eenigermate veld wonnen, hoewel zijne argumenten inderdaad geen steek
hielden en alles behalve afdoende waren.
Het bezoek aan de familie Helmboë deed de beide kinderen van vrouw
Hansen goed. Toen zij weer thuis kwamen, waren zij kalmer dan toen zij
Dal verlieten.
Het was inmiddels de 15de Juni geworden.
De _Viken_ was thans reeds een maand over haren tijd uitgebleven. Daar
het toch, alles wel beschouwd, den betrekkelijk korten overtocht van
New-Found-Land naar Noorwegen gold, kwam die vertraging iedereen, zelfs
voor een zeilvaartuig, uiterst lang, ja te lang voor.
Hulda leefde in den waren zin des woords niet meer. Dat laat zich
trouwens wel denken.
En professor Sylvius Hog zelf bezweek bijna tegenover die twee
rampzalige wezens onder de taak, die hij zich had opgelegd, om hen een
weinig hoop te doen blijven voeden.
Hulda en Joël verlieten ten laatste den drempel van het woonhuis niet
meer, om naar den kant van Moel of van den Rjukanfos te kijken. Het
is waar, dat Ole Kamp van den kant van Bergen moest komen: maar het
kon toch ook mogelijk zijn, dat hij van den kant van Christiania kwam,
wanneer namelijk de bestemming van de _Viken_ gewijzigd was. Het geratel
der wielen van een karretje, dat onder de boomen gehoord werd, een
kreet, die in de lucht weerklok; de schaduw van een mensch, bij de bocht
van den weg waargenomen, waren voldoende om hun hart onstuimig te doen
kloppen; maar helaas, telkens tevergeefs!
De bewoners van Dal keken van hunnen kant ook uit. Zij gingen den
postbode een eind te gemoet, zoowel stroomop- als stroomafwaarts van
de Maan-rivier. Allen stelden belang zoowel in de familie, welke in de
geheele streek bemind was, als in Ole Kamp, die als een kind van het
Telemarksche beschouwd werd.
Maar er kwam geen brief, noch van Bergen, noch van Christiania, die
eenig bericht van den afwezige bracht.
Den 16den alweer geene tijding!
Sylvius Hog hield het niet langer uit. Hij kon geen oogenblik meer stil
zitten. Hij begreep, dat er iets gedaan moest worden.
Hij kondigde dan ook aan, dat hij, wanneer den volgenden dag geene
tijding ontvangen was, naar Christiania zou reizen, om zich te
overtuigen dat de nasporingen met den noodigen ijver en de vereischte
nauwgezetheid geschiedden. Zeker zou het hem zeer doen, Hulda en Joël
in deze omstandigheden te verlaten. Maar het moest en hij verzekerde,
dat hij terugkeeren zou, wanneer hij die taak volbracht had.
Van den 17den--waarlijk wel de treurigste dag--was al weer een groot
gedeelte verloopen. Het had van af het krieken van den dag niet
opgehouden met regenen. De wind huilde door de takken van het geboomte.
Hevige vlagen beukten met kracht de vensters aan den kant der
Maan-rivier.
Het was zeven uur in den avond. Het middagmaal was stilzwijgend
verorberd, alsof men in een sterfhuis was. Sylvius Hog had er niet in
kunnen slagen het gesprek gaande te houden. De woorden zoowel als de
gedachten ontbraken hem.
Wat zou hij hebben kunnen zeggen, wat niet reeds honderd malen gezegd
was?
Hij gevoelde, dat dit voortdurend uitblijven zijne argumenten van
voorheen van onwaarde maakte.
»Ik vertrek morgen naar Christiania, Joël," zeide hij. »Zorg, dat ik een
karretje heb. Gij moet mij tot Moel begeleiden, waarna gij dadelijk naar
Dal kunt terugkeeren."
»Ja, mijnheer Sylvius," antwoordde Joël, »maar wenscht gij niet, dat ik
u nog verder begeleiden zal?"
»Neen," zei de professor.
»Niet? Ik meen toch...."
