»Neen, neen, nog niet," riep hij uit, toen hij meende dezen eene

beweging te zien maken. »Blijf stil liggen, ik ben te vermoeid en

uitgeput, om u van eenig nut te kunnen zijn."

[Illustratie: Joël begon, op zijn buik glijdende, naar boven te kruipen.

Blz. 80.]

De reiziger bleek reeds een man van jaren te zijn, maar stevig gebouwd,

met een schoon en edel gelaat, dat er daarenboven aangenaam, beminnelijk

en glimlachend uitzag.

Inderdaad, Joël was er eerder op voorbereid geweest, om daar een

jeugdigen vermetele te ontmoeten, die het er op gezet had, om den

Maristiaan-pas te overschrijden.

»Het is onvergeeflijk, wat gij gedaan hebt, mijnheer," zei Joël, terwijl

hij zich half op den grond uitstrekte, om weer bij adem te komen. »Het

is waarlijk zoo onvoorzichtig mogelijk."

»Wat, onvoorzichtig!" antwoordde de reiziger. »Zeg eerder dat het zoo

dom, zoo ezelachtig mogelijk is. Dan zult gij dichter bij de waarheid

komen. Ja, ezelachtig, ik neem dat woord niet terug."

»Gij hebt uw leven gewaagd...."

»En er u toe gedwongen, het uwe te wagen! Nogmaals, mijn gedrag is

ezelachtig."

»O! wat mij betreft.... Ik heb mijnen plicht gedaan. Zoo iets komt in

ons vak nog al voor," zei Joël.

Terwijl hij zoo sprak, stond hij op. Die weinige minuten hadden hem

zijne krachten hergeven.

»Thans geldt het om den bovenrand van de nok te bereiken," vervolgde

hij; »maar Goddank, het moeielijkste is achter den rug. Daaromtrent

behoeven wij ons niet meer te bekommeren."

»Het moeielijkste?.... Gij schertst?...." vroeg de vreemdeling met een

ongeloovigen glimlach om de lippen.

»Ja, mijnheer," antwoordde Joël, »het moeielijkste was bij u te komen.

Niet waar, Hulda?"

Het jonge meisje zei geen woord, maar knikte toestemmend.

»Wij hebben thans niets anders te doen," ging Joël voort, »dan die

helling op te stijgen, die veel minder steil is, dan die ik opgeklommen

ben. Kijk maar."

»Gij zult echter wel doen, beste kerel, om, bij het maken uwer plannen,

niet te veel op mij te rekenen."

»Niet op u rekenen?...." vroeg Joël ontsteld, terwijl hij zijne zuster

aankeek.

»Ik heb daar een been," ging de vreemdeling voort; »waarvan ik noch in

dit oogenblik, noch over eenige dagen eenigen dienst zal mogen vergen.

Dat is treurig, maar dat is zoo."

»Kom, het zal zoo erg niet zijn. Beproef nu maar eens op te staan."

»Ik zal beproeven. Wees gerust, aan mij zal het niet liggen. Ik heb

geestkracht genoeg."

»Goed vasthouden, Hulda," beval de berggids zijne zuster met den meesten

ernst aan.

»Ik houd hem, wees gerust," antwoordde het jonge meisje, thans kalm en

bedaard.

»Nu, sta op," zei Joël.

»Gaarne.... als gij mij uwe hulp maar verleenen wilt," antwoordde de

vreemdeling.

»Grijp den arm mijner zuster."

»Ik heb hem beet."

»Goed ik zal u nu ondersteunen en u in de lendenen voortduwen."

»Met kracht?"

»Ja, met kracht."

»Welnu, vrienden, ik laat het geheele geval aan u over," zei de reiziger

met onderwerping.

»Dat is ook het beste, wat gij doen kunt," antwoordde Joël, glimlachende

over die berusting.

»Gij hebt op u genomen, mij uit den mosterd te halen. Welnu, gaat uw

gang."

