog niet karig met zijne troostredenen
wanneer hij bij het jonge meisje gezeten was. Dan was hij onuitputtelijk
in het vinden van woorden, die een troostrijk verschiet openden. En....
het merkwaardigste was, dat Sylvius Hog niet, hoe onwaarschijnlijk dit
klinken moge, wanhoopte.
Dertien dagen waren reeds verloopen sedert het loterijbriefje, door het
departement van Marine van Christiania naar Dal verzonden, daar
ontvangen werd.
De trekking van de loterij ten behoeve der scholen in de hoofdstad van
Noorwegen zou met den meesten luister in een der ruimste zalen van
Christiania plaats hebben.
Sylvius Hog ontving, juist in den ochtend van den 30sten Juni, een
tweeden brief van het departement van Marine als antwoord op zijne
dringend herhaalde verzoeken tot het doen van nasporingen. In dien brief
werd hem aangeraden zich te verstaan met de maritime autoriteiten te
Bergen en hem de vereischte volmacht verleend, om dadelijk de noodige
nasporingen met behulp van staatsmiddelen te laten doen.
De professor wilde zich tegenover Hulda en Joël niets laten ontvallen,
omtrent hetgeen hij wilde ondernemen. Hij vergenoegde zich derhalve, met
hun zijn vertrek mede te deelen, waarvoor hij als reden opgaf dat hij
eenige zaken af moest doen; hij voegde er bij dat zijne afwezigheid
slechts weinige dagen zou duren.
»Mijnheer Sylvius!...." snikte het wanhopige meisje.
»Wat wilt gij zeggen, lieve Hulda?"
»O, ik smeek u verlaat ons toch niet!...."
»Ik u verlaten!.... U, die ik als mijne kinderen beschouw!... Hoe is het
mogelijk?.... Hoe komt gij op die gedachte?...." riep Sylvius Hog uit.
Joël stelde voor hem te vergezellen. Maar, daar hij de beide kinderen
zelfs niet wilde laten vermoeden, dat hij naar Bergen ging, veroorloofde
hij den jongeling niet verder dan tot Moel met hem mede te gaan.
Daarenboven meende hij, dat het niet goed zoude zijn, wanneer Hulda
met hare moeder alleen bleef.
Het lieve kind was eenigen tijd bedlegerig geweest doch kon thans weer
wat opzitten; maar zij was toch nog zoo zwak dat zij hare kamer moest
houden. Haar broeder begreep dus dat hij haar niet mocht verlaten.
Het karretje stond tegen elf uur voor de deur der herberg. De professor
nam er met Joël in plaats, nadat hij het jonge meisje tot afscheid de
hand gedrukt had. Zij keek hen na en zag hen bij een kromming van den
weg onder de groote beukeboomen, die op den oever der Maan-rivier
stonden, verdwijnen.
Denzelfden avond was Joël te Dal terug.
XIII.
SYLVIUS HOG TE BERGEN.
Professor Sylvius Hog was dus naar Bergen vertrokken.
Zijn geestkracht, hoewel een oogenblik aan het wankelen gebracht, had
wederom de bovenhand verkregen. Hij kon maar steeds niet aan den dood
van Ole Kamp gelooven of aannemen, dat Hulda veroordeeld was om haren
bruidegom niet weder te zien.
Neen! zoolang het feit hem niet werkelijk bewezen was, hield hij het
voor valsch. En die overtuiging was, zooals men dat wel eens gemeenzaam
uitdrukt hem te machtig.
Maar was hij dan in het bezit van de eene of andere aanwijzing, die hem
de mogelijkheid voorspiegelde, dat zijn verrichtingen te Bergen met goed
gevolg bekroond zouden worden?
Ja, hij had zulk een aanwijzing; maar zij was wel onbepaald, wel zwak,
dat moest men erkennen.
Hij wist de dagteekening, waarop Ole Kamp, de stuurman van de _Viken_,
het loterijbriefje in zee geworpen had. Hij kende daarenboven de
dagteekening waarop, en de streek alwaar de flesch, waarin dat briefje
besloten was geweest, opgevischt werd. Die tweede inlichting had hij
uit den laatsten brief van het departement van Marine gekregen en het
was juist die inlichting, welke hem had doen besluiten dadelijk naar
Bergen te vertrekken, ten einde met de gebroeders Help en de ervarenste
zeelieden van die havenplaats te beraadslagen. Misschien zou dat
voldoende zijn om de nasporingen, die omtrent het lot van de _Viken_
gedaan zouden worden, met oordeel te doen plaats hebben.