Hij ging niet verder. Sylvius Hog wees naar Hulda en beduidde den
broeder met een gebaar, dat hij zoo spoedig mogelijk bij zijne zuster
terug moest zijn.
Op dit oogenblik werd een geluid, nog slechts weinig hoorbaar, op den
weg naar Moel vernomen. Allen luisterden met inspanning.
Weldra was er geen twijfel meer, het was het geratel van een karretje,
dat snel, zeer snel naar den kant van Dal kwam aanrollen.
Zou dat een reiziger zijn, die misschien den nacht in de herberg wilde
doorbrengen?
Dat was niet waarschijnlijk, want zeer zelden kwamen de toeristen in
deze bergstreek zoo laat aan.
Hulda was opgestaan en beefde over haar geheele lichaam.
Joël trad naar de deur, opende haar en trad naar buiten.
Het geluid werd duidelijker, men hoorde nu den hoefslag van een paard en
het geknars der raderen van een karretje. Maar het geweld van den wind
was zoo hevig, dat Joël verplicht was de deur te sluiten.
Sylvius Hog stapte het vertrek zenuwachtig op en neer.
Joël en Hulda zaten naast elkander.
Het karretje kon toen niet verder dan een twintig passen van het huis
verwijderd zijn.
Zou het stilhouden, of.... voorbijrijden?
Ieders hart klopte bijna hoorbaar.
Het karretje stond stil. Men hoorde iemand roepen....
Het was niet de stem van Ole Kamp!
Bijna op hetzelfde oogenblik werd op de deur geklopt.
Joël stond op en opende haar.
Een man stond op den drempel.
»Is mijnheer Sylvius Hog hier?" vroeg hij.
»Hier ben ik," antwoordde de professor, terwijl hij naar voren kwam.
»Zijt gij Sylvius Hog?"
»Ja, maar wie zijt gij?"
»Een renbode, die u door den directeur van het departement van Marine
toegezonden wordt."
»Een renbode?"
»Ja, mijnheer Sylvius Hog."
»En hebt gij een brief voor mij?"
»Hier is hij, mijnheer."
»Geef hier."
De man reikte een kolossale enveloppe over, die met een groot officieel
lak gesloten was.
Sylvius Hog nam den brief aan, maar aarzelde het zegel te verbreken.
Hulda had de kracht niet meer om overeind te blijven zitten. Haar
broeder ondersteunde haar op haren stoel. Geen van beiden durfde den
professor aansporen den brief te openen.
Eindelijk scheurde deze den omslag, haalde den brief er uit, en las het
navolgende:
»Mijnheer de professor,
»Ik zend u hierbij in antwoord op uw laatste schrijven een document, dat
op den 3den Juni in volle zee door een Deensch schip opgevischt werd.
Ongelukkiglijk laat dat stuk geen twijfel meer over omtrent het
rampzalig lot van de _Viken_...."
Sylvius Hog nam den tijd niet meer om den brief ten einde te lezen. Hij
ontvouwde het document en bekeek het.... Het was een loterijbriefje, dat
het nummer 9672 voerde.
Op de keerzijde daarvan stonden de navolgende regels, die, hoewel door
het zeewater half uitgevlakt, toch nog te lezen waren
»den 3den Mei.
»Waardste Hulda!
»De _Viken_ gaat zinken!... Ik bezit nog slechts dit loterijbriefje,
dat mijn geheel vermogen vertegenwoordigt!... Ik vertrouw het aan God
toe, om het u te doen geworden!... En daar ik er niet zal kunnen zijn,
verzoek ik u de trekking bij te wonen!... Ontvang het met mijne laatste
gedachten aan u! Hulda, lieve Hulda, vergeet mij in uwe gebeden
niet!.... Vaarwel, geliefde bruid, vaarwel!....
Ole Kamp."
XII.
HET LOTERIJBRIEFJE.
Dat was dus het geheim van den jeugdigen zeeman!
Dat was dan die kans, waarop hij vast rekende, om een vermogen aan zijne
bruid te kunnen brengen!