Men ging te werk, zooals Joël voorgeschreven had, en betrachtte daarbij

de meest mogelijke voorzichtigheid. Hoewel die opstijging niet geheel en

al zonder gevaar was, zoo bracht ons drietal het er toch beter af, dan

zij gedacht hadden. Daarenboven, de reiziger had bij zijnen val noch

breuk, noch ontwrichting, noch kneuzing opgeloopen; hij kon dus beter

zijne handen gebruiken dan hij gemeend had. Ook zijn beenen weigerden

geen dienst. Wel leed hij veel pijn, daar het eene been deerlijk ontveld

was. Maar, dat was niets bij het gevaar, dat hij geloopen had. In zulke

omstandigheden gevoelt men geene pijn.

Tien minuten later was hij aan de overzijde van den Maristiaan-pas in

volkomen veiligheid.

Daar zou hij onder de eerste groepen denneboomen, die het bovenste

bergvlak van den Rjukanfos omzoomen, hebben kunnen uitrusten. Maar Joël

verzocht hem ten dringendste nog eene laatste poging aan te wenden. Het

kwam er op aan eene hut te bereiken, die, onder het geboomte verscholen,

op een korten afstand achter de rots gelegen was, waarop zijne zuster

en hij stilgestaan hadden, toen zij bij den waterval aangekomen waren.

De reiziger deed zijn best om aan dat verzoek te voldoen en slaagde

volkomen. Aan den eenen kant gesteund door Hulda, aan den anderen door

Joël, bereikte hij zonder te veel vermoeidheid en inspanning de deur van

bedoelde hut. Toch kon hij bij aankomst een zucht van verlichting niet

bedwingen, het zweet parelde hem op het voorhoofd.

»Laten wij binnengaan, mijnheer," zei toen het jonge meisje, »dan zult

gij daar een poos kunnen uitrusten."

»Ja, treed binnen," hernam Joël op zijn beurt. »Kom binnen, mijnheer!"

»Ja, maar.... dat lieve kind spreekt van eene poos te rusten?"

»Zeker, mijnheer, en ik geloof dat die rust u goed zal doen."

»Dat denk ik ook, maar zal die poos een goed kwartier kunnen duren?"

»Ja zeker en langer ook; maar...."

»Maar wat? Spreek op."

»Dan zult gij moeten toestemmen met ons naar Dal te gaan, mijnheer. Zult

ge?"

»Naar Dal?"

»Ja."

»Daarheen was ik juist op weg."

»Kijk, kijk," sprak Joël op zijne beurt.

»Wat scheelt u nu, vriend?" vroeg de vreemdeling aan den berggids. »Gij

schijnt verwonderd."

»Zijt gij ook bijgeval de toerist, die uit het noordelijke gedeelte des

rijks moet aankomen," vroeg Joël, »en wiens komst nog in het Hardangsche

gemeld werd?"

»Juist, die ben ik."

»Drommels, gij hebt den goeden weg niet genomen...."

»Dat begin ik ook in te zien."

»Als ik had kunnen voorzien, wat thans gebeurd is, dan zou ik u op den

anderen kant van den Rjukanfos hebben gaan wachten. Maar, inderdaad, ik

dacht niet...."

»Dat zou eene goede gedachte van u geweest zijn, mijn wakkere kerel. Gij

zoudt mij dan belet hebben deze onvoorzichtigheid te plegen, die op mijn

leeftijd onvergefelijk is...."

»Onvergefelijk op iederen leeftijd, mijnheer," viel Hulda hoogst ernstig

in.

»Kom, treed binnen," sprak Joël. »Gij moet uitrusten."

Alle drie traden de hut binnen, waarin zich eene boerenfamilie bevond,

een vader met twee dochters. Dat drietal stond op en ontving de gasten

op echt Scandinavische wijze, dat wil zeggen hartelijk en welgemeend.

Joël onderzocht nu de verwonding van den reiziger en bevond dat hij

slechts eene vrij groote ontvelling aan het been, iets beneden de knie,

opgeloopen had. Erg was het niet; maar die ontvelling vereischte toch

eene doelmatige verpleging. Minstens zou de vreemdeling eene week rust

moeten houden. Maar het been was noch ontwricht, noch gebroken. En dat

was het voornaamste.

Overheerlijke melkspijzen werden met een overvloed van aardbeien en een

stuk droog brood aangeboden en aangenomen.