De overtocht naar Bergen geschiedde zeer voorspoedig en in de kortst
mogelijke tijdsruimte.
Sylvius Hog zond bij aankomst te Moel zijn metgezel met het karretje
terug. Daar nam hij plaats in een van die vaartuigen, van berkenschors
vervaardigd, die de gemeenschap op het Tinnermeer onderhouden. Te
Tinoset huurde hij andermaal een karretje, en in stede van zuidwaarts,
naar den kant van Bambel, te rijden, volgde hij de wegen van het
Hardangsche, teneinde de golf van dien naam langs het kortste pad te
bereiken.
Vandaar kon hij aan boord van de »_Run_", eene kleine stoomboot, die
den dienst op de golf verrichtte, naar den mond van dien zeeboezem
vertrekken. Eindelijk na een waren doolhof of liever een netwerk van
fjords doorgestevend en de overgroote menigte eilanden, waarmede het
Noorweegsche kustland als het ware bezaaid is, langs gevaren te zijn,
kwam hij op den tweeden Juli, bij het aanbreken van den dag te Bergen
aan en ging daar aan wal.
Deze oude stad, die door de beide fjords van Sogna en Hardanger,
bespoeld wordt, ligt in eene prachtige landstreek, die op Zwitserland
zal gelijken, wanneer eenmaal een kunstmatige zeearm de wateren van de
Middellandsche zee aan den voet van den Simplon of den Sint-Gothard zal
voeren.
Eene laan van hooge esscheboomen voert naar de eerste woningen van
Bergen. De huizen met de puntige gevels, glinsteren van witheid en
reinheid, als waren het Arabische villa's, en zijn opgehoopt in dien
ongelijkzijdigen driehoek, die de veertigduizend bewoners van die
bevallige stad bevat.
Hare kerkgebouwen dagteekenen van de XIIde eeuw. Haar hooge kathedraal
steekt boven alle gebouwen uit en strekt den zeevaarder, die van uit den
oceaan landwaarts stevent, tot een veilig baken naar de haven.
Bergen is de voornaamste handelsstad van Noorwegen, evenals Amsterdam de
aanzienlijkste handelsplaats van Nederland, en Antwerpen die van België
is. Zij is dat, niettegenstaande zij van de gewone middelen van verkeer
verstoken is, en ver van een groot bevolkingscentrum ligt, namelijk van
de twee andere steden van het rijk, Christiania en Drontheim, die
eigenlijk, uit een staatkundig oogpunt beschouwd, den eersten en tweeden
rang innemen.
Bergen, in het ambt Soendre-Bergenhuus gelegen, verrijst op een
voorgebergte, dat aan drie kanten door diep ingesneden fjorden omgeven
is. Het voorgebergte zelf hangt door eene smalle landtong met de
Hardanger fjelds samen, die in de nabijheid van de stad eene hoogte
van 700 meter bereiken. Bergen is door hooge muren en forten tegen
vijandelijke aanrandingen beveiligd en verheft zich amphitheatersgewijze
boven hare veilige haven, die in de lage terreinen door weilanden,
tuinen en buitenverblijven, maar verderop door kale en woeste
rotsgevaarten omgeven is. De stad bestaat uit drie deelen en heeft zeer
nauwe straten. De meeste huizen zijn van hout. Zij bevat zes pleinen,
een kathedraal en zeven andere kerken, verder een museum, vijf openbare
boekerijen, een gymnasium, eene zeevaartschool, een schouwburg en drie
hospitalen. De stad ligt nog al beschermd tegen noordenwinden, waardoor
de luchtgesteldheid betrekkelijk zacht mag genoemd worden. Er valt te
Bergen evenwel zeer veel regen.
Het aantal inwoners bedraagt ongeveer 42.000, die een belangrijken
handel, vooral in houtwaren, haring, stokvisch en levertraan drijven.
Men treft er ook eenige fabrieken en scheepstimmerwerven aan.