Een loterijbriefje, dat hij voor zijn vertrek van Bergen gekocht
had!....
En op het oogenblik dat de _Viken_ ging zinken, had hij het, met een
laatst vaarwel aan Hulda, in eene flesch gesloten en in zee geworpen!
Sylvius Hog wist ditmaal geen woorden te vinden.
[Illustratie: Siegfrid, die haren arme vriendin Hulda zoo hartelijk
mogelijk ontving. Blz. 117.]
Hij bekeek beurtelings den brief.... en het document.... Dan weer het
document.... dan weer den brief.
Hij sprak niet meer. Wat zou hij bovendien hebben kunnen zeggen? Welke
twijfel kon thans nog omtrent het rampzalig lot van de _Viken_ bestaan?
omtrent den vreeselijken dood van allen, die het vaartuig naar Noorwegen
terugvoerde?
Hulda had, terwijl Sylvius Hog den brief las, zich tegen den doodsangst,
die haar dreigde te overmeesteren, verzet, maar, na de laatste woorden
van het briefje van Ole Kamp, viel zij bewusteloos in de armen van Joël.
Men moest haar toen naar hare kamer dragen, waar hare moeder haar
verzorgde en verpleegde.
Toen zij bijgekomen was, verlangde zij alleen gelaten te worden, en
knielde bij haar bed om te bidden voor de ziel van den armen Ole Kamp.
Vrouw Hansen was intusschen naar de groote kamer teruggekeerd. Eerst
deed zij eenige schreden, alsof zij op professor Silvius wilde toetreden
en hem wilde spreken. Plotseling scheen zij zich te bezinnen, keerde om,
ging naar de trap, klom die op, en verdween.
Joël was, nadat hij zijne zuster naar hare kamer had helpen brengen, de
deur uitgegaan. Hij kon geen adem meer halen in het huis, dat zoo door
het ongeluk bezocht was. Hij had lucht noodig; hij moest te midden van
den storm zijn en bleef dan ook een groot gedeelte van den nacht aan de
oevers van de Maan-rivier rondzwerven.
Sylvius Hog was thans geheel alleen. In het eerste oogenblik gevoelde
hij zich, alsof hij door een bliksemstraal getroffen was. Maar hij
herkreeg toch spoedig zijne gewone geestkracht. Nadat hij het vertrek
een paar malen op en neer was gestapt, luisterde hij of hij ook eenig
geroep van het jonge meisje vernam.... Neen.... alles was stil. Hij ging
toen bij de tafel zitten en liet zijne gedachten en overpeinzingen den
vrijen loop.
»Hulda," prevelde hij. »Hulda haren bruidegom niet meer weerzien!....
Is dan toch zoo'n ongeluk mogelijk?.... Neen, neen, dat kan niet!....
Bij die gedachte komt alles in opstand in mijn gemoed!.... De _Viken_
is gezonken, nu ja, het zij zoo! maar is dat dan een onwraakbaar en
onomstootelijk bewijs van het verdrinken van Ole Kamp? Dat, dat weiger
ik te gelooven! Bij alle gevallen van zeeramp, van schipbreuk, kan
alleen de tijd het afdoend bewijs leveren, dat niemand het ongeluk heeft
kunnen overleven. Ja, zeker, ik twijfel, ik wil nog steeds twijfelen, al
mochten Joël en Hulda, al mocht ook de geheele wereld dien twijfel niet
met mij deelen! Daar de _Viken_ door de golven verzwolgen is, daar zij
als het ware onder zeil gezonken is, ligt daarin de gereede verklaring,
waarom geen enkel wrakstuk van het verongelukte schip op de oppervlakte
der zee aangetroffen is. Neen, niets dan die flesch, waarin de arme Ole
Kamp in den uitersten nood zijne laatste gedachte en daarmede zijne
eenige bezitting op deze wereld, heeft gesloten."