Joël schaamde zich niet te laten zien, dat hij een flinken eetlust

bezat. Hulda at weinig, maar de reiziger deed zich te goed en vreesde

volstrekt niet den berggids op zijde te streven.

[Illustratie: Aan den eenen kant gesteund door Hulda, aan den anderen

kant door Joël. Blz. 83.]

»Drommels," zei hij, »die inspanning heeft als het ware mijn maag

uitgehold."

»Nu, eet dan maar flink," zei de bewoner der hut.

»Ik beken evenwel," ging de vreemdeling voort, »dat het meer dan

onvoorzichtig was, toen ik den Maristiaan-pas over wilde."

»Dat was het ook," antwoordde Joël ernstig. »Die bergpas is zeer

gevaarlijk."

»Het was mij inderdaad blootstellen aan eene herhaling van de rol

van...."

»Welke rol?" vroeg Hulda, toen zij den reiziger glimlachend zag

aarzelen.

»Van den ongelukkigen Eystein," antwoordde hij met een ondeugenden trek

op het gelaat.

»O, gij kent de legende?" zei het jonge meisje.

»Zeker ken ik haar!.... Mijne min zong er mij mee in slaap, natuurlijk

in het gelukkige tijdperk mijns levens, dat ik nog eene min bezat. Ja,

ik ken die legende, lief, moedig meisje, en ik gevoel er mij te meer

schuldig door. Waarlijk, het is te erg, op mijn leeftijd nog eens den

val van Eystein, wiens vader, ja wiens grootvader ik had kunnen zijn, te

herhalen. Maar, goede vrienden, zal nu een tocht naar Dal niet te ver

voor een kreupele zijn? Gaan zal ik niet kunnen..."

»Laat dat maar aan ons over," zei Hulda.

»Dat is alles goed en wel. Maar, hoe zult gij mij derwaarts vervoeren?"

vroeg de vreemdeling.

»Verontrust u daaromtrent niet, mijnheer," antwoordde Joël. »Ons

karretje wacht ons hier beneden aan het pad. Wij hebben dus niet meer

dan driehonderd passen af te leggen."

»Hm!... driehonderd passen."

»Dalen, niet stijgende," vulde het jonge meisje aan. »Kom, dat zal wel

gaan."

»O, als het dalende is, dan gaat het vanzelf, goede vrienden. Als ik dan

maar op een schouder zal mogen steunen...."

»Waarom niet op twee?" vroeg Joël. »Wij hebben er vier ter uwer

beschikking, niet waar?"

»Welnu, ik neem de twee, ja de vier aan. Dat zal mij niet meer kosten;

is dat zoo niet?"

»Dat zal u niets kosten," riepen broeder en zuster tegelijkertijd en als

in één adem uit.

»Toch, een dank per schouder of per arm, dat is niet te veel, dunkt me.

Maar ik bespeur, helaas...."

»Wat toch?"

»Dat ik ulieden nog niet bedankt heb. Dat is inderdaad onvergeeflijk."

»Bedankt voor wat?" vroeg Joël.

»Nu nog mooier! Wel voor den grooten dienst, dien gij mij bewezen

hebt."

»Een grooten dienst?"

»Welnu, gij hebt mijn leven gered en daarbij het uwe gewaagd. Niets

minder dan dat."

»Kom, laat ons vertrekken, het is tijd, wilt gij?" zei Hulda, die

opstond om aan de plichtplegingen een einde te maken.

»Of ik wil?... Wel zeker!... wil ik. Ik doe in den regel alles, wat men

van mij verlangt."

Daarop betaalde de reiziger de kleine vertering, bij de bewoners der hut

gemaakt, waarna hij, een weinig geholpen door Hulda en zeer veel door

haren broeder Joël, het kronkelend pad afdaalde, dat naar den oever der

Maan-rivier voert en daar aan den weg naar Dal aansluit.

Die afdaling geschiedde uiterst langzaam, en niet zonder dat de pijn den

reiziger eenige kreten had doen uitstooten, die evenwel steeds door een

gullen schaterlach gevolgd werden.