De zeevaart bloeit er. Ruim 240 schepen hooren er te huis, terwijl er 's
jaars meer dan duizend de haven binnenvallen.
* * * * *
Een kwartier van de stad vindt men op het eilandje Fidje de
uitspanningsplaats Nydgaden. Oudheidkundigen beweren, dat daar Harald
Harfagar, de eerste koning van Noorwegen zijn verblijf zou gehouden
hebben. De stad Bergen is in 1070 gesticht; en de Hanzeatische factorij
in 1412 opgericht en in 1445 door Christoffel III bevestigd, matigde
zich een onbeperkt gezag aan over de burgers; zoodat hare bewindhebbers
in 1455 den gouverneur, den bisschop en zestig andere personen ter dood
lieten brengen. Maar in 1460 werd aan die macht perk en paal gesteld. De
stad, van hout gebouwd, is meermalen eene prooi der vlammen geworden, de
laatste keeren in 1756 en 1771. Het oude slot Bergenhuus was tot aan de
unie van Kalmar de zetel van de Noorweegsche koningen en dient thans tot
verblijfplaats van den militairen bevelhebber, tot wapenmagazijn en tot
gevangenis.
In iedere andere omstandigheid zou professor Sylvius Hog de begeerte
niet hebben kunnen onderdrukken om die provinciehoofdstad, die door haar
uiterlijk en de zeden en gewoonten harer inwoners meer een Nederlandsch
dan wel een Noorweegsche karakter bezit, te bestudeeren. Die studie toch
maakte deel uit van zijn ontworpen reisplan. Maar, sedert het ongeval,
hem op den Maristiaan-pas overkomen, sedert zijne aankomst en zijn
verblijf te Dal, had dat reisplan aanzienlijke wijzigingen ondergaan.
Sylvius Hog was niet meer de toerist-afgevaardigde, die zoowel
uit een staatkundig als uit een handels-oogpunt, het land, dat hij
vertegenwoordigde, nauwkeurig wenschte te leeren kennen. Neen, het
was de gast van de familie Hansen, de man, die aan Hulda en Joël veel
verplichting had en de belangen van die kinderen vóór alles wilde
bevorderen. Het was de schuldenaar die, ongeacht den prijs, dien het
hem kosten mocht, zijne rekening wilde vereffenen.
»En," dacht hij, »wat ik voor hen wil beproeven, is in vergelijking van
wat zij voor mij verricht hebben, waarlijk zeer weinig te noemen."
[Illustratie: En zette Sylvius Hog voet op de Vischmarktkade. Blz. 137.]
Te Bergen aangekomen, liep de _Run_ de haven binnen, en zette Sylvius
Hog voet aan wal op de Vischmarktkade, aan den achterkant van het
bekken gelegen. Hij begaf zich dadelijk naar de wijk Tijske Bodron, waar
de Heer Help Junior, vennoot van de firma Gebroeders Help, woonde. Het
regende natuurlijk.
Ik zeg _natuurlijk_, omdat te Bergen het jaar op driehonderd zestig
regendagen gesteld wordt. Dus maar vijf of bij schrikkeljaren zes dagen
droog weer.
Maar men zou niet licht een drooger en beter beschut huis gevonden
hebben, dan de gastvrije woning van den heer Help Junior.
En de ontvangst, die Sylvius Hog daar ten deel viel kon nergens
vriendelijker, hartelijker en beter gemeend geweest zijn. Zijn vriend
legde als het ware beslag op zijn persoon, alsof hij een coli van
onschatbare waarde bemachtigd had, dat hij als handelaar in consignatie
opnam, zorgvuldig in zijne magazijnen bewaarde en niet zou afgeven dan
tegen een wettig ontvangbewijs.
Professor Sylvius Hog maakte den heer Help Junior bekend met het doel
zijner reis. Hij sprak terstond over de _Viken_ en vroeg hem of er
sedert zijn laatsten brief geen tijdingen gekomen waren? Meenden de
ervaren zeelieden van de plaats dat het schip met man en muis vergaan
was? En had die schipbreuk, die toch zoovele familiën te Bergen in den
rouw dompelde, de autoriteiten niet aangespoord een onderzoek in te
stellen?