Sylvius Hog stond daar met het loterijbriefje in de hand. Hij bekeek
het.... hij betastte het.... hij keerde dat papier om en om, waarop de
arme zeeman vol hoop een grootsch gebouw van nog grootscher
verwachtingen gegrondvest had.
Maar al dat bekijken, betasten, en om en om draaien gaf hem niets.
De professor wilde het reepje papier evenwel nog nader onderzoeken. Dat
lag in zijn aard.
Hij stond evenwel eerst op om aan de deur van het vertrek te gaan
luisteren of het rampzalige meisje hare moeder of haren broeder soms
riep.
Toen hij niets vernam, dat de akelige stilte in huis zou kunnen
verstoren, nam hij weer plaats en bekeek het papiertje.
Het was een lot, uitgegeven ten voordeele van de scholen te Christiania.
Die loten waren destijds zeer gewild in geheel Noorwegen. De hoofdprijs
bedroeg honderdduizend mark, gelijkstaande met zestigduizend gulden van
onze Nederlandsche munt. Het gezamenlijk bedrag der overige winnende
nummers bedroeg negentigduizend mark. Het aantal der aan de trekking
deelnemende nummers, die ten tijde van ons verhaal alle geplaatst waren,
bedroeg een millioen.
Het briefje van Ole Kamp droeg het nummer 9672.
Maar of dat nummer goed of slecht, een winst- of verliesnummer was, en
of de jeugdige zeeman eenige reden had om er vertrouwen in te stellen,
dit alles kon buiten beschouwing blijven, daar hij bij de trekking niet
aanwezig zoude zijn. Die trekking zou op den 15den Juli aanstaande
plaats hebben, dus na een tijdsverloop van acht en twintig dagen. Het
is waar, dat Hulda Hansen zich volgens zijn laatste aanwijzing in zijne
plaats moest aanmelden en voor zijn persoon moest optreden.
Sylvius Hog schudde het hoofd; want dat alles gaf niet veel. Hij herlas
evenwel, bij het licht zijner kaars, de weinige regels, die op de
rugzijde van het biljet geschreven waren, met de grootste aandacht,
alsof hij daarin een verborgen zin wilde ontdekken.
Al dadelijk merkte hij op dat die regels met inkt en niet met potlood
geschreven waren.
Het was daarenboven duidelijk, dat de hand van Ole Kamp niet gebeefd
had, toen hij schreef. Dat was een bewijs dat de stuurman van de _Viken_
zijne koelbloedigheid bij de schipbreuk bewaard had.
Hij bevond zich dus in den gunstigsten toestand om over een
reddingsmiddel na te denken, om de eene of andere gelegenheid tot
redding aan te grijpen, b.v. een roeiriem, eene drijvende plank, wanneer
ten minste niet alles in de kolk medegesleept was, die het vaartuig
verzwolg.
Het kon door een dier stormen medegesleurd zijn, waaraan niemand en
niets weerstand kon bieden en misschien op die wijze buiten den koers
geraakt zijn, terwijl het dichte wolkendak den stuurman belet had eenig
bestek, door het nemen van zonshoogte, op te maken en hij dus onmogelijk
weten kon, waar hij zich bevond.
Het was dus waarschijnlijk, dat men nimmer te weten zoude komen in welk
gedeelte van den Noorder-Atlantischen Oceaan de _Viken_ vergaan was, of
dit in de nabijheid van New-Found-Land dan wel van IJsland geschied was,
of wel op den weg tusschen laatstgenoemd eiland en de plaats der
bestemming, Bergen in Noorwegen.
Dat was eene omstandigheid, die alle hoop moest doen vervliegen, zelfs
bij Sylvius Hog, die niet wanhopen wilde.
Met eene aanwijzing, hoe onbepaald en nevelachtig ook, had men
nasporingen kunnen ondernemen. Men had een vaartuig naar de plek van de
ramp kunnen afzenden; misschien had men enkele herkenbare
overblijfselen, wrakstukken ontdekt.