Eindelijk was de houtzagerij bereikt en kon Joël dadelijk beginnen het

karretje aan te spannen.

De reiziger was vijf minuten later in het voertuig getild, terwijl het

jonge meisje naast hem plaats nam.

»En gij?" vroeg hij aan Joël. »Als ik het wel heb, dan neem ik uwe

plaats in, niet waar?"

»Die ik u zeer gaarne afsta," antwoordde de berggids.

»Maar, als wij wat opschikten, wat tegen elkaar drongen, dan dunkt

me...."

»Neen, dat gaat niet."

»Jawel, het kan zeer goed."

»Neen, mijnheer, ik heb mijne beenen, echte gidsbeenen en.... vergeef

mij; die wegen wel tegen een paar wielen op...."

»Ja, beenen hebt gij, mijn vriend," sprak de vreemdeling, »en een paar

flinke ook."

Men reed af en volgde den weg, die langzamerhand de Maan-rivier naderde.

Joël had het paard bij het hoofdstel gegrepen en geleidde het bij den

toom, waarbij hij zorgde de schokken van het karretje zooveel mogelijk

te vermijden.

Die terugtocht werd vroolijk en prettig, althans van de zijde van den

reiziger, afgelegd. Hij praatte, alsof hij een oud vriend van de familie

Hansen geweest was.

Voordat zij aan de herberg van Dal aangekomen waren, hadden broeder en

zuster den naam van den reiziger vernomen en noemden zij hem niet anders

dan »mijnheer Silvius", terwijl die heer hen niet anders dan Hulda en

Joël heette, alsof zij alle drie elkander sedert lang gekend hadden.

De fijne spits van den kleinen kerktoren van Dal werd omstreeks vier

uur tusschen het loof der boomen, die het gehucht overschaduwden,

zichtbaar. Weinige minuten later stond het paard voor de herberg van

het dorp stil. De reiziger steeg, hoewel niet zonder moeite, uit het

karretje. Vrouw Hansen was naar buiten getreden om hem te ontvangen; en

hoewel hij niet de fraaiste kamer van het huis gevraagd had, werd hem

die toch gegeven.

IX.

SILVIUS HOG.

Sylvius Hog, de naam, dien de reiziger in het vreemdelingenboek

neergeschreven had, volgde daarin onmiddellijk op dien van Sandgoïst,

zijn voorganger in de herberg.

Men moet erkennen, dat die twee namen, zoo onder elkander geplaatst, een

levendig contrast vormden, en niet alleen de namen, maar ook de

personen, die ze droegen.

Tusschen die twee bestond hoegenaamd geene overeenkomst noch geestelijk

noch lichamelijk.

Was de een edelmoedig, de ander was de verpersoonlijkte gierigheid.

Was de een de goedheid des harten zelf, de ander bezat eene dorheid van

gemoed, die haars gelijken niet had.

Sylvius Hog was ternauwernood zestig jaren oud. Eigenlijk scheen hij

veel jonger. Hij was groot van gestalte, liep rechtop, had een aangenaam

voorkomen, een helder hoofd en was naar lichaam en ziel gezond. Hij viel

door zijn schoon en beminnelijk gelaat, dat geheel baardeloos was,

dadelijk in ieders smaak. Dat gelaat werd aangenaam omlijst door zijn

grijzend hoofdhaar, dat hij wel wat lang droeg. Zijne oogen stonden

vriendelijk en vertoonden evenals zijne lippen steeds een glimlach. Zijn

voorhoofd was breed en bevatte voldoende ruimte om er de edelaardigste

gedachten in te laten ontkiemen of daaraan toegang te verleenen. In

zijne breede borstkas klopte zijn hart met vrije en onbelemmerde

beweging. Aan al die voordeelen paarde hij een onkreukbaar, vroolijk

gemoed, een scherpzinnig en ontwikkeld verstand, eene geaardheid, die

tot iedere edelmoedigheid, tot iedere toewijding in staat was.

Sylvius Hog van Christiania.... die naam zeide genoeg. Want hij was niet

alleen algemeen bekend, bemind en geëerd in de Noorweegsche hoofdstad,

maar ook het geheele land door--Noorwegen wel te verstaan. Want de

gevoelens, die men omtrent hem in de andere helft van het Scandinavische

schiereiland, namelijk in het koninkrijk Zweden koesterde, waren niet

dezelfde als in Noorwegen.