»Hoe zou men dat kunnen," antwoordde de heer Help Junior op de laatste
vraag, »men weet immers niet waar de schipbreuk plaats heeft gehad?"
»Toegegeven, waarde Help," hernam de professor, »maar juist omdat men
dat niet weet, moet men trachten het te weten te komen, dunkt mij."
»Het te weten te komen?"
»Ja, zeker."
»Maar, hoe?"
»Al is men ook onbekend met de plaats waar de _Viken_ gezonken is, dan
weet men toch waar het loterijbriefje door het Deensche schip opgevischt
werd. Dat is eene belangrijke aanwijzing dunkt mij; en het zou eene
laakbare nalatigheid zijn die te veronachtzamen. Vindt ge ook niet?"
»Voorzeker."
»Dus...."
»Maar waar is dat briefje gevonden, professor?"
»Luister, waarde Help!"
Sylvius Hog deelde den reeder toen de laatste berichten mede, die hij
iets vóór zijn vertrek van Dal van het departement van Marine ontvangen
had. Ook gaf hij hem kennis van de volmacht der Regeering en van de
wijze, waarop hij die wilde gebruiken.
De flesch, die het loterijbriefje van den stuurman Ole Kamp bevat had,
was op den 3den Juni des namiddags door de brikgoelet _Christian_,
kapitein Mosselman van Elseneur, gevonden, tweehonderd mijlen ten
zuidwesten van IJsland; terwijl de wind toen uit het zuidoosten blies.
Kapitein Mosselman had, zooals zijn plicht hem gebood, dadelijk den
inhoud van dat briefje onderzocht. Hij moest dat doen om te weten te
komen of de schipbreukelingen der _Viken_ nog te helpen waren. Maar de
weinige regels, die op de keerzijde van het loterijbriefje geschreven
waren, duidden met zekerheid aan, dat hier hulp te laat kwam. Er was
toch volstrekt niet gemeld, waar de schipbreuk had plaats gehad, en
bijgevolg kon de _Christian_ onmogelijk naar de plek van de ramp
stevenen.
Het was een brave, eerlijke kerel, die kapitein Mosselman!
Misschien zou een ander minder rechtschapen man dat loterijbriefje
gehouden hebben.
Hij daarentegen had slechts eene gedachte, namelijk dat briefje aan
haar te doen toekomen aan wie het behoorde, aan wie het toegedacht was.
Derhalve zou hij het in de eerste de beste havenplaats, die hij zou
aandoen, verzenden aan Hulda Hansen te Dal. Dat opschrift was voldoende,
eene omschrijving kon overbodig geacht worden.
Toen hij evenwel te Kopenhagen binnengeloopen was, dacht kapitein
Mosselman bij zich zelven, dat het toch beter was, het loterijbriefje
aan de Deensche autoriteiten af te geven, dan het rechtstreeks aan de
geadresseerde te zenden. Dat was zekerder, meer volgens de regels. Zoo
deed hij dus, en het departement van Marine te Kopenhagen stelde zich
dadelijk met dat te Christiania in verbinding.
Op dat tijdstip had men reeds bij laatstgenoemd departement de eerste
brieven van professor Sylvius Hog ontvangen, die nauwkeurige berichten
omtrent de _Viken_ verzocht. Het was algemeen bekend, welk belang hij in
de familie Hansen stelde. Men wist, dat hij nog eenigen tijd te Dal zou
vertoeven, en daar werd hem het loterijbriefje, dat door den Deenschen
gezagvoerder opgevischt was, toegezonden, opdat hij het Hulda Hansen ter
hand kon stellen.
En van dat oogenblik af had die gebeurtenis de openbare meening, zooals
men weet, zeer beziggehouden, en was de ontroering vooral opgewekt door
de aandoenlijke bijzonderheden, die door de dagbladen der beide
halfronden medegedeeld waren.
Ziedaar, wat professor Sylvius Hog zoo beknopt mogelijk aan zijn vriend
den heer Help Junior mededeelde.
Deze hoorde hem met de meeste belangstelling aan en was den professor
geen enkele maal in de rede gevallen, toen deze zijn verhaal aldus
eindigde:
»Eén punt is er dus, dat geen twijfel toelaat, namelijk, dat op den 3den
Juni laatstleden het loterijbriefje gevonden is tweehonderd mijlen ten
zuidwesten van IJsland, ongeveer een maand, nadat de _Viken_ het anker
gelicht en Saint Pierre-Miquelon verlaten had, om naar Europa te
stevenen."