En toch! Wie weet of niet een of meer der overblijvenden van de
bemanning er in geslaagd waren 't een of ander punt van de eilanden der
Noordelijke IJszee te bereiken, waar zij zich waarschijnlijk nu bevonden
geheel hulpeloos, in de volslagen onmogelijkheid om naar hun vaderland
terug te keeren.
IJselijke mogelijkheid, voorwaar!
Het geloof aan die mogelijkheid, sloop het brein van Sylvius Hog binnen,
nestelde zich daarin onwrikbaar vast en maakte zich van alle zijne
gedachten meester.
Maar dat geloof rustte op zulk een zwakken grond, dat Hulda en Joël
zich niet zouden laten overtuigen en professor Sylvius Hog was er voor
teruggedeinsd hun er over te spreken, daar hij bovendien bevreesd
was, dat op de voorspiegeling van mogelijke redding, een te bittere
teleurstelling zou volgen, die het reeds geleden verdriet nog met nieuw
zoude vermeerderen.
[Illustratie: Ontvang het met mijn laatste gedachte aan u! Blz. 120.]
»En toch," zoo zette hij zijne alleenspraak voort, »al levert dat
loterijbriefje geen enkele aanwijzing op, die te gebruiken is, het is
toch bekend in welke streken de flesch is opgevischt. In den brief van
den directeur van het departement van Marine staat daarvan niets; maar
het is onmogelijk dat men aan het departement dienaangaande onkundig
zoude zijn. Die aanwijzing zal zeker niet geweigerd worden en zou
wellicht te gebruiken zijn. En als men dan de richting der stroomingen
en der winden, in verband met den vermoedelijken datum van de
schipbreuk naging, zou het dan niet mogelijk zijn?..."
»Ja, zou het dan niet mogelijk zijn?" riep hij ten toppunt van
overspanning uit.
»Om kort te gaan," vervolgde hij, »ik zal nog eens schrijven... men moet
de nasporingen verdubbelen en er haast mee maken, al bestaan er nog zoo
weinig kansen voor het welslagen. Neen, neen! ik zal nimmer die arme
Hulda aan haar lot overlaten! Neen, ik zal nooit ophouden met mijne
nasporingen; ik zal nimmer aan den dood van Ole Kamp, haren bruidegom,
gelooven, tenzij men mij het onwraakbaar bewijs van zijn overlijden voor
oogen legt."
Zoo redeneerde professor Sylvius Hog, en zoo trachtte hij zijn hoop
levendig te houden.
Maar tevens vormde hij het vaste voornemen om nimmer over de nasporingen
die hij in het werk wilde stellen, over de pogingen, die onder zijn
invloed van alle kanten aangewend zouden worden te spreken.
Noch Hulda, noch haar broeder Joël kwamen derhalve te weten, dat hij
naar Christiania geschreven had.
Verder besloot hij zijn vertrek, dat op den volgenden ochtend
vastgesteld was, voor een onbepaalden tijd uit te stellen. Of beter
gezegd, hij wilde wel over eenige dagen vertrekken, maar alleen om zich
dan naar Bergen te begeven. Daar zou hij van de heeren Gebroeders Help
alles vernemen, wat op de _Viken_ betrekking had. Hij wilde daar in
persoon den raad en het gevoelen van de ervarensten zeelieden inwinnen,
en zoodoende kon hij den aard en de wijze van de verdere nasporingen,
die verricht moesten worden, vaststellen.
Intusschen hadden, na de inlichtingen door het departement van Marine
verstrekt, de dagbladen van Christiania, daarna die van Noorwegen, van
Zweden, van Engeland en eindelijk die van Europa en van de geheele
beschaafde wereld zich de zaak van het loterijbriefje, dat nu een
gewichtig document geworden was, aangetrokken. Er was iets aandoenlijks
in dat laatste geschenk van den bruidegom aan zijne bruid. De openbare
meening werd er door bewogen en niet zonder reden, zooals de lezer
beseffen kan.