[Illustratie: Joël had het paard bij het hoofdstel gegrepen. Blz. 87.]

Dat vereischt eene nadere uitlegging, niet waar? Welnu, wij zullen haar

geven.

Sylvius Hog was professor in de rechtswetenschappen te Christiania. In

andere staten behoort hij die advocaat, of ingenieur, of geneesheer, of

handelsman is tot de eerste standen der maatschappij. In Noorwegen is

dat niet zoo. Hij die professor is, staat aan het hoofd van alles, staat

op de bovenste sport van de maatschappelijke ladder.

In het naburige Zweden is de natie verdeeld in vier klassen: de adel, de

priesterstand, de burgerij en de boerenstand. In Noorwegen daarentegen

bestaan er slechts drie, namelijk de drie laatstgenoemden, terwijl

de adel ontbreekt. Men treft er geen enkel vertegenwoordiger van de

aristocratie aan, zelfs niet tusschen de ambtenaren. In dat zoo gunstig

bedeelde land, waar geen privilegiën bestaan, kunnen de ambtenaren niets

anders zijn dan de zeer nederige dienaren van het publiek.

Om kort te zijn, in Noorwegen heerscht eene volmaakte sociale gelijkheid

en geene staatkundige verdeeldheid hoegenaamd. Och, dat andere landen

dat ook konden zeggen!

Sylvius Hog was dus een der aanzienlijkste mannen van zijn vaderland en

het zal niemand verwonderen, dat hij lid der Storthing was, wat zooveel

beteekent als lid van de Tweede Kamer in Nederland.

In de vergaderingen van dat lichaam oefende hij, zoowel door zijne

persoonlijke waarde als door zijn onkreukbare eerlijkheid in het private

en het openbare leven, een grooten invloed uit, zelfs op die

boerenafgevaardigden, die door de landlieden gekozen en in de

meerderheid zijn.

Sedert dat de grondwettige bepalingen van 1814 uitgevaardigd werden, kan

men inderdaad naar waarheid beweren, dat Noorwegen een gemeenebest is,

aan welker hoofd de koning van Zweden staat.

Het spreekt vanzelf, dat datzelfde Noorwegen ten aanzien van zijne

prerogatieven en zijne rechten zeer ijverzuchtig is en geen beperking

daarvan duldt. Daardoor dan ook heeft hij zijn zelfbestuur behouden, wat

zeer te waardeeren is.

De Noorweegsche Storthing heeft met het Zweedsche parlement niets

gemeen. Daaruit zal men lichtelijk begrijpen, dat een der invloedrijkste

en meest vaderlandlievende volksvertegenwoordigers met geen welwillend

oog gezien werd aan de andere zijde van de denkbeeldige grens, die

Zweden van Noorwegen scheidt.

Zoo was Sylvius Hog. En nu iets over zijn inborst. De lezer moet hem

leeren kennen.

Hij had een zeer onafhankelijk karakter. Hij wilde niets wezen en aan

niemand eenige verplichting hebben.

Meermalen had hij geweigerd lid van den ministerraad te zijn. Steeds

trad hij op als verdediger van al de rechten van Noorwegen, en had zich

daarom steeds en met den meesten nadruk tegen de pogingen van Zweden

aangekant, om invloed in zijn vaderland te verwerven en veelal had hij

daarbij zijn zin gekregen.

De zedelijke en staatkundige afscheiding tusschen de twee rijken is

zoo aanmerkelijk, dat de koning van Zweden,--toenmaals Oscar XV

genaamd,--nadat hij zich, bij zijne aanvaarding van de regeering

te Stockholm had laten kronen, genoodzaakt was de plechtigheid te

Drontheim, de oude hoofdstad van Noorwegen, te doen herhalen. De

voorzichtigheid der Noren in handelszaken, die wel een weinig op

wantrouwen gelijkt, is zoo groot, dat de Bank van Christiania ongaarne

biljetten van de Bank van Stockholm in ontvangst neemt! En zoo iets

tusschen twee handeldrijvende en zeevarende natiën geeft heel wat te

denken, niet waar?