»En....?" vroeg mijnheer Help Junior aarzelend.
»En, wat?"
»Weet gij niets meer?"
»Neen, waarde Help."
»Dat is niet veel, zult ge moeten erkennen."
»Accoord! Maar, als men de ervarenste zeelieden van Bergen raadpleegt,
hen die de bedoelde streken veelvuldig bevaren hebben, die de daar
heerschende winden, maar vooral de verschillende stroomingen kennen, zou
het dan niet mogelijk zijn den weg, door de flesch afgelegd, op de kaart
aan te duiden? Wanneer men dan hare snelheid natuurlijk bij gissing
berekende en het tijdstip in aanmerking nam, waarop zij opgevischt was,
zou het dan onmogelijk zijn het punt aan te geven, waar Ole Kamp haar te
water wierp, met andere woorden de plek, waar de schipbreuk plaats
gevonden heeft?"
De heer Help Junior schudde het hoofd op alles behalve goedkeurende
manier.
Volgens hem kon een stelsel van nasporingen, dat op zulke onbeduidende
aanwijzingen gegrond werd, en waarbij nog zoo ontelbaar vele oorzaken
van vergissingen konden komen, slechts tot teleurstellingen leiden. De
scheepsreeder was een kalm, koelbloedig en practisch mensch en meende,
dat het zijn plicht was zijne zienswijze aan professor Sylvius Hog mede
te deelen.
»Gij hebt wellicht gelijk, vriend Help," antwoordde deze. »Maar het is
nog geene reden om den moed te laten zinken, dat we alleen onzekere
gegevens hebben. Ik ben er op gesteld, dat alles beproefd wordt in het
belang van die arme menschen, aan wie ik het leven verschuldigd ben. Ja,
als het moest, zou ik geen oogenblik aarzelen, alles wat ik bezit op te
offeren, om den stuurman Ole Kamp weer te vinden en hem in de armen
zijner bruid, in de armen van Hulda Hansen terug te voeren!"
Natuurlijk bleef Sylvius Hog niet in gebreke zijn wedervaren bij den
waterval van Rjukanfos in al zijn bijzonderheden te verhalen. Hij deelde
zijn vriend mee hoe die wakkere, onversaagde Joël en zijn niet minder
moedige zuster Hulda hun leven hadden gewaagd, om hem te hulp te komen,
en hoe hij zonder hunne tusschenkomst niet het genoegen zou gesmaakt
hebben, de gast van zijn vriend Help te zijn.
Maar zooals reeds gezegd is, vriend Help was er de persoon niet naar,
om zich door droombeelden te laten meesleepen. Hij was er evenwel
niet tegen, dat men zelfs het schijnbaar nuttelooze, het onmogelijke
beproefde, als het een quaestie van menschlievendheid gold. Hij eindigde
dan ook met alles goed te keuren, wat professor Sylvius Hog zou willen
ondernemen.
»Vriend Sylvius,"... begon hij.
»Wat wilt ge zeggen? Komaan spreek," moedigde de professor hem aan.
»Vriend Sylvius, ik zal u, zooveel in mijn vermogen is, helpen. Ja, gij
hebt gelijk! Zoolang er ook maar een flauwe kans bestaat, om den een
of anderen ongelukkige op te sporen, aan de schipbreuk van de _Viken_
ontkomen, en vooral dien flinken Ole Kamp, wiens bruid u het leven gered
heeft, mogen wij haar niet verwaarloozen."
»Neen, Help, dat mogen wij niet."
»En al was die kans nog zoo gering...."
»Al was ze niet grooter dan één tegen honderdduizend!" riep de professor
uit, »dan moeten wij ze nog wagen!"
»Heden nog zal ik de beste zeelieden van geheel Bergen op mijn kantoor
te zamen roepen."
»Goed zoo!"
»Ik zal mij tot hen wenden, die in de omstreken van IJsland en
New-Found-Land gevaren hebben...."
»Die zijn er genoeg in Bergen, geloof ik...."
»En ik zal hun vragen wat zij ons aanraden te doen...."