[Illustratie: En wachtten hem in de nabijheid van de hut van den

veerman. Blz. 102.]

»Broeder!...." zei Hulda, die de gedachte van Joël geraden had.

»Nu, spreek dan, jongenlief, spreek dan," zei Sylvius ongeduldig.

»Welnu, mijnheer Sylvius, gij zoudt ons eene zeer groote eer bewijzen en

tevens een zeer groot genoegen kunnen doen."

»Maar, hoe dan?"

»Dat zou zijn...."

»Wat dan?.... Wat dan?" vroeg Sylvius Hog ongeduldig.

»Dat zou zijn door tegenwoordig te wezen bij het huwelijk van...."

»Bij welk huwelijk? Bij het uwe? Maar, sakkerloot, spreek dan toch!"

»Bij het huwelijk van mijn zuster Hulda...."

»Bij het huwelijk van uwe zuster!" riep Sylvius Hog uit. »Hoe.... mijne

lieve, kleine Hulda gaat trouwen?...."

»Ja, mijnheer Sylvius."

»En daar weet ik niets van!.... En daar heeft zij mij niets van

gezegd!...."

»O, mijnheer Sylvius!" riep het jonge meisje blozende en met tranen in

de oogen.

»Dat, dat vind ik te geheimzinnig!" ...

»Maar, mijnheer Sylvius!" ...

»En wanneer zal dat huwelijk plaats hebben?"

»Als het God believen zal Ole Kamp, haren verloofde, herwaarts terug te

voeren," antwoordde Joël.

»En waar zit die thans?"

»Ja, dat weet de hemel!"

XI.

NASPORINGEN.

Toen verhaalde Joël het gebeurde met Ole Kamp.

Sylvius Hog werd door dat verhaal, waarnaar hij met de meeste aandacht

geluisterd had, zeer bewogen.

Hij wist thans alles. Hij had den laatsten brief gelezen, die de

terugkomst van Ole Kamp aankondigde. En... Ole Kamp was niet

teruggekomen!

Welk een ongerustheid, welk een angst moest dat aan de familie Hansen

veroorzaken.

»En ik, die meende, dat ik bij volmaakt gelukkige lieden verblijf

hield!" dacht hij.

Evenwel, alles goed en wel bekeken, kwam het hem voor dat zuster en

broeder nog niet de hoop behoefden te verliezen. Door dat tellen van de

Mei- en Junidagen, had hunne verbeeldingskracht den toestand verergerd.

Het was eigenlijk, alsof zij die dagen tweemaal geteld hadden.

De professor wilde hun zijn redenen meedeelen. Geen redenen, zoo maar

ten behoeve der zaak uitgedacht, om die twee kinderen gerust te stellen,

maar zeer ernstige, zeer aanneembare, die het uitblijven van de _Viken_

voldoende zouden verklaren.

Toch was er een ernstige uitdrukking op zijn gelaat.

De droefheid van Hulda had diepen indruk op hem gemaakt.

»Luistert, kinderen," sprak hij. »Gaat naast mij zitten, en laten wij

samen praten."

Hulda en Joël Hansen namen naast Sylvius Hog plaats. Hij greep hun

beider handen en keek hen vertrouwelijk aan.

»Wat zoudt gij ons kunnen zeggen, mijnheer Sylvius?" vroeg Hulda, wier

hart door droefheid overstelpt was.

»Ja, Mijnheer, wat kunt gij ons te zeggen hebben?" vroeg Joël op zijne

beurt.

»Wat ik u te zeggen heb, beste vrienden," hernam professor Sylvius Hog,

»zal aan den eisch der rede getoetst kunnen worden. Luistert! Ik heb

zooeven ernstig nagedacht over hetgeen Joël mij verhaald heeft. Welnu

het komt mij voor, dat uwe ongerustheid tamelijk overdreven is...."

»Meent ge, Mijnheer?"

»Zeker, mijne waarde vrienden. Niet, dat ik u met gezochte redenen zou

willen geruststellen. Maar...."

»Neen, dat begrijpen wij. Maar, wat?"

»Maar, voor alles moeten wij de zaken uit hun waar oogpunt beschouwen."

»Helaas, mijnheer Sylvius," antwoordde Hulda. »Ik vrees, dat het ware

oogpunt is: dat mijn arme Ole Kamp met de _Viken_ vergaan is.... O,

God!... O, God!" ...

