»Een geneesheer, lieve kleine Hulda? Hebt gij het er op gemunt om mij

het gebruik mijner beide beenen te doen verliezen?"

»O, mijnheer Sylvius, welke gedachte!" zei het jonge meisje glimlachend.

»Een geneesheer! Waarom niet dadelijk dokter Bock, mijn vriend, uit

Christiania gehaald?"

»Dat is te ver, mijnheer Sylvius."

»En dat alles voor eene ontvelling, voor niets meer dan eene krab!"

»Ja wel, maar eene ontvelling of eene krab kunnen een gevaarlijke wond

worden."

»Och, kom."

»Als zij niet behoorlijk verzorgd worden. Dat verzeker ik u, mijn heer

Sylvius."

»Juist," zei Joël, die in de nabijheid gestaan had en zich thans eerst

in het gesprek mengde.

»Nu, komaan. Die ook nog. Spreek op, Joël, waarom wilt ge dat eene krab

gevaarlijk zal worden? Want gij schijnt het te willen."

»Ik wil dat niet, mijnheer Sylvius," protesteerde de jeugdige gids. »God

beware mij!"

»Welnu, God zal u bewaren en mij ook en het geheele huis van vrouw

Hansen, vooral wanneer die lieve beminnelijke Hulda toestemmen wil mij

hare zorgen te wijden?"....

»Wel zeker, mijnheer Sylvius."

»Opperbest! waarde vrienden! Over vier of vijf dagen ben ik genezen en

zal er niets meer van te bespeuren zijn. Daarenboven, waarom zou ik niet

genezen in zulk eene fraaie kamer? Waar zou ik mij beter kunnen laten

verplegen dan in die voortreffelijke, die uitmuntende herberg van

Dal...."

»O, mijnheer Sylvius...." prevelde vrouw Hansen.

»En dan dat lekkere bed met zijn vele opschriften, die meer waard zijn

dan al de voorschriften en machtspreuken der geneeskundige

faculteit!...."

»Waarlijk, gij maakt mij verlegen!..." stotterde de kasteleines.

»En verder dat luchtige raam, met het uitzicht op het dal der

Maan-rivier!" ging Sylvius Hog voort. »En het gemurmel van het water,

dat tot in mijn slaapstede hoorbaar is. En de verkwikkende geur van het

hoog geboomte, waarmede het geheele huis doortrokken is...."

»Gij ziet alles te zeer van den mooien kant," sprak Hulda lachende.

»En dan de heerlijke lucht, de berglucht! Is die niet de beste van alle

geneesheeren? Als men die noodig heeft, behoeft men slechts het raam te

openen, dan komt ze en fleurt u op en wat vooral niet te verwerpen is,

schrijft u geen hongerlijdend dieet voor."

Sylvius Hog sprak zoo vroolijk en opgewekt, dat met hem een weinig geluk

het huis scheen te zijn binnengetreden. Dit was de indruk althans, dien

de beide jongelieden, de broeder en zuster ontvingen, die elkanders hand

vasthielden, terwijl zij hunnen gast aanhoorden en zich aan hetzelfde

gevoel overgaven.

De professor was al dadelijk bij aankomst in de kamer gelijkvloers

gebracht geworden. Thans lag hij uitgestrekt in een grooten

leuningstoel, het been op een tabouret en ontving zoo de verpleging van

Hulda en Joël. Hij duldde evenwel niets anders dan kompressen van koud

water op het gekneusde lidmaat. En inderdaad kon geen beter middel

aangewend worden. Een geneeskundige zou niets anders geraden hebben.

»Goed, mijne vrienden," zeide hij, »uitstekend! Men moet geen misbruik

van geneesmiddelen maken."

»Neen, waarlijk, dat doet gij niet," merkte Joël lachende op. »Drommels,

koud water...."

»Ja wel, spot er maar mede. Maar nu over iets anders gepraat. Weet gij

wel, dat ik, zonder uwe welwillende tusschenkomst, gelegenheid zou gehad

hebben om de wonderen van den Rjukanfos van al te nabij te zien.