Het oudst bestaande dagblad van Noorwegen, het _Morgenblad_ was het
eerste, waarin het verhaal van de schipbreuk der _Viken_ en van het
wedervaren van Ole Kamp verscheen. Van de zeven en dertig overige
dagbladen, die toen ter tijd in het koninkrijk verschenen was geen enkel
in gebreke gebleven dat verhaal over te nemen en er eenige weemoedige
beschouwingen aan vast te knoopen. Het _Illustreret Nyhedsblad_ gaf
eene met de grootst mogelijke dichterlijke vrijheid ontworpen schets
van de vermoedelijke schipbreuk ten beste. Men zag daarop de _Viken_
met gebroken masten en de zeilen aan flarden, terwijl de verschansing
gedeeltelijk weggeslagen was, het schip door den stormwind plat op zijde
was geworpen, en het water met kracht door de weggeslagen luiken in het
volkslogies stroomde. In één woord het schip op het punt van in de
diepte weg te zinken. Op die teekening stond Ole Kamp op de voorplecht
en had juist de flesch te water gelaten; terwijl zijn blik te kennen
gaf, dat hij met eene laatste gedachte aan Hulda zijne ziel Gode
aanbeval. Op den allegorischen achtergrond van die teekening bracht een
aanrollende golf die flesch te midden van nevel en schuim aan de voeten
van de jeugdige bruid en rolde daarop naar zee terug. De geheele
teekening was omgeven door de omlijsting van het loterijbriefje, terwijl
het nummer 9672 helder tegen den donkeren achtergrond afstak. Het was
ongetwijfeld een naïf ontworpen schets, die evenwel een groot succes zou
hebben in die streken, waar de legenden der Obdinen en der Valkyriën nog
oppermachtig heerschen.
Daarna werd die geheele geschiedenis overgenomen en gecommenteerd in
Frankrijk, Engeland, Nederland, Duitschland, in één woord in alle
landen, welker bevolking zich op de zeevaart toelegt, tot zelfs in de
Vereenigde Staten van Noord-Amerika toe.
Met de namen van Hulda Hansen en Ole Kamp werd de geheele geschiedenis
door pen en teekenstift verbreid. Het jeugdig Noorweegsch boerinnetje
uit het onbeduidend gehucht Dal had, zonder dat zij zulks wist, het
privilege de openbare meening in vuur en vlam te zetten. De arme meid
kon niet gissen, hoe bekend haar naam geworden was. Maar, al was zij er
ook mede bekend gemaakt, dan zou dat zelfs haar geen afleiding bezorgd
hebben voor de droefheid, die haar beheerschte. Dat kon niets ter wereld
doen! Daartoe was inderdaad alles onvermogend!
En nu zal de lezer na het voorafgaande, zich niet verbazen over de
uitwerking, die deze gebeurtenis op de twee halfronden der aarde
teweegbracht, een uitwerking, die daaruit zeer verklaarbaar is, dat 's
menschen geaardheid hem gaarne geloof doet slaan aan bovennatuurlijke
zaken, en dat wie eenmaal op die helling geraakt, schier niet meer te
weerhouden is. Dat loterijbriefje onder de medegedeelde omstandigheden
opgevischt, dat briefje met nummer 9672, hetwelk als het ware door de
bestiering der Voorzienigheid aan de golven ontrukt werd, dat moest
immers wel een gelukkig loterijbriefje zijn. Het scheen tot winnen
voorbeschikt te zijn. Was het niet tusschen de duizenden andere
aangewezen om den hoofdprijs van honderd duizend mark te winnen?
Vertegenwoordigde het geen vermogen? Het vermogen, waarop Ole Kamp zoo
vaak gerekend had! Dat was de gedachtengang, die het brein van velen
bezighield.
Men moet er dan ook niet verwonderd over wezen, dat schier van alle
kanten zeer ernstige voorstellen te Dal aankwamen om het loterijbriefje
te koopen, natuurlijk als Hulda Hansen er zich van wilde ontdoen.
Aanvankelijk waren de aangeboden prijzen bescheiden en laag; maar zij
stegen van dag tot dag. Het was dus te voorzien, dat naarmate de
trekkingsdag naderde, de aanbiedingen al hooger en hooger zouden worden.
Zooiets was inderdaad als onvermijdelijk te beschouwen.
De aanbiedingen kwamen niet alleen uit de Scandinavische streken, waar
men zoo geneigd is te gelooven aan de tusschenkomst van bovenaardsche
machten en wezens in de ondermaansche aangelegenheden, maar ook uit den
vreemde, zelfs uit Frankrijk, waar men anders in zulke zaken uiterst
sceptisch is.
Zelfs de Hollanders en de Engelschen, die anders nog al als zeer
flegmatisch afgeschilderd worden, bemoeiden zich er mede; ja ook de
Amerikanen, die gewoonlijk niet veel dollars overhebben voor dergelijke
minder practische speculatiën.
Het aantal brieven, dat te Dal aangebracht werd, was aanzienlijk.
Daarenboven verzuimden de dagbladen natuurlijk niet de verschillende
aanbiedingen, die der familie Hansen gedaan werden te bespreken,
waarbij ze niet weinig overdreven. Men kan zeggen, dat er een soort
van beurs gehouden werd, waarvan de noteering natuurlijk varieerde,
maar steeds hooger en hooger ging.
En inderdaad, men was er reeds toe gekomen, om voor dat loterijbriefje,
waarvan de kans slechts als één tegen negenhonderd negen en negentig
duizend, negenhonderd negen en negentig stond om den hoofdprijs van
honderd duizend mark te winnen, verscheidene honderden mark te bieden.
Dat was ongetwijfeld dwaas, maar over bijgeloof valt niet te redeneeren.
De gemoederen raakten dan ook al meer en meer opgewonden, de verbeelding
speelde menigeen parten en de aangeboden prijs klom hooger en hooger en
zou blijven klimmen, zooals spoedig genoeg bewezen werd.
Acht dagen na de gebeurtenis vermeldden de dagbladen, dat de koers van
het loterijbiljet, duizend, vijftienhonderd, tweeduizend mark en meer
bedroeg.
Een Engelschman, geboortig uit Manchester, had zelfs tot honderd vijftig
pond sterling geboden, wat eene som van 3000 mark of van 1800 gulden in
Nederlandsch geld vertegenwoordigde.
Een Amerikaan van Boston bood nog hooger en wilde voor het nummer van de
loterij voor de scholen van Christiania de som van 1000 dollars, dus
ruim vier duizend mark of twee duizend vijf honderd gulden betalen.
[Illustratie: Maar Hulda sloeg alle aanbiedingen van de hand. Blz. 130.]
Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat Hulda Hansen zich
hoegenaamd niets om die hartstochtelijke speculatie van een deel van
het publiek bekommerde. Van het meerendeel der brieven, die omtrent het
bewuste loterijbriefje naar Dal verzonden waren, had zij geen kennis
willen nemen.
Toch was professor Sylvius Hog van meening, dat zij zich op de hoogte
moest houden van de voorstellen en aanbiedingen, die haar gedaan werden,
daar Ole Kamp haar dat loterijbriefje met het nummer 9672 in vollen
eigendom vermaakt had.
Maar Hulda sloeg alle aanbiedingen van de hand. Dat loterijbriefje
vertegenwoordigde voor haar iets van veel meer waarde dan een hoop geld.
Dat loterijbriefje was voor haar de laatste brief van haren bruidegom.
En nu moet men niet gelooven, dat het arme meisje daarbij bewogen werd
door de nevengedachte dat zij een der hoofdprijzen der loterij zou
kunnen winnen.
Neen; zij zag daarin slechts het laatste vaarwel van den armen
schipbreukeling, eene reliquie, die zij zorgvuldig bewaren wilde.
Neen; zij dacht niet aan de kansen om een vermogen deelachtig te worden,
dat de arme Ole Kamp niet meer met haar zou kunnen deelen!
Was er iets aandoenlijkers, iets kieschers te bedenken dan die
godsdienstige vereering van zijn nagedachtenis? Neen, niet waar? Dat zal
men moeten bekennen.