»Kom, kom, nu geen dwaze gedachten!"

»Ik zal hem nimmer meer terugzien!" kreet het jonge meisje snikkend.

»Zuster! Zusterlief!" riep Joël haar troostend toe. »Wees toch in

Godsnaam kalm en luister naar mijnheer Sylvius...."

»En laten wij vooral onze bedaardheid niet verliezen, kinderen. Kom,

laten wij de zaak van nabij bekijken. Wanneer, zegt gij, werd Ole Kamp

te Bergen terugverwacht?"

»Zoo tusschen den 15den en den 20sten Mei," antwoordde Hulda, steeds

schreiende.

»Ja, tusschen den 15den en den 20sten," herhaalde Joël, »althans

afgaande op zijn brief."

»En wij hebben reeds den 9den Juni!"

»Dat geeft dus een te laat van twintig dagen, gerekend naar den

uitersten datum, die voor den terugkeer der _Viken_ gesteld werd. Ik

moet bekennen, dat zoo'n uitblijven iets begint te beteekenen.

Evenwel..."

»Wat wilt gij zeggen, Mijnheer?"

»Evenwel moet men van een zeilschip niet dezelfde nauwkeurigheid

verwachten als, van een stoomvaartuig. Dat vat gij toch, Hulda?"

»Dat heb ik haar al zoo dikwijls herhaald, en dat herhaal ik haar nog

dagelijks," zei Joël.

»En daar doet gij wel aan, Joël," hernam Sylvius Hog. »Bovendien is het

niet onmogelijk dat de _Viken_ een oud zeeschip is, dat zeer slecht

zeilt, zooals de meeste schepen, die op New-Found-Land varen; waarbij

nog komt, dat het bij terugkeer zeer zwaar geladen zal geweest zijn. Kan

dat zoo niet zijn?"

Beide jongelieden antwoordden niet. Hun stilzwijgen kon voor eene

toestemming gelden.

»Bovendien," ging Sylvius Hog voort, »is het weer in de laatste weken

zeer stormachtig geweest. Misschien heeft het vaartuig van Ole Kamp niet

op het aangeduide tijdstip zee kunnen kiezen. En die veronderstelling

is mogelijk. Welnu, in dat geval is eene vertraging van acht dagen

voldoende om het uitblijven der _Viken_ te verklaren, alsook dat gij

geen lateren brief hebt kunnen ontvangen."

»Maar, gelooft gij aan die mogelijkheid, Mijnheer?" vroeg Hulda, die

aandachtig geluisterd had.

»Alles wat ik u zeg, lieve meid, is het resultaat van ernstige

overdenkingen. Daarenboven is het ook mogelijk, dat de gegeven

instructiën de _Viken_ eene zekere vrijheid verleenden, om hare lading

naar eenige andere havenplaats te vervoeren, overeenkomstig de eischen

van vraag en aanbod."

»O, dat zou Ole Kamp mij zeker geschreven hebben," antwoordde Hulda, die

dit niet durfde hopen.

»Wie kan bewijzen, dat hij niet geschreven heeft?" vroeg de professor.

»Ja, niemand."

»En heeft hij geschreven, dan is het niet de _Viken_, die te laat is;

maar wel de postboot van Amerika."

»Meent gij?"

»Zeker, meen ik dat. Verondersteld, dat het schip van Ole Kamp naar de

een of andere havenplaats der Vereenigde Staten gezeild is, dan ligt

toch daarin de verklaring, dat geen enkele zijner brieven in Europa is

aangekomen."

»Naar eene havenplaats der Vereenigde Staten...., mijnheer Sylvius?"

»Ja, zeker. Zoo iets gebeurt ongetwijfeld meer."

»Ja wel, maar..."

»En dan is de brief misschien te laat in de bus gedaan, zoodat men de

gelegenheid heeft laten voorbijgaan en de vrienden in Europa voor zeer

langen tijd van tijdingen verstoken zijn!"

»Dat is zoo; maar...."

»In ieder geval bestaat er een eenvoudig middel om eenig bericht te

erlangen."

»En dat is, Mijnheer Sylvius?"

»Inlichtingen bij de reeders van het schip te vragen."

»Dat is waar."

»Kent gij ze?"