Zoodanig is de verwijdering tusschen de twee volkeren, dat de Zweedsche

vlag noch op de openbare gebouwen wappert, noch zich ontplooit aan de

gaffel of aan de masttoppen der Noorweegsche vaartuigen. De eene

vertoont een blauw veld met geel kruis, de andere een blauw kruis op

rood veld.

Nu was Sylvius Hog in lijf en ziel, in hart en nieren de partij van

Noorwegen toegedaan. Hij verdedigde de belangen van dat land overal en

bij iedere gelegenheid. Bij voorbeeld, toen de Storthing in 1854 de

quaestie behandelde, om voortaan geen onderkoning meer, zelfs geen

gouverneur aan het hoofd des lands toe te laten, was hij een der

eerste, die de debatten daarover opende, die met kracht en onbezweken

standvastigheid volhield en wel zoo dat hij dat beginsel, wat toch

zooveel kwaad bloed in Stockholm en in geheel Zweden zette, deed

zegevieren.

Men zal gevoeglijk kunnen begrijpen, dat, al was hij niet zeer bemind in

het oostelijk gedeelte van het Scandinavische schiereiland, hij het des

te meer was in het westelijke gedeelte en daar zelfs in de afgelegenste

gaards van het geheele land. Zijn naam was bekend en op ieders lippen

in het bergachtige Noorwegen van af de omstreken van Christiania, ja

van af kaap Lindesnaess of Kaap ter Neus tot aan de uiterste rotsen van

de Noordkaap. Hij verdiende die populariteit van goed allooi ten volle,

en geen laster had ooit noch den afgevaardigde, noch den professor van

Christiania kunnen bereiken. Daarenboven was hij een echte Noorman, maar

een Noorman met vurig bloed, die niets van de traditioneele flegmatieke

geaardheid zijner landgenooten bezat. Hij was veelmeer een man van

oogenblikkelijke beslissingen, zoowel in woord als in daad, en maakte

daardoor op het Scandinavische karakter wel eene uitzondering. Men zag

dat aan zijne vlugge bewegingen, aan zijne driftige gebaren, men hoorde

dat aan het snelle spreken. Als hij in Frankrijk geboren was, zoude men

geen oogenblik geaarzeld hebben, hem voor een bewoner der zuidelijke

provinciën aan te zien, voor een Gascogner of een inboorling van

Provence of Languedoc, zoo men namelijk met die vergelijking vrede kan

hebben, die evenwel zeer toepasselijk op hem is.

Het bedrag van zijn vermogen deed Sylvius Hog tot de welgestelden

behooren. Daaruit bleek, dat hij geen munt geslagen had uit zijn

deelnemen aan de regeeringszaken, waardoor hij zich zoo gunstig

onderscheidde van de staatslieden van andere landen, die in hunne

landsbetrekkingen slechts een middel zien om zich vet te mesten. Hij

was niet baatzuchtig; hij dacht nooit aan zich zelven, maar steeds aan

anderen. Hij was dan ook afkeerig van hooge posten, die door anderen

zoo nagejaagd worden. Het was hem voldoende afgevaardigde te zijn.

In de Storthing meende hij zijn vaderland nuttig te kunnen zijn, meer

verlangde hij niet.

Op het oogenblik dat wij hem ontmoeten, genoot Sylvius Hog een verlof

van drie maanden om uit te rusten van de vermoeienissen en inspanningen

van een vol jaar, in aanhoudenden arbeid doorgebracht. Hij had

Christiania sinds zes weken ongeveer verlaten, met het doel om de

geheele streek af te reizen, die zich uitstrekt tot bij Drontheim,

namelijk de Hardangsche en de Telemarksche provinciën en de districten

Konsberg en Drammen. Hij wilde die streken bezoeken, welke hij nog niet

kende. Het was dus eene reis, die zoowel tot studie als tot uitspanning

diende.