Drommels, ik zou in den afgrond gerold zijn als een rotsblok. Ik zou

eene nieuwe legende bij die van den Maristiaan-pas gevoegd hebben,

zonder dat ik er eenige verontschuldiging toe had. Mijne bruid wachtte

mij niet op den overzijdschen oever, zooals bij den rampzaligen Eystein

het geval was!"

»Maar welk verdriet zou dat ongeluk aan mevrouw Hog veroorzaakt hebben,"

zei Hulda.

»Aan mevrouw Hog?" vroeg mijnheer Silvius met eenige verbazing in zijne

stem.

»Ja, mevrouw Hog," herhaalde het jonge meisje. »Zij zou bepaald

ontroostbaar geweest zijn."

»Och kom," hernam de professor. »Mevrouw Hog zou geen traan geplengd

hebben."

»O! mijnheer Sylvius," protesteerde Hulda.

»Dat kunt gij onmogelijk meenen," zei Joël Hansen.

»Neen, zeg ik u," ging mijnheer Sylvius voort, »en om de zeer goede

reden, dat er geen mevrouw Hog bestaat."

»O! dat is wat anders," riepen Hulda en Joël tegelijktijdig uit.

»En...." ging de professor voort, »ik kan mij zelfs niet voorstellen,

hoe mevrouw Hog er uitgezien zou hebben, of zij dik of mager, klein of

lang geweest zoude zijn...."

»Zij zou beminnelijk geweest zijn, en bovendien als uwe echtgenoote

verstandig en goedaardig," zei Hulda.

»Zoo, meent gij dat, mejuffrouw?"

»Voorzeker, meen ik dat."

»Goed, goed. Ik geloof u, ik geloof u."

»Maar als u zulk een ongeluk overkomen zoude zijn, dan zouden uwe

bloedverwanten, uwe vrienden, mijnheer Sylvius...." wilde Joël zeggen.

»Bloedverwanten bezit ik niet, mijn jongen," hernam de professor.

»Des te erger, mijnheer Sylvius," antwoordde de jonge man.

»En vrienden.... het schijnt, dat ik van die soort een zeker aantal

bezit, behalve degenen, die ik in het huis van vrouw Hansen verworven

heb. En waarachtig, die hebt gij de moeite bespaard mij te moeten

beweenen.--Maar, om tot onze zaak weer te keeren, zegt mij, lieve

kinderen, zal ik hier eenige dagen kunnen blijven?"

»Zoolang als gij verkiest, mijnheer Sylvius," antwoordde Hulda. »Die

kamer is de uwe."

»Ik had het plan gemaakt, om evenals al de andere toeristen te Dal mijn

hoofdkwartier op te slaan, om vandaar uitstapjes in alle richtingen door

het Telemarksche te maken.... Ik zal nu geene uitstapjes maken, of dat

later doen, dat is alles!"

»Ik hoop, mijnheer Sylvius," antwoordde Joël, »dat gij vóór het einde

der week weer ter been zijt."

»Ja, dat hoop ik ook!"

»En als dat het geval is, bied ik mij als gids aan, om u overal in het

baljuwschap te brengen, waar gij mocht verkiezen te gaan. Geen enkele

plek zou ik overslaan."

»Dat zijn zaken van later zorg, Joël. Wij zullen dit gesprek hervatten,

wanneer ik niet meer in den staat van een half gevilde zal verkeeren! Ik

heb nog twee maanden verlof, of als ge wilt vacantie voor mij; en als ik

de helft daarvan in de herberg van vrouw Hansen zou moeten doorbrengen,

dan zou ik waarlijk niet te beklagen zijn! Ik zal toch dat gedeelte van

het Vestfjorddal moeten bezoeken, dat tusschen de beide meren gelegen

is; ik zal toch den Gousta moeten beklimmen; ik zal toch naar den

waterval te Rjukanfos moeten weerkeeren, want ik heb er niets van

gezien, al heb ik ook gevaar geloopen er kopje onder in te spelen. En ik

ben er op gesteld hem te zien en te bewonderen. Inderdaad, dat ben ik."

[Illustratie: En ontving zoo de verpleging van Hulda en Joël. Blz. 95.]

»Welnu, gij zult hem bewonderen, mijnheer Sylvius," antwoordde Hulda.

»En wij zullen hem te zamen gaan bewonderen, niet waar? In gezelschap

van vrouw Hansen, wel te verstaan, als zij zoo goed zal willen zijn om

ons te vergezellen. Maar...."

»Maar, wat, mijnheer Sylvius?"

»Ik moet er om denken, vrienden, dat ik met een enkel woord Kaat, mijne

oude, goede huishoudster, en Fink, mijn ouden knecht, te Christiania van

het gebeurde verwittig! Zij zouden zeer ongerust wezen, wanneer ik hun

geen tijding van mij deed toekomen. Ik zou waarlijk beknord worden! En

nu moet ik nog eene bekentenis afleggen. De aardbeien en melkspijzen

zijn zeer aangenaam, zeer verfrisschend; maar dat alles is niet

voldoende en daar ik er zelfs niet over wil hooren spreken, om op dieet

gesteld te worden.... Hoe laat is het?.... En om hoe laat eet gij hier?"

»Wat kan u dat schelen, mijnheer Sylvius?"

»Wat mij dat kan schelen? Wel, zeer veel. Denkt gij dan, dat ik het

gedurende mijn verblijf te Dal prettig zou vinden om mij alleen aan

tafel en in mijne kamer te vervelen? Neen, waarachtig niet! Ik wil met

ulieden eten, te zamen met u en uwe moeder, natuurlijk, wanneer vrouw

Hansen geene tegenwerpingen te maken heeft. Nu, wat zegt ge, goede

vrouw? Spreek."

Vrouw Hansen, nu zij zoo den wensch van den professor vernam had niets

daartegen in te brengen, en hoewel zij er de voorkeur aan gegeven zou

hebben om volgens hare gewoonte apart te blijven, zoo kon zij niet

anders doen dan zich onderwerpen.

»Het zal eene eer voor mij en de mijnen zijn," sprak zij, »aan tafel te

mogen zitten met een afgevaardigde bij de Storthing. Waarlijk dat zal

het."

»Dat is dan afgesproken," hernam Sylvius Hog, »wij zullen te zamen in de

groote zaal eten...."

»Juist, mijnheer Sylvius," antwoordde Joël. »Ik zal slechts de geringe

moeite te nemen hebben u op uwen leuningstoel derwaarts te rollen,

wanneer het middagmaal gereed zal zijn."

»Waarom mij niet liever in een karretje vervoerd, Joël? Neen! met behulp

van een arm, waarop ik zal kunnen leunen, zal ik er ook wel komen. Mijn

been is niet afgezet, voor zoover ik weet!"

»Zooals gij verkiezen zult, mijnheer Sylvius!" antwoordde Hulda. »Maar

doe geene noodelooze onvoorzichtigheden, wat ik u bidden mag.... of Joël

zal gauw den geneesheer gaan halen."

»Bedreigingen, bij Sint Olaf! Neen, wees gerust, ik zal voorzichtig en

volgzaam wezen. En van het oogenblik dat ik niet op dieet gesteld zal

worden, zal ik de gehoorzaamste en de onderworpenste van alle zieken

zijn.--Maar.... lieve vrienden, komaan laat hooren, hebt gijlieden geen

honger?"

»Wel zeker, mijnheer Sylvius," antwoordde Hulda, »maar wij verzoeken u

nog slechts een kwartier geduld te hebben, om u eene kruisbessensoep te

kunnen voorzetten, met eene forel uit de Maan-rivier, en eene patrijs,

die door Joël uit het Hardangsche gebergte medegebracht werd."

»Is dat alles?" vroeg Silvius Hog.

»Met een lekkere flesch wijn uit Frankrijk, ja, mijnheer Sylvius."

»Heb dank, lieve meid, heb dank! Drommels, dat zal lekkertjes smaken,

hoor!"

En de lekkerbek likte zich met begeerige tong, lippen en knevel. Men kon

zien dat hij bij voorbaat smulde.

Hulda verliet het vertrek om toezicht op de toebereiding van het eten te

houden en de tafel in de groote zaal te doen dekken; terwijl Joël reeds

heengegaan was om het karretje van den onderbaas Lengling terug te

brengen.

Sylvius Hog bleef dus alleen.

Waar anders zouden zijne gedachten hebben kunnen verwijlen, dan bij de

leden van die eerlijke familie, wier gast hij niet alleen was, maar

waaraan hij daarenboven zoo groote verplichting had?

Hoe zou hij die onwaardeerbare diensten, reeds genoten, en de

zorgvuldige verpleging, die hij van Hulda en Joël verwachtte, ooit

kunnen beloonen?

Hij zat daar met het hoofd in de hand, maar had niet veel tijd om zich

in zijne overpeinzingen te verdiepen, want tien minuten later had hij

plaats genomen op den eerezetel aan de gastvrije tafel in de groote

zaal.

Het maal was overheerlijk en handhaafde den alouden roem van de herberg

van Dal.

Professor Sylvius Hog at dan ook met den meesten smaak en met zeer

grooten eetlust.

De avonduren verliepen vervolgens te midden van gezellig gekout, waarvan

Sylvius Hog het grootste gedeelte voor zijne rekening nam. Toch gelukte

het hem, met uitzondering van vrouw Hansen, die zich in het gesprek niet

mengde, de beide anderen, zuster en broeder, aan het praten te krijgen.

De innige sympathie, welke hij reeds voor hen gevoelde, kon slechts door

dat gekeuvel vermeerderen. Daaruit bleek toch ten duidelijkste, door

welk een hartelijke liefde die twee wezens aan elkander verbonden waren,

zoodat de professor zich herhaalde malen bij de uitingen daarvan bewogen

gevoelde.

Toen het eindelijk nacht geworden was en het tijd was om te gaan slapen,

begaf de gast zich, met behulp van Joël en Hulda, naar zijn slaapvertrek

en wenschte zijne vrienden op de beminnelijkste wijze goedennacht. En

nauwelijks had hij zich op het bekende bed, voorzien van spreuken,

uitgestrekt, of hij sliep in en genoot een weldadige rust.

Den volgenden ochtend was Sylvius Hog reeds bij het krieken van den dag

wakker en lag reeds te peinzen, nog voordat iemand aan zijne deur

klopte. Trouwens, dat was hij gewoon.

»Neen," zeide hij, »ik weet waarachtig niet, hoe ik het aanleggen zal,

hoe ik daaruit geraken moet. Ik kan mij toch niet laten redden,

verplegen en genezen, en er mij dan met een eenvoudig bedankje van

afmaken. Ik ben inderdaad de verplichte van Hulda en Joël Hansen. Dat

staat als een paal boven water! Maar.... juist.... daarin zit het hem!

Dat zijn van die verplichtingen, die men niet met goud vergelden kan.

Neen, foei!.... Daarbij komt nog, dat het mij toeschijnt, dat die

familie gelukkig is, en dat ik niets aan hun geluk zou kunnen

toevoegen!.... Maar.... wij zullen nog wel met elkander praten, en al

pratende, zal ik misschien wel iets ontdekken...."

Ja, gedurende de drie of vier eerste dagen, dat de professor met

uitgestrekt en omzwachteld been moest blijven stilzitten, werd door dat

drietal gepraat en zelfs veel gepraat. Jammer, dat van den kant van de

zuster en den broeder daarbij eene zekere mate van terughoudendheid

heerschte. Noch de een, noch de ander wilde iets betreffende hunne

moeder zeggen, wier achterhoudendheid en koele bezorgdheid Sylvius toch

niet had kunnen ontsnappen. Een ander gevoel snoerde hen bovendien den

mond en belette hun de onrust te laten blijken, die door het wegblijven

van Ole Kamp veroorzaakt werd. Zouden zij hun gast niet uit zijn humeur

brengen, wanneer zij hem hun leed en hunne zorgen vertelden?

»Toch," zei Joël tot zijne zuster, »geloof ik, dat wij ongelijk hebben,

door ons vertrouwen niet aan mijnheer Sylvius te schenken. Hij is een

goed raadsman, en door zijne menigvuldige relatiën zoude hij te weten

kunnen komen, of men zich in de zeemanswereld ongerust maakt over het

uitblijven van de _Viken_ en of men weet, wat er van het vaartuig

geworden is."

»Gij hebt gelijk, Joël," antwoordde Hulda. »Ik geloof, dat wij goed

zullen doen, wanneer wij hem alles mededeelen. Maar, wij moeten wachten,

tot hij genezen is."

»Ja, dat is goed en die genezing zal niet lang uitblijven, hoop ik,"

beaamde Joël.

Nog voordat de week ten einde liep, was de herstelling van den

gekwetste zoover gevorderd, dat hij, hoewel nog een weinig hinkende,

zonder iemands hulp zijne kamer kon verlaten. Dan ging hij gewoonlijk

op een der banken voor het huis onder de schaduw der hooge boomen

zitten. Vandaar kon hij den top van den Gousta waarnemen, die door de

zonnestralen helder verlicht werd, terwijl de Maanrivier, als echte

bergstroom, ontwortelde boomen met zich voerde, en daar vlak onder zijne

voeten, schuimde, klotste en gromde.

Men zag vandaar ook de voetgangers, die zich langs den grooten weg van

Dal naar den waterval van Rjukanfos begaven. Voor het meerendeel waren

het toeristen, waarvan enkelen gedurende een uur of twee in de herberg

van vrouw Hansen aanlegden, om te ontbijten of het middagmaal te

gebruiken. Daar kwamen ook studenten van Christiania aan, met den ransel

op den rug, en het studentenpetje versierd met de kokarde van het

Noorweegsche vaderland.

Dezen herkenden den professor dadelijk, en dan werden de hartelijkste

begroetingen gewisseld, die bewezen hoezeer Sylvius Hog door de

jongelingschap geliefd was.

»Gij hier? mijnheer Sylvius?"

»Zooals gij ziet, beste vrienden."

»Iedereen dacht, dat gij in het hartje van de Hardangsche landstreek

waart!"

»Gij ziet, dat iedereen ongelijk heeft."

»Dat merken wij. Maar hoe komt gij hier?"

»Ja, dat is een geheele geschiedenis. Eigenlijk moest ik in de bedding

van den Rjukanfos liggen."

»Nu, wij zullen overal vertellen, dat gij te Dal zijt."

»Ja, te Dal met een omzwachteld been!"

»Gelukkig, dat gij een goed onderkomen en eene uitmuntende verpleging in

de herberg van vrouw Hansen gevonden hebt."

»Men zou 't nergens beter kunnen hebben, beste vrienden!"

»Vooral hier in deze streken, professor, waar geene andere herberg

aangetroffen wordt."

»En dan zulke brave lieden!"

»Er bestaan geen betere," beaamden al de toeristen vroolijk juichende.

En allen dronken een glas op de gezondheid van Hulda en Joël Hansen, die

in het geheele Telemarksche zoo gunstig bekend stonden, wat zij

trouwens, zooals wij weten, verdienden.

En toen vertelde de professor wat hem overkomen was. Hij beleed zijne

onvoorzichtigheid. Hij beschreef het gevaar, waarin hij verkeerd had, en

verhaalde vervolgens, hoe hij gered was geworden. Niemand kon dan ook

dankbaarder zijn dan hij.

»Als ik hier wilde blijven," voegde hij er gewoonlijk bij, »totdat mijne

schuld vereffend zoude zijn, dan, waarde vrienden, zou ik mijn cursus in

de rechtswetenschappen voor geruimen tijd moeten afbreken, en dan zoudt

gij vacantie voor onbepaalden tijd kunnen nemen."

»Maar, beste mijnheer Sylvius," hernam die vroolijke troep, »zeg eens,

houdt die mooie Hulda u ook in Dal terug?"

»Het is een lieve meid, beste vrienden," antwoordde de professor

schelmsch. »Het is eene lieve, bekoorlijke meid, en.... bij Sint Olaf,

ik ben nog slechts zestig jaren oud!"

»Op uwe gezondheid, mijnheer Sylvius!"

»Op de uwe, jongelieden! Reist het land door, onderricht u, vermaakt u.

Alles valt zoo heerlijk mede, wanneer men uwen leeftijd heeft. Maar...."

»Maar wat, professor?"

»Wantrouwt de bergpassen, vooral dien verraderlijken Maristiaan! Hulda

en Joël zouden wellicht niet in de nabijheid zijn om de onvoorzichtigen

te redden, die er zich op wagen wilden."

En toen vertrokken de jongelui na een gullen handdruk en deden het

geheele dal van hun vroolijk _God aften_ weerklinken.

Gedurende den tijd dat professor Sylvius Hog in de herberg van Dal

verwijlde, moest Joël Hansen een paar malen zich van huis verwijderen,

om eenigen toeristen tot gids te verstrekken, die den Goustaberg

wenschten te beklimmen. De patiënt had hen wel willen vergezellen. Hij

beweerde totaal genezen te zijn. En inderdaad, de wond was dicht, en er

begon zich een litteeken te vormen. Maar Hulda verbood hem ernstig en

bepaald, om zich aan zoo'n vermoeienis, die nog te groot voor hem was,

bloot te stellen. En.... als Hulda gebood, dan moest het geschieden.

Die Gousta was een zonderlinge berg, waarvan de kegelvormige spits,

aan alle kanten door met sneeuw gevulde ravijnen geribt, boven een woud

van dennen uitstak, die hem als met een kraag van groen omgaven. En,

welk een vergezicht op den top! In het oosten overzag men het geheele

Numedal, in het westen het Hardangsche gebergte, met zijne grootsche,

trotsche gletschers; aan den voet van den berg vervolgens het bochtige

Vestfjorddal, besloten tusschen het Mjösmeer en het Tinnermeer, het dorp

Dal met zijne miniatuurhuizen, die van uit de verte gezien, aan een doos

met speelgoed deden denken, en eindelijk de Maan-rivier, die als een

schitterende band, door de groene vlakte kronkelde.

Om die bergbestijging te volvoeren, had Joël zich des morgens om vijf

uur op weg begeven en was eerst tegen zes uur in den namiddag

teruggekeerd. Sylvius Hog en Hulda waren hem toen te gemoet gewandeld

en wachtten hem in de nabijheid van de hut van den veerman. Zoodra de

veerpont de toeristen en hun gids overgevoerd had, werden hartelijke

handdrukken gewisseld, waarna men den terugtocht aanvaardde, en ons

drietal vervolgens den avond op de genoeglijkste wijze doorbracht. De

professor sleepte nog wel een weinig met het been; maar hij klaagde

niet. Hij scheen niet te verlangen naar een spoedige genezing, wat

trouwens voor hem gelijk stond met de noodzakelijkheid, om het gastvrije

dak van vrouw Hansen te moeten vaarwelzeggen.

De tijd ging daarenboven zeer snel voorbij. Sylvius Hog had naar

Christiania geschreven, dat hij eenigen tijd te Dal zoude blijven.

Het gerucht van zijn wedervaren bij den waterval te Rjukanfos had zich

door het geheele land verbreid. De dagbladen hadden het medegedeeld en,

zooals 't gewoonlijk gaat, het voorgevallene zeer overdreven. Een

gevolg daarvan was, dat eene groote menigte brieven aan de herberg voor

den gast aankwamen, zonder nog de brochures, de tijdschriften en de

dagbladen te rekenen. Dat alles moest gelezen worden. Dat alles moest

beantwoord worden. En, Sylvius Hog, aan zijne goedhartige geaardheid

getrouw, las en antwoordde, en zoo raakten door die correspondentie de

namen van Joël en Hulda Hansen door geheel Noorwegen en zelfs daarbuiten

bekend.

Het verblijf in de herberg van vrouw Hansen kon evenwel niet onbepaald

verlengd worden. En Sylvius Hog was het nog niet met zich zelf eens hoe

hij het best de schuld zijner dankbaarheid zou betalen. Hij begon

evenwel te begrijpen dat die familie niet zoo gelukkig was, als hij in

het begin geloofd had. Het ongeduld, waarmede zoowel de broeder als de

zuster iederen dag de aankomst van de brievenpost van Christiania of

Bergen afwachtten, hunne teleurstelling, ja hun verdriet zelfs, wanneer

zij ontwaarden, dat alweer geen brief voor een hunner gebracht was,

zeiden genoeg.

Men had toch reeds den negenden Juni bereikt.

En nog was er geen enkel bericht van de _Viken_ gekomen.

Het was reeds twee weken over het tijdstip, dat voor den terugkeer van

het schip gesteld was.

Geen enkele brief van Ole Kamp was ontvangen. Niets, niets, dat maar

eenigermate de schromelijke onrust van de arme Hulda kon verzachten!

Het lieve kind verkeerde in volslagen wanhoop, en Sylvius Hog meende op

te merken, dat zij meermalen rood bekreten oogen had, als zij hem des

morgens zijn ontbijt bracht.

»Wat zou er toch aan schelen?" vroeg hij zich dan ernstig af. »Is het

een ramp, die men vreest en voor mij verbergt? Is het een familiegeheim,

waarin een vreemdeling het recht niet heeft tusschenbeide te komen.

Maar.... maar, ben ik dan nog niets meer dan een vreemdeling voor hen?

Neen, niet waar? Dat moesten zij toch bedenken. Wat er evenwel van aan

zij, als ik hun mijn aanstaand vertrek mededeel, zal men wellicht inzien

en begrijpen, dat een waarachtig vriend hen gaat verlaten!"

En dienzelfden dag nam hij de eerste de beste gelegenheid te baat, om

hun te zeggen:

»Vrienden, het oogenblik nadert, dat ik tot mijn groote spijt

genoodzaakt zal zijn u te verlaten."

»Zoo gauw reeds, mijnheer Sylvius! Zou gauw reeds!" riep Joël uit met

eene stem, trillende van aandoening, die hij onmogelijk kon bedwingen.

»Ja, vrienden, de tijd snelt gauw voorbij bij ulieden. Ik ben al

zeventien dagen in Dal."

»Hoe.... reeds zeventien dagen?" vroeg Hulda.

»Ja, lief kind, reeds zeventien dagen, en.... het einde van mijne

vacantie nadert! Ik heb waarlijk geen tijd meer te verliezen, als ik

nog een uitstapje langs Drammen en Konsberg wil maken.... En...."

»Wat wildet gij zeggen, Mijnheer Sylvius?" vroeg Joël.

»Dat de Storthing niet in de noodzakelijkheid gekomen is, om mij als

volksvertegenwoordiger te vervangen, is zij u beiden verschuldigd, en

die vergadering zal, evenmin als ik, weten hoe zij u hare dankbaarheid

zal kunnen betuigen...."

»O, mijnheer Sylvius, zwijg toch daarover," sprak Hulda geroerd, terwijl

hare kleine hand eene beweging maakte, alsof zij hem den mond sluiten

wilde.

»Ja wel, ja wel, dat is afgesproken, Hulda! Het is mij verboden daarover

te spreken, niet waar?--hier althans...."

»Niet alleen hier, maar overal," antwoordde het jonge meisje.

»Nu goed, ik zal gehoorzamen. Ik ben mijn eigen baas niet en ben dus

gehoorzaamheid verschuldigd. Maar, zouden Joël en gij mij niet een

bezoek te Christiania kunnen brengen?"

»U bezoeken, mijnheer Sylvius?"

»Ja! mij bezoeken.... een paar dagen in mijne woning doorbrengen....

natuurlijk met vrouw Hansen. Dat spreekt vanzelf."

»Maar, als wij uit logeeren gaan, wie zal dan op de herberg passen

gedurende onze afwezigheid?" vroeg Joël leukweg.

»Mij dunkt, dat er gedurende het koude seizoen, wanneer het tijdperk der

uitstapjes geëindigd is, niemand in de herberg hoeft te zijn."

»Daar is wel iets van aan," zei Joël haperend.

»Welnu, dan zal ik u bij het begin van den herfst komen afhalen....

Rekent er dus op."

»Mijnheer Sylvius," zei Hulda, »dat zal bezwaarlijk gaan...."

»Dat zal integendeel zeer gemakkelijk gaan, lieve kinderen. Zegt nu geen

neen! Ik zal dat antwoord niet aannemen en wil het derhalve niet hooren!

O, als ik ulieden daarginds in mijn woning zal hebben, tusschen mijn

oude Kaat en mijn ouden Fink zittende,.... dan zoudt gij er als mijne

kinderen beschouwd worden, en dan zou ik u wel weten te noodzaken, mij

te zeggen, wat ik voor u doen kan."

»Wat u voor ons doen kunt, mijnheer Sylvius?".... antwoordde Joël,

terwijl hij aarzelend zijne zuster aankeek.

»Nu, kan ik wat voor u doen?" vroeg de professor.

Het loterijbriefje · 第 8 / 18 段