»Ja," antwoordde Joël. »Het zijn de Gebroeders Help te Bergen."

»Wat, de Gebroeders Help van Bergen?" riep Sylvius Hog verrast uit.

»Ja."

»De Gebroeders Help Junior," vroeg de professor.

»Ja."

»Wel, die ken ik ook. De jongste, Help Junior, zooals hij genoemd wordt,

hoewel hij van mijn leeftijd is, behoort tot mijne goede vrienden. Wij

hebben te Christiania dikwijls te zamen gedineerd. De gebroeders Help!

Wel, kinderen, van hen zal ik alles te weten komen, wat zij omtrent de

_Viken_ vernomen hebben. Ik zal hun dadelijk schrijven, en als zulks

noodig is, zal ik hen gaan opzoeken."

»O, wat zijt gij goed, mijnheer Sylvius!" riepen Hulda en Joël

tegelijkertijd. »Wij danken u wel."

»O, bedankt mij niet, als je blieft. Ik verbied het u uitdrukkelijk.

Zegt, heb ik ulieden bedankt, voor hetgeen gij daarginds voor mij gedaan

hebt?.... Wat drommel, ik vind gelegenheid, om u een kleinen dienst te

bewijzen.... en daar maakt gij zulken ophef van!"

»Maar gij spraakt er van, dat gij naar Christiania wildet terugkeeren,"

merkte Joël Hansen op.

»Welnu, ik zal eerst naar Bergen vertrekken, als dat noodig zal zijn."

»Gij wildet ons evenwel spoedig verlaten, mijnheer Sylvius," hernam

Hulda.

»Welnu, ik zal u niet verlaten, lieve meid. Ik ben geheel vrij, om te

doen en te laten, wat ik verkies, zou ik zeggen. En zoolang die zaak

niet in het reine gebracht is, zal ik...., tenzij gij mij de deur

uitjaagt."

»Wat zegt gij daar?"

»Wat ik daar zeg?.... Dat ik veel lust heb, om te Dal te blijven, totdat

Ole Kamp teruggekeerd is. Ik ben benieuwd om dien aanstaande van mijne

kleine Hulda te zien! Het moet een wakkere borst zijn--zoo'n slag als

Joël. Is het zoo niet?"

»Ja, geheel en al!...." antwoordde Hulda.

»Daar was ik overtuigd van," riep de professor uit, die in zijne nopjes

scheen.

Ongetwijfeld was die opgeruimdheid slechts comediespel.

»Ole Kamp gelijkt op Ole Kamp, mijnheer Sylvius," zei Joël ernstig, »en

dat is voldoende, om een goed hart te bezitten en een eerlijke kerel te

zijn."

»Dat is mogelijk, wakkere Joël; maar wat gij daar zegt, wakkert mijn

verlangen nog aan, om hem te zien. En let op, dat zal niet lang meer

duren."

»God geve het, mijnheer!" zei Hulda.

»Er is iets dat mij toefluistert: de _Viken_ zal weldra wederkeeren!"

»De Heer verhoore u!"

»En waarom zou hij mij niet verhooren? Hij hoort en ziet alles.... Ja,

ik wil de bruiloft van Hulda bijwonen, daar ik toch reeds genoodigd

ben."

»Maar, zult gij kunnen?"

»De Storthing zal genoodzaakt zijn mijn verlof met eenige weken te

verlengen. Dat verlof zou onbepaald verlengd zijn, als gij mij in dien

verwenschten waterval te Rjukanfos had laten vallen, wat ik trouwens

door mijne onvoorzichtigheid ten volle verdiend had."

»Mijnheer Sylvius," zei Joël, »wat doet het iemand goed u zoo te hooren

spreken, en hoe edel handelt gij tegenover ons. Waarlijk er zijn nog

goede menschen op aarde!"

»Hebt gij daaraan getwijfeld? Maar, intusschen is hetgeen ik voor u doen

wil, bij lange na niet te vergelijken met hetgeen gijlieden voor mij

gedaan hebt; en waarlijk, ik weet niet hoe...."

»Neen, als 't u belieft, mijnheer Sylvius,.... kom niet meer op die

gebeurtenis terug!"

»Integendeel, beste vrienden, ik wil er op terugkomen! Had ik mij zelf

bij den Maristiaan-pas kunnen redden? Heb ik mijn leven daar gewaagd?

Ben ik het geweest, die mij naar de herberg te Dal vervoerd heeft?

Heb ik mij zelven verzorgd, verpleegd en genezen zonder de hulp der

Geneeskundige faculteit? Antwoordt daarop!.... Welnu, ik ben zoo koppig

als een karrepaard. Ik heb mij in het hoofd gezet, om bij het huwelijk

van Hulda Hansen met Ole Kamp tegenwoordig te zijn, en.... bij Sint

Olaf, ik zal er bij tegenwoordig zijn; rekent daarop!"

Het vertrouwen is besmettelijk. Hoe had men weerstand kunnen bieden aan

dat van Sylvius Hog? Dat zag de looze vos wel in, toen een flauw

glimlachje om de lippen van Hulda speelde. Zij trachtte hem te gelooven;

zij snakte naar hoop.

Sylvius Hog ging bemoedigend voort:

»Gij moogt dus niet uit het oog verliezen, dat de tijd vleugelen heeft

en derhalve voortspoedt. Begin dus met de toebereidselen tot het

huwelijk."

»Daar ben ik reeds mee begonnen, mijnheer Sylvius," antwoordde Hulda,

»al sedert drie weken."

»Best, ga er maar mee voort."

»Voortgaan!...." antwoordde Joël, »alles is klaar!"

»Wat? Alles? Het bruidskleed, het keurs met de zilveren haken, de gordel

met de hangers?"

»Ja, zelfs de hangers."

»En de bruidskrans, die u als eene heilige zal tooien, lieve, kleine

Hulda?"

»Ja, mijnheer Sylvius."

»Komaan, dat is goed. Maar...."

»Maar wat, mijnheer Sylvius, zouden wij iets vergeten hebben?"

»Zijn de uitnoodigingen geschied?"

»Alle," antwoordde Joël, »zelfs die, welke ons het meest aan het hart

ligt, namelijk de uwe."

»En, is de bruidsjuffer gekozen?"

»Ja, zeker!"

»Gij weet, dat moet de braafste en zedigste zijn van al jonge meisjes

van het Telemarksche?"

»Ja, en zij is bovendien ook de schoonste," antwoordde Joël, »daar het

mejuffrouw Siegfrid Helmboë van Bambel is. Ja, zij is de schoonste!"

»Kijk mij dien lummel eens aan! Op welken toon zegt hij dat!" merkte de

professor schalksch op, »en hoe hij daarbij bloost als een jonge meid.

Kijk, kijk! Zou mejuffrouw Siegfrid Helmboë van Bambel bij toeval het

lot beschoren zijn vrouw Joël Hansen van Dal te worden?"

»Ja, mijnheer Sylvius," antwoordde Hulda. »Siegfrid, die mijne beste

vriendin is!"

»Mooi zoo! Nog eene bruiloft in het verschiet," riep Sylvius Hog uit.

»En ik ben er zeker van, dat ik ook op die zal genoodigd worden. En ik

zal er niet aan kunnen ontkomen, ik zal haar moeten bijwonen! Ik zal

waarlijk mijn ontslag als afgevaardigde van de Storthing moeten nemen;

want ik zal geen tijd meer vinden om zitting te nemen."

»Ja, dat zal moeten gebeuren," zei Joël, hartelijk lachende. »Ik zie er

anders geen gat in."

»Ja wel, spot er maar mede. Maar om het even, ik zal getuige bij uwe

bruiloft zijn, mijn wakkere Joël, natuurlijk na het eerst bij die van uw

zuster geweest te zijn, als gij dat namelijk goedvindt...."

»O, mijnheer Sylvius...." zei Joël. »Kunt gij daaraan waarlijk

twijfelen?"

»Neen, dat doe ik niet. Maar, alles wel beschouwd doet gij met mij alles

wat gij wilt, of beter gezegd, alles wat ik wil. Kom, geef mij een zoen,

kleine Hulda! En gij een flinken handdruk, mijn wakkere jongen. En dan

ga ik aan mijn vriend Help Junior te Bergen schrijven."

Broeder en zuster verlieten de kamer gelijkvloers, die de professor voor

eenigen tijd wilde huren, en gingen weer aan hunne bezigheden met een

eenigszins verlicht gemoed en een weinig hoop in het hart.

Sylvius Hog bevond zich toen alleen.

»Die arme meid!" prevelde hij. »Ja, ik heb hare droefheid voor een

oogenblik het spoor bijster gemaakt!.... Ik heb haar eenige kalmte

bezorgd!.... Maar het schip is te lang uitgebleven, en de oceaan is in

die streken zeer ontstuimig geweest gedurende dit seizoen!.... Als de

_Viken_ eens vergaan was!.... Als Ole Kamp niet meer terugkwam!.... Dat

zou vreeselijk zijn!"

Een oogenblik later zat professor Sylvius Hog aan de reeders te Bergen

te schrijven.

Hij vroeg in zijn brief de meest omstandige inlichtingen omtrent alles,

wat de _Viken_ en haren tocht ter vischvangst betrof. Hij wenschte

voornamelijk te weten of eenige voorziene of onvoorziene omstandigheid

het schip soms had kunnen noodzaken een andere haven op te zoeken.

Hij schreef, dat hij er veel belang in stelde, zoo spoedig mogelijk te

weten te komen, waaraan de handelaars en de zeelieden het lange

uitblijven toeschreven, en hoe zij het verklaarden.

Hij verzocht ten slotte aan zijn vriend Help Junior, nauwkeurige

inlichtingen in te winnen en hem per omgaande post te antwoorden.

In dien zoo dringenden brief stond ook te lezen, waarom Sylvius Hog

zooveel belang in den jeugdigen stuurman van de _Viken_ stelde, welken

dienst hij aan diens bruid verschuldigd was, en welke vreugde het zoowel

hem als zijn omgeving zoude veroorzaken, wanneer hij de kinderen van

vrouw Hansen eenige hoop zou kunnen geven.

Toen de brief gereed was, bracht Joël hem dadelijk naar de post te Moel.

Vandaar zou dat schrijven daags daarna vertrekken. Den 11den Juni zou

het te Bergen zijn. Dus op den 12den des avonds of op den 13den des

voormiddags op zijn laatst, zou de heer Help Junior kunnen geschreven

hebben. Die berekening was nauwkeurig. Daar ontbrak niets aan.

Drie dagen op dat antwoord te moeten wachten!

O, wat schenen zij lang!

[Illustratie: Een oogenblik later zat professor Sylvius Hog aan de

reeders te Bergen te schrijven. Blz. 112.]

Met tal van geruststellende woorden, van opbeurende redeneeringen

gelukte het den professor evenwel dat wachten minder pijnlijk te maken.

Nu hij Hulda's geheim kende, had hij steeds een aangewezen onderwerp

voor een gesprek bij de hand, en nog wel een prettig onderwerp, dat moet

de lezer erkennen!

Welk een troost was het daarenboven voor Joël Hansen en zijne zuster,

steeds over den afwezige te kunnen spreken.

»Thans behoor ik zoo wat tot de familie," zei Silvius Hog. »Ja,

waarlijk, zoo iets als een oom, die van Amerika of van elders uit de

lucht is komen vallen."

En, daar hij nu toch tot de familie behoorde, mocht men geene geheimen

voor hem hebben, niet waar?

De stand van zaken of liever de verhouding tusschen de beide

kinderen en hunne moeder was door hem niet onopgemerkt gebleven.

De terughoudendheid, die vrouw Hansen tegenover hen meende in acht

te moeten nemen, moest volgens hem eene andere oorzaak hebben dan de

ongerustheid, waarin allen ten gevolge van het uitblijven van Ole Kamp

verkeerden. Hij meende dus gerechtigd te zijn, Joël daarover te spreken.

Maar deze wist hem inderdaad geen uitsluitsel te geven. Toen wilde hij

vrouw Hansen daarover polsen, maar hij vond haar zoo gesloten, dat hij

de poging opgeven moest, om haar hare geheimen te ontfutselen.

De toekomst zou ze hem waarschijnlijk ontsluieren. Alleen daarop hoopte

hij.

Zooals Sylvius Hog voorzien had, kwam het antwoord van den heer Help

Junior in den voormiddag van den 13den te Dal aan. Joël was den postbode

reeds voor het krieken van den dag te gemoet gewandeld. Hij was het dus,

die den brief aan den professor, welke zich met vrouw Hansen en hare

dochter Hulda in de groote zaal bevond, overhandigde.

Er heerschte een bange stilte.

Hulda was doodsbleek en zou geen woord hebben kunnen spreken, zoo bonsde

haar hart van aandoening.

Zij had de hand haars broeders gegrepen, die even aangedaan was als zij.

Silvius Hog opende den brief en las hem voor.

Tot zijne en tot aller groote droefheid, bevatte dat antwoord van den

heer Help Junior niets anders dan zeer onbepaalde aanwijzingen, en de

professor kon zijne teleurstelling niet verbergen tegenover de

jongelieden, die hem met tranen in de oogen aanhoorden.

De _Viken_ had inderdaad Saint Pierre-Miquelon verlaten op den door Ole

Kamp in diens laatsten brief genoemden dag. Dat was ontwijfelbaar. Men

had dat op de stelligste wijze van andere vaartuigen vernomen, die na

het vertrek van de _Viken_ New-Found-Land verlaten hadden en sedert

te Bergen aangekomen waren. Die vaartuigen hadden het schip onderweg

niet ontmoet. Maar zij ook hadden in de omstreken van IJsland zeer veel

slecht weder aangetroffen. Zij hadden zich evenwel weten te redden.

Waarom zou de _Viken_ daarin ook niet geslaagd zijn? Misschien was dat

vaartuig genoodzaakt geweest de een of andere noodhaven aan te doen. Het

was daarenboven een zeer stevig schip, waarover de gezagvoerder Frikel

van Hammerfest, een oude, ervaren zeerob, het bevel voerde, terwijl

de bemanning uit een dozijn stevige matrozen bestond, die als ervaren

zeelieden bekend stonden en voor geen klein geruchtje vervaard waren.

Toch vond men dit lange uitblijven onrustbarend, en, zoo er nog eenige

dagen zonder tijding voorbijgingen, mocht de vrees gewettigd heeten, dat

de _Viken_ met man en muis vergaan was.

De heer Help Junior betreurde het zeer, dat hij niet in de gelegenheid

was betere berichten omtrent den jeugdigen bloedverwant der familie

Hansen te geven. Hij schreef over Ole Kamp als over een uitmuntenden

man, die ieders sympathie, dus ook die van zijn vriend Sylvius Hog

waardig was.

De reeder eindigde zijn brief met den professor zijne hartelijke

vriendschap te betuigen, waarbij hij de groeten zijner familie voegde.

Ten slotte beloofde hij dat hij hun ieder bericht, hetwelk van de

_Viken_, om het even van welke haven in Noorwegen, mocht inkomen,

dadelijk en onverwijld zoude toezenden en onderteekende zich als zijn

innig toegenegene

_»Gebroeders Help."_

Hulda, die eene onmacht nabij was, had zich, terwijl Sylvius Hog den

brief voorlas, op een stoel laten neervallen. Zij snikte en kon geen

woord uiten, toen hij met de voorlezing klaar was.

Joël had, met over de borst gekruiste armen, stilzwijgend en met gebogen

hoofd geluisterd, zonder dat hij zijne zuster daarbij had durven

aankijken.

Vrouw Hansen was, toen de brief ten einde was, naar hare kamer gegaan.

Zij zag er uit, alsof zij dat ongeluk en nog vele andere verwacht had.

Professor Silvius Hog wenkte Hulda en haren broeder om nader te treden.

Hij praatte nog met hen over Ole Kamp en vertelde hun alles, wat zijne

levendige verbeelding min of meer aantrekkelijks scheppen kon, en hij

sprak daarbij met eene overtuiging, die op zijn minst zonderling genoemd

mocht worden, na den brief van den heer Help Junior.

»Neen," zeide hij, »ik heb er een voorgevoel van. Wij behoeven nog niet

te wanhopen!"

En toen legde hij uit, dat zich menig voorbeeld had voorgedaan van een

dusdanig lang uitblijven bij langdurige zeereizen in die streken. Ja,

daar viel inderdaad niet aan te twijfelen! En wat zou dan dat lange

uitblijven? Was de _Viken_ niet een stevig schip, dat goed gecommandeerd

werd, eene flinke bemanning had en dus in oneindig beter omstandigheden

verkeerde, dan die andere vaartuigen, die in de haven teruggekeerd

waren.

Dat alles viel niet te betwisten, niet waar?

»Laten wij dan de hoop niet laten varen, lieve kinderen," vervolgde hij,

»laat ons geduldig wachten!"

»Gij hebt gelijk, mijnheer Sylvius," zei Hulda; »maar...."

»Maar wat? Komaan, ik weet wat gij zeggen wilt. Als de _Viken_

schipbreuk had geleden tusschen IJsland en New-Found-land, dan zouden

toch de talrijke vaartuigen, die dat gedeelte van den Atlantischen

Oceaan doorkruisen, wel eenig wrakstuk ontmoet hebben. Welnu, dat is

niet geschied. Geen mast, geen steng, geen scheepsboord, geen kippenhok,

geen potdeksel, geen watervat, geen sloep, geen roeiriem, niets, niets,

is op dien zoo algemeen gevolgden weg door de visschersvaartuigen bij

hunnen terugkeer gevonden! Toch moet gehandeld worden, toch moet

getracht worden, meer afdoende inlichtingen in te winnen."

»Wat wilt gij daartoe doen, mijnheer Sylvius?" vroeg Joël Hansen.

»Luistert beiden: Wanneer wij gedurende deze week nog zonder tijding van

de _Viken_ blijven, en geen brief van Ole Kamp ontvangen wordt, dan zal

ik naar Christiania terugkeeren en mij tot het ministerie van Marine

wenden, dat de noodige nasporingen zal laten doen, die, daar ben ik van

overtuigd, wel tot ons aller genoegen zullen uitvallen!"

Hoeveel moeite de professor zich ook gaf, om overtuigend te spreken,

Hulda en Joël gevoelden toch, dat hij, in weerwil van alles, niet meer

zoo boud sprak als hij deed, voordat hij den brief uit Bergen ontvangen

had.--Helaas, het moest erkend worden, dat die brief, hoe voorzichtig

ook gesteld, weinig hoop overliet.

Inderdaad Sylvius Hog durfde geen toespeling op het aanstaande huwelijk

van Hulda met Ole Kamp meer maken? En toch herhaalde hij voortdurend en

met een kracht, waarvan de overtuiging als het ware opgedrongen werd:

»Neen! Het is niet mogelijk, dat Ole Kamp het huis van vrouw Hansen niet

meer zou betreden! Neen, het is niet mogelijk dat Ole Kamp die lieve

Hulda niet zou trouwen! Neen, nimmer zal ik aan zoo'n ongeluk gelooven!"

Dat was eene geheel persoonlijke overtuiging, die hij uit zijn karakter

vol geestkracht putte. Die overtuiging lag in zijn aard, die zoo licht

niet van streek te brengen was.

Maar, hoe zou hij haar door de anderen doen deelen? Hoe zou hij haar

overplanten in de harten vooral van hen, die zoo onmiddellijk bij het

lot van de _Viken_ betrokken waren?

Zoo spoedden evenwel nog eenige dagen somber en troosteloos voorbij.

Sylvius Hog was thans geheel en al genezen en deed om zijn been te

oefenen, groote wandelingen in de omstreken. Hij noodzaakte Hulda en

haren broeder, om hem te vergezellen, ten einde hen niet aan henzelven

over te laten. Den eenen dag kuierden zij het Vestfjorddal op tot

halfweg den waterval van den Rjukan. Den daarop volgenden gingen zij

naar Moel en naar het Tinnermeer. Eens bleven zij zelfs volle vier en

twintig uren uit. Zij hadden toen hun uitstapje tot Bambel uitgestrekt,

waar professor Sylvius Hog kennis maakte met den pachter Helmboë en met

diens dochter Siegfrid, die hare arme vriendin Hulda zoo hartelijk

mogelijk ontving en haar met de meeste teederheid trachtte te troosten.

Ook daar stelde Sylvius Hog zich tot taak die brave lieden een weinig

hoop in te boezemen. Hij had naar het departement van Marine te

Christiania geschreven en ten antwoord gekregen, dat het gouvernement

nasporingen omtrent de _Viken_ liet doen. O, men zou dat schip

terugvinden! Ole Kamp zou wederkeeren. Dat kon iederen dag geschieden.

Neen, het huwelijk zou geen zes weken vertraging ondergaan!

Het loterijbriefje · 第 9 / 18 段