Sylvius Hog had reeds een gedeelte zijner reis afgelegd, en het was bij

zijne terugkomst uit de in het noorden gelegen baljuwschappen, dat hij

van de gelegenheid gebruik wilde maken, om den beroemden waterval van

Rjukanfos en de wonderen van de Telemarksche streken te bezichtigen.

Nadat hij het project van een spoorweg, van Drontheim naar Christiania,

op het terrein nagegaan had, had hij een gids doen opsporen, om hem naar

het gehucht Dal te brengen. Deze gids hoopte hij op den linkeroever der

Maan-rivier aan te treffen.

Maar zonder dien af te wachten, werd hij aangetrokken door de

bewonderenswaardige vergezichten, die in de nabijheid van den

Maristiaan-pas aangetroffen worden. Hij had zich op den gevaarlijken

rotsklomp gewaagd, wat eene groote onvoorzichtigheid moest genoemd

worden. Zij had hem bijkans het leven gekost. En het mag niet vergeten

worden, dat zonder de tusschenkomst van Joël Hansen en van zijne zuster

Hulda de reiziger en zijne reis in de kolken van den Rjukanfos een

jammerlijk einde zouden gevonden hebben. Wij hebben gezien, hoe hij uit

zijn neteligen toestand gered werd.

X.

DE GAST VAN DE HERBERG TE DAL.

Het onderwijs, dat op het Scandinavisch schiereiland, zoowel aan de

bewoners der steden als aan de landlieden gegeven wordt, mag gerust

uitstekend genoemd worden. Het onderricht gaat zelfs verder dan het

leeren van lezen, schrijven en rekenen. De boer leert gemakkelijk en

gaarne. Hij heeft een ontwikkeld verstand. Hij stelt belang in de

openbare zaak en neemt ruimschoots deel aan de staatkundige en

gemeentelijke verhandelingen. De mannen van dat gehalte hebben in de

Storthing steeds de meerderheid.

Somtijds nemen zij in 's lands vergaderzaal zitting in de nationale

kleederdracht hunner provincie. Zij zijn beroemd, en met recht, voor hun

gezond verstand, voor hun practischen zin en voor hunne juiste opvatting

der zaken. Zijn zij ook al ietwat langzaam bij het nemen hunner

besluiten, zoo munten zij daarentegen uit door hunne onomkoopbaarheid,

wat in onze veile eeuw wel als eene zeldzaamheid aan te merken is.

Het is dus niet te verwonderen, dat de naam van Sylvius Hog door geheel

Noorwegen bekend was, en dat hij overal met veel eerbied genoemd en

uitgesproken werd, zelfs tot in het wildste en woestste gedeelte van het

bergachtige en bijna ontoegankelijke Telemarken.

Vrouw Hansen meende dan ook, dat het gepast was den zoo algemeen

geachten gast te zeggen, toen zij hem onder haar dak ontving, dat zij

zich zeer vereerd gevoelde hem huisvesting te kunnen verleenen.

»Ik weet niet of u dat eer aandoet, vrouw Hansen," antwoordde Sylvius

Hog, »maar wel weet ik dat het mij genoegen doet hier te zijn."

»Waarlijk, mijnheer?" vroeg de waardin van de herberg van Dal gestreeld.

»Ja zeker," antwoordde de geleerde. »Ik had reeds zoo dikwijls door

mijne leerlingen hooren spreken over uwe gastvrije inrichting. Daarom

heb ik besloten, om hier gedurende eene week te komen uitrusten. Maar

dat Sint Olaf mij straffe...."

»Het is zonde! Schei uit," viel hem vrouw Hansen in de rede.

»Dat Sint Olaf mij straffe!" ging Sylvius Hog onverstoorbaar voort, »als

ik had kunnen denken, dat ik hier met een manke vlerk zou aankomen."

En terwijl hij dit zeide, greep de goede man de hand der waardin en

drukte die hartelijk.

»Mijnheer Sylvius?"

»Wat belieft u, lieve Hulda?" vroeg hij vriendelijk.

»Verlangt gij dat mijn broeder een geneesheer te Bambel ga halen?"

»Een geneesheer?"

»Ja, een geneesheer. Mij dunkt ik spreek toch duidelijk, niet waar?"

Het loterijbriefje · 第 7 / 